Bijlage 8 - De gemeente Emmen in het perspectief van het landschap
Tekst van het document
Afb. 33 Kadastrale kaart 1880 Oevermanskamp Afb. 34 Kadastrale grenzen 2010
Den Oever (zie verticale tekst)
Karakteristieke vorm verkaveling
Smalle strookverkaveling nog aanwezig
32
Voordat het veen is afgegraven heeft in de buurt van Den Oever de zogenoemde Heeren- of Leidijk gelegen. Binnen de Gemeente Emmen liep deze van Veenoord via Den Oever en Emmer-Compascuum naar Ter Apel. Ter hoogte van Den Oever zijn hier geen sporen in het landschap meer terug te vinden. De wegenstructuur is enerzijds aanzienlijk veranderd maar anderzijds zijn er nog steeds historische wegen aanwezig. De aanleg van de N862 naar Klazienaveen in de periode 1955 – 1965 vond zowel ten noorden als ten zuiden van den Oever plaats op basis van bestaande wegenstructuren. Ten noorden van de huidige kruising met de ringweg N391 werd de N862 aangelegd op de historische weg die reeds op de kaart van 1850 wordt weergegeven. Deze weg verbond het dorp Angelslo met Den Oever. Ten zuiden van de Bargerweg lag reeds een weg c.q. pad aangelegd in de periode 1850 – 1900. De N862 verbond beide historische wegen ten noorden en ten zuiden van Den Oever maar doorsneed, zonder rekening te houden met bestaande structuren, het
gebied rondom Den Oever. Als gevolg van de aanleg van de ringweg N391 en de daarbij behorende op- en afritten is Nieuwen Oever voor het grootste gedeelte verdwenen. Met name de aanleg van deze ringweg heeft ertoe geleid dat de nederzetting Nieuwen Oever op twee boerderijen na is verdwenen. De invloed van de wegen is hier zo groot dat geen sprake meer is van een nederzettingspatroon. De oude boerderij Den Oever is nog steeds aanwezig maar is in gebruik als woonhuis. Andere paden zijn nog redelijk intact gebleven. De Oevermansweg en het Schoolpad volgen min of meer het oude traject. Enkele paden die op de topografische kaart worden weergegeven zijn slecht of niet begaanbaar doordat ze zijn overwoekerd of afgesloten voor publiek. De historische verkavelingstructuur van het voormalige Den Oever (deelgebied 1) is nog zeer gaaf aanwezig. De smalle strookverkaveling, karakteristiek voor agrarische gronden die vanaf de Middeleeuwen werden bewerkt met de keerploeg, is al op de kaart van 1773 - 1794 te zien (zie afb. 30).
De huidige kadastrale grenzen laten nog steeds de smalle strookverkaveling zien. Ook zijn de gronden nog voornamelijk in agrarisch gebruik. Het gebied kende en kent geen slotenpatroon en/of open water. De beplantingstructuur is nog zeer gaaf aanwezig. Dit geldt vooral de bestaande bosjes c.q. het bos en enkele restanten van houtwallen ten westen van de Oevermansweg. Het bosje in gebied 1 wordt al op de kaart van 1773 - 1794 weergegeven, die van gebied 4 voor het eerst op de kaart van 1900. Van deelgebied 1 en 4 zijn de visuele karakteristieken nog goed herkenbaar. Door de bestaande bosjes, houtwalrestanten, het reliëf, agrarisch grondgebruik is sprake van een grote afewisseling van grotere en kleinere ruimtes, korte en langere zichtlijnen. Al met al is het gebied (1 en 4) een groene, relatief stille oase in een overig lawaaierig industriële omgeving. Deelgebied 2 en 3 zijn van een agrarisch gebied getransformeerd naar een stedelijke omgeving (weg en crematorium) en maken in visueel opzicht dan ook niet meer uit van Den Oever en omgeving.
Afb. 35 1955
Afb. 36 1965
Afb. 37 2005
33
34
Afb. 38 Essen bij Weerdinge
Afb. 39 Buitengebied
Afb. 40 Kaart 1850
Afb. 41 Kaart 1900
Afb. 42 Kaart 1930
Afb. 43 Kaart 1955
4.1.3 Gebied 3; Weerdinger essen Weerdinge kent meerdere essen. De eerste, grootste, es ligt langs het zuidwestelijke gedeelte van het dorp. Zowel de kadastrale kaart van 1832 als de topografische kaart van 1900 geeft dit gebied de naam ‘De Esch’ (zie kadastrale kaarten volgende pagina). De tweede es, de Kamper Esch bevindt zich ten noordwesten van het dorp waar de Meerbosweg overgaat in de Weerdingerzandweg. Volgens de Drentse Encyclopedie is de Kamper Esch een buiten het dorp gelegen ontginning die in de Middeleeuwen is ontstaan. Een tiende van de opbrengsten van deze es, de Weerdingertiende, worden afgedragen aan de kerk van Zweeloo. Dit recht is tot 1912 blijven bestaan en de kerk van Zweeloo kent nog altijd een Weerdinger deur. Of en zo ja, welke mate de Kamper Esch hoort bij de ten noorden van de es gelegen Kamperriet en Kamper Venen op de gronden van de Gemeente Borger-Odoorn is onbekend De derde es wordt op de kadastrale kaart van 1832
ook ‘De Esch’ genoemd. Deze lag in het gebied dat op de topografische kaart van 1900 ’t Holt wordt genoemd. Omdat het gebied rondom ’t Holt al op de kaart van 1850 als bouwland wordt weergegeven wordt het hele gebied ten westen van het dorp als es beschouwd. De essen bevinden zich op een glooiend terrein dat tot op de dag van vandaag goed herkenbaar is. Deze hoogteverschillen zijn voornamelijk aardkundig (geologisch c.q geomorfologisch) en in mindere mate bodemkundig (humus opgebracht door de mens) ontstaan. Zo ligt de Kamper Esch lager, te weten aan het begin van een daluitspoelingswaaier dat tussen Weerdinge en Valthe ligt (zie www.ahn.nl bij Weerdinge). De hoogtelijnen op de topografische kaarten van 1900 en 2005 geven een goede indicatie van de hoogteverschillen in dit gebied (zie volgende pag.). Het humushoudende dek van de moderpodzolgronden (code Y op de bodemkaart) is matig dik
(30 – 50cm). Naast moderpodzolgronden bestaat een gedeelte van de essen uit vorstvaaggronden (code Zb). Deze gronden vertonen enige verbruining. In het gebiedje dat in 1832 De Esch en in 1900 ’t Holt wordt genoemd liggen (grote) stenen aan het oppervlak. Op de bodemkaart geeft de cursief gedrukte toevoeging m….. voor de code (hier: Zb23x) weer dat in dit gebied grote hoeveelheden stenen aan en nabij het oppervlak voorkomen. De rode puntjes alsmede de toevoeging …..x aan de code geeft aan dat hier keileem van tenminste 20cm dik aanwezig is, beginnend tussen 40cm en 120cm (zie bodemkaart). Vooral gebieden waar dergelijke grote stenen aanwezig waren werden door de Trechterbekers gekozen om hun hunebedden te bouwen. In het nabij gelegen Valtherbos liggen nog steeds hunebedden. Het gebied kent dan ook een oude bewoningsgeschiedenis. Zo heeft ten zuidwesten van de Kamperesch een grote grafheuvelgroep gelegen (Bron: Historische Vereniging Emmen). In 1920 heeft Van Giffen vastgesteld dat deze groep bestond
Afb. 44 Kaart 1965
Afb. 45 Kaart 1975
Afb. 46 Bodemkaart
35
Afb. 47 Kadastrale kaart 1832: hier is het eigen kaartblad voor Kamper Esch en De Esch weergegeven
Afb. 48 Kadastrale kaart 1832 es Weerdinge
Oude Aschbroeken
Gemeentegrens
Kamper Esch De Esch
Weerdingerstraat
Afb. 49 Kadastrale grenzen thans 36
uit 31 ronde en twee langwerpige grafheuvels. De grafheuvels stamden uit verschillende tijdsperiodes. Er waren grotere en kleinere grafheuvel met kenmerken uit de jongste Steentijd, de oudere en jongere bronstijd, de oude IJzertijd en de tijd van volksverhuizingen. Gedetailleerde informatie over de grafheuvels kan gevonden worden op de site van de Historische Vereniging Emmen. Vrijwel alle door Van Giffen getekende grafheuvels komen ook op de kaart van Karsten uit 1818 voor. Er ontbreken slecht 7 grafheuvels. Dit betekent dat tussen 1818 en 1920
weinig veranderingen hebben plaatsgevonden. Dat kan niet gezegd worden voor de negentig jaar tussen 1920 en 2010. Er resteer slecht één grafheuvel. Deze ligt in het huidige Valtherbos. Het aantal wegen over en naar de essen is in de loop der tijd eerst toegenomen en vervolgens weer afgenomen. In de periode 1900 – 1955 nam het aantal wegen over maar vooral langs de essen toe. Dit hangt samen met de ontginning van de aanpalende veldgronden. Vanaf bestaande historische wegen werden paden richting deze
veldgronden aangelegd. Na 1955 en dan met name in de periode 1965 – 1975 is, mede onder invloed van de ruilverkaveling, het aantal wegen afgenomen en bestaande rechtgetrokken. De Weerdinger zandweg, Schapendrift en enkele wegen c.q. (doodlopende) paden vanaf de Weerdinger zandweg en één vanaf de Weerdingerstraat volgen nog min of meer het historische traject. De Weerdinger zandweg en de Schapendrift zijn wel rechtgetrokken en de laatste verlengd. De bebouwingsstructuur is nog zeer gaaf aanwezig. Dit betekent dat de essen onbebouwd zijn gebleven. Mede onder invloed van technologische verbeteringen maar vooral de ruilverkaveling zijn de oude maar inefficiënt geworden smalle stroken kavels samengevoegd. Naast de het samenvoegen is ook de kavelrichting op veel plaatsen veranderd. Bijzonder detail is dat de verkaveling bij de bebouwing langs de es (langs de Weerdingerstraat) nog wel de smalle strookverkaveling kent. Dit deel wordt echter niet tot het buitengebied gerekend. Het grondgebruik, te weten bouwland, is nog goed intact gebleven. De beplantingstructuur is nog gaaf aanwezig. Dit betekent dat de essen zelf onbeplant zijn. Het Meerbosch aan de rand van De Esch is nog steeds aanwezig, terwijl de bosjes ten zuiden van De Esch nog gedeeltelijk aanwezig zijn. De bosstroken om de Kamperesch zijn of verdwenen of opgegaan in het Valtherbos.
