Bijlage 7 - Rapport 'de gemeente Emmen in het perspectief van het landschap'
Tekst van het document
Buitengebied Emmen
De Gemeente Emmen in het perspectief van het landschap Analyse in het kader van het bestemmingsplan buitengebied
De inventarisatie en analyse van het landschap vond plaats in het kader van de actualisering van het bestemmingsplan Buitengebied en is verricht in opdracht van: Gemeente Emmen, Afdeling FRO Postbus 30001 7800 RA Emmen De inventarisatie en analyse is verricht door: HHvB Adviesburo voor landschapsinrichting Mw Drs Ing L.M. Scholtens Hoogeveenseweg 21 9435 TC Bruntinge Tel. 0593 552805 In samenwerking met: Kerngroep Bestemmingsplan Buitengebied Januari 2012
Inhoudsopgave 1. Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Doelstelling 1.3 Uitgangspunten 1.4 Werkwijze 1.5 Leeswijzer
5 5 5 5 7 11
2. Aard- en bodemkundige ondergrond
12
3. Periode voor de drie cultuurlandschappen
16
4. Het esdorpen landschap algemeen
18
4.1 De es en esdorp algemeen 4.1.1 Gebied 1 Emmer- en Schimmer es 4.1.2 Gebied 2 Den oever en omgeving 4.1.3 Gebied 3 Weerdinger essen
22 26 30 34
4.2 Beekdalgronden algemeen 4.2.1 Gebied 4 Sleenerstroom
38 40
4.3 Veldontginningen algemeen 4.3.1 Gebied 5 Knarphoorn en omgeving 4.3.2 Gebied 6 De Weerdinger Emmer Kampen 4.3.3 Gebied 7 Noord Barger Oude en Nieuwe Kamp 4.3.4 Gebied 8 Zuidbarger Nieuwe Kamp 4.3.5 Gebied 9 Blikveldweg en omgeving 4.3.6 Gebied 10 Emmerveld 4.3.7 Gebied 11 Weerdinge 4.3.8 Gebied 12 Westerveld
42 44 48 50 54 56 60 64 70
5. Kleinschalige veenontginningen algemeen
74
5.1 Gebied 13 Schoonebeek en omgeving 5.2 Gebied 14 Roswinkel en Munsterscheveld 5.3 Gebied 15 Hondsrugzone 5.4 Gebied 16 Nieuw-Dordrecht 5.5 Gebied 17 Omgeving Barger-Erfscheidenveen
78 84 90 94 98
5.6 Gebied 18 Klazienaveen-zuid 5.7 Gebied 19 Nieuw-Amsterdam
102 104
6. Grootschalige veenontginningen algemeen
108
6.1 Dubbel kanaal systeem 6.1.1 Gebied 20 Emmer-Compascuum-zuid 6.1.2 Gebied 21 Emmer-Erfscheidenveen
112 114 116
6.2 Enkel kanaal systeem 6.2.1 Gebied 22 Barger-Compascuum-west 6.2.2 Gebied 23 Omgeving Verl. Eerste Groene Dijk 6.2.3 Gebied 24 Oost en West Doorsnee 6.2.4 Gebied 25 Roswinkelerveen
118 120 122 126 128
6.3 Enkel kanaal met kruisdiepen van Gebied 26 Nieuw-Weerdinge
132
6.4 Bloksysteem met wijken 6.4.1 Gebied 27 Barger-Compascuum en omgeving 6.4.2 Gebied 28 Emmer-Compascuum 6.4.3 Gebied 29 Ercia-zuidoost, Barger Oosterveen 6.4.4 Gebied 30 Hondsrug-oost 6.4.5 Gebied 31 Klazienveen-noordoost 6.4.6 Gebied 32 Nieuw-Amsterdam en omgeving 6.4.7 Gebied 33 Oranjekanaal-zuidwest 6.4.8 Gebied 34 Zwartemeer en omgeving
136 138 142 146 150 154 156 160 164
6.5 Deels c.q. anders ontgonnen 6.5.1 Gebied 35 Amsterdamsche Veld en omgeving 6.5.2 Gebied 36 Ericase Straat en omgeving 6.5.3 Gebied 37 Foxel 6.5.4 Gebied 38 Limietweg 6.5.5 Gebied 39 Roswinkel-noordoost
168 170 176 180 184 186
7. Gaafheidsmatrix
192
Indeling drie hoofdlandschappen: Paars/blauw = Esdorpenlandschap Bruin = Kleinschalige veenontginningen Geel = Grootschalige veenontginningen Witte gebieden behoren niet tot het plangebied
Afb. 1 Bron: Gemeente Emmen
1. Inleiding 1.1. Aanleiding Dit rapport is tot stand gekomen in het kader van de integrale herziening van het bestemmingsplan buitengebied van de Gemeente Emmen. Het landschap van Emmen is één van de bouwstenen in het bestemmingsplan buitengebied. Zoals vastgelegd in de Nota van Uitgangspunten (april 2009) kiest het bestemmingsplan landschap als vertrekpunt voor ontwikkelingsmogelijkheden van de aanwezige functies. Uitgangspunt daarbij is dat er geen behoud bestaat zonder ontwikkeling en geen ontwikkeling zonder behoud. Ook waar het accent ligt op behoud, zal er ruimte moeten zijn voor ontwikkeling en vernieuwing. En waar volop ontwikkelingsruimte geboden kan worden, is het wenselijk vanuit kwaliteitsoverwegingen om in te spelen op de kenmerken van de landschap en aan te sluiten op bestaande structuren en patronen. De opgave is ontwikkelingen zodanig te geleiden dat kwaliteiten behouden blijven, knelpunten tot een oplossing worden gebracht en nieuwe kwaliteiten aan het landschap worden toegevoegd, en dat alles zodanig dat het landschap ‘zijn verhaal’ kan blijven vertellen. 1.2. Doelstelling Doel van dit rapport is om, gegeven de gelaagdheid, dynamiek en variatie van het landschap, inzicht te geven in de karakteristieken die het landschap in een gebied bepalen en de mate waarin deze nog herkenbaar aanwezig zijn in het huidige landschap.
Inzicht in de landschappelijke karakteristieken biedt de gemeente en initiatiefnemers de mogelijkheid verantwoorde overwegingen te nemen bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit rapport dient dan ook als beoordelingskader én inspiratiebron bij ruimtelijke ontwikkelingen.
