CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 7 - Verkennend bodemonderzoek

Commissie Wonen en Ruimte 12 maart 2024, gemeente EmmenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Nieuw-Amsterdam, Vaart NZ 25 en 26'15.149 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen Tel. (0591) 65 91 28 www.sigma-bm.nl email info@sigma-bm.nl

Onderwerp:

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Vaart NZ 25-26 te Nieuw-Amsterdam

Projectnummer:

22-M10471

Opdrachtgever: Datum:

oktober ’22

04 oktober 2022

0

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

onderwerp

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN 5740+A1 Vaart NZ 25-26 te Nieuw-Amsterdam

datum

04 oktober 2022

projectnummer

in opdracht van

uitgevoerd door

Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. Phileas Foggstraat 153 7825 AW Emmen tel: (0591) 659128 fax:(0591) 659325

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015, het uitvoeren van milieukundige bodemonderzoeken en geotechnische onderzoeken Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Monsterneming Bouwstoffenbesluit SIKB 1000 protocol 1001: Monsterneming grond voor partijkeuringen”

Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens “Beoordelingsrichtlijn voor het procescertificaat Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek SIKB 2000 protocollen 2001, 2002 en 2018”

(het onderhavige onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de beoordelingsrichtlijn BRL SIKB 2000, protocol 2001 en 2002)

Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt door middels van druk, fotokopie, microfilm of anderszins zonder voorafgaande, schriftelijke toestemming van de opdrachtgever of Sigma Bouw & Milieu.

oktober ’22

1

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

Inhoudsopgave 1

2

INLEIDING ....................................................................................................................................... 3 1.1

Algemeen................................................................................................................................. 3

1.2

Aanleiding van het bodemonderzoek ...................................................................................... 3

1.3

Doel van het onderzoek ........................................................................................................... 3

1.4

Referentiekader van het onderzoek ........................................................................................ 4

1.5

Opbouw van het rapport .......................................................................................................... 4

VOORONDERZOEK ........................................................................................................................ 5 2.1

3

4

Hypothese en onderzoeksstrategie ....................................................................................... 12

VELDONDERZOEK ....................................................................................................................... 13 3.1

Uitvoering van het veldonderzoek ......................................................................................... 13

3.2

Resultaten van het veldonderzoek ........................................................................................ 14

CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK .................................................................................... 16 4.1

Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek ..................................................... 16

4.2

Toetsingscriteria .................................................................................................................... 17

4.3

Analyseresultaten en interpretatie ......................................................................................... 18

4.3.1

Milieuhygiënische kwaliteit grond ...................................................................................... 18

4.3.2

Milieuhygiënische kwaliteit grondwater ............................................................................. 21

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .......................................................................................... 23

6

LITERTUURLIJST .......................................................................................................................... 27

7

COLOFON ...................................................................................................................................... 28

Bijlagen 1. Topografisch overzicht 1A.Historisch topografisch overzicht 2. Onderzoekslocatie met boorplan (1:500) 3. Beschrijvingen inspectiegaten/boringen/foto’s 4. Analysecertificaten 5. Onafhankelijkheidsverklaring

oktober ’22

2

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

1

INLEIDING

1.1

Algemeen

In opdracht van is in augustus / september 2022 door Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. een verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN5740+A1 uitgevoerd op een deel van de locatie gelegen aan de Vaart NZ 25-26 te Nieuw-Amsterdam (gemeente Emmen). De plaats en situering van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1 en 2. In dit onderzoek worden allereerst de locatiegegevens, de historische gegevens ofwel het bodemgebruik in het verleden evenals de resultaten van eventuele voorgaande bodemonderzoeken besproken. Vervolgens wordt de bodemopbouw, geologie en geohydrologie besproken. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek is een onderzoekshypothese opgesteld. Het verdere onderzoek is op basis van deze hypothese uitgevoerd. De onderzoeksresultaten worden geïnterpreteerd. Aan de hand van de interpretatie van de onderzoeksresultaten wordt een eindconclusie geformuleerd. kwaliteitsborging: Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd volgens de norm NEN-EN-ISO 9001:2015. Het verkennend milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen uit het besluit uitvoeringskwaliteit Bodembeheer (KWALIBO). Zo is de gehanteerde onderzoeksstrategie opgesteld volgens de normen NEN-5725 en NEN-5740 en zijn de veld- en laboratoriumwerkzaamheden uitgevoerd volgens geldende beoordelingsrichtlijnen en accreditatieschema’s.

De veldwerkzaamheden van Sigma Bouw & Milieu zijn verricht onder het procescertificaat BRL SIKB 2000 (Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) waarvoor Sigma Bouw & Milieu is gecertificeerd en erkend door het ministerie van I&W. In het kader van het onderhavige onderzoek zijn de protocollen 2001 (plaatsen van handboringen en peilbuizen t.b.v. het nemen van grond- en grondwatermonsters) en 2002 (het nemen van grondwatermonsters) van toepassing. Sigma Bouw & Milieu verklaart bij deze volledig onafhankelijk te zijn in de uitvoering van het onderzoek en op geen enkele wijze gerelateerd te zijn aan de eigenaar van het te onderzoeken terrein.

1.2

Aanleiding van het bodemonderzoek

Aanleiding tot de uitvoering van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek vormt de geplande nieuwbouw van twee vrijstaande woningen op de onderzoekslocatie.

1.3

Doel van het onderzoek

Het verkennend bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 heeft tot doel inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en vast te stellen of er sprake is van bodemverontreiniging. Aan de hand van dit onderzoek wordt inzicht verkregen in hoeverre het bodemgebruik van de locatie heeft geleid tot verontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan een milieuhygiënische beoordeling worden gegeven ten aanzien van de beoogde c.q. de toekomstige gebruiksmogelijkheden van de locatie. Indien uit de onderzoeksresultaten blijkt dat er sprake is van bodemverontreiniging zal worden beoordeeld of vervolgonderzoek noodzakelijk geacht wordt.

oktober ’22

3

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

1.4

Referentiekader van het onderzoek

Teneinde de kwaliteit van de grond op de onderhavige locatie juist in te schatten is de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor verkennend bodemonderzoek, onderzoeksnorm NEN 5740+A1 (literatuur 1). 1.5

Opbouw van het rapport

In het voorliggende rapport komen de volgende aspecten aan de orde:  vooronderzoek, (hoofdstuk 2)  veldonderzoek, (hoofdstuk 3)  chemisch-analytisch onderzoek, (hoofdstuk 4)  conclusies en aanbevelingen, (hoofdstuk 5).

oktober ’22

4

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

2

VOORONDERZOEK

Het vooronderzoek wordt voorafgaand aan het feitelijke onderzoek (veld- en chemisch-analytisch onderzoek) uitgevoerd. Het vooronderzoek omvat het verzamelen van informatie over het vroegere en huidige gebruik van de onderzoekslocatie en de omgeving, onder meer gericht op het vinden van mogelijke bronnen van bodembelasting. De uitwerking van het vooronderzoek is gebaseerd op de onderzoeksnorm NEN 5725, strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek (literatuur 9). In de NEN-5725 (2017) zijn zeven aanleidingen tot vooronderzoek naar landbodems geformuleerd. Voor elke afzonderlijke aanleiding tot vooronderzoek dienen verschillende onderzoeksvragen te worden beantwoord. De verplicht te onderzoeken aspecten zijn per aanleiding omschreven in tabel 1. tabel 1: onderzoeksaspecten milieuhygiënisch vooronderzoek Onderzoeksaspecten 1. Locatiegegevens

Aanleiding tot vooronderzoek

Eigendomssituatie

B 0

C

D

✓

✓

✓

✓

Bodemopbouw Antropogene lagen in de bodem Geohydrologie

3. Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit

Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. BKK O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken

4. Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval

F

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓ ✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

Hoogteligging 2. Bodemopbouw en geohydrologie

E

G

A 0

✓ ✓

0

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

0

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

✓

0 ✓

✓

Voormalig Huidig Toekomstig Asbestverdacht?