Afb. 50 Topografische kaart 2005 met hoogtelijnen
De essen zijn nog steeds open, onbebouwde ruimtes. Door de aanleg van met name het Valtherbos is met name De Esch een meer omzoomde ruimte geworden. Door de veldontginningen en het verwijderen van de bosstroken is de Kamperesch opgegaan in de overige agrarische omgeving. De es en omringende veldontginningen zijn in visueel opzicht één geheel. 37
Afb. 1 Beekdalgronden Sleenerstroom irond 1910
38
Afb. 2 Beekdalgronden Sleenerstroom van 1910 geprojecteerd op topografische kaart 2005 Lichtblauw = stad + geplande uitbreiding stad
Afb. 3 Beekdalgronden Sleenerstroom buitengebied
4.2. De beekdalgronden: Algemeen Voordat het esdorpenlandschap is ontstaan waren de beekdalen veelal begroeid met elzenbroekbossen en zeggenmoerassen en op de hogere delen ook els. Nadat landbouw zijn intrede deed, werden de beekdalgronden beweid en werd het landschap geleidelijk opener. Met het ontstaan van het esdorpenlandschap vanaf de 9e eeuw namen de boeren de terreinen aan de beek in gebruik als ‘madeland’ (hooiland). Namen als Emmermaden en de Maten verwijzen naar het historische gebruik als hooiland. Deze madegronden direct aan de beek waren meestal onbeplant. In het Sleenerstroomdal stonden rond 1900 bij de huidige Slenerweg enkele bosjes en het gebied werd dan ook Bosch maden genoemd. Of dit restanten van oude broekbossen waren is onbekend.
Afb. 4 Sleenerstroom ten westen van de N34
De hogere dalflanken zijn nog eeuwen niet verkaveld gebleven en werden beweid met dorpskuddes. Het landschap was een mozaïek van min of meer natuurlijke graslanden, broekbosjes en wilgenstruwelen. In de 16e en 17e eeuw zijn ook deze hogere dalflanken ontgonnen als hooi- en weilanden. In die tijd werden ook de onverkavelde beekdalen verdeeld in strookvormige groenlandperceeltjes. De boeren groeven afwateringsslootjes en legden houtwallen als veekering aan. Zo ontstond het kleinschalige stroomdallandschap met zijn smalle percelen en vele houtwallen. Het grensgebied tussen het beekdal en de hogere gronden wordt ook wel brink of blik genoemd. De blikveldweg en brinkmaden ten westen van Westenesch zijn zo genoemd. Historisch staan de meeste houtwallen op deze blikgronden.
In Drenthe werden veel beken al in de 1e helft van de 20ste eeuw min of meer recht getrokken. Echter de grootste veranderingen hebben zich voorgedaan na WOII. In de eerste plaats hebben ruilverkavelingen, die zich eerst tot de essen beperkten, ingrijpende gevolgen voor het landschap van de beekdalen gehad. De beken c.q. stroompjes werden op grootscheepse wijze gekanaliseerd en het aanliggende land dieper ontwaterd. Tegelijkertijd vond er een schaalvergroting van percelen, graslandverbetering en egalisatie van het zo karakteristieke micro-reliëf plaats en werden veel houtwallen verwijderd. De ontwikkelingen in het gebied van Sleenerstroom is hiermee vergelijkbaar.
Afb. 5 Beekdalgronden Sleenerstroom ten oosten van de N34 39
Afb. 6 Kaart 1935 40
Afb. 7 Kaart 1965
Afb. 8 Kaart 1975
4.2.1. Gebied 4; Sleenerstroom De aardkundige ondergrond, te weten het aflopende terrein richting beek, is matig herkenbaar geworden na de aanleg van de N34 in de periode 1965 – 1975. Deze weg heeft het noord- zuid lopende beekdal voor een groot deel in tweeën gedeeld. Alleen in het zuidelijke deel waar de N34 niet het terrein doorsnijdt is de glooiende ondergrond nog redelijk zichtbaar. Archeologische reconstructie heeft uitgewezen dat de huidige weg Turfdijk en Slenerweg (voorheen Emmermadedijk) voormalige dijken c.q. wegen zijn geweest. In de lage beekdalen werden wegen vaak dijken genoemd. Op dit moment zijn het nog zeer herkenbare cultuurhistorische lijnen in het landschap. Afb. 9 Archeolgische reconstructie
Bron: Archeologisch Bureauonderzoek Emmen
Voor de samenhang van de Sleenerstroom met het esdorpenlandschap zie 4. Het esdorpenlandschap; algemeen (pag 19 - 21) en 4.2 De beekdalgronden; algemeen (pag. 39). Een tweetal ontwikkelingen is voor het landschap van de Sleenerstroom van belang. De eerste, minst ingrijpende, vond in de periode 1900 – 1935 plaats. In de periode werden de meanderende stukken beek rechtgetrokken. Echter, de beekloop bleef, wellicht mede omdat het ook de gemeentegrens vormde, min of meer zijn oude loop behouden. Daar waar de Sleenerstroom nog steeds de gemeentegrens is, is dit nog steeds het geval. De tweede periode, waarin een metamorfose van het landschap plaatsvond, betreft vooral het tijdvak 1965 – 1975. Al voor 1965 is de hoogspanningsleiding aangelegd. In de periode 1965 – 1975 zijn vervolgens de water-, wegen-, verkaveling- en groenstructuur van het gebied sterk gewijzigd met als gevolg dat een aantal visuele karakteristieken ook zijn veranderd. In deze periode zijn de noord – zuid lopende N34 en de weg tussen de N34 en Sleenerstroom aangelegd evenals de oost – west lopende N381. Het pad Bargerdijk genaamd verdween. De N34 en N381 liggen vooral bij de op- en afritten en bij de overbruggingen over het Oranjekanaal ver boven het maaiveld waardoor het beekdal in visueel opzicht wordt opgedeeld. In dezelfde periode zijn de Sleenerstroom en de Bumawijk aan elkaar gekoppeld.
Deze laatste waterloop c.q. hoofdwijk van de hoogveenontginningen wordt nu ook Sleenerstroom genoemd. Ook is de verkaveling gewijzigd met name door de ruilverkaveling. Kleinschalige perceeltjes zijn samengevoegd tot grotere landbouwkavels. Alleen in het zuidelijke gedeelte, bij de huidige weg Zandzoom is de oude verkavelingstructuur nog enigszins herkenbaar. Datzelfde geldt voor het landgebruik. Alleen bij Zandzoom is het land nog voornamelijk in gebruik als weiland. Het merendeel van de beekdalgronden en dan met name in het noorden,
zijn in gebruik als bouwland met her en der een weilandje. De houtwallen c.q. singels die voorheen vooral op de overgang naar de wat hoger gelegen gronden stonden, zijn in dezelfde periode veelal verwijderd. Deze houtopstanden waren vooral te vinden in het zuidelijke gedeelte, namelijk bij Noordbarger Stroeten, De Slagen, De Zuidbarger Stroeten en de Noord- en Zuid-Barger weilanden en in mindere mate de Noordbroekmaden (zie kaart 1910). De lager gebieden die voorheen onbeplant waren zijn dat tot op de dag van vandaag nog steeds. Bijzonder detail zijn enkele bosjes die nog steeds in het gebiedje bij de Slenerweg tussen N34 en Sleenerstroom staan. Deze maakten voorheen uit van bosjes van Boschmaden (zie kaart 1910). Tenslotte hebben stadsuitbreidingen grote delen van het beekdal opgeslokt. Bargeres, een gedeelte van de Rietlanden en de in aanleg zijnde Delftlanden zijn hier voorbeelden van. Bijzonder detail bij Bargeres is dat de voormalige houtopstanden uitgangspunt zijn geweest in het stedenbouwkundig ontwerp en tot op de dag van vandaag nog aanwezig zijn. Dit terwijl in het beekdal zelfs het merendeel van de houtopstanden zijn verdwenen. Deze stadsuitbreidingen worden begrijpelijkerwijs niet tot het buitengebied gerekend en daarmee ook niet meer tot het onderhavige gebied. De huidige nog overgebleven beekdalgronden zijn daarentegen nog steeds vrijwel geheel onbebouwd.