1.3. Uitgangspunten Zoals al in de Nota van Uitgangspunten (april 2009) is vastgelegd, bepalen landbouw en landschap het gezicht van het Emmense platteland. Ze worden daarom aangemerkt als ‘basisfuncties’. Landbouw en landschap zijn onlosmakelijk verbonden met het buitengebied en er (letterlijk) in geworteld. Voor optimale gebiedsontwikkeling is het van belang om specifiek naar de behoefte en mogelijkheden op elke plek te kijken. Maatwerk is dus gewenst. Maatwerk is een bestemmingsplan dat heel gebiedsspecifiek de ruimtelijke waarden van Emmen in acht neemt. Maatwerk wordt onder andere gebaseerd op geobjectiveerde landschappelijke analyse. Daartoe is dit rapport opgesteld. Voor de analyse van het landschap is de Ruimtelijke Waardenkaart Emmen de onderlegger. De Ruimtelijke Waardenkaart is als uitwerking van de Structuurvisie Emmen 2020 opgesteld. De Ruimtelijke Waardenkaart en het bestemmingsplan buitengebied maken wat betreft het thema landschap een onderscheid tussen drie hoofdlandschapstypen, namelijk het esdorpenlandschap, het landschap van de kleinschalige veenontginningen en dat van de grootschalige veenontginningen. In dit rapport worden de algemene ruimtelijke en visuele aspecten zoals beschreven in de Ruimtelijke Waardenkaart verder uitgewerkt naar een lager (meso) schaalniveau.
voorgaande soms geheel maar vaak ook slechts gedeeltelijk uitgewist. Het resultaat is dat het huidige landschap een gelaagd landschap is met, naast elkaar, elementen en structuren uit verschillende tijdsperiodes. In cultuurhistorisch opzicht is het dus een rijk landschap.
In lijn met de Ruimtelijke Waardenkaart kent dit rapport een aantal uitgangspunten ten aanzien van het landschap van de gemeente Emmen:
•
Een gelaagd landschap Het landschap van de Gemeente Emmen is het resultaat van een eeuwenlange ontwikkeling. Afhankelijk van de wensen en beschikbare technische mogelijkheden in een bepaalde tijd heeft de mens het landschap aangepast en veranderd. Iedere tijdsperiode heeft zo zijn eigen karakteristieken aan het landschap toegevoegd. Hierbij werd het
Een dynamisch landschap Het landschap van de Gemeente Emmen is ook een zeer dynamisch landschap. Wanneer de topografische kaart van 2005 naast die van 1905 wordt gelegd, wordt duidelijk welke ingrijpende ontwikkelingen in een relatief korte periode hebben plaatsgevonden. Zo zijn de heidegronden voor een belangrijk deel in deze periode ontgonnen. Maar ook de grootschalige hoogveenontginningen zijn in bepaalde delen van de gemeente nog doorgegaan tot na WO II. Dit betekent dat de Gemeente Emmen naast oude ook jonge landschappen kent en ook op dit moment is er nog steeds sprake van een grote mate van dynamiek. Een gevarieerd landschap Mede door de gelaagdheid en dynamiek kent de Gemeente Emmen een zeer gevarieerd landschap. Binnen de drie hoofdlandschapstypen zijn verschillende landschappelijke eenheden te onderscheiden die in ruimtelijk en visueel opzicht van elkaar verschillen.
•
Het esdorpenlandschap op het Drents Plateau is opgebouwd uit nederzettingen, escomplexen, beekdalen en oude en jonge veldontginningen. Dit is een oud landschap. Zo zijn de hunebedden nog restanten uit het Neolithicum en zijn bepaalde wegen oude cultuurhistorische verbindingen. Het landschap van de kleinschalige veenontginningen bestaat uit oude, jonge en zeer jonge veenontginningen. In het zuiden en noordoosten van de Gemeente Emmen liggen, op de rand van het voormalige grote
Afb. 2 Lineaire bebouwing-, wegen-, groen- & waterstructuur bij Emmer-Compascuum
Afb. 3 Smalle strookverkaveling met bosjes, houtwallen etc. bij Schoonebeek
Afb. 5 Boerderijen met erfbeplanting in grootschalig landschap bij Nieuw-Weerdinge
Afb. 5 Nieuwe infrastructuur in beekdal Sleenerstroom
•
veencomplex de (rand)veenontginningen Schoonebeek en Roswinkel waarvan de ontginningsgeschiedenis teruggaat tot in de Middeleeuwen. De jongere kleinschalige veenontginningen stammen vooral uit de periode waarin de boermarkes (geleidelijk) werden opgeheven. Hoewel de markewet van 1886 officieel leidde tot de beëindiging van het markesysteem van gemeenschappelijk bezit, zijn sommige gebieden al eerder verdeeld. De Hondsrugzone, Nieuw Dordrecht en Barger-Erfscheidenveen en omgeving worden hiertoe gerekend. De jongste kleinschalige veenontginningen stammen uit de periode van de grootschalige hoogveenontginningen uit de vorige eeuw. Door de aardkundige ondergrond, een zandkop of een uitloper van de Hondsrug onder het veen, was het graven van wijken hier niet rendabel. Waarschijnlijk door het verdeelde eigendom zijn deze gebieden niet systematisch verveend en kleinschalig van karakter. Het betreft de gebieden bij Klazienaveen en Nieuw Amsterdam Het oostelijke gedeelte van de gemeente wordt gevormd door de monumentale, grootschalige hoogveenontginningen. Het landschap van de grootschalige hoogveenontginningen is een ontworpen landschap waarbij vooraf is bepaald wat waar wordt aangelegd. Afhankelijk van het uiteindelijke doel, bijvoorbeeld het stichten van een lintdorp, de aardkundige ondergrond en de tijdsperiode is het hoogveen volgens verschillende systemen ontgonnen.
Hoewel al deze ontginningen grootschalig zijn, verschillen zij in bijvoorbeeld de bebouwing-, water- en groenstructuur.