✓

✓

✓

✓

✓

5. Terreinverkenning ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel

oktober ’22

5

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

aanleiding vooronderzoek Het onderhavige bodemonderzoek betreft een verkennend bodemonderzoek in het kader van de geplande nieuwbouw van twee woningen op de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is uitgevoerd op basis van aanleiding A, conform paragraaf 6.2.1 “opstellen hypothese bodemkwaliteit ten behoeve van een bodemonderzoek” uit de NEN-5725 (2017). geraadpleegde bronnen in het kader van het vooronderzoek Voor het vooronderzoek zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • informatie verstrekt door de opdrachtgever/eigenaar; • informatie van de gemeente Emmen (per email via RUD-Drenthe d.d. 18-07-2022); • informatie van Bodemloket.nl; • Geoportaal Drenthe; • Topotijdreis.nl; • Kadaster/BAG Viewer; • grondwaterkaart van Nederland; • AHN.nl; • Dinoloket.nl; • handelsbestand van de Kamer van Koophandel; • terreininspectie voorafgaand aan de veldwerkzaamheden . Het uitgevoerde vooronderzoek heeft betrekking tot de onderhavige onderzoekslocatie alsmede de aangrenzende percelen binnen een straal van 25 meter. De onderzoeksvragen voor het opstellen van de onderzoekshypothese en de gekozen onderzoeksstrategie zijn, voor zover relevant, in de onderstaande paragrafen nader uitgewerkt. locatiegegevens In tabel 2 is een overzicht van de basisinformatie/locatiegegevens weergegeven.

tabel 2: overzicht basisinformatie Adres Plaats Gemeente Topografisch overzicht Coördinaten Kadastrale aanduiding Eigendomssituatie Oppervlakte onderzoekslocatie (onbebouwde deel plangebied) Algemene omschrijving

Bebouwing en bouwjaar (Kadaster BAG) Terreinverharding Ondergrondse infrastructuur Archeologische waarden Geplande herinrichting bijzonderheden: oktober ’22

Vaart NZ 25-26 Nieuw-Amsterdam Emmen Zie bijlage 1 X = 254,078 Y= 526,452 Gemeente Emmen, perceel sectie G nummers 6270, 13330 en 13331 Niet nagegaan. Ca. 990 m2 De onderzoekslocatie betreft een deel van de locatie gelegen aan de Vaart NZ 25-26 te Nieuw-Amsterdam. Op het perceel van nr. 25 is een bestaande kerk uit 1955 aanwezig. Op het naastgelegen perceel nr. 26 bevindt zich een bestaande woning uit 1960. De kerk en de woning zijn met elkaar verbonden door een sluis. Rondom de bebouwing is bestrating aanwezig (klinkers/tegels) t.b.v. de parkeerplaats voor de kerk en opritten naar de twee gebouwen. Een deel het parkeerterrein ten zuiden van de kerk is verhard met grind. Voor het overige is het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie in gebruik als gazon / tuin. De opdrachtgever is voornemens om, ter plaatse van het onderzochte terreindeel, de nieuwbouw van twee woningen te realiseren. Ten behoeve hiervan zullen de bestaande gebouwen gesloopt worden. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel zoals opgenomen in bijlage 2. Op de onderzoekslocatie, het onderzochte terreindeel, bevinden zich een kerk uit 1955 en woning met schuur uit 1960. De onderzoekslocatie, het beoogde plangebied, is deels verhard met klinkers, grind en tegels. Geen informatie, bij grondwerk dient een KLIC-melding gedaan te worden.

De locatie heeft op basis van de archeologische waardenkaart (IKAW) de vermelding "onbekend". De nieuwbouw van twee woningen.

6

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

afbakening onderzoekslocatie Het onderhavige onderzoek, het geografisch besluitvormingsgebied, betreft het onderzochte deel van de locatie zoals weergegeven in bijlage 2. bodemgebruik op basis van topografische kaarten In de onderstaande tabel 3 is de beschikbare informatie weergegeven over het historisch, huidig en toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en de directe omgeving. tabel 3: beschrijving bodemgebruik Omschrijving

Gebruik

Potentieel bodembedreigende activiteiten en situaties

Onderzoekslocatie Historisch (op basis van topografische kaarten, Topotijdreis) Huidig

Op basis van de topografische kaarten is het onderzochte terreindeel (plangebied) ter plaatse van de geplande nieuwbouw, voor zover bekend, vanaf ca. 1904 bebouwd geweest.

De onderzoekslocatie betreft een deel van de locatie gelegen aan de Vaart NZ 25-26 te Nieuw-Amsterdam. Op het perceel van nr. 25 is een bestaande kerk uit 1955 aanwezig. Op het naastgelegen perceel nr. 26 bevindt zich een bestaande woning uit 1960. De kerk en de woning zijn met elkaar verbonden door een sluis. Rondom de bebouwing is bestrating aanwezig (klinkers/tegels) t.b.v. de parkeerplaats voor de kerk en opritten naar de twee gebouwen. Een deel het parkeerterrein ten zuiden van de kerk is verhard met grind. Voor het overige is het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie in gebruik als gazon / tuin. Toekomstig De opdrachtgever is voornemens om, ter plaatse van het onderzochte terreindeel, de nieuwbouw van twee woningen te realiseren. Ten behoeve hiervan zullen de bestaande gebouwen gesloopt worden. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel zoals opgenomen in bijlage 2. Directe omgeving (<25 m) Historisch (op Op basis van de topografische kaarten vanaf rond 1882 is in basis van de omgeving van de locatie reeds enige bebouwing te topografische herkennen. kaarten, Deze bebouwing is in de loop der jaren verder uitgebreid / Topotijdreis) gewijzigd. Huidig en In de directe omgeving van de onderzoekslocatie bevinden toekomstig zich voornamelijk woningen.

Noord-, oost- en westzijde: naastgelegen woningen; Zuidzijde: Vaart NZ (weg) en Verlengde Hoogeveensche Vaart.

oktober ’22

Geen.

Geen.

Geen.

Geen.

Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.

7

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

bedrijfsmatige activiteiten, bodembedreigende activiteiten en calamiteiten In tabel 4 staat een overzicht weergegeven van de potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten op basis van de beschikbare informatie. tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Gebruik

De onderzoekslocatie betreft een deel van de locatie gelegen aan de Vaart NZ 25-26 te Nieuw-Amsterdam. Op het perceel van nr. 25 is een bestaande kerk uit 1955 aanwezig. Op het naastgelegen perceel nr. 26 bevindt zich een bestaande woning uit 1960. De kerk en de woning zijn met elkaar verbonden door een sluis. Rondom de bebouwing is bestrating aanwezig (klinkers/tegels) t.b.v. de parkeerplaats voor de kerk en opritten naar de twee gebouwen. Een deel het parkeerterrein ten zuiden van de kerk is verhard met grind. Voor het overige is het onbebouwde deel van de onderzoekslocatie in gebruik als gazon / tuin. De opdrachtgever is voornemens om, ter plaatse van het onderzochte terreindeel, de nieuwbouw van twee woningen te realiseren. Ten behoeve hiervan zullen de bestaande gebouwen gesloopt worden. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel zoals opgenomen in bijlage 2. Op basis van de topografische kaarten is de onderzoekslocatie, het te bebouwen terreindeel, voor zover bekend, vanaf ca. 1904 bebouwd.

Bouwvergunning

Er is geen informatie beschikbaar omtrent evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende activiteiten/calamiteiten (verbranding afval, opslag van gevaarlijke stoffen etc.) op de onderzoekslocatie. T.b.v. de bestaande bebouwing zijn bouwvergunningen verleend.

Milieuvergunning

Niet bekend.

Handelsregister

Het adres Vaart NZ nr. 25 wordt in het handelsregister van de Kamer van Koophandel niet vermeld. Het adres Vaart NZ nr. 26 wordt in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als volgt vermeld: ■ Dorgelo Holding B.V.; ■ Roedeshop B.V.; ■ Verbakel Holding B.V.. Er is geen informatie omtrent de eventuele aanwezigheid of voormalige aanwezigheid van boven- of ondergrondse brandstoftanks op de onderzoekslocatie. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat boven- en ondergrondse brandstoftanks in het verleden geplaatst zijn zonder melding, de aanwezigheid van dergelijke tanks blijkt niet uit de verkregen informatie.

Aanwezigheid brandstoftanks

oktober ’22

8

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

vervolg tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Aanwezigheid asbest

De daken van de bestaande bebouwing op de onderzoekslocatie zijn, op basis van de asbestdakenkaart van de gemeente Emmen, waarschijnlijk asbestvrij.

figuur 1: asbestdakenkaart provincie Drenthe

Ophogingen/dempingen/stortingen

Niet gesprongen explosieven

PFAS-verdachtheid

oktober ’22

De aanwezigheid van asbesthoudend materiaal elders in de bestaande bebouwing is niet uit te sluiten (niet in dit onderzoek onderzocht). Er is geen informatie bekend omtrent de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem t.p.v. het plangebied. Er bestaat altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. is begraven. Op voorhand is hiervan geen informatie bekend. Er is geen informatie omtrent evt. met bodemvreemd materiaal gedempte watergangen / sloten t.p.v. de onderzoekslocatie (binnen het onderzochte terreindeel). Er is geen informatie omtrent evt. opgebrachte gebiedsvreemde grond (ophogingen), verhardingsmateriaal, puinmateriaal en/of afval op de onderzoekslocatie. Geen informatie, in Nederland zijn er niet gesprongen explosieven (NGE) uit de Tweede Wereldoorlog in de grond achtergebleven. De (potentiële) aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan een bedreiging inhouden bij grondroerende werkzaamheden en kan tot vertraging leiden bij planvorming en uitvoering van werkzaamheden. NGE's worden met name aangetroffen ter plaatse van 'strategische doelen' zoals binnensteden, verbindingswegen, spoorwegen, bruggen en havens. De gemeente is op basis van regelgeving verantwoordelijk voor het opsporen en ruimen va niet gesprongen explosieven uit de Tweede Wereldoorlog. Voor aanvullende informatie wordt verwezen naar de gemeente.

Op of nabij de onderzoekslocatie bevinden zich geen locaties die de bodem verdacht maken voor PFAS en GenX verbindingen als gevolg van puntbronnen. De kans op verontreiniging met PFAS in de grond t.p.v. de onderzoekslocatie t.g.v. puntbronnen wordt gering geacht. De bovengrond, diepere geroerde bodemlagen en de waterbodem zijn op basis van het Tijdelijk Handelingskader PFAS in heel Nederland verdacht op het diffuus voorkomen van PFAS als gevolg van atmosferische depositie. Verwacht wordt dat de bodem van de onderzoekslocatie diffuus onverdacht is voor PFAS en onverdacht is op GenX. Hoewel PFAS diffuus verspreid in de bodem in Nederland voorkomt, en op veel plaatsen in gehalten boven de detectielimiet wordt aangetroffen, is op basis van het vooronderzoek geen informatie verkregen over de eventuele aanwezigheid van PFAS en GenX op de locatie. Ter plaatse zijn geen bronlocaties bekend. Bij evt. toekomstig grondverzet wordt geadviseerd alsnog onderzoek naar deze parameters uit te voeren.

9

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

vervolg tabel 4: overzicht potentieel bodembedreigende activiteiten en calamiteiten Calamiteiten

Verdachte activiteiten < 25 m

Voor zover bekend is er geen informatie over evt. calamiteiten die hebben plaatsgevonden waarbij de bodem verontreinigd kan zijn geraakt. In de directe omgeving van de locatie bevinden zich voornamelijk naastgelegen woningen. Het is op voorhand onbekend of activiteiten in de directe omgeving negatieve invloed hebben (gehad) op de bodemkwaliteit t.p.v. de onderhavige onderzoekslocatie.

voorgaande bodemonderzoeken In tabel 5 is een overzicht van voorgaande bodemonderzoeken en informatie van de bodemkwaliteitskaart weergegeven. tabel 5: overzicht voorgaande bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart voorgaande bodemonderzoeken Onderzoekslocatie

► Niet bekend.

Omgeving <25 m

► Verkennend en Asbest onderzoek van Ekelenburgstraat 27 te NieuwAmsterdam, d.d. 09-07-2018, Sigma Bouw & Milieu, ref. nr. 18-M8495. Conclusie onderzoek: ▪ bovengrond: lood, zink, PAK’s >AW ▪ asbest: geen bijzonderheden Voldoende onderzocht. ► Historisch onderzoek Veenoord-Nieuw-Amsterdam, Stoomtramlijn d.d. 15-03-2005, ReGister, ref. nr. HO 05004/4701. Conclusie onderzoek: ▪ zintuiglijke conclusie: verharding; gemengd verhard; ▪ vloeistofdichte vloer: geen; ▪ analytische conclusie: geen bijzonderheden; Vervolg: voldoende onderzocht en/of gesaneerd. ► Historisch onderzoek Veenoord – Nieuw-Amsterdam d.d. 12-05-2009, Stoomtramlijn, Oranjewoud, ref. nr. 184152. Vervolg: voldoende onderzocht. Omschrijving: de resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. ► Vaart NZ Nieuw-Amsterdam, asfalt en indicatief onderzoek d.d. 02-07-2012, Arcadis, ref. nr. b01062.002219.0220. Vervolg: uitvoeren aanvullend onderzoek. Omschrijving: er moet op de locatie een aanvullend onderzoek worden uitgevoerd naar de aard en ernst van de (mogelijke) verontreiniging. ► Vaart NZ 30 te Nieuw-Amsterdam. Vervolg: voldoende onderzocht.

Omschrijving: de resultaten van het uitgevoerde (historische) bodemonderzoek geven aan dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming.

oktober ’22

10

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

vervolg tabel 5: overzicht voorgaande bodemonderzoeken en bodemkwaliteitskaart Vermoeden van (een geval van ernstige) bodemverontreiniging op de locatie of een deel daarvan informatie bodemkwaliteitskaart

► Niet bekend.

►De locatie bevindt zich in de zone wonen.

bodemopbouw, geohydrologie en antropogene beïnvloeding De ondiepe geologie in het onderzoeksgebied is afgeleid van de Grondwaterkaart van Nederland (Dienst grondwaterverkenning TNO/DGGV) en ontleend aan het dinoloket (www.dinoloket.nl). De bovenste laag, de deklaag, heeft een hoogte van ca. 11-15 m-NAP. In tabel 6 staat de geohydrologische opbouw weergegeven. tabel 6: geohydrologische opbouw diepte m-mv 0-5 5-32

beschrijving

formatie

zandige eenheid, bestaande uit midden en fijn zand, weinig zandige Boxtel klei en grof zand en een spoor klei, veen en grind zandige eenheid, bestaande uit midden, fijn en grof zand, weinig Peelo kleiig zand en een spoor klei en grind

De stromingsrichting van het ondiepe grondwater van het eerste watervoerend is in het kader van dit onderzoek niet vastgesteld. Opgemerkt dient te worden dat de stromingsrichting van het grondwater beïnvloed kan worden door drainagepatroon, ligging van sloten, riolering, kabels, leidingen en funderingen.

(financieel-) juridische situatie In tabel 7 zijn de financieel- juridische aspecten weergegeven. tabel 7: financieel/juridische aspecten kadastrale gegevens opdrachtgever/ belanghebbende rechtspersonen

Gemeente Emmen, perceel sectie G nummers 6270, 13330 en 13331 Niet nagegaan.

In het kader van onderhavig bodemonderzoek is behoudens de opgenomen kadastrale gegevens geen nadere financieel juridische informatie verzameld. Het uitvoeren van een daadwerkelijke juridische toets maakt geen deel uit van onderhavig bodemonderzoek.

oktober ’22

11

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

2.1

Hypothese en onderzoeksstrategie

Volgens de onderzoeksnorm NEN 5740 dient, m.b.t. de aanwezigheid van eventuele bodemverontreiniging, vooraf een onderzoekshypothese te worden opgesteld. De hypothese kan worden opgesteld op basis van bekende (historische) gegevens, uit de betrokken informatie kan blijken dat de onderzoekslocatie, vooraf, als “verdacht” of “onverdacht” wordt aangemerkt. Op basis van de historische informatie uit het vooronderzoek blijkt dat op de onderzoekslocatie, voor zover bekend, vanaf ca. 1904 bebouwing aanwezig is. Op de locatie Vaart NZ 25 was vanaf 1955 een kerk gevestigd. De opdrachtgever is voornemens om de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen te realiseren. Het onderhavige onderzoek heeft betrekking op het terreindeel zoals opgenomen in bijlage 2. Er is geen informatie omtrent evt. (voormalige) (bedrijfs)matige activiteiten op de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). Er is geen informatie over (voormalige) potentieel verdachte deellocaties (bronnen), (voormalige) bodembedreigende activiteiten of evt. (voormalige) potentieel bodembedreigende calamiteiten t.p.v. de onderzoekslocatie (t.p.v. het onderzoeksgebied). De onderzoekslocatie, het beoogde plangebied, is in eerste aanleg als milieuhygiënisch "onverdacht" aangemerkt. Op basis van deze hypothese is het bodemonderzoek t.p.v.

de onderzoekslocatie uitgevoerd conform de bijbehorende onderzoeksstrategie, volgens NEN 5740+A1, paragraaf 5.1, strategie voor onverdachte locaties (ONV-NL) (literatuur 1). In tabel 8 is de gehanteerde onderzoeksstrategie weergegeven. tabel 8: gehanteerde onderzoeksstrategie

(deel)locatie NEN-5740+A1 onderzoeksgebied (plangebied) (ca.990 m2)

mogelijke verontreiniging grond

grondwater

onderzoeksstrategie

-

-

ONV-NL

Op basis van bekende informatie zijn geen gegevens bekend dat op de locatie sprake zou kunnen zijn van een bodemverontreiniging met asbest. Op voorhand is geen concrete informatie bekend waaruit blijkt dat t.p.v. de onderzoekslocatie asbesthoudend materiaal in de bodem aanwezig is. Er is in dit onderzoek vooralsnog geen onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in grond uitgevoerd. Het opgeboorde monstermateriaal op de onderzoekslocatie is in dit onderzoek visueel beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Opgemerkt dient te worden dat asbestanalyses geen deel uitmaken van uitgevoerde analyses in het kader van de NEN-5740+A1. Onderhavig onderzoek betreft geen asbest onderzoek in bodem volgens NEN-5707+C2 of NEN-5897+C2. Er bestaat echter altijd de mogelijkheid dat asbest (afval/puin) ed. in de bodem terecht gekomen is of is begraven. Alleen een verkennend onderzoek asbest in grond volgens NEN-5707+C2 of onderzoek asbest in puin volgens NEN-5897+C2 kan een uitspraak doen over de evt. aanwezigheid van asbest in de bodem. Tevens dient opgemerkt te worden dat aanwezig puinmateriaal en/of (half)verhardingsmaterialen niet chemisch-analytisch zijn onderzocht.

oktober ’22

12

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

3

VELDONDERZOEK

In dit hoofdstuk wordt het uitgevoerde veldwerkonderzoeksprogramma beschreven. Daarnaast worden de resultaten van het veldonderzoek weergegeven. 3.1

Uitvoering van het veldonderzoek

Het veldonderzoek is uitgevoerd onder procescertificaat BRL SIKB 2000 en conform de eisen uit de protocollen 2001 en 2002. In tabel 9 zijn de uitvoeringaspecten opgenomen. tabel 9: uitvoeringsaspecten onderdeel:

uitgevoerd door:

datum:

bijzonderheden:

uitvoeren van boringen, het plaatsen van de peilbuizen en het nemen van grondmonsters (protocol 2001) nemen van grondwatermonsters (protocol 2002)

dhr. A.D.M. van Wuykhuyse 25-08-2022 (erkend en geregistreerd) dhr. H. van Kuik (erkend en geregistreerd) dhr. A.D.M. van Wuykhuyse 05-09-2022 (erkend en geregistreerd)

geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering

locatie-inspectie

dhr. A.D.M. van Wuykhuyse 25-08-2022 (erkend en geregistreerd) dhr. H. van Kuik (erkend en geregistreerd)

geen bijzonderheden

geen bijzonderheden t.a.v. de uitvoering

Bedrijfs- en persoonerkenningen zijn weergegeven op de internetsite van Bodem+ (https://www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu). Een onafhankelijkheidsverklaring is opgenomen in bijlage 5. Alle geplaatste boringen zijn zodanig ruimtelijk verspreid over de onderzoekslocatie dat een zo representatief mogelijke indruk van de onderzoekslocatie wordt verkregen. De positionering van alle boringen is weergegeven in bijlage 2. Het veldwerkprogramma staat weergegeven in tabel 10. tabel 10: veldwerkprogramma Onderdeel

Aantal

Diepte (m-mv)

Nummers

6

ca.0.5

3 t/m 8

1

ca.2.0

2

1

ca.3.0

1

2

Onderzoekslocatie (ca. 990 m ) Boringen Peilbuis

De geplaatste peilbuis is opgebouwd uit 1 meter HDPE peilfilter omstort met filtergrind. Het filtergrind zorgt voor een goede instroming van het grondwater in het filter, daarnaast voorkomt het dat het filter dichtslibt. Het peilfilter bevindt zich 0.5 meter beneden het grondwaterniveau. Boven het peilfilter bevindt zich een blinde HDPE opzetbuis, omstort met bentoniet (zwelklei). De zwelklei dient ervoor te zorgen dat toestroming vanuit de bovengrond wordt voorkomen. De peilbuis is geplaatst conform de eisen uit het protocol 2001.

oktober ’22

13

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

monstername grond Het vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen, o.a. de korrelgrootteverdeling (textuur), kleur en eventueel aanwezige verontreinigingskenmerken. Na de zintuiglijke beoordeling is het bodemmateriaal in trajecten van 0,5 meter of per afwijkende bodemlaag bemonsterd. Grondmonsters t.b.v. analyse op vluchtige aromaten zijn m.b.v. een steekbus bemonsterd. Grondmonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2001. monstername grondwater Om een representatief grondwatermonster te verkrijgen is de peilbuis, na plaatsing en voor monstername, grondig (3 maal de inhoud van het peilfilter) afgepompt. Voorafgaand aan de bemonstering is de grondwaterstand t.o.v. het maaiveld ingemeten. Grondwatermonsters zijn genomen conform de eisen uit het protocol 2002 en NEN-5744 (literatuur 11). Tijdens de monstername van het grondwater is in het veld de zuurgraad (pH) en de elektrische geleidbaarheid (EGV) bepaald. 3.2

Resultaten van het veldonderzoek

bodemopbouw De boorprofielbeschrijvingen van alle verrichte boringen met bijbehorende zintuiglijke waarnemingen zijn grafisch uitgewerkt en opgenomen in bijlage 3. In tabel 11 is op basis van de waarnemingen de lokale bodemopbouw beschreven. tabel 11: lokale bodemopbouw bodemlaag m-mv 0.0-0.3 0.3-0.6 0.6-1.6 1.6-1.7 1.7-3.0

hoofdbestanddeel

toevoeging

kleur

zand zand veen zand leem

zwak siltig zwak siltig matig zwak siltig zwak zandig

geel bruin/grijs donkerbruin geel grijs

veldmetingen grondwater De resultaten van de veldwaarnemingen van het grondwater zijn weergegeven in tabel 12. tabel 12: veldwaarnemingen grondwater Peilbuis

filtertraject m-mv

grondwaterstand m-mv

voorpompen liter

pH

1

2.0-3.0

1.47

5

5.9

EGV geleidingsvermogen µS/cm 560

troebelheid (NTU) 42

In het genomen grondwatermonster is een hogere troebelheid gemeten dan voor natuurlijke troebelheid verwacht wordt (≥10 NTU). De peilbuis heeft voldoende rusttijd gehad na plaatsing (minimaal een week). Ook is de peilbuis zorgvuldig en met een voldoende laag debiet afgepompt, zodat de grondwaterstand in de peilbuis slechts gering is gedaald tijdens afpompen (< 50 cm). Daarom wordt aangenomen dat er geen sprake is geweest van een verstoord bodemevenwicht tijdens monsterneming, en dat de gemeten waardes voor troebelheid een natuurlijke oorzaak hebben (zwevende stoffen als lutum of silt in het grondwater). Zwevende delen kunnen leiden tot verhoogde meetwaarden in het grondwater als gevolg van matrixstoringen bij de analyse en ab- en adsorptie organische verbindingen en zware metalen aan deze zwevende delen.