Alleen langs de Zandzoom staat één boerderij en hiermee is de bebouwingstructuur, te weten een onbebouwd beekdal, nog zeer gaaf aanwezig. In een overig getransformeerd landschap een uniek gegeven. Door de metamorfose uit de periode 1965 – 1975 kan worden gesteld dat een nieuw, jong, landschap is ontstaan waarin infrastructurele werken (wegen, op- en afritten) het beeld grotendeels domineren. Met name in het zuidelijke deel herinneren enkele restanten (verkaveling, bosjes en onbebouwd gebied) nog aan vervlogen tijd. 41
Afb. 1 Heidevelden 1900 op kaart 2005
Afb. 2 Veldontginningen Stadsuitbreidingen
Stadsuitbreidingen op kampen Kleinschalige, oude, veldontginningen Veldontginningen na 1900 Ontginning naar bos
42
Afb. 3 Veldontginningen buitengebied met nummers gebieden
4.3. Veldontginningen algemeen De Gemeente Emmen kent oude veldontginningen, ook wel kampontginningen genoemd, jonge veldontginningen en mengvormen van beide. Karakteristiek voor de oude veldontginningen is het kleinschalige karakter. De smalle strookverkaveling is vergelijkbaar met die van de essen. In tegenstelling tot de essen die soms een ‘rafelige’ rand kunnen hebben, zijn de kampontginningen vaak recht begrensd. Veelal is sprake van een omzoming van singels c.q. houtwallen en/of een aanpalend bos(je). Deze kleinschalige veldontginningen liggen over het algemeen redelijk dicht bij het esdorp. Er is of geen bebouwing of slechts in beperkte mate. Vaak één of enkele boerderijen in of in de directe omgeving van de kampontginning. Ook het aantal wegen is beperkt. Alle oude kleinschalige veldontginningen zijn agrarische ontginningen. De gronden zijn in gebruik als bouw- of weiland met daarnaast een gerief- of hakhoutbos(je). De oude veldontginningen stammen uit de periode voor 1900. De jonge veldontginningen stammen uit de jaren tussen 1900 en WOII Dit was de tijd van de grote ontginningen, met nog enige uitloop na 1945 (Bron: E. Houting e.a. Brinkenboek). De jonge veldontginningen zijn veel grootschaliger en rationeler van karakter. Door grootschalige ontginning van de heidevelden tot zowel bouw- en weiland als dennenen sparrenbossen is het landschappelijke beeld veranderd.
In de Gemeente Emmen zijn na WOII en dan met name na 1965 veel jonge veldontginningen in gebruik genomen voor staduitbreidingen. Naast oude en jonge veldontginningen bestaan ook ‘mengvormen’. Dit zijn veldontginningen die hebben plaatsgevonden na 1900 maar die toch veel karakteristieken, bijv. de smalle strookverkaveling, hebben van de oude ontginningen. In 1900 waren deze gebieden dus nog heidevelden. Een andere ‘mengvorm’ betreft oude veldontginningen die later nogmaals een ontginningslag hebben gekend waardoor ze de karakteristieken van de jonge ontginningen hebben gekregen. 43
Afb. 6 Kadastrale kaarten 1880 (2 kaartbladen)
Weerdingerstraat Afb. 4 Knarphoorn en omgeving = paars
Afb. 7 Kaart 1850
Aansluiting kaartbladen
Emmerhoutstraat Afb. 5 Knarphoorn e.o. buitengebied 44
Afb. 8 Kadastrale grenzen 2010
4.3.1 Gebied 5 Knarphoorn en omgeving Knarphoorn ligt op de rand van de Hondsrug, op de overgang van de zandgronden naar het veenkoloniale dek. Uit praktische overwegingen is de Emmerhoutstraat als grens van het veenkoloniale dek gekozen. Het gebied ten noordoosten van deze straat wordt dan ook tot de kleinschalige veenontginningen gerekend. Dit ondanks dat het gedeeltelijk op het zand ligt. De aardkundige ondergrond, de steilrand van de Hondsrug, is hier zeer gaaf aanwezig. De hoogtelijnen op de topografische kaart van 1965
geeft de grote hoogteverschillen in het gebied goed weer. Het gebied waarin Knarphoorn ligt, werd in 1634 vermeldt als ‘Emmer Holt’. Later staat het ook wel vermeldt als ‘Emmer Struiken’ en ‘Emmer Hout’. Volgens de Historische Vereniging Emmen zou Knarphoorn ‘Klaagheuvel’ betekenen (Bron: www. historisch-emmen.nl) Knarpen betekent in het Drents klagen. De naam zou zijn ontstaan door een echtpaar dat in de buurt woonde en dagelijks ruzie hadden. De vrouw beklaagde zich dan ook voortdurend over haar
man. Op een dag wenste de vrouw haar man dood en tot haar schrik werd hij die dag dood thuisgebracht nadat hij van de wagen was gevallen. Na zijn dood beweerde de vrouw dat zij haar man regelmatig zag ‘verschijnen’ en het klagen ging dan ook gewoon door. Vandaar de naam Knarphoorn. De veldontginning bij Knarphoorn en omgeving is in de periode 1850 – 1880 ontstaan. De kadastrale kaart van 1880 (2 kaartbladen) geeft enkele behuizingen bij het kruispunten van de Oude Roswinkelerweg met de huidige Emmerhoutstraat.
Afb. 9 Houtwallen bij Knarphoorn en omgeving
45
46
Afb. 10 Kaart 1900
Afb. 11 Kaart 1935
Afb. 12 Kaart 1965
Afb. 13 Kaart 2005
Tot op de dag van is hier sprake van een kleine bewoningsconcentratie. Zuidelijker, niet tot het gebied behorend, zijn in de loop der tijd behuizingen langs de Emmerhoutstraat verschenen. Na 1975 is door bedrijfsuitbreidingen de omvang van gebouwen langs de Oude Roswinkelerstraat toegenomen. De topografische kaart van 1900 geeft goed weer dat het gebied op dat moment deels is ontgonnen en deels nog in ontginning is. In 1935 was het gebied geheel ontgonnen. De verkaveling bestond toen al uit in breedte verschillende stroken. In dit opzicht heeft het gebied ten noorden van Knarphoorn de
karakteristieke bredere kavelstructuur van een jonge veldontginning. De Oude Roswinkelerstraat die voorheen Emmen met Roswinkel verbond, nam vanaf Knarphoorn tijdens de vervening van o.a. het Roswinkelerveen en het Weerdinger Erfscheidenveen eerst in belangrijkheid af en is vervolgens vrijwel geheel verdwenen. In 1925 is gestart met de aanleg van een klinkerweg vanaf Valthe via Weerdinge en Knarphoorn tot Barger Oosterveld. Deze was in 1933 gereed en is bij Knarphoorn de huidige Emmerhoutstraat.
Zeer karakteristiek voor Knarphoorn is de aanwezigheid van houtwallen nabij het kruispunt Oude Roswinkelerstraat en Emmerhoutstraat. Enkele houtwallen zijn verdwenen en rondom de zandwinning dichte singels zijn aangelegd. Echter, die houtwallen die er nog zijn zorgen vooral bij Knarphoorn zelf nog steeds voor het kleinschalige karakter van een oude vedlontginning. De visuele karakteristieken, het uitzicht vanaf de Hondsrug op het lager gelegen veengebied en het kleinschalige karakter (houtwallen) bij Knarphoorn zelf zijn tot de dag van vandaag nog herkenbaar aanwezig.
Afb. 14 Weerdingerstraat bij Knarphoorn. Op de achtergrond links houtwallen 47
Afb. 16 Bodemkaart
Afb. 17 Kaart 1773 - 1794
Afb. 18 Kaart 1900
Afb. 19 Kaart 1935
Afb. 20 Kadastrale kaart 1832
Smalle strookverkaveling
Weerdingerstraat
Afb. 22 Kaart 1965 48
Afb. 23 Kaart 1975
Afb. 21 Kadastrale grenzen 2010
Afb. 24 Kaart 1985
Afb. 25 Kaart 2005
4.3.2 Gebied 6 De Weerdinger Emmer Kampen
Afb. 15 Weerdinger emmer Kampen en buitengebied De Weerdinger Emmer Kampen is een oude ontginning op een bijzondere plek. Historisch ligt het namelijk ten zuiden van de grens van de marke van Weerdinge, dus op de gronden van de marke van Emmen en Westenesch, maar het heet de Weerdinger Emmer Kampen in plaats van Emmer Weerdinger Kampen. Hoewel niet op de gronden van de marke van Weerdinge lag het kampje wel dichter bij de oude nederzetting Weerdinge dan bij Emmen. Hoe oud het kampje is, is onbekend. Het is, zij het zonder naam, al weergegeven in de Hottingeratlas uit 1773 – 1794. Gegeven de omvang van het kamp wordt in deze analyse uit praktische overwegingen ook de aanpalende gebiedjes tot aan de voormalige spoorlijn aan de oostkant en het bos aan de westkant meegenomen. De Weerdinger Emmer kampen liggen op een glooiend terrein dat bovendien door bemesting door de mens gedeeltelijk is opgehoogd. De bodemkundige ondergrond bestaat uit lemige loopodzolgronden (code cY23) met een 30 – 50cm humushoudend dek en uit lemige holtpodzolgronden (code Y23). Deze laatste wordt ook wel bruine bosgrond genoemd. Dat er sprake is van een reliëfrijke omgeving én van menselijk ingrijpen wordt ook weerspiegeld door de aanwezigheid van veengrond in een gebiedje tussen het kampje en het spoor. Het
betreft hier zogenoemde meerveengrond (code zVp op de bodemkaart). In het algemeen komen meerveengronden voor op plaatsen waar vroeger meren lagen in het niet afgegraven hoogveen. Dat is hier niet het geval. Waarschijnlijk zal in het verleden in een laagte een vennetje of moerasje hebben gelegen zodat in een voedselarm milieu veenvorming (veenmosveen) kon plaatsvinden. Door de mens is dit gebiedje vervolgens bezand. Door grondbewerking is het bezandingsdek met een gedeelte van het onderliggende veen vermengd en is een homogene bovengrond ontstaan. De draagkracht van deze bovengrond is afhankelijk van de bezanding. Wanneer de zandbijmenging dermate groot is dat het organisch stof gehalte minder is dan 15% dan is sprake van een meerveengrond. Dat is hier het geval. In het gebiedje zijn ook nog enkele heiderestanten te vinden bij het voormalige spoor, een uniek gegeven in de Gemeente Emmen. Alle historische wegen en paden zijn in het gebied nog goed herkenbaar. Dit geldt niet alleen voor de Weerdingerstraat die de Weerdinger Emmer Kampen in tweeën deelt, maar ook voor de paden die vanaf deze weg richting beide delen van het kamp lopen. Evenals in het verleden is het kamp nog steeds zeer beperkt bewoond. In het zuidoostelijke deel van het kamp stond in het verleden (zie kadastrale kaart 1832) één gebouw enwel ten zuiden van het pad.
Vanaf 1935 vermeldt de topografische kaart eerst één en vanaf 1955 twee huizen ten noorden van het pad. Tegelijkertijd is de behuizing aan de zuidkant dan verdwenen. In de 2e helft van de jaren zestig, begin jaren zeventig is achter beide huizen een trafostation neergezet. De kaart van 1955 vermeldt voor het eerst behuizing in het noordoostelijke deel van het kamp. De westzijde van het kamp zelf is onbebouwd gebleven.
is het bosje langs de Weerdingerstraat gekapt ten noorden van het kamp en is een rijtje woningen achter de bebouwing aan de Weerdingerstraat geplaatst (zie kaart 1955 en 1965). Het betrof ongeveer zeven woningen ontsloten door een weg. Na 1965 is deze bebouwing weer volledig verdwenen. De historische verkavelingstructuur is in het oostelijke gedeelte van het kamp nog gaaf aanwezig. De huidige kavelgrenzen zijn in dit gedeelte nog vrijwel identiek aan die op de kadastrale kaart van 1832. dat geldt zowel voor de kavelrichting als –breedte. In het westelijke gedeelte is daarentegen het oude kavelpatroon verdwenen. Ten noordoosten van het kamp is in een klein gebiedje een slotenpatroon aanwezig enwel op de venige gronden. Het merendeel van de slootjes behoort echter niet tot het buitengebied. De waterpartij bij de voormalige spoorbaan is in de periode 1965 – 1975 aangelegd. Het visuele effect van de beplantingstructuur is, ondanks kap maar dankzij aanplant, nog redelijk gaaf aanwezig. In het verleden waren zowel het oostelijke deel als het westelijke omzoomd door bos. Met uitzondering van een strook tussen het kamp en de spoorweg en een strook ten noorden van het westelijke deel van het kamp is het omringende bos in het merendeel van het oorspronkelijke bos in de 1e helft van de vorige eeuw verdwenen. Tegelijkertijd is echter ook het Valtherbos als veldontginning aangelegd.
Hierdoor zijn de beide delen van de Weeringer Emmer Kampen nog steeds de met bos(stroken) omzoomde ruimtes. Hierdoor is in visueel opzicht de kleinschaligheid en korte zichtlijnen intact gebleven.
Wel is ten noorden van het kamp bebouwing gekomen, waarvan een gedeelte permanent en een gedeelte niet. In de jaren ’30 van de vorige eeuw 49
Afb. 26 Paars = Noord Barger Oude en Nieuwe Kamp
Afb. 28 Bodemkaart
50
Afb. 29 Kaart 1850
Afb. 27 Noord Barger Oude en Nieuwe Kamp buitengebied
Afb. 30 Kaart 1900
4.3.3 Gebied 7; Noordbarger Oude en Nieuwe Kamp Het Noordbarger Oude en Nieuwe Kamp is een oude kampontginning. Karakteristiek van dergelijke kampontginningen is de kleinschaligheid en beperkte aanwezigheid van bebouwing. Een kamp(je) bestaat vaak uit één of enkele boerderijen met aanpalende de agrarische percelen. De exacte periode waarin het Noordbarger Oude en Nieuwe Kamp is ontstaan is niet bekend. De gronden horen bodemkundig tot de zogenaamde haarpodzolgronden (code Hd… op de bodemkaart) Dit zijn podzol (c.q. zand) gronden, gevormd onder droge omstandigheden met slechts een dun (0 – 30cm) humushoudend dek. De mens heeft hier slechts in beperkte mate een humushoudende
Afb. 31 Kaart 1935
bovenlaag aangebracht. Dit kan een indicatie zijn voor de ouderdom. Direct ten westen van het kamp lag een stuifzandgebiedje (geel op de bodemkaart). Dergelijke stuifzanden zijn ontstaan door overbeweiding, waarbij schapen de heidevelden zodanig hadden kaalgevreten dat deze arme zandgronden gingen verstuiven. In tegenstelling tot de smalle stroken bouwland en weitjes van het kamp waren deze gronden te schraal om in te richten als landbouwgrond.
Noordbarger Oude en Nieuwe Kamp slechts gedeeltelijk een indicatie van de strookverkaveling. In werkelijkheid waren de stroken een stuk smaller. De kadastrale kaart van 1860 geeft exact de karakteristieke smalle strookverkaveling weer die tot op de dag van vandaag nog goed herkenbaar is.
Bekend is dat de kampontginning al rond 1850 aanwezig was. De topografische kaart van 1850 vermeldt reeds het kamp. Evenals bij essen wordt op topografische kaarten de zeer smalle strookverkaveling niet weergegeven. De topografische kaart van 1910 geeft bij het
Deze smalle strookverkaveling is in de loop van de Middeleeuwen in gebruik geraakt. Hierbij is vooral de keerploeg, die in de loop van de Middeleeuwen het eergetouw verving, van belang. De keerploeg keerde en verkruimelde de bodem waardoor boeren ook hoger gelegen gronden konden ontginnen. Omdat de keerploeg zwaarder was en daarmee lastig was te draaien ontstonden zo langgerekte smalle verkaveling. Dit in tegenstelling tot de vierkante en rechthoekige akkers uit eerdere periodes.
Afb. 32 Kaart 1975
Afb. 33 Kaart 2005
51
Afb. 35 Kadastrale grenzen 2010 (noord - zuidrichting verschilt met kadastrale kaart 1860) Afb. 34 Kadastrale kaart 1860 52
De kleinschaligheid en het smalle verkavelingpatroon van de kampontginning Noordbarger Oude en Nieuwe Kamp is uniek in de Gemeente Emmen en is in vergelijking met de meeste andere kampontginningen zoals Zuidbarger Nieuw Kamp of Oevermans Kamp tot op de dag van vandaag het zeer gaaf. De smalle strokenverkaveling in het Noordbarger Oude en Nieuwe Kamp is het enig overgebleven gebiedje van de Gemeente Emmen dat een dergelijke verkaveling nog kent. Voordat het Oranjekanaal rond 1853 werd aangelegd liepen er verschillende paden vanuit Noordbarge (vanaf huidige Stortweg) richting het kamp en de aanpalende heidevelden. Nadat het Oranjekanaal is aangelegd werd alleen voor de hoofdwegen overgangen (bruggen) over het kanaal aangelegd, te weten voor de huidige Ermerweg en Heirweg. De Heirweg was in die tijd een belangrijke verbinding tussen Westenesch en Erm. Deze verbinding is in de loop der tijd verdwenen. Nadat het Oranjekanaal was aangelegd is ook de ontsluiting van het kamp verplaatst. Zo is in de periode 1850 – 1900 de Bargerkampenweg vanaf de Ermerweg richting het kamp aangelegd. De wegenstructuur uit die tijd is nog goed aanwezig. Alleen het pad dat vanaf het Oranjekanaal dwars door het Oude Kamp liep is
verdwenen. Het Oranjekanaal is hier niet meer bevaarbaar. Echter, ook in het (turf)verleden het slechts een (zeer) beperkte functie als vaarweg voor turf gekend in verband met de grote hoogteverschillen van de gebieden langs het traject. In eerste instantie werd alleen het geaccidenteerde gebiedje tussen de agrarische percelen van het kamp en de Ermerweg bebouwd. Karakteristiek voor de bebouwingsstructuur aldaar is de verspringende rooilijn, de verschillende richtingen van de bebouwing en losse structuur van de bebouwing ‘in het veld’. In loop der tijd is het geaccidenteerde terrein geëgaliseerd en geleidelijk verdicht. Hierdoor is in de loop van de eerste helft van de vorige eeuw een lint ontstaan langs de Ermerweg en het zuidelijke deel van de Bargerkampenweg. Dit gedeelte wordt dan ook niet tot het bestemmingsplan buitengebied gerekend. In de periode 1935 – 1955 zijn enkele behuizingen langs de Bargerkampenweg op de agrarische gronden van het kamp gebouwd. Tot op de dag van vandaag is de bebouwing op deze bouw- en weilandjes beperkt gebleven. Al sinds 1900 wordt de Israëlische Begraafplaats die in het Oude Kamp ligt, vermeldt. De oorsprong van deze begraafplaats is onbekend. Bekend is
dat rond 1840 de eerste joodse handelaren zich in Emmen vestigden. Aanvankelijk werden zij tot de joodse gemeenschap van Coevorden gerekend, maar hun aantal groeide zodanig dat in 1876 Emmen door het Nederlandse Israëlitisch Kerkgenootschap als zelfstandige gemeente werd erkend. In 1878 werd een synagoge opgericht. Bronnen vermelden (http://stenenarchief.org) dat de joodse gemeente van 1885 tot 1915 de beschikking had over een eigen begraafplaats. Of hiermee de begraafplaats in het Noordbarger Oude Kamp wordt bedoeld is onduidelijk. In 1915 is achter de synagoge een nieuwe begraafplaats in gebruik genomen. De begraafplaats in het kamp is tegenwoordig (vrijwel) niet bereikbaar. In het Noordbarger Oude Kamp is een NAM c.q. Gasunie-locatie gevestigd. De groenstructuur van het Noordbarger Oude en Nieuwe Kamp betrof en betreft voornamelijk groenstroken c.q. singels en bomenrijen. Mogelijk hebben de groenstroken in het verleden dienst gedaan als hakhoutbosjes. Tot op de dag van vandaag dienen bomenrijen c.q. singels als kavelbegrenzing. Wat betreft de visuele karakteristieken is de al eerder genoemde kleinschaligheid met de zeer smalle strookverkaveling en beperkte bebouwing nog (zeer) gaaf aanwezig.
53
Afb. 36 De 2 Zuid-Barger kampen
Afb. 38 Bodemkaart
Afb. 39 Kaart 1850
Afb. 40 Kaart 1910
Afb. 37 Zuid-Barger Nieuwe Kamp buitengebied
Afb. 41 Kaart 1935
Afb. 42 Kaart 1955
Afb. 43 Kaart 2005
Afb. 44 Kadastrale grenzen 1880 (links) en 2005 (noordzuid orientatie kaarten verschilt)
54
Afb. 45 Landweg vanaf de Ericase Straat
4.3.4 Gebied 8 Zuidbarger Nieuwe Kamp De Zuidbarger Nieuwe Kamp ligt op de westelijke uitloper van de Hondsrug. Ten noorden van het kamp c.q. het Oranjekanaal ligt het Zuidbarger Oude Kamp. Zowel ten oosten als ten westen van het kamp lagen de venen van het voormalige uitgestrekte Boertanger veen. Tijdens de grootschalige vervening lag aan de oostzijde van het kamp het 1e blok van het Barger-Westerveen en aan de westzijde het 12e blok. Vooral aan de oostzijde zijn de hoogteverschillen tussen het kamp en het afgegraven veen tot op dag van vandaag goed herkenbaar in het veld. Door stadsuitbreidingen is dit aan de westzijde niet (meer) het geval. Hoe oud het kampje is, is niet bekend. Het kampje wordt op de kaart van topografische kaart van 1850 voor het eerst weergegeven. Gegeven de omvang van het gebied wordt het gebiedje langs het Oranjekanaal (in de bocht van de nieuwe weg) tot het kampje gerekend. Dit deel hoort historisch niet bij het kamp en maakte gedeeltelijk uit van het veenkoloniale gebied. De bodemkaart en kadastrale kaarten geven een indicatie van de ouderdom van het kampje. De gronden van het kampje horen bodemkundig tot de zogenoemde Laarpodzolgronden (Code cHn). Deze gronden hebben een, door de mens opgebracht, matig dik (30 – 50cm) humushoudend bovendek.
Evenals de kamppodzolgronden (cHd) is het door de mens opgebrachte humushoudende bovenlaag dunner dan de 50cm of meer van de eerdgronden. De eerste kadastrale kaart van het gebied ten zuiden van het Oranjekanaal is van 1880 en hierop staat de Zuidbarger Nieuwe Kamp weergegeven. Van het gebied ten noorden van het Oranjekanaal zijn kadastrale kaarten van zowel 1832 als 1880. Op de kadastrale kaart van 1832 wordt de Zuidbarger Oude Kamp niet en op de kadastrale kaart van 1880 wel vermeldt. Het Zuidbarger Oude Kamp is dus in die periode ontstaan. Gegeven de naam Zuidbarger Nieuwe Kamp van gebied 8 is het aannemelijk dat
ook dit kampje in de periode 1832 – 1880 moet zijn ontstaan. Ten westen van het de Zuidbarger Nieuwe Kamp loopt de Ericase Straat. Dit is een lijnvormig element dat stamt uit de periode voor de veenafgravingen. Een voormalige veenweg van Zuid-Barger naar Oud Schoonebeek liep over deze uitloper van de Hondsrug en het zuidelijk gelegen veen.
Afb. 46 Archeologische reconstructie
Bron: Archeologisch Bureauonderzoek Emmen
Naast de historische Ericase Straat die de westgrens vormt van het kampje, liep er in het verleden ook een pad om het kamp, Landweg genaamd. Op dit moment is dit geen doorlopend pad meer. Er loopt nu alleen een pad vanaf de Ericase Straat richting het veld. Daarnaast is het gedeelte waaraan de behuizing De Nijkamp is gevestigd nog intact. De aanleg van de nieuwe weg na 1985, de Abel Tasmanstraat, die het gebied met bocht doorkruist heeft De Zuibarger Kamp visueel in tweeën gedeeld. In lijn met de meeste kampontginningen kende ook de Zuidbarger Nieuwe Kamp slechts enkele behuizingen. De kadastrale kaart geeft enkele gebouwen weer die op latere topografische kaarten niet meer vermeldt staan. Daarnaast stonden er vier gebouwen ten oosten van de Landweg. Hiervan zijn er tot op de dag van vandaag nog twee aanwezig. De belangrijkste ontwikkeling met betrekking tot de bebouwing is de aanbouw van woningen en boerderijen langs de Ericase Straat enwel in het gebiedje dat in 1900 als woeste grond is weergegeven. De verkavelingstructuur is door het samenvoegen van percelen en de aanleg Abel Tasmanstraat door het kampje nog beperkt aanwezig. Langs de zuidkant van het Oranjekanaal zijn de kavels van de percelen nog goed herkenbaar. De topografische kaart van 1900 geeft enkele houtwallen langs de Landweg weer en bomen bij de behuizing die nu de Nijkamp wordt genoemd .
Op dit moment zijn daar nog enkele restanten van aanwezig. Daarnaast waren en zijn de wegen langs het Oranjekanaal beplant. Vooral de aanleg van de Abel Tasmanstraat na 1985 heeft de Zuidbarger Nieuwe Kamp is visueel opzicht in tweeën gedeeld. Dit wordt ook mede veroorzaakt doordat het brede profiel van deze weg. De padenstructuur van het kampje is teloorgegaan en het kampje is niet meer een eenheid in het landschap. Enkele houtwalrestanten, stukjes Landweg en enkele smalle paardenweitjes bij de behuizing aan de Ericase Straat herinneren nog aan vervlogen tijden.
55
10
Afb. 47 Gebied 9; Blikveldweg en omgeving ligt ten westen van het Oranjekanaal
Afb. 48 Archeologische reconstructie
Bron: Archeologisch Bureauonderzoek Emmen
Bruin: zandgronden (veldpodzol) De Westenescher Kampen
Afb 49 Bodemkaart 56
Afb. 50 1850
Afb. 50 1900
4.3.5 Gebied 9; Blikveldweg en omgeving Het heideveld dat bij de Blikveldweg en Slenerweg en omgeving lag, lag nog op zandgronden (bruin op de bodemkaart) aan de rand van de beekdalgronden van de Sleenerstroom. Het was een licht glooiend terrein dat ten westen van het Oranjekanaal lag en ligt. Archeologische reconstructie heeft uitgewezen dat de huidige weg Slenerweg (voorheen Emmermadedijk) een oude dijk c.q. weg is. Op dit moment is deze nog een zeer herkenbare cultuurhistorische lijn in het landschap. De gronden rondom de Blikveldweg zijn een mengsel van (zeer) oude ontginningen en jonge ontginningen. De topografische kaart van 1850 laat al een veldje
Afb. 51 1930
zien dat doorsneden wordt c.q. zal worden door het in aanleg zijnde Oranjekanaal. De kadastrale kaart van 1880 laat zien dat dit De Westenescher Kampen zijn (zie volgende pagina). Gegeven het feit dat het Oranjekanaal dit rechthoekig kampje doorsnijdt, geeft aan dat dit kampje er al moet zijn geweest voordat het kanaal werd aangelegd. De zo karakteristieke smalle strookverkaveling van de oude veldontginningen wordt ook hier weergegeven. Zowel ten noorden van De Westenescher Kampen als ten zuiden van de huidige Slenerweg zijn gebiedjes te zien met deze smalle strookverkaveling. Dit zijn dan ook die veldgronden die op de topografische kaart van 1900 als ontgonnen
Afb. 52 1955
zijn weergegeven. De overige, niet verkavelde gronden zijn in 1900 nog heidevelden. Ze liggen dan voornamelijk bij de huidige Blikveldweg. Deze veldontginningen hebben dan ook grotendeels de bredere kavels zoals gebruikelijk voor veldontginningen van na 1900. Zowel bij de oude als jonge ontginningen is het veld na ontginning voornamelijk in gebruik als bouwland. Overigens duidt de naam Blik- op het voorkomen van minder natte weidegronden. Datzelfde geldt voor het aangrenzende Brink maden op de beekdalgronden van de Sleenerstroom. Het woord ‘Brink’ heeft naast de boomrijke brinken in de esdrorpen nog een betekenis die nauw aansluit op de oorspronkelijke betekenis van ‘rand’ (=vertaling uit Engelse brink).
Afb. 53 1965 57
Noordgrens kadastrale kaart 1880
De Westenescher Kampen
Bebouwing langs Blikveldweg Oranjekanaal
Afb. 54 Kadastrale kaart 1880excl. deel ten noorden huidige N381 58
Afb. 55 Kadastrale grenzen 2010
Brink wordt namelijk ook gebruikt als aanduiding voor weiden op een licht hellende beekdalrand. De (inefficiënte) smalle strookverkaveling is in de loop der tijd vrijwel verdwenen en het gebied kent slechts nog enkele smalle kadastrale grenzen. Ook zijn veel houtwallen, die in de oude ontginningen dienst deden als veekering en/of kavelafscheiding, verdwenen. De introductie van prikkeldraad rond 1900 maakte een dergelijke veekering overbodig. Enkele houtwallen en dan met name langs de Blikveldweg en enkele (voormalige) paden zijn tot op de dag van vandaag nog aanwezig. Dit is een uniek gegeven in de Gemeente Emmen omdat vrijwel alle houtwallen in
de omgeving van de Sleenerstroom zijn verdwenen. De Slenerweg werd al in 1900 begeleid door bomen en dat is tot op de dag van vandaag nog redelijk goed het geval. Zoals gebruikelijk bij zowel oude als jonge veldontginningen is het aantal behuizingen (zeer) beperkt. De kadastrale kaart van 1880 geeft twee gebouwen aan de westzijde van de Blikveldweg weer. Tijdens de ontginningen in de periode 1900 – 1930 komen daar twee gebouwen langs de Slenerweg bij. Nadat de ‘driehoek’ ten oosten van de Blikveldweg in de periode 1930 – 1955 is ontgonnen, zijn ook hier enkele behuizingen gesitueerd. Tot op de dag van
vandaag is de bebouwing tot deze plekken beperkt gebleven. Hoewel er enkele veldpaden zijn verdwenen, is het merendeel tot op de dag van vandaag nog min of meer herkenbaar aanwezig. In visueel opzicht heeft de aanleg van de N381 in de periode 1965 – 1975 het gebied in tweeën gedeeld. Dit wordt versterkt door het feit dat deze weg bij het Oranjekanaal ver boven het maaiveld ligt. Vooral de veldpaden in de buurt van deze weg zijn verdwenen. Vooral het gebied ten zuiden van de N381 heeft door de houtwallen, beperkte bebouwing, kleinere en grotere percelen een mengeling van kleinschaligheid en iets grootschalige stukken gekregen die leiden tot een gevarieerd landschappelijk beeld. Vooral de aanwezigheid, zij het beperkt, van houtwallen is een vrij uniek gegeven in de Gemeente Emmen omdat vrijwel alle houtwallen in of op de overgang naar het beekdal van de Sleenerstroom zijn verdwenen.
Afb. 58 Houtwallen bij Blikveldweg en omgeving
Afb. 56 1975
Afb. 57 2005
59
Afb. 62 kaart 1910
Afb. 61 Bodemkaart
9 Afb. 59 Emmerveld = ten oosten van Oranjekanaal
Afb. 60 Emmerveld; buitengebied
60
4.3.6 Gebied 10; Emmerveld Het Emmerveld is een jonge, na 1900, ontginning van de heidevelden van de voormalige marke van Emmen en Westenesch. Het terrein waarop het Emmerveld ligt, helt naar het noorden en westen af richting de beekdalgronden van de Sleenerstroom. Deze hoogteverschillen zijn tot op de dag van vandaag goed waarneembaar. Zoals gebruikelijk bij (voormalige) heidevelden bestaat de bodem voornamelijk uit arme zandgrond namelijk veldpodzolgronden (code Hn.. op de kaart) met een dun (0 – 30cm) humushoudend dek. Daarnaast kent het gebied op de wat hoger gelegen, de in drogere omstandigheden gevormde, haarpodzolgronden (code Hd…). Ook deze hebben een dun humushoudend dek. Aan de rand van de es en in het huidige Valtherbos zijn kleine stuifzandgebiedjes (geel op de kaart) te vinden. Dergelijke stuifzanden zijn veelal vanaf de 2e helft van de 17e eeuw door de mens ontstaan als gevolg van overbeweiding en bovenmatig plaggen van de heide. Veel van deze stuifzanden werden in de 19e eeuw ingeplant met bos c.q. houtwallen. De kaart van ca. 1910 geeft dergelijke houtwallen bij de twee gebiedjes goed weer. Oorspronkelijk behoorde het huidige Valtherbos ook tot het Emmerveld. Dit deel van het Emmerveld is door Staatbosbeheer na 1900 ‘ontgonnen’ tot bos. Het Valtherbos maakt onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur en heeft de bestemming natuur.
Het zal hier dan ook niet verder worden besproken. Al voordat Emmerveld door ingrijpen van de mens (overbeweiding) was verworden tot een heideveld, was sprake van menselijke activiteiten in het gebied. Het hunebed bij de Odoornerweg direct ten noorden van de es is nog een zichtbaar relict uit de tijd van de hunebedbouwers (vanaf ca. 3500 v. Chr.). Dit zogenoemde Trechterbeker volk koos vooral gebieden waar grote stenen aanwezig waren om hunebedden te bouwen. Het Emmerveld, namelijk
op het grensvlak met de Schimmer- en Emmer es en in het Valtherbos, is een dergelijk gebied waar grote stenen te vinden waren. Op de bodemkaart geeft de cursief gedrukte toevoeging m….. voor de code (hier: mY23x) weer dat in dit gebied grote hoeveelheden stenen aan en nabij het oppervlak voorkomen. De rode puntjes alsmede de toevoeging …..x aan de code geeft aan dat hier keileem van tenminste 20cm dik aanwezig is, beginnend tussen 40cm en 120cm. De directe omgeving van het hunebed c.q. De Ark maakt geen deel uit van het bestemmingsplan buitengebied. Dit deel van het voormalige Emmerveld zal dan ook niet verder worden besproken. Zowel de Odoornerweg als de Sluisvierweg zijn historische wegen richting respectievelijk Klijndijk/ Odoorn en de hooilanden bij de Sleenerstroom. De Reeweg stamt uit de periode van de ontginning
van het Emmerveld. In de periode 1975 – 1985 zijn enkele onverharde veldpaden verdwenen. Hoewel de heide van het Emmerveld na 1910 is ontgonnen tot agrarische wei- en bouwlanden, zijn de hoofdcontouren van de verkavelingstructuur al wel zichtbaar op de topografische kaart van 1910. Deze hoofdcontouren zijn tot op de dag van vandaag nog herkenbaar. Overeenkomstig de jonge veldontginningen is hier sprake van een rationeler en grootschaliger verkavelingstructuur dan die van de veldontginningen van voor 1900. Deze verkaveling was mede mogelijk door de introductie van onder andere kunstmest en prikkeldraad, maar ook de verdeling van de gemeenschappelijke gronden zoals het Emmerveld (officieel 1886). Daarnaast droegen technologische verbeteringen ertoe bij.
Afb. 63 Verkavelingstructuur herkenbaar. Rechts singel langs de Reeweg, 61
Afb. 64 kaart 1935
62
Afb. 65 kaart 1955
Afb. 66 kaart 1975
In de periode 1955 – 1965 zijn de kavels met de ruilverkaveling vergroot. Echter de hoofdstructuur zoals al weergegeven op de kaart van 1910 bleef herkenbaar. Het huidige Emmerveld is, evenals het voormalige heideveld, vrijwel onbebouwd. De beperkte bebouwing was en is gesitueerd langs de
Odoornerweg en bij het Oranjekanaal. In het veld zelf is in de periode 1955 – 1965 een schuur komen te staan. De hoogspanningskabel die in de periode 1955 – 1965 ten noorden van de Sluisvierweg is aangelegd is na 1985 in noordelijke richting verplaatst en loopt nu dwars over het Emmerveld.
Het Oranjekanaal vormt de westgrens van het Emmerveld. Het Oranjekanaal is aangelegd door de Drentsche Veen- en Middenkanaal Maatschappij (DVMKM), opgericht op 15 maart 1853 door Dordtse investeerders. Komend vanuit (Hooger)Smilde via Schoonoord en Het Haantje loopt het kanaal in het gebied min of meer op de overgang van het Emmerveld en de Emmer hooilanden (zie kaart 1910). De bomenrijen langs het Oranjekanaal zorgen voor een groene westrand van het Emmerveld. In het veld zelf zijn na de veldontginning tot bouw- en weiland enkele houtopstanden (singels), en dan met name langs de Reeweg, aangeplant. Het ‘overhoekje’ met een bosje bij de bocht in de Reeweg stamt uit de periode 1975 – 1985. Recentelijk is er een bos ten noorden van de Sluisvierweg en ten westen van de Reeweg aangeplant. Deze aanplant staat nog niet op de topografische kaart. De aanplant heeft ertoe geleid dat het gebied sterk is verdicht. Ook zijn visuele karakteristieken zoals ruim zicht op de hoogteverschillen en een redelijk open agrarisch landschap met enkele lijnvormige houtopstanden verdwenen.
Afb. 67 kaart 2005
Afb. 68 Hoogteverschil zichtbaar door hoogspanningleiding
Afb. 69 Recente bosaanplant in het Emmerveld (staat nog niet op de topografische kaart 63
Afb. 70 Veldontginningen Weerdinge eo
Afb. 71 Weerdinge eo buitengebied
Afb. 73 Bodemkaart
12.5 15.0 17.5 22.5 20.0 22.5 25.0
Afb. 72 kaart 2005 met hoogtelijnen + NAP 64
4.3.7 Gebied 11; Weerdinge en omgeving Karakteristiek voor de veldgronden rondom Weerdinge is de aanwezigheid (zeer) ondiep gelegen keileem, de grondmorene van het landijs uit de voorlaatste ijstijd, het Saalien (paarse stippen en toevoeging …x aan de code op de bodemkaart). Keileem werkt remmend op de waterbeweging en kan (plaatselijk) nattigheid veroorzaken, ook in hoger gelegen gebieden die op basis van hun ligging droger zouden moeten zijn. De bodem is dan te nat voor akkerbouw.
vereniging Emmen). In 1920 heeft Van Giffen vastgesteld dat deze groep bestond uit 31 ronde en twee langwerpige grafheuvels. De grafheuvels stamden uit verschillende tijdsperiodes. Er waren grotere en kleinere grafheuvels met kenmerken uit de jongste Steentijd, de oudere en jongere Bronstijd, de oude IJzertijd en de tijd van volksverhuizingen. Gedetailleerde informatie over de grafheuvels kan gevonden worden op de site van de Historische
Vereniging Emmen. Vrijwel alle door Van Giffen getekende grafheuvels komen ook op de kaart van Karsten uit 1818 voor. In 1920 ontbraken er slecht 7 grafheuvels. Dit betekent dat tussen 1818 en 1920 weinig veranderingen hebben plaatsgevonden. Dat kan niet gezegd worden voor de negentig jaar tussen 1920 en 2010. Het is een gebied met veel vondsten doot amateurarcheologen. Van de groep is slecht één grafheuvel over. Deze ligt in het huidige Valtherbos.
Met uitzondering van het gebiedje in het Valtherbos komen er bovendien grote hoeveelheden stenen aan en nabij het oppervlak voor (toevoeging m…. op de bodemkaart). Deze kunnen zeer hinderlijk zijn bij grondbewerking en vooral bij het mechanisch rooien van aardappelen. De noordelijk gelegen veldgronden liggen op een sterk glooiend terrein. Enerzijds is oostwaarts sprake van de steilrand van de Hondsrug die vanaf de Dikbosstraat naar Valthe zeer goed waarneembaar is. Anderzijds is ook het hoogteverschil richting Kamperesch behoorlijk groot. De Kamperesch ligt lager omdat deze aan het begin van een daluitspoelingswaaier tussen Weerdinge en Valthe ligt (zie www.ahn.nl bij Weerdinge). De hoogtelijnen op de topografische kaart van 2005 geven een goede indicatie van de hoogteverschillen in dit gebied (zie pag. 64). Deze hoogteverschillen richting Kamperesch zijn in het gebied zeer goed waarneembaar. Ze zijn dan ook voornamelijk aardkundig (geologisch c.q. geomorfologisch) en niet bodemkundig (bijvoorbeeld humus opgebracht door de mens) van aard. De lagere ligging van het gebied bij de Kamperesch wordt ook weerspiegeld in de aanwezigheid van een afwateringssloot en het agrarisch gebruik als weiland. Het gebied kent een oude bewoningsgeschiedenis. Zo heeft ten zuidwesten van de Kamperesch een grote grafheuvelgroep gelegen (Bron: Historische
Afb. 74 Hoogteverschillen zichtbaar vanaf Schapendrift 65
Afb. 75 1900 66
Afb. 76 1935
De heidevelden van Gebied 11 zijn allen ontgonnen na 1900. De kaart van 1900 geeft de heidevelden goed weer. Hoewel het relatief jonge veldontginningen zijn, lijkt de verkavelingstructuur van enkele delen van het gebied op die van oude ontginningen. De smalle strookverkaveling die zo karakteristiek is voor oude ontginningen is tot op de dag van vandaag nog herkenbaar ten zuiden van het dorp en een gedeelte ten westen van de Dikbosweg richting Valthe zijn.
Deze twee worden op de kadastrale kaarten van 1880 al als verkaveld weergegeven. Dit betekent dat de gronden van deze gebieden in 1900 al wel kadastraal waren begrensd maar nog niet in ontginning waren. Dit in tegenstelling tot de, in 1880, niet verkavelde ‘woeste’ gronden c.q. heidevelden. De topografische kaart van 1935 geeft goed de smalle strookverkaveling van de ‘oude’ ontginningen weer.
Die delen van gebied 11 die in 1935 nog niet in ontginning waren kennen dan ook een veel rationeler en breder verkavelingstructuur. Vooral de ontginning van het Weerdinger Dik Bosch laat een dergelijk rationeel blokpatroon zien. Overigens is dit geen veldmaar ‘bosontginning’. Het Weerdinger Dik Bosch of Weerdinger Holt was volgens bepaalde bronnen een productiebos (Gerding e.a; Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe) en volgens andere
‘vennetje’
Afb. 77 1955
Afb. 78 2005
67
Reeds verkavelde veldgronden
Dikbosstraat
Afb. 79 Kadastrale kaart 1880 ten westen Dikbosstraat (let op noordpijl) 68
Reeds verkavelde veldgronden Afb. 80 Kadastrale kaart 1880 zuidelijk gelegen veldgronden
een overblijfsel van een groot oerbos (Historische Vereniging Emmen). Bekend is dat het hout uit het bos werd verkocht. Er vonden namelijk in de 2e helft van de 18e eeuw vijf grote houtveilingen plaats waarvan de opbrengsten werden verdeeld onder de markegenoten. Door de scheiding van de markegronden kwam ook het Weerdinger Holt in particuliere handen. Het hout zelf bleef in gezamenlijke handen maar moest wel in een aantal jaren worden geveld. Uiteindelijk heeft de NV Ontginningsmaatschappij ‘Het Landschap
Afb. 81 Huidige kadastrale grenzen
Drenthe’ het bos met aanpalende heide gekocht en is het gebied (ca. 30 ha.) in het kader van de werkverschaffing ontgonnen (Bron: Historische Vereniging Emmen). Na deze ontginning is ook een klein ‘vennetje‘ c.q. ‘drinkplaats’ ten noorden van de Schapendrift ontstaan. Deze is momenteel nog steeds aanwezig. Een tweede karakteristiek dat lijkt op de oude ontginning is de oorspronkelijke aanwezigheid van bomenrijen c.q. houtwallen in het zuidelijke deelgebiedje (zie kaart 1935). Momenteel zijn daar
nog enkele restanten van over. Zoals gebruikelijk bij jonge veldontginningen is het veld niet beplant met bomen. Bomenrijen bepalen het beeld langs de wegen zoals de Dikbosstraat, Gravenveldweg en Emmerhoutstraat. Deze wegen zijn tegelijkertijd de grens van de veldgronden. Langs deze wegen staat ook de bebouwing en zijn de velden zelf nog steeds onbebouwd. Al met al zijn de veldontginningen bij Weerdinge en mengsel van ‘oud lijkende’ kleinschalige ontginningen en rationele, grootschaliger, ontginningen.
Afb. 82 Houtwal restanten in zuidelijke veldontginningen
69
Afb. 83 Westerveld (exclusief Noordbarger bos)
Afb. 84 Westerveld buitengebied
Afb. 85 Hottingeratlas 1773 - 1794 70
4.3.8 Gebied 12; Westerveld Het Westerveld wordt al in de Hottingeratlas 1773 – 1784 weergegeven als ‘Het Wefzerveld’ . Kaarten van latere datum geven het gebied de naam Noorden Zuidbarger veld. Het gebied werd ten zuidoosten, zuiden en westen omgeven door de beekdalgronden van de Oude en de gegraven Nieuwe Delft en de Sleenerstroom. Voor de veldontginning was sprake van een gedeeltelijk
glooiend en gedeeltelijk sterk geaccidenteerd terrein met zowel zeer droge als natte stukken. De sterk geaccidenteerde zeer droge stukken lagen in het oostelijke gedeelte van het gebied. De bodemkaart laat zien dat hier enkele stuifzandgebiedjes lagen (geel op de kaart). Dergelijke stuifzanden zijn veelal vanaf de 2e helft van de 17e eeuw door de mens ontstaan als gevolg van overbeweiding en bovenmatig plaggen van de heide. Veel van deze stuifzanden werden in de 19e
eeuw ingeplant met bos c.q. houtwallen. De kaart van ca. 1910 geeft aan dat dit in het Noord- en Zuidbarger veld (nog) niet het geval was. Het huidige Noordbarger Bos behoorde oorspronkelijk ook tot het Westerveld. Dit deel van het Westerveld is door Staatbosbeheer na 1900 grootschalig ‘ontgonnen’ tot bos. Tijdens deze ontginningen is een groot deel van het gebied vergraven (horizontaal pijltje op de bodemkaart). De kaart van 1935 geeft deze ontginning goed weer. Het Noordbager bos maakt onderdeel uit van de Ecologische Hoofdstructuur en heeft de bestemming natuur. Het zal hier dan ook niet verder worden besproken. De bodem van het huidige Westerveld bestaat zoals gebruikelijk bij (voormalige) heidevelden voornamelijk uit arme zandgrond namelijk veldpodzolgronden (code Hn.. op de kaart). In tegenstelling tot de oostelijke delen die nu bos zijn, was dit gebied vrij nat. De kaart van 1900 laat deze moerasachtige plekken goed zien (zie kaarten volgende pagina). Het gebied is ook later ontgonnen dan het Noordbarger bos. De Hottingeratlas laat zien dat het gebied door meerdere paden werden doorsneden. De hoofdpaden liepen van Westenesch en van Noordbarge richting de Klinkmolenbrug, één van de belangrijke overgangen over de Sleenerstroom, hier richting Erm. Daarnaast liepen er allerlei zandpaden in het veld.
Eén van de hoofdroutes, de huidige Ermerweg, is tot op de dag van vandaag nog in gebruik. De weg vanuit Westenesch is als Heirweg en voetpad in het bos nog wel herkenbaar. In het gebied zelf is het pad, voorheen Klinkmolenweg geheten, in de periode 1975 – 1985 verdwenen. De aanleg van de N34 en de daarbij behorende op- en afritten in de periode 1975 – 1985 heeft het gebied in visueel opzicht in tweeën gedeeld.
Afb. 86 Bodemkaart
Al in 1935, een periode waarin het gebied nog gedeeltelijk in ontginning was, kende het gebied 71
Afb. 87 1900
Afb. 88 1935
Natte gebiedjes
72
Afb. 89 1965
Afb. 90 1975
één bewoningsplaats met enkele gebouwen en een weg ernaartoe. De bebouwing is tot op de dag van vandaag nog vooral op deze plek geconcentreerd. Er zijn wel enkele gebouwen bijgekomen. Ook de weg richting de bebouwing is nog steeds aanwezig. De schuur langs de Ermerweg is in de periode 1955 – 1965 gebouwd, terwijl de NAM/Gasdunie-locatie na 1985 is aangelegd. De verkavelingstructuur van de veldontginning is tot 1965 gaaf aanwezig geweest. In vergelijking tot veel andere veldontginningen was de verkaveling in dit gebied vrij onregelmatig en gedeeltelijk ook vrij smal voor een dergelijke jonge ontginning. In de periode 1965 – 1975 zijn dan ook veel kavels, mede door de ruilverkaveling, samengevoegd. Alleen een aantal
kaveltjes grenzend aan de NAM/Gasunie-locatie stammen nog uit de tijd van de veldontginning. De moerasachtige plekken en vennetjes (zie ook kaart 1955) zijn al gaande de veldontginning verdwenen. Het gebied is na de ontginning zowel als bouwland en in toenemende mate als weiland in gebruik geweest. Weilanden zijn gebruikelijk in wat nattere gebieden zoals bijvoorbeeld ook in beekdalen. Dergelijke natte gronden zijn ongeschikt als bouwland. Al sinds de aanleg van het bos heeft het gebied een groene west- en zuidgrens gekend. Verder is het privégroen rondom de bewoningsplaats tot op de dag van vandaag beeldbepalend.
Afb. 91 2005
Afb. 92 Luchtfoto met huidige kadastrale grenzen
De singels rondom de NAM/Gasunie-locatie heeft de schaal van het gebied vanaf de Ermerweg verkleind maar zorgen er tegelijkertijd voor dat het zicht op de N34 gedeeltelijk worden ontnomen. Bij de op- en afritten van de N34 zijn met bomen aangeplant. In de periode 1955 – 1965 is de hoogspanningsleiding door het gebied aangelegd. De aanleg van de N34 in de periode 1965 – 1975 heeft het gebied visueel in tweeën gedeeld. Van een gebied dat geleidelijk overgaat in beekdalgronden en daar in visueel opzicht ook deel van zal hebben uitgemaakt, is het gebied door de aanleg van de N34 in visueel opzicht geïsoleerd geraakt.
73
Afb. 1 Kleinschalige veenontginningen inclusief beekdalen veen
74
Afb. 2 Kleinschalige veenontginningen inclusief beekdalen veen en nummers gebieden buitengebied
5. De kleinschalige veenontginningen inclusief beekdalen veen De gemeente Emmen kent oude kleinschalige veenontginningen, jonge kleinschalige veenontginningen en mengvormen van beide. Daarnaast worden de veenontginningen door middel van het bloksysteem zonder wijken tot de kleinschalige veenontginningen gerekend. Deze laatste veenontginningen vonden plaats in de tijd van de grootschalige ontginningen in de 20ste eeuw. Omdat deze ontginningen vaak niet systematisch zijn uitgevoerd en de karakteristieken hebben van een kleinschalig landschap, worden ze tot de