Bijlage bij RA21.0028 - Wijzigingen bepalingen carbidschieten (RIS.10131)
Tekst van het document
Artikel 2:40 Carbidschieten Carbid schieten (acetyleengas of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze tot verbranding te brengen) is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. het schieten met carbid vindt plaats tijdens de jaarwisseling op 31 december van 10.00 uur tot 19:00 uur; 2. er wordt gebruik gemaakt van (melk-)bussen tot een maximuminhoud van 50 liter per bus; 3. het terrein vanwaar geschoten is: a. bij gebruik van maximaal 5 (melk-)bussen: gelegen op een afstand van tenminste 50 meter van woonbebouwing, en b. bij gebruik van meer dan 5 (melk-)bussen: gelegen op een afstand van tenminste 75 meter van woonbebouwing; 4. het terrein dient zodanig te zijn ingericht dat toeschouwers niet in de schietrichting kunnen komen; 5. de organisator van het carbid schieten is 18 jaar of ouder en is verantwoordelijk voor de naleving van de in deze bepaling gestelde voorwaarden en is tijdens het carbid schieten als zodanig aanspreekbaar voor toezichthouders en/of politieagenten; 6. uiterlijk 15 december van het betreffende jaar wordt het terrein, van waar wordt carbid geschoten onder bovenstaande voorwaarden, schriftelijk of digitaal doorgegeven aan het college met gegevens van de organisator ten einde effectief en efficiënt toezichthoudende taken te kunnen uitvoeren. 7.
In geval van een situatie als bedoeld in het eerste lid, is het verbod als bedoeld in artikel 4:4, tweede lid, van deze verordening niet van toepassing.
Artikel 4:4 Overige geluidshinder 1. Als in een inrichting als bedoeld in het Besluit onversterkte muziek ten gehore wordt gebracht, zijn de artikelen 2.17 en 2.20 van het Besluit van toepassing. 2. Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of van het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 3. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. 4. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden onder meer betreffende: a. het maximale geluidsniveau; b. situering van geluidsbronnen; c. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het in het tweede lid genoemde verbod is niet van toepassing op de situatie als bedoeld in artikel 2:40, eerste lid, alsmede op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale milieuverordening. 6. Op de aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het tweede lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (Positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.