1.4. Werkwijze De analyse van de landschappelijke karakteristieken vindt in een aantal ‘stappen’ plaats. Eerst worden de algemene karakteristieken van de drie hoofdlandschapstypen kort weergegeven. Vervolgens komen de algemene karakteristieken van de landschappelijke eenheden aan bod. Zo wordt binnen het esdorpenlandschap bijvoorbeeld de karakteristieken van de es gegeven en bij de grootschalige hoogveenontginningen de karakteristieken van het dubbel kanaal systeem. Daarna wordt per gebied, bijvoorbeeld de Schimmeren Emmer es, een analyse gegeven van de mate waarin de algemene karakteristieken van bijvoorbeeld de es nog in het huidige landschap herkenbaar aanwezig zijn. Tenslotte wordt bij de per gebied beschreven analyse als hulpmiddel de zogenaamde gaafheidsmatrix weergegeven. In deze matrix wordt de mate waarin de landschappelijke karakteristieken nog aanwezig, dan wel afwezig zijn, gekwantificeerd. Per gebied wordt dus zowel een inhoudelijke analyse als de gekwantificeerde aan- of afwezigheid van de karakteristieken gegeven. De inhoudelijke analyse én de gaafheidsmatrix zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen in samenhang te worden gelezen. Bij een analyse van een gelaagd, dynamisch en gevarieerd landschap verdienen de volgende nuances de aandacht. Als eerste wordt duidelijk dat overgangen tussen verschillende landschappen soms zeer geleidelijk kunnen zijn.
In dat geval is het moeilijk om een grens tussen twee verschillende landschappen te trekken.
In tegenstelling tot bijvoorbeeld gemeentelijke of landsgrenzen staan de grenzen van een landschap niet vast. Gebieden kunnen karakteristieken hebben van bijvoorbeeld zowel het esdorpenlandschap als de kleinschalige veenontginingen. Op basis van de bodemkaart, historische topografische kaarten en eerdere studies (o.a. Provinciaal Omgevingsplan Drenthe, Landschapsonderzoek Gemeente Emmen, Veenatlas, Ruimtelijke Waardenkaart) is een keuze gemaakt voor de grenzen tussen gebieden. Ten tweede kunnen, doordat het landschap van Emmen een gelaagd landschap is, in één gebied karakteristieken uit verschillende tijdsperiodes aanwezig zijn. Gekozen is voor die landschappelijke laag waarvan de meeste karakteristieken in het huidige landschap aanwezig zijn. Bijvoorbeeld: het gebied ten noorden van Roswinkel en ten oosten van de Ertsstraat/Roswinkelerstraat. Dit gebied, dat op de Hottingerkaart van 1773 – 1794 Heerenland en Roswinkeler Groenland wordt genoemd, is oorspronkelijk kleinschalig ontgonnen. Echter, door landschappelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld ruilverkaveling etc.) heeft het landschap meer een maat, schaal en beeld gekregen van een grootschalig landschap. Het gebied wordt dan ook tot de grootschalige landschappen gerekend.
In de analyse komen die karakteristieken uit de periode van de kleinschalige ontginningen die tot op de dag van vandaag nog wel herkenbaar, zoals bijvoorbeeld de kavel- en bebouwingsstructuur, aan bod. Met inachtneming van twee bovengenoemde nuances is binnen de drie hoofdlandschapstypen een gebiedsindeling gemaakt. Per gebied zijn
Afb. 6 Geleidelijke overgang kleinschalige naar grootschalige veenontginningen
Afb. 7 Geleidelijke overgang escomplex en veldontginning bij Weerdinge
Afb. 8 Oude weg en houtwalrestant in grootschalig landschap ten noorden Erica
Afb. 9 Boerderij op zandkop in grootschalig landschap Nieuw-Weerdinge
de volgende landschappelijke karakteristieken inhoudelijk geanalyseerd: •
•
De aard- en bodemkundige ondergrond: Oorspronkelijk was er een grote samenhang tussen het menselijk ingrijpen en de (bodem)gesteldheid. Waar plaatselijke factoren verschilden, verschilden ook de nederzettingspatronen. Zo vestigden mensen zich op de overgang van hoog naar laag en werden de lagere gelegen, natte beekdalgronden gebruikt als weide- of hooilanden. De mate waarin het bodem- en aardkundige reliëf, zoals bijvoorbeeld de steilrand van de Hondsrug of de laagtes van de beekdalen tot op de dag van vandaag nog herkenbaar in het landschap is staat hier centraal. Periode voor de drie cultuurlandschappen: Hiermee worden de min of meer natuurlijke landschappen bedoelt die aanwezig zijn geweest voordat de drie cultuurlandschappen, het esdorpenlandschap en het landschap van de klein- en grootschalige ontginningen zijn ontstaan. Al voordat bijvoorbeeld het esdorpenlandschap is ontstaan was sprake van menselijk ingrijpen. Het landschap van de gemeente Emmen is een door de mens gemaakt landschap. Zo is het esdorpenlandschap vooral ontstaan in de Middeleeuwen toen boeren zich voor het eerst min of meer op één plek gingen vestigen. Echter, al voor die tijd was sprake van menselijk ingrijpen door
bijvoorbeeld de hunebedbouwers, maar het landschap uit die tijd is vrijwel verdwenen en met het blote oog niet of slecht waarneembaar. Zichtbare cultuurhistorisch relicten zoals de hunebedden herinneren nog aan de tijd voor het esdorpenlandschap. Ook zijn soms vanaf luchtfoto’s nog restantanten van bijvoorbeeld wegen of celtic fields zichtbaar. Datzelfde geldt voor cultuurhistorische restanten uit de periode waarin het veen groeide en de periode waarin het veen vooral werd gewaardeerd als militair gebied. Zo zijn enkele voormalige veenwegen nog steeds belangrijke lijnen in het huidige landschap. Dit ondanks dat zij niet meer in hun oorspronkelijke staat aanwezig zijn. •
•
De wegenstructuur: Het, soms grillige, wegenpatroon van het esdorpenlandschap verschilt met het rechtlijnige patroon van de grootschalige ontginningen. Maar ook in het esdorpenlandschap bestaan er verschillen tussen het patroon en hiërarchie van de wegen op bijvoorbeeld de es en die tussen de dorpen. Ook hebben nieuw aangelegde wegen soms een belangrijke invloed gehad op het huidige ruimtelijke en landschappelijke beeld.
•
Verkavelingstructuur: De smalle onregelmatige lange strookverkaveling bij Schoonebeek zorgt bijvoorbeeld voor een ander landschappelijk beeld dan de brede regelmatige rechthoekige verkaveling bij Emmer-Erfscheidenveen. De soort verkaveling, de kavelrichting, de kavelbreedte alsmede het landgebruik staat hier centraal.
•
Waterstructuur: In bepaalde gebieden bepaald de waterstructuur ook de verkavelingstructuur in andere gebieden niet. Naast het patroon van de watergangen wordt tevens de aanwezigheid van bijvoorbeeld open water in de analyse betrokken.
•
Beplantingstructuur: De aanwezigheid of juist afwezigheid van bos(jes), houtwallen, wegbegeleidende beplanting en erfbeplanting bepalen mede het landschappelijke beeld.