oktober ’22

14

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

zintuiglijke waarnemingen grond Het bij de boringen vrijkomende bodemmateriaal is zintuiglijk beoordeeld op eventuele afwijkingen. De zintuiglijke waarnemingen zijn omschreven en grafisch weergegeven in bijlage 3. Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde monstermateriaal geen bodemvreemde afwijkingen waargenomen welke zouden kunnen duiden op een vorm van bodemverontreiniging. Ter plaatse van boring 4 is een grindlaag aanwezig. grondwater Het bemonsterde grondwater bevatte geen zintuiglijk waarneembare afwijkingen. asbest Tijdens de locatie-inspectie is aandacht geschonken aan de aanwezigheid van asbest op het maaiveld, hierbij is op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Het opgeboorde monstermateriaal (grond) is zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal. Op basis van zintuiglijke waarnemingen van het opgeboorde monstermateriaal is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen (indicatieve waarneming). Hierbij wordt opgemerkt dat in dit onderzoek handboringen zijn uitgevoerd met een 5 cm edelman boor de trefkans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal (t.g.v. verdringing van materiaal) is kleiner dan bij het graven van inspectiegaten volgens NEN-5707+C2. Bij het graven van proefgaten of proefsleuven ontstaat een beter beeld van eventueel aanwezig bodemvreemd materiaal.

Met nadruk wordt vermeld dat onderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem/puin geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige onderzoek dat volgens NEN-5740+A1 is uitgevoerd. Het onderhavige onderzoek kan daarom geen uitspraak doen over de aan- of afwezigheid van asbest in de bodem op de onderhavige locatie. Opgemerkt dient te worden dat geen asbestanalyses van grond en/of puin e.d. hebben plaatsgevonden. Asbestanalyses maken geen deel uit van verkennend bodemonderzoek in het kader van de NEN-5740+A1. Tevens wordt opgemerkt dat de zintuiglijke beoordeling op asbest en de locatie-inspectie niet opgevat dient te worden als een onderzoek uitgevoerd op basis van NEN-5707+C2 (asbestonderzoek in grond) en/of NEN-5897+C2 (monsterneming en analyse van asbest in onbewerkt bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat). Alleen een asbestonderzoek volgens NEN-5707+C2 / NEN-5897+C2 geeft meer zekerheid over de aanwezigheid van asbest in de bodem resp. puin. De chemische samenstelling van eventueel aanwezig verhardingsmateriaal is niet in dit onderzoek onderzocht.

oktober ’22

15

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

4

CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK

In dit hoofdstuk worden de uitvoering, het toetsingskader en de resultaten van de chemische analyses besproken. Vervolgens worden de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek geïnterpreteerd Het chemisch onderzoek van grond is uitgevoerd door het NEN-EN-ISO 17025 geaccrediteerde milieulaboratorium van SGS. Alle analyses zijn geanalyseerd volgens het accreditatieschema AS3000 “laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor SGS is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I&W. De conservering van grond- en grondwatermonsters is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”. 4.1

Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek

grond Teneinde in het kader van het verkennend bodemonderzoek een indruk te krijgen van de algemene kwaliteit van de grond zijn de grondmonsters, welke tijdens het veldonderzoek zijn genomen, in het laboratorium met elkaar gemengd tot grondmengmonsters. grondwater Uit de geplaatste peilbuis is een grondwatermonster genomen en geanalyseerd. In onderstaande tabel 13 wordt de samenstelling van de grondmengmonsters, grondwatermonster, de monsternamediepte en de uitgevoerde analyses weergegeven. tabel 13: analyseschema Monstercode grond

boringnummer(s)

diepte (m-mv)

zintuiglijke analysepakket waarnemingen

MM1

1 t/m 8

0.0-0.5

-

NEN-grond(*)+AS3000

MM2

1

0.6-1.5

-

NEN-grond(*)+AS3000

MM3

1+2

0.5-2.0

1

2.0-3.0

NEN-grond(*)+AS3000

grondwater 1 (peilbuis)

-

NEN-grondwater(**) +AS3000

verklaring van de gebruikte afkortingen en codes:(1) * NEN-grond = Standaard Pakket Grond omvat AS3000 voorbehandeling, 9 zware metalen, PAK (10-VROM), minerale olie (GC), PBC’s, droge stof, organische stof en lutum; **NEN-water = Standaard Pakket Grondwater omvat AS3000 voorbehandeling zware metalen, vluchtige aromaten (incl. naftaleen), chloorhoudende oplosmiddelen, chloorbenzenen, minerale olie, styreen en bromoform; Zware metalen = barium (Ba)/cadmium (Cd)/Cobalt(Co)/koper (Cu)/lood (Pb)/nikkel (Ni)/zink (Zn)/Molybdeen (Mo)/kwik(Hg); Vluchtige aromaten = Benzeen (B), Tolueen (T), Ethylbenzeen (E), Xylenen (X), Naftaleen (N) Styreen (S) (BTEXNS); PCB = Polychloorbifenylen; PAK = Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen; VOH = Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen. Bromoform = Tribroommethaan

oktober ’22

16

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

4.2

Toetsingscriteria

Om de kwaliteit van de bodem en de mate van verontreiniging te kunnen beoordelen, zijn de analyseresultaten van grondmonsters getoetst aan de geldende toetsingswaarden; 1) de achtergrondwaarde (AW-2000) zoals opgenomen in bijlage B van “de Regeling Bodemkwaliteit” 2) de interventiewaarde zoals opgenomen in tabel 1 van “de Circulaire Bodemsanering”, De toetsing van de meetresultaten is uitgevoerd middels BoToVa, de Bodem Toets Validatie Service van de overheid voor grond, grondwater en waterbodem, waarbij de toetsmodules T12 en T13 zijn gehanteerd. BoTova gaat uit van het wettelijk kader dat per 1 juli 2013 van kracht is. In de BoToVa toetsing worden de meetwaarden gecorrigeerd/teruggerekend voor de “standaard bodem” (humus=10% en lutum=25%). Generiek toetsingskader Voor de beoordeling van de analyseresultaten van de grond- en grondwatermonsters wordt gebruik gemaakt van de achtergrondwaarden grond zoals opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit, de streefwaarden grondwater en interventiewaarden grond en grondwater zoals opgenomen in de Circulaire bodemsanering. Achtergrondwaarde (AW-2000): De achtergrondwaarde (AW-2000) geeft de kwaliteit weer die 'van nature' voorkomt in de bodem van natuur- en landbouwgronden waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen.

De achtergrondwaarden zijn opgenomen in het Besluit Bodemkwaliteit en zijn gebaseerd op het onderzoek ‘Achtergrondwaarden 2000’. Hierin zijn gehalten vastgesteld van een groot aantal stoffen in bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland. De achtergrondwaarde (AW-2000) geeft het niveau aan waarbij sprake is van duurzame bodemkwaliteit. Bij overschrijding van de achtergrondwaarde is er sprake van bodemverontreiniging. Tussenwaarde/bodemindex-waarde >0.5: De gemiddelde waarde van de achtergrondwaarde en de interventiewaarde (S+I)/2, hierna te noemen 'tussenwaarde'(T), wordt gehanteerd om aan te geven dat bij overschrijding de kans aanwezig is dat er sprake is van een ernstige verontreiniging, ofwel dat nader onderzoek noodzakelijk is. De tussenwaarde heeft geen wettelijke status maar is een indicatieniveau voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek. De tussenwaarde geeft het concentratieniveau aan waarboven onder bepaalde omstandigheden risico’s voor mens en milieu aan de orde kunnen zijn. De tussenwaarde is zodoende een indicatiewaarde voor nader onderzoek. Bij overschrijding van de T-waarde of bodemindex waarde (>0,5) dient aanvullend/nader bodemonderzoek in overweging genomen te worden. Een nader onderzoek wordt uitgevoerd indien er een vermoeden bestaat dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging.

Interventiewaarde: De interventiewaarde (I) geeft aan dat bij overschrijding van deze waarde de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, plant en dier ernstig zijn verminderd of dreigen te worden verminderd. Is er sprake van een ernstige bodemverontreiniging en wordt de interventiewaarde in meer dan 25 m3 grond of 100 m3 grondwater (bodemvolume) overschreden, dan kan er noodzaak zijn tot sanering. De saneringsurgentie wordt bepaald door blootstellingsrisico's van mens, dier en plant en de verspreidingsrisico's van de betreffende stoffen (actuele risico’s). De interventiewaarden zijn gebaseerd op de risico's voor de volksgezondheid en het milieu (onderzoek RIVM). Bij de beoordeling van bodemverontreiniging aan de hand van de genoemde toetsingswaarden spelen nog een aantal aspecten een rol. Rekening dient te worden gehouden met het feit dat de mobiliteit van stoffen in de bodem en daardoor de verspreiding van stoffen afhankelijk is van diverse bodemkenmerken. Daarnaast speelt de bestemming en het gebruik van de locatie in de huidige situatie alsmede de toekomstige situatie, een grote rol bij de beoordeling van de risico's voor het milieu.

oktober ’22

17

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

4.3

Analyseresultaten en interpretatie

In deze paragraaf zijn de resultaten van de chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters, gerelateerd aan toetsingswaarden, weergegeven in tabelvorm. Na elke tabel worden de onderzoeksresultaten besproken. In bijlage 4 zijn van alle uitgevoerde analyses de analysecertificaten van SGS opgenomen. 4.3.1

Milieuhygiënische kwaliteit grond

boven- en ondergrond (0.0-2.0 m-mv) In tabel 14 wordt een volledig overzicht weergegeven van de analyseresultaten getoetst aan de toetsingswaarde. tabel 14: gemeten gehaltes (mg/kg d.s.) in grond met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Project

22-M10471-Vaart NZ 25-26 te Nieuw Am sterdam

Certificaat

13726034

Toetsing

12-Beoordeling kw aliteit van grond volgens Wbb

Toetsversie

Toetsversie 3.0.0, toetskader WBB, SIKB versie 13.3.0, toetsingsdatum : 08-09-2022 - 09:55

Parameters

Analyse

Toetsing

Eenheid

AW

13726034-001

T

I

13726034-003 MM3MM3, 01: 160-200, 02: 50-100, 02: 160-200

Grond (AS3000)

Grond (AS3000)

Grond (AS3000)

Overschrijding Achtergrondw aarde

Overschrijding Achtergrondw aarde

SR

monster voorbehandeling

Ja

droge stof

86.1

%

13726034-002

MM1MM1, 01: 30-50, 02: 6-50, 03: 20-45, 04: 4-35, 05: 0-40,MM2MM2, 06: 0-50, 07: 01: 20-40, 60-100,08: 01:0-50 100-150

BT

BC

BI

SR

BT

BC

Voldoet aan Achtergrondw aarde BI

Ja 86.1

40.9

SR

BT

BC

BI

Ja 40.9

86.1

<1

86.1

gew icht artefacten g

<1

aard van de artefacten -

Geen

organische stof%(gloeiverlies)

3.9

3.9

33.5

33.5

<1

1.8

1.8

9.1

9.1

5.2

5.2

10

10

Geen

Geen

KORRELGROOTTEVERDELING lutum (bodem) % vd DS

METALEN +

barium

mg/kg

920

66

135

--

50

138

--

<20

27.1

--

cadmium

mg/kg

0.6

6.8

13

0.25

0.36

<=AW

0

0.39

0.269

<=AW

0

<0.2

0.215

<=AW

0

kobalt

mg/kg

15

102

190

1.8

3.56

<=AW

0

<1.5

2.73

<=AW

0

<1.5

1.97

<=AW

0

koper

mg/kg

40

115

190

17

26.8

<=AW

0

7.9

7.44

<=AW

0

<5

5.68

<=AW

0

kw ik°

mg/kg

0.15

18

36

0.09

0.114

<=AW

0

0.07

0.077

<=AW

0

<0.05

0.0445

<=AW

0

lood

mg/kg

50

290

530

84

113

WO

0.13

59

56.5

WO

0.01

<10

9.6

<=AW

0

molybdeen

mg/kg

1.5

96

190

<0.5

0.35

<=AW

0

0.68

0.68

<=AW

0

<0.5

0.35

<=AW

0

nikkel

mg/kg

35

68

100

5.1

9.35

<=AW

0

<3

4.84

<=AW

0

4.8

8.4

<=AW

0

zink

mg/kg

140

430

720

120

202

IN

0.11

100

121

<=AW

0

<20

23.6

<=AW

0

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN naftaleen

mg/kg

0.04

0.04

0.17

0.0567

<0.01

0.007

21

40

2.16

2.16

WO

0.02

19.82

6.61

WO

0.13

0.07

0.07

<=AW

0

20

510

1000

7

17.9

<=AW

-

4.9

1.63

<=AW

-

4.9

24.5

<=AW

-

totaal olie C10 -mg/kg C40

190

2595

5000

<20

35.9

<=AW

0

140

46.7

<=AW

0

<20

70

<=AW

0

Verklaring kolom m en SR

Resultaat op het analyserapport

BT

Berekend toetsresultaat (omgerekend naar standaard bodem). Bij organische stof en lutum staan de voor de toetsing gebruikte waarden.

BC

Toetsoordeel

ST

SGS toetsings resultaat (door SGS berekend)

SC

SGS toetsings conclusie (door SGS bepaald)

AW

Achtergrondwaarde (door SGS beheerd)

T

Tussenwaarde (door SGS berekend en beheerd maar niet meer beschreven in de wetgeving)

I

Interventie waarde (door SGS beheerd)

RBK

Tabel 1 (rapportagegrenzen), Staatscourant nr. 22335 (02-11-2012).

BI

SGS berekende BodemIndex waarde: =(BT - (S of AW) ) / (I - (S of AW) )

pak-totaal (10 van mg/kg VROM) (0.71.5 factor)

POLYCHLOORBIFENYLEN (PCB) som PCB (7) (0.7 ug/kg factor)

MINERALE OLIE

Verklaring toetsingsoordelen Geen toetsoordeel mogelijk --

Heeft geen normwaarde, zorgplicht van toepassing

---

Interventiewaarde ontbreekt, zorgplicht van toepassing

#

Verhoogde rapportagegrens, voor meer informatie zie analysecertificaat

<=AW

Kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde

WO

Wonen

IN

Industrie

,zp

Interventiewaarde ontbreekt, zorgplicht van toepassing

>I

Groter dan interventiewaarde

>(ind)I

INEV (Indicatieve interventiewaarde) wordt overschreden

somIW>1

Interventiewaarde wordt overschreden door som fractie interventiewaarde > 1 (interventie factor)

^

Enkele parameters ontbreken in de som

>IND

Groter dan industrie

Kleur inform atie Rood

> Interventiewaarde

Roze

> Industrie

Oranje

>= Tussenwaarde (BI ligt tussen 0.5 en 1)

Blauw

>= Achtergrond waarde

oktober ’22

18

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

interpretatie onderzoeksresultaten grond In tabel 15 staat een samenvatting weergegeven van de toetsresultaten van de onderzochte mengmonsters. tabel 15: samenvatting toetsresultaten per mengmonster Mengmonster MM1

Boringen 1 t/m 8

Diepte 0.0-0.5

Zintuiglijk -

>T -

>I -

Indicatieve toetsing Bbk* Industrie*

-

>AW lood, zink, PAK’s (som 10) lood, PAK’s

MM2

1

0.6-1.5

MM3

1+2

0.5-2.0

-

-

Wonen*

-

-

-

-

>AW

overschrijding achtergrondwaarde (bodemindex =<0,5)

Achtergrondwaarde*

>T

overschrijding tussenwaarde (criteria voor nader onderzoek, bodemindex >0,5)

>I

overschrijding interventiewaarde (bodemindex >1)

Bbk

besluit bodemkwaliteit

*= beoordeling is excl. onderzoek naar PFAS-verbindingen, onderzoek naar deze verbindingen is vanaf 8 juli 2019 verplicht bij beoordeling van hergebruiksmogelijkheden van de grond

bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte lood, zink (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) t.o.v. de achtergrondwaarde. ondergrond (0.5-2.0 m-mv) Ondergrondmonster MM2 bevat een verhoogd gehalte lood (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) t.o.v. de achtergrondwaarde. Ondergrondmengmonster MM3 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde. De verhoogd gemeten gehalten lood, zink (zware metalen) en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) in de boven- resp. ondergrond zijn op basis van zintuiglijke waarnemingen niet te relateren aan zintuiglijke waarnemingen in het opgeboorde monstermateriaal. Anderzijds zijn de verhoogd gemeten gehalten waarschijnlijk deels te relateren aan het jarenlange gebruik/bewoning van de locatie in het verleden. In gebieden welke reeds langere tijd door de mens in gebruik zijn (o.a. langdurige bewoning of menselijk gebruik) geldt in algemene zin dat vaker verhoogde gehalten aan o.a. zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) in de grond worden gemeten. In algemene zin wordt opgemerkt dat antropogene beïnvloeding van een locatie in de meeste gevallen een negatief effect heeft op de kwaliteit van de bodem.

Zware metalen, zoals cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink, bezitten een geringe mobiliteit in de bodem en hechten zich met name aan slib- en kleideeltjes. Zware metalen komen van nature in bepaalde concentraties in de bodem voor. Deze concentraties kunnen verhoogd voorkomen in het stedelijk milieu. De afgifte vindt onder andere plaats door dakpannen, dakgoten, kabels en leidingen, verkeer en afval. Ook depositie van zware metalen op de bodem door industriële activiteiten is een mogelijke oorzaak van verhoogde concentraties. Tot de bedrijfsactiviteiten die verontreiniging van de bodem met zware metalen kunnen veroorzaken worden onder andere gerekend galvanische bedrijven, grafische industrie, sloperijen en metaalbewerkende industrie.

oktober ’22

19

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) omvat een groep van meer dan 200 stoffen, die bestaan uit twee of meer aan elkaar verbonden benzeenringen, die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofbevattende materialen. Het zijn teerachtige stoffen die ontstaan bij de onvolledige verbranding van koolstofhoudende materialen als hout, fossiele brandstoffen, tabak of levensmiddelen. De aanwezigheid van PAK’s in de bodem zijn vaak het gevolg van de aanwezigheid van teerhoudende of koolstofhoudende stoffen, zoals bv. koolas, verbrandingsresten of teerresten. Ze kunnen zowel een synthetische als een natuurlijke oorsprong hebben. PAK’s kunnen ook worden aangetroffen bij de vervaardiging en verwerking van rubber, kunststoffen, verf, lakken, minerale olie en teerproducten. In de chemische grondstoffenindustrie dienen ze als tussenproducten bij verschillende syntheses, bijvoorbeeld van verfstoffen en farmaceutica.

Opmerking: Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter vanuit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000). Op basis van de circulaire bodemsanering 2009 zijn de toetsingswaarden voor barium (zware metalen) tijdelijk ingetrokken. Indien er op een locatie sprake is van een antropogene bron kan het gemeten gehalte barium indicatief worden getoetst aan de voormalige interventiewaarde.

oktober ’22

20

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

4.3.2

Milieuhygiënische kwaliteit grondwater

In tabel 16 wordt een volledig overzicht weergegeven van de analyseresultaten getoetst aan de toetsingswaarde. tabel 16: gemeten gehaltes (µg/l) in grondwater met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Project

22-M 10471-V aar t NZ 25-26 te Nie uw Am s te r dam

Certif icaat

13730840

Toetsing

13-Be oor de ling k w alite it van gr ondw ate r volge ns Wbb

Toetsversie

Toe ts ve r s ie 2.0.0, toe ts k ade r WBB, SIKB ve r s ie 13.3.0,

Parameters

Toetsing

toe ts ings datum : 16-09-2022 - 15:16

13730840-001 Pb1Pb1, 01-Pb1: 200-300 Grondw ater (A S3000) Ove r s chr ijding Str e e fw aar de

Analys e

Ee nhe id

S

T

I

SR

BT

BC

BI

barium

ug/l

50

338

625

130

130

>S

0.14

cadmium

ug/l

0.4

3.2

6

<0.2

0.14

<=S

-

kobalt

ug/l

20

60

100

<2

1.4

<=S

-

koper

ug/l

15

45

75

11

11

<=S

-

kw ik

ug/l

0.05

0.18

0.3

<0.05

0.035

<=S

-

lood

ug/l

15

45

75

<2

1.4

<=S

-

molybdeen

ug/l

5

152

300

6.8

6.8

>S

0.01

nikkel

ug/l

15

45

75

5.2

5.2

<=S

-

zink

ug/l

65

432

800

<10

7

<=S

-

M ETALEN

V LUCHTIGE AROM ATEN benzeen

ug/l

0.2

15

30

<0.2

0.14

<=S

-

tolueen

ug/l

7

504

1000

<0.2

0.14

<=S

-

ethylbenzeen

ug/l

4

77

150

<0.2

0.14

<=S

-

xylenen (0.7 f actor) ug/l

0.2

35

70

0.21

0.21

<=S

-

styreen

ug/l

6

153

300

<0.2

0.14

<=S

-

naf taleen

ug/l

0.01

35

70

<0.02

0.014

<=S

-

GEHALOGENEERDE KOOLWATERSTOFFEN 1,1-dichloorethaan ug/l

7

454

900

<0.2

0.14

<=S

-

1,2-dichloorethaan ug/l

7

204

400

<0.2

0.14

<=S

-

1,1-dichlooretheen ug/l

0.01

5.0

10

<0.1

0.07

<=S

-

<0.1

0.07

som (cis,trans)ug/l 1,2- dichloorethenen 0.01 (0.7 f actor) 10

20

0.14

0.14

<=S

-

dichloormethaan ug/l

1000

<0.2

0.14

<=S

-

1,1-dichloorpropaan ug/l

<0.2

0.14

1,2-dichloorpropaan ug/l

<0.2

0.14

trans-1,2-dichlooretheen ug/l

0.01

500

1,3-dichloorpropaan ug/l

<0.2

0.14

som dichloorpropanen ug/l (0.7 f actor) 0.8

40

80

0.42

0.42

<=S

-

tetrachlooretheen ug/l

0.01

20

40

<0.1

0.07

<=S

-

tetrachloormethaan ug/l

0.01

5.0

10

<0.1

0.07

<=S

-

1,1,1-trichloorethaan ug/l

0.01

150

300

<0.1

0.07

<=S

-

1,1,2-trichloorethaan ug/l

0.01

65

130

<0.1

0.07

<=S

-

trichlooretheenug/l

24

262

500

<0.2

0.14

<=S

-

chlorof orm

ug/l

6

203

400

<0.2

0.14

<=S

-

vinylchloride

ug/l

0.01

2.5

5

<0.2

0.14

<=S

-

630

<0.2

0.14

---

600

<50

35

<=S

tribroommethaan ug/l

M INERALE OLIE totaal olie C10 -ug/l C40

50

ADDITIONELE TOE Ee nhe TSPARAM id BT ETERS

325

-

BC

13730840-001 som 16 aromatische ug/l oplosmiddelen 0.77 (Bbk, 1-1-2008) ^-som 10 polyaromatische DIMSLS koolw0.0002 aterstof f en (V ROM)

V e r k lar ing k olom m e n SR

Resultaat op het analyserapport

BT

Berekend toetsresultaat (omgerekend naar standaard b odem). Bij organische stof en lutum staan de voor de toetsing geb ruikte waarden.

BC

Toetsoordeel

ST

SGS toetsings resultaat (door SGS b erekend)

SC

SGS toetsings conclusie (door SGS b epaald)

AW

Achtergrondwaarde (door SGS b eheerd)

T

Tussenwaarde (door SGS b erekend en b eheerd maar niet meer b eschreven in de wetgeving)

I

Interventie waarde (door SGS b eheerd)

RBK

Tab el 1 (rapportagegrenzen), Staatscourant nr. 22335 (02-11-2012).

BI

SGS b erekende BodemIndex waarde: =(BT - (S of AW ) ) / (I - (S of AW ) )

V e r k lar ing toe ts ings oor de le n Geen toetsoordeel mogelijk --

Heeft geen normwaarde, zorgplicht van toepassing

---

Streefwaarde ontb reekt, zorgplicht van toepassing

#

Verhoogde rapportagegrens, voor meer informatie zie analysecertificaat

<=AW

Kleiner dan of gelijk aan de achtergrondwaarde

<=S

Kleiner dan of gelijk aan de streefwaarde

>S

Groter dan de streefwaarde

>I

Groter dan interventiewaarde

>(ind)I

INEV (Indicatieve interventiewaarde) wordt overschreden

^

Enkele parameters ontb reken in de som

Kle ur infor m atie Rood

> Interventiewaarde

Or anje

>= Tussenwaarde (BI ligt tussen 0.5 en 1)

Blauw

> streefwaarde

oktober ’22

21

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

interpretatie resultaten grondwater In tabel 17 staat een samenvatting weergegeven van de toetsresultaten van het onderzochte grondwatermonster. tabel 17: samenvatting toetsresultaten per grondwatermonster Grondwatermonster

Diepte filter Zintuiglijk

1 (peilbuis)

2.0-3.0

-

>S

>T

>I

barium, molybdeen

-

-

Legenda >S

overschrijding streefwaarde (bodemindex <=0,5)

>T

overschrijding tussenwaarde (criteria voor nader onderzoek, bodemindex >0,5)

>I

overschrijding interventiewaarde (bodemindex >1)

peilbuis 1 (2.0-3.0 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium en molybdeen (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde. Ten aanzien van het voorkomen van verhoogde gehaltes zware metalen in het freatisch grondwater kan in algemene zin worden opgemerkt dat dergelijke verhoogde gehaltes op tal van onverdachte locaties in Nederland regelmatig voorkomen. De gehaltes worden vaak in verhoogde mate aangetoond zonder dat daarbij sprake is van een verontreinigingsbron. De verhoogde gehaltes zware metalen kunnen o.a. worden veroorzaakt door wisselende milieuomstandigheden in de bodem alsmede door diverse bodemprocessen. Zo kan het onvoldoende herstelde evenwicht tussen grond en grondwater ten tijde van de bemonstering een mogelijke oorzaak zijn van het verhoogd voorkomen van zware metalen. Deels kunnen zware metalen van nature, door uitloging uit sedimenten, afhankelijk van het redoxpotentiaal, in verhoogde mate in het grondwater voorkomen, het betreft in deze gevallen natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Opgemerkt wordt dat de aanwezigheid van zware metalen in het grondwater ook kan samenhangen met het vm. gebruik van de locatie.

Opmerking: Wanneer het gehalte van een parameter beneden de rapportagegrens van AS3000 ligt mag er, conform de Wijziging Regeling Bodemkwaliteit (Stc. 122, 27 juni 2008), voor de betreffende parameter van uit worden gegaan dat deze voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000), e.e.a. geldt voor de gecorrigeerde som 1,2dichlooretheen, gecorrigeerde som dichloorpropaan en som xylenen.

oktober ’22

22

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

Naar aanleiding van de resultaten van het verkennend milieukundig bodemonderzoek worden de volgende conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan. zintuiglijke waarnemingen Op basis van zintuiglijke waarnemingen zijn in het opgeboorde bodemmateriaal geen bodemvreemde afwijkingen of asbestverdacht materiaal waargenomen (indicatieve waarneming). Een samenvatting van de toetsingsresultaten staat weergegeven in tabel 18. tabel 18: samenvatting toetsingsresultaten Mengmonster grond

Boringen

Diepte

Zintuiglijk

>AW of >S

>T

>I

Indicatieve toetsing Bbk*

MM1

1 t/m 8

0.0-0.5

-

-

-

Industrie*

MM2

1

0.6-1.5

-

lood, zink, PAK’s (som 10) lood, PAK’s

-

-

Wonen*

MM3 1+2 grondwater

0.5-2.0

-

-

-

-

Achtergrondwaarde*

Pb1

2.0-3.0

-

barium, molybdeen

-

-

n.v.t.

1

Legenda >AW / >S

overschrijding achtergrondwaarde of streefwaarde (bodemindex =<0,5)

>T

overschrijding tussenwaarde (criteria voor nader onderzoek, bodemindex >0,5)

>I

overschrijding interventiewaarde (bodemindex >1)

Bbk

besluit bodemkwaliteit

*= beoordeling is excl. onderzoek naar PFAS-verbindingen, onderzoek naar deze verbindingen is vanaf 8 juli 2019 verplicht bij beoordeling van hergebruiksmogelijkheden van de grond

grond bovengrond (0.0-0.5 m-mv) Bovengrondmengmonster MM1 bevat een verhoogd gehalte lood, zink (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging, naar onze mening, geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. ondergrond (0.5-2.0 m-mv) Ondergrondmonster MM2 bevat een verhoogd gehalte lood (zware metalen) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK’s, som 10) t.o.v. de achtergrondwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging, naar onze mening, geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. Ondergrondmengmonster MM3 bevat geen van de onderzochte componenten verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde en/of detectiewaarde.

oktober ’22

23

verkennend milieukundig bodemonderzoek volgens NEN-5740+A1 Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

grondwater peilbuis 1 (2.0-3.0 m-mv) Het grondwater ter plaatse van peilbuis 1 bevat een verhoogd gehalte barium en molybdeen (zware metalen) t.o.v. de streefwaarde, de tussenwaarde (indicatie voor nader onderzoek) en de bodemindex-waarde (>0.5) wordt in deze gevallen niet overschreden zodat er uit milieuhygiënische overweging, naar onze mening, geen directe aanleiding bestaat tot het instellen van aanvullend onderzoek. toetsing hypothese Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieuhygiënisch onverdacht aangemerkt. In tabel 19 is de hypothese en de noodzaak tot vervolgonderzoek beoordeeld aan de hand van de onderzoeksresultaten. tabel 19 : toetsing hypothese Locatie

Hypothese

Correct?

Verkennend onderzoek met nieuwe hypothese?

Nader onderzoek?

Vaart NZ 25-26 te NieuwAmsterdam

onverdacht

nee, verhoogde gehalten aangetoond

nee, onderzoeksinspanning voldoende

nee, er zijn geen matig tot sterk verhoogde gehalten in de bodem gemeten.

Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet vrij is van bodemverontreiniging. De grond en het grondwater bevatten enkele stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde resp. streefwaarde, deze geven geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Opgemerkt wordt dat de conclusies betrekking hebben op de chemische gesteldheid van de bodem (excl. asbest). Een asbestonderzoek in grond of puin conform de NEN 5707+C2 resp. NEN 5897+C2 maakt geen onderdeel uit van de scope van onderhavig onderzoek. Op basis van dit onderzoek dat volgens NEN-5740-A1 is uitgevoerd kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem of puin. Indien een formele uitspraak over het voorkomen van asbest in de bodem gewenst is dient een asbestonderzoek uit gevoerd te worden conform de NEN 5707+C2 of NEN 5897+C2. Afwijkingen t.o.v. normen en protocollen Er hebben bij de uitvoering van werkzaamheden geen afwijkingen plaatsgevonden t.o.v. de geldende protocollen 2001, 2002 en/of overige geldende analysemethoden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=fee44d05-e878-49e6-bf81-dc59dcd73671