•
Visuele aspecten: De samenhang van de ondergrond, wegen-, bebouwing-, verkaveling-, water- en beplantingstructuur leiden ertoe dat er bepaalde korte ofwel lange zichtlijnen zijn, grote of kleine ruimtes. Visuele aspecten als zichtlijnen, schaal en ruimtes worden hier geanalyseerd.
Bebouwingsstructuur: Het betreft hier de ligging van de gebouwen ten opzichte van elkaar, de weg en/of ontginningsas maar ook de dichtheid en omvang van de gebouwen (korrel) en gebouwtype (bijvoorbeeld boerderij).
Afb. 10 Nummers en ligging gebieden met paginanummers Esdorpenlandschap De es en esdorp Gebied 1 Emmer en Schimmer es Gebied 2 Den Oever en omgeving Gebied 3 Weerdinger essen
18 22 26 30 34
Beekdalgronden Gebied 4 Sleenerstroom
38 40
Veldontginningen voor 1900 en veldontginningen na 1900
42
Gebied 5 Knarphoorn en omgeving Gebied 6 De Weerdinger Emmer Kampen Gebied 7 Noord Barger Oude en Nieuwe Kamp Gebied 8 Zuidbarger Nieuwe Kamp Gebied 9 Blikveldweg en omgeving Gebied 10 Emmerveld Gebied 11 Weerdinge Gebied 12 Westerveld
44 48 50 54 56 60 64 70
Kleinschalige veenontginningen Kleinschalige veenontginningen 74 inclusief beekdalen veen 78 Gebied 13 Schoonebeek e.o. Gebied 14 Roswinkel en Munster84 scheveld Gebied 15 Hondsrugzone 90 Gebied 16 Nieuw-Dordrecht 94 Gebied 17 Barger-Erfscheidenveen eo 98 Gebied 18 Klazienaveen-zuid 102 Gebied 19 Nieuw-Amsterdam 104
10
Grootschalige veenontginningen
108
Dubbel kanaal systeem 112 Gebied 20 Emmer-Compascuum zuid 114 Gebied 21 Emmer-Erfscheidenveen 116 Enkel kanaal systeem 118 Gebied 22 Barger-Compascuum west 120 Gebied 23 Verl. 1e Groene Dijk e.o. 122 Gebied 24 Oost en West Doorsnee 126 Gebied 25 Roswinkelerveen 128 Enkel kanaal systeem met kruisdiepen van Gebied 26 Nieuw-Weerdinge
132
Bloksysteem met wijken Gebied 27 Barger-Compascuum e.o. Gebied 28 Emmer-Compascuum Gebied 29 Barger-Oosterveen e.o. Gebied 30 Hondsrug-oost Gebied 31 Klazienaveen-noordoost Gebied 32 Nieuw-Amsterdam e.o. Gebied 33 Oranjekanaal-zuidwest Gebied 34 Zwartemeer e.o.
136 138 142 146 150 154 156 160 164
Deels c.q. anders ontgonnen Gebied 35 Amsterdamsche Veld e.o. Gebied 36 Ericase Straat e.o. Gebied 37 Foxel Gebied 38 Limietweg Gebied 39 Roswinkel noord-oost
168 170 176 180 184 186
1.5. Leeswijzer Het rapport bestaat uit zes delen. Hoofdstuk 2 betreft een beschrijving van de aardkundige ondergrond van de gehele gemeente Emmen. Hoofdstuk 3 is een korte analyse van de periode voor het ontstaan van het esdorpenlandschap en voor de veenontginningen. Hierbij staan de cultuurhistorische restanten die zichtbaar zijn in het huidige landschap voorop. Voor een uitgebreide analyse van de periode voor de cultuurlandschappen kan de Ruimtelijke Waardenkaart of het Cultuurhistorisch Kompas van de Provincie Drenthe worden geraadpleegd. In hoofdstuk 4 vindt een analyse van het esdorpenlandschap plaats. Hier wordt eerst een korte analyse gegeven van de samenhang tussen de verschillende landschappelijke eenheden het dorp, de es, het beekdal en de oude en jonge veldontginningen. Vervolgens komen de verschillende landschappelijke eenheden en gebieden aan bod. Hierbij worden eerst de algemene karakteristieken geformuleerd waarna per gebied een analyse van de
landschappelijke karakteristieken wordt gegeven en de mate waarin de algemene karakteristieken nog in het huidige landschap aanwezig zijn. In hoofdstuk 5 komt het landschap van de kleinschalige veenontginningen aan bod. De kleinschalige veenontginningen verschillen in ouderdom. Er zal een analyse worden gegeven van de algemene karakteristieken van drie, in ouderdom verschillende, soorten kleinschalige veenontgininningen. Per gebied worden de karakteristieken en de mate van gaafheid geanalyseerd.
Het laatste deel bestaat uit de gaafheidsmatrix, de kwantitatieve weergave van de mate waarin bepaalde karakteristieken in de gebieden aanwezig zijn in het huidige landschap. De gaafheidsmatrix én de voorgaande kwalitatieve analyse zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en dienen in samenhang te worden gelezen. De ligging van de landschappelijke eenheden en gebieden is genummerd weergegeven op de kaart op pagina 10. Per eenheid en genummerd gebied is aangegeven op welke pagina van dit rapport de inhoudelijke analyse te vinden is.
Hoofdstuk 6 betreft de analyse van het landschap van de grootschalige veenontginningen. Er is een onderscheid gemaakt in verschillende ontginningssystemen. Per ontginningssysteem zijn eerst de algemene karakteristieken geformuleerd. Vervolgens worden per ontginningssysteem de karakteristieken van een gebied besproken.
11
Afb. 1 Aardkundige ondergrond Bron: Veenatlas, Ruimtelijke waardenkaart (RWK)
12
2. De aard- en bodemkundige ondergrond Het reliëf van de Gemeente Emmen is voor een belangrijk deel ontstaan in de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ca. 360.000 – 250.000 v. Chr.), een periode vòòr het ontstaan van het veen. Vanuit het noorden stuwen ijstongen de Hondsrug op en wordt de Hunze vallei gevormd. Het landijs zet een slecht doorlatende laag grondmorene af, de zogenaamde keileemlaag, die bestaat uit leem, zand, grind, keien en rotsblokken. Het reliëf van de Hondsrug bestaat uit een golvend maaiveld met hoogtes bij Emmen tussen 20m en 28m. De oostzijde van de Hondsrug kent een opvallende rechte en, plaatselijk, steile rand. Vooral ter hoogte van Weerdinge – Emmerschans is deze steilrand goed herkenbaar in het landschap. De Hondsrug heeft twee subruggen die zich ten zuiden van Emmen splitsen en vervolgens onder het veen duiken. Op de oostelijke rug liggen nederzettingen als Weerdinge, Emmerschans en Nieuw-Dordrecht, terwijl Emmen, Noord- en Zuid-Barge en Erica op de westelijke rug zijn gesticht. De Hondsrug is o.a. zichtbaar door het sterk oplopende talud van het Van Echtenskanaal tussen Erica en Klazienaveen. Hier vaart men letterlijk de Hondsrug in.
In de laatste fase van het Saalien, wanneer het klimaat opwarmt, smelt de ijskap en worden zowel vertakte beeklopen zoals de Sleenerstroom op het keileemplateau gevormd, als het smeltwaterdal van het latere veencomplex Bourtangermoor. Het dal wordt later weer gedeeltelijk opgevuld met o.a. rivierzanden. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichelien (100.000 – 10.000 v. Chr.) bereikt het landijs Nederland niet en is hier een soort toendraklimaat waarbij door stormen dekzanden werden afgezet. Toen omstreeks 10.000 v. Chr. een klimaatverbetering inzette, steeg het grondwaterpeil en vormde zich in de dalvlakte gunstige omstandigheden voor veenvorming. De veenvorming werd aanvankelijk
beïnvloed door het plaatselijk aanwezige reliëf. Zo blokkeerde een dekzandrug tussen Nieuw-Dordrecht en Barger-Compascuum lange tijd de afwatering in noordwestelijke richting. Tot ca. 5000 v. Chr. werd het veen vooral gevormd door het afstromend oppervlaktewater en het ijzerrijke kwelwater vanaf de Hondsrug. Zo ontstonden laagveengebieden ten noordoosten van Nieuw-Dordrecht en langs de Hondsrug. Her en der groeide ook berk en grove den. Toen vanaf ca. 4500 v. Chr. het grondwaterpeil zijn hoogste stand bereikte, breidde de veenvorming zich uit over een groter gebied en werd ook ten zuiden van de dekzandrug tussen Nieuw-Dordrecht en Barger-Compascuum laagveen gevormd. Echter, pas na 3100 v. Chr. kreeg de hoogveenvorming de overhand en verspreidde zich ook geleidelijk over de hogere delen van de Hunzelaagte. Een dikke laag veenmosveen (=hoogveen) bedekte zo de moerasen bosvenen. Doordat veenmosveen regenwater kan vasthouden, kan het onafhankelijk van het grondwaterpeil groeien. Met een groeisnelheid van ca. 15cm per eeuw en een watergehalte van 80% tot 90% is zo in de loop der eeuwen een metersdik vrijwel onbegaanbaar veenpakket, het Bourtanger veen, ontstaan.
Twee opduikingen, dekzandvlaktes, zijn niet of nauwelijks met veen bedekt geweest namelijk de omgeving van Roswinkel en een gebied bij Nieuw-Amsterdam Het veenlandschap kenmerkte zich door veenbulten van 5 a 10 meter hoog met daartussen slenken die het water afvoerden. In het noorden van de Gemeente Emmen lag het Valtherdiep. Door de grootschalige veenontginningen is deze beek vrijwel niet meer herkenbaar aanwezig. Het zuidelijke deel van het Bourtanger veen waterde vanuit zijbeekjes (Ellenbeek, Bargerbeek) via het Schoonebeekerdiep af naar de Vecht. Het noordelijk deel waterde af via de veenstroom de Runde die zijn oorsprong vond in het Zwarte Meer. (zie fig. 2.2) Bij Roswinkel is de Runde een beekdal op het zand. Zowel de veenmeren zoals die bij Zwartemeer als de
beken op het veen zijn met het afgraven van het veen verdwenen. Het veen is geheel of gedeeltelijk afgegraven en de dalgronden zodanig bewerkt dat de oorspronkelijke ondergrond niet meer afleesbaar is in het huidige landschap. Veenrestanten zijn nog te vinden in het Bargerveen en in de omgeving van BargerCompascuum, Nieuw-Dordrecht en BargerOosterveld.
Afb. 2 Veenkussens
Bron: Bodemkaart van Nederland
13
Afb. 3 Bodemkaart
Gooreerdgronden; donkergeel c.q. code pZn..
Veldpodzolgronden; lichtbruin c.q. code Hn21 of Hn23;
Dikke zwarte lijn is grens van het veenkoloniale gebied
‘Esgronden’; donkerbruin c.q. code cY.. of cHd..
Sleenerstroom; o.a. groen c.q. pZg.. = beekeerdgronden Sleenerstroom; o.a. paars c.q. aV.. = madeveengronden
Donkerpaars/blauw c.q. code AVo is bodemkundig ‘Veen in ontginning’ Zandkoppen van oude bewoningskernen (veldpodzolgronden; lichtbruin c.q. code Hn21
14
De gronden op de uitlopers van de Hondsrug zijn zogenaamde veldpodzolgronden voor (code Hn 21 en Hn23 c.q. licht bruine kleur op de bodemkaart). Dit zijn zandgronden met een dunne (0 – 30cm) humushoudende bovenlaag. Op deze gronden lagen veelal de voormalige heidevelden. Ook zijn delen door eeuwenlange landbouwkundige exploitatie omgevormd tot ‘esgronden’ (donkerbruin op de bodemkaart). Hier is de humushoudende bovenlaag tussen de 30 – 50cm dik. In tegenstelling tot dorpen in buurtgemeentes zoals Zweeloo, Sleen en Erm kent de Gemeente Emmen geen dikke eerdgronden waarbij de humushoudende bovenlaag dikker is dan 50cm. Bij Roswinkel komen zowel veldpodzolgronden als zandgronden met een matig dikke humushoudende laag (15cm – 50cm) voor. Dit zijn gooreerdgronden (code pZn21 c.q. geel), kalkloze zandgronden die door de mens wat langer in exploitatie zijn geweest en daardoor een dikkere humushoudende laag
hebben dan de veldpodzolgronden maar minder dik dan de esgronden. Gooreerdgronden komen voor op de bovenlopen van beekdalen. In het stroomgebied van de Sleenerstroom komen zandige beekeerdgronden (code pZg.. c.q. groen) als Madeveengronden (code aV.. c.q. paars) voor. De veensoort van de madeveen is overwegend rietzeggeveen. Madeveen komt vooral voor in beekdalen en de naam is afgeleid van de Drentse beekdalen (madelanden). Bij de Sleenerstroom kunnen ze plaatselijk zeer ijzerrijk zijn.
overwegend veenmosveen (sphagnum). Een groot gedeelte van het veenkoloniale ontginningsgebied bestaat uit zogenaamde dalgronden. Dit zijn gronden die zijn ontstaan door na de afgraving van het hoogveen de bolsterlaag weer terug te zetten. Vervolgens werd op de toplaag zand uit de wijken aangebracht. Delen van het hoogveen zijn niet of slechts gedeeltelijk verveend. Deze worden op de bodemkaart als ‘Veen in ontginning’ weergegeven (code AVo).
In het zuiden van de Gemeente Emmen ligt het beekdal van het Schoonebeekerdiep met lage, niet uitgeveende vlierveengronden en wat hoger gelegen zandkoppen waar de oude bewoningkernen Oosteinde (nu Oosterse bos), Middendorp, Kerkeinde (nu Schoonebeek) en Westeinde (nu Westerse bos) op liggen. De veensoort van de vlierveengronden is
15
Afb. 1 Archeologische reconstructies
16
Bron: Archeologisch Bureau onderzoek Emmen, De Steekproef BV
Afb. 2 Hunebedden (rode sterren) en grafheuvels (blauwe sterren) in de Gemeente Emmen
3. De periode voor de cultuurlandschappen De eerste bewoners van Drenthe waren rondtrekkende jagers in de Midden Steentijd. Hoewel archeologische vondsten iets vertellen over deze periode zijn van deze jagers geen zichtbare sporen meer aanwezig in het landschap. Men gaat er vanuit dat Drenthe in die tijd voor het merendeel bebost was. De hunebedbouwers, bewoners uit de Jonge Steentijd (3500 – 2850 v. Chr.), kunnen beschouwd worden als de eerste echte boeren. Zij leefden min of meer op dezelfde plek en verplaatsten zich als de akkers uitgeput raakten. De tien hunebedden die de Gemeente Emmen heeft van deze zogenoemde Trechterbekercultuur, zijn dan ook zichtbare cultuurhistorische restanten uit die tijd. Deze hunebedden maken deel uit van een keten van 52 overgebleven hunebedden op de Hondsrug. Deze flankeren eveneens een belangrijke prehistorische noord – zuid route. Oorspronkelijk bestond deze noord – zuid route uit zandpaden of karrensporen. Hiervan zijn sommige in de loop der eeuwen zijn verhard. Eeuwenlang is de levenswijze en het landgebruik van de hunebedbouwers min of meer voortgezet. Dit betekent dat de bossen geleidelijk werden teruggedrongen door landouwgronden. Vanaf omstreeks 2900 - 2800 v. Chr. gaat men over tot de bouw van grafheuvels van zand en plaggen. De wijze van bijzetten in de grafheuvel verandert voortdurend in de loop der eeuwen.
In de eerste periode werd er per graf één dode in een kuil begraven. Vanaf ca. 1100 v. Chr. vindt uitsluitend nog crematie plaats en geschiedt de bijzetting met soms veel urnen en soms zonder urn. Deze complexen kunnen soms honderden graven omvatten en worden dan ook urnenvelden genoemd. Vanaf 500 v. Chr. bevatten grafheuvels vrijwel geen urnen meer en worden crematieresten alleen afgedekt met een kleine zandheuvel. Deze worden dan ook wel brandheuvels
genoemd. Evenals bij urnenvelden liggen ze vaak in grote groepen bij elkaar. Veel grafheuvels zijn in de Middeleeuwen verdwenen omdat ze in die tijd een slechte naam hadden en in verband werden gebracht met spoken en heksen. In geheel Drenthe liggen nog ruim 500 grafheuvels en de gemeente Emmen heeft ook een aantal grafheuvels bij o.a. Weerdinge, in het Valtherbos en Emmerdennen. In de periode 1200 v. Chr. – 200 n. Chr. ontstaan andere landbouwkundige tradities waarvan in Drenthe nog restanten in het landschap aanwezig zijn. Het betreft de zogenoemde celtic fields of raatakkers; een aaneenschakeling van akkertjes van ca. 40 bij 40m die omzoomd zijn door lage wallen. Deze akkertjes werden gebruikt als bouwland, weide of lagen braak. Veel celtic fields zijn later geëgaliseerd. Een aantal is vanaf luchtfoto’s nog te herkennen. Er zijn aanwijzingen gevonden dat de meeste celtic fields in de buurt lagen van de later ontstane esdorpen. In de Gemeente Emmen hebben dergelijke celtic fields bij Weerdinge en ten noorden van de Schimmer es in het Emmerveld gelegen. In het landschap zijn ze vrijwel niet meer met het blote oog waar te nemen. Van het landbouwstelsel in de periode tussen het verdwijnen van de raatakkers tot de Middeleeuwen is weinig bekend.
Het zandgebied rondom Emmen is met de komst van de eerste boeren geleidelijk omgevormd van een natuurlandschap naar een cultuurlandschap. Echter, vooral sinds de middeleeuwen vestigen mensen zich definitief op een permanente plaats en krijgt het esdorpenlandschap vorm. Het landgebruik wordt dan de bepalende factor voor het landschappelijke beeld. Het esdorpenlandschap vormt dan ook de basis voor de huidige landschapsinrichting. Al met al zijn de hunebedden en grafheuvels de belangrijkste relicten die stammen uit de periode voor het esdorpenlandschap en die tot op de dag van vandaag nog herkenbaar in het landschap aanwezig zijn.
grotendeels zijn natuurlijke staat behouden. In dit moeilijk toegankelijke, vrijwel onbewoonde moerassig gebied was wel sprake van menselijk ingrijpen. Munten, potten maar ook veenwegen zijn gevonden. Hoewel twee voormalige veenwegen, bij Erica (nu Pannekoekendijk) en bij Klazienaveen-Noord (nu Postweg) in hun oorspronkelijke staat zijn verdwenen, zijn de huidige wegen in cultuurhistorisch opzicht belangrijke lijnen in het landschap. Een tweede periode waar de oorspronkelijke staat niet meer aanwezig is, is de periode van de Oostelijke Veenlinie. Vanaf eind 16e eeuw tot halverwege de 19e eeuw werd het veen vooral als een militaire verdedigingslinie gewaardeerd en werden op strategische punten versterkingen (o.a. schansen) aangebracht en later dijken aangelegd om het water vast te houden. De huidige wegen Herendijk in Nieuw-Amsterdam, Foxel in Foxel en Maatschappijweg in Emmer-Compascuum zijn overblijfselen van de voormalige Heeren- of Leidijk. De ruimtelijke kwaliteit is vooral gelegen in de afwijkende (diagonale) ligging van deze wegen in het rechtlijnige landschap van de veenkoloniën. Tenslotte lagen er dijken c.q. wegen in het beekdalgebied van de Sleenerstroom. De Slenerweg (Emmermadedijk) en Turfdijk zijn nog herkenbare lijnen in het landschap.
Het grote veengebied heeft tot in de middeleeuwen
Afb. 3 Hunebed langs Odoornerweg 17
Afb. 1 Markesituatie rond 1850
Bron: Archeologisch Bureauonderzoek Emmen
18
Afb. 2
4. Het esdorpenlandschap; algemeen Het esdorpenlandschap is vanaf de 9e eeuw ontstaan. Het is een agrarisch landschap waarbij de landschappelijke eenheden ieder eigen functies en karakteristieken hebben. Deze landschappelijke eenheden, het esdorp, de es, het beekdal, het (heide)veld, het bos en het veen hebben eeuwenlang een grote onderlinge samenhang gekend. Vanaf de middeleeuwen tot omstreeks 1850 – 1900 kwamen ze in een weinig veranderende verhouding voor. De bewoners van het esdorp vestigden zich over het algemeen op de overgang van het lager gelegen beekdal en de wat hoger gelegen gronden. Van het dorp liepen wegen naar de es, de velden en omringende dorpen. Hierdoor ontstond een spinnenwebachtig wegenpatroon met het dorp als
centrum in de ‘web’. De es ontstond doordat boeren hun akkerland uitbreidden door de omringende bossen te kappen en afzonderlijke akkertjes aaneen te laten sluiten tot één geheel, de es of escomplex. De es lag vlak bij het dorp en was vaak van de omringende heide gescheiden door een houtwal of bos(strook)je. Het beekdal werd in de loop der tijd meer en meer ingericht als hooi- en weilanden. De, bij de beek gelegen, hooilanden werden eenmaal per jaar gemaaid. De veevoederplekken in het bos werden gaandeweg vervangen door inrichting van weilanden in hogere delen van de beekdalen. Het vee graasde hier in de zomer. Als veekering werden houtwallen aangelegd. De woeste gronden, de heide (het veld), het veen en het bos waren in gebruik als weidegronden voor de
heide
es
bos
beekdal
Afb. 3 Schematische weergave esdorpenlandschap
schapen en leverden hout, plaggen en/of brandstof. Vanaf de 9e eeuw nam ook het aantal boerderijen fors toe door de bevolkingsgroei en door technische verbeteringen. Hierbij is vooral de keerploeg, die in de loop van de Middeleeuwen het eergetouw verving, van belang. De keerploeg keerde en verkruimelde de bodem waardoor boeren ook hoger gelegen gronden konden ontginnen. Omdat de keerploeg zwaarder was en daarmee lastig was te draaien ontstonden zo langgerekte smalle verkaveling. Dit in tegenstelling tot de vierkante en rechthoekige akkers uit eerdere periodes. De essen in de Gemeente Emmen waren oorspronkelijk in dergelijke smalle stroken verkaveld. De groei van de dorpen zorgde ervoor dat er in loop van de Middeleeuwen een vorm van bestuur ontstond, de boermarkes of markes genoemd. De boermarke regelde het gebruik van de ongecultiveerde gronden buiten de es. De boeren die de grond op de es bezaten waren de zogenoemde eigengeërfden en vormden samen de boermarke. De boermarke regelde ook zaken als straatonderhoud in het dorp, oogstvolgorde en de markt. De boermarke bezat de groenlanden (weidegronden), het (heide)veld, de bossen en het veen als gemeenschappelijk bezit.
In verhouding tot de oppervlakte grond die een markegenoot op de es in bezit had, het zogenoemde waardeel, had hij rechten tot turfsteken, zandhalen, vee inscharen op de groenlanden en heide etc in de gemeenschappelijke boermarke gronden. De schaapskudde, die bestond uit de schapen van de afzonderlijke boeren, werd door de schaapsherder dagelijks naar en van de heide velden gebracht. De niet-eigengeërfden, waaronder pachters en knechten, hadden weinig te vertellen in de boermarke. In de huidige Gemeente Emmen kende men vijf markes; de marke van Emmen en Westenesch, de marke van Weerdinge, de marke van Roswinkel de marke van Noord- en Zuid-Barge en de marke van Schoonebeek. De marke van Noord- en Zuid-Barge was groter dan de andere vier bij elkaar. 19
Afb. 4 20
Afb. 5
Met de toename van de bevolking trok echter een deel van de bewoners weg om op een andere plaats in de buurt een nieuwe nederzetting met landbouwgronden te stichten. Na de 9e eeuw trokken bewoners uit zowel Emmen als (Noord) Barge naar elders om een nevennederzetting te stichten. (Bron: Gerding ea; Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe) Zo splitste Zuid-Barge zich af van (Noord)barge en Westenesch zich van Emmen. Beide hadden geen eigen marke (Bron: Gerding ea Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe). Zuid-Barge beschikte over een deel van de Barger es ten zuiden van Noordbarge en had eigen groenlanden. Overigens traden vanaf het midden van de vijftiende eeuw de Zuidbargers ook zelfstandig op. Ook ontstonden er kleinschalige ontginningen van de woeste gronden c.q. heidevelden. Dergelijke kleinschalige ‘kampontginningen’ bestonden uit één of enkele boerderijen met akkertjes en waren beperkt in omvang. In de 17e eeuw nam het belang van veeteelt toe. De veestapel was belangrijk voor de bemesting van de akkergronden maar werd ook mede gehouden als bijverdienste. Hoewel de akkerbouw het belangrijkste onderdeel van het boerenbedrijf was, moest de boer ook vee houden om als slachtvee te verkopen. De opbrengst uit de akkerbouw was namelijk te gering. Overigens was in het kerspel Emmen slechts een beperkt areaal in gebruik als bouwland, namelijk 620 ha.
van de in totaal 28.400 ha. Daarbij lag ook nog 16% van de es braak en werd begraasd door vee. Vanaf de 2e helft van de 17e eeuw groeide de bevolking in de Gemeente Emmen, evenals het hele zandgebied van Drenthe, sterk. Voor het gehele zandgebied van Drenthe is voor de periode 1630 – 1794 een gemiddelde groei van 2% per jaar berekend (Bron: Gerding ea Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe). De groeiende bevolking zorgde voor een toenemende vraag naar voedsel. Hieraan konden de boeren tegemoet komen door of uitbreiding van
het bouwlandareaal of door intensivering van de bedrijfsvoering. In het begin van de 17e eeuw koos men voor uitbreiding van het areaal bouwland. Mede omdat vanaf 1654 de belastingdruk op grondbezit sterk steeg, koos men vooral voor intensivering. Honderd jaar later (ca. 1750) was het totale areaal bouwland in de Gemeente Emmen met slechts 2% toegenomen. Voor de intensivering was ook een verbetering van de bemesting nodig. Vanaf de 2e helft van 17e eeuw nam dan ook de plaggenbemesting (heideplaggen vermengd met mest) sterk toe en werd het bezit van schapen sterk uitgebreid. Op sommige plaatsen leidde het plaggen en de overbeweiding met schapen tot het ontstaan van stuifzanden. In het huidige Emmerdennen, toen Emmerzand geheten, lag een groot stuifzandgebied maar ook ten westen van Noordbarge, in het Valtherbos en ten westen van de Emmer- en Schimmer es lagen een dergelijke, kleinere stuifzangebiedjes. Aan het eind van de 19e eeuw zijn veel van deze stuifzandgebieden met bos ingeplant. Belangrijk is de markewet van 1886 die officieel verandering bracht in het oude markesysteem van gemeenschappelijk bezit. De wet gebood dat de ongescheiden marke verdeeld moest worden. Overigens waren al veel gebieden al eerder verdeeld. In de loop van de 19e eeuw zijn dan ook alle markegronden onder de markegenoten verdeeld en/of verkocht.
Dit betekende ook dat de uitgestrekte venen werden verdeeld, verpacht of verkocht. In dezelfde periode nam de belangstelling voor het ontsluiten van deze uitgestrekte venen voor grootschalige ontginningen toe. Het nieuwe, ontworpen veenkoloniale landschap van de voormalige boermarkes kwam na 1850 maar vooral in de 20ste eeuw tot stand. Eind 19e eeuw komen mede door het opzeggen van de boermarkes ook de grootschalige heideontginningen op gang. Door het opheffen van de marke werden grote veranderingen in de agrarische bedrijfsvoering mogelijk. Daarnaast
speelde de invoering kunstmest vanaf 1890, de uitvinding prikkeldraad (geen houtwallen als veekering meer nodig), wolwaardevermindering en bevolkingsgroei een rol. Niet alleen werd zo het areaal bouwland uitgebreid, ook zijn veel heidevelden aan het begin van de 20e eeuw met bos ingeplant. Een groot deel van de inplant was dennenbos ten behoeve van de mijnbouw in Limburg (onderstutting gangen). De rationele, blokvormige, padenstructuur van deze ontginningen is tot op de dag van vandaag nog goed herkenbaar. Met uitzondering van die delen die al eerder in verband met verstuivingen waren ingeplant, zijn het vooral het Noordbargerbos en Valtherbos en in mindere mate Emmerdennen (meer stuifzandbos) dergelijke veldontginningen. Specifiek voor de Gemeente Emmen is dat relatief veel veldgronden eerst zijn ontgonnen tot landbouwgrond om vervolgens, na WOII en dan met name na 1965, door stadsuitbreidingen te zijn veranderd in woonwijken. Wijken als Emmerschans, Emmerhout en delen van Angelslo, Emmermeer en Barger-Oosterveld zijn gebouwd op deze jonge veldontginningsgronden. Op dit moment zijn nog slechts enkele veldontginningen in agrarisch gebruik, en dan vooral als bouwland. De beekdalgronden zijn lang intact gebleven, zij het dat de beekloop van de Sleenerstroom in de 1e helft van de 20ste eeuw rechter werd getrokken.
Pas in de periode 1965 – 1975 vond er een schaalsprong plaats waarbij vrijwel alle houtwallen zijn verdwenen. Daarnaast is ook de stad op de beekdalgronden uitgebreid. Het westelijke deel van Bargeres en het noordelijke deel van de Rietlanden liggen op voormalige beekdalgronden. Datzelfde geldt voor de in aanbouw zijnde wijk Delftlanden. Het huidige ‘esdorpen’landschap is dus vooral het resultaat van ontwikkelingen in de 20ste eeuw. Echter, er zijn ook nog, soms meer en soms minder herkenbare, karakteristieken uit voorgaande periodes aanwezig. Hiermee is het huidige esdorpenlandschap dus een gelaagd landschap met lagen uit zeer uiteenlopende tijdsperiodes. 21
Afb. 6 Essen rond 1900 geprojecteerd op kaart 2005
22
Afb. 7 Essen huidige situatie
Afb. 8 Buitengebied met nummers gebieden
4.1 De es; algemene karakteristieken De akkercomplexen bij de dorpen heten essen, een woord afkomstig van het Germaanse woord ‘ateska’ dat ‘land waarvan gegeten wordt’ of ‘de akkers waar voedsel wordt verbouwd’ betekent. Essen ontstonden doordat boeren hun akkerland uitbreidden door de omringende bossen te kappen en afzonderlijke akkertjes aaneen te laten sluiten tot één geheel. De meest geschikte gronden werden het eerst ontgonnen. De ontginningen gaan per blok, waarbij de blokken aan elkaar groeiden tot een zogenaamde es. De samenwerkende boeren kregen ieder een kavel in het ontgonnen blok. De kavels werden begrensd door een veldkei of soms een meidoornhaag (niet versleepbaar). Men moest over elkaars land, vandaar dat de oogstvolgorde werd geregeld door de boermarke. Essen bestonden uit dusdanige kleine perceeltjes dat deze door de cartografen moeilijk in kaart konden worden gebracht. Reden waarom essen op de topografische kaarten als één geheel worden weergegeven (zie afb. 9). De verkavelingstructuur is dus alleen op kadastrale kaarten te zien. Technische verbeteringen hebben tot uitbreiding van de esgronden en veranderende wijze van verkaveling geleid. Hierbij is vooral de keerploeg, die in de loop van de Middeleeuwen het eergetouw verving van belang (zie afb.11). De keerploeg keerde en verkruimelde de bodem waardoor boeren ook hoger gelegen gronden konden ontginnen.
Omdat de keerploeg zwaarder was en daarmee lastig was te draaien ontstond zo een langgerekte smalle verkaveling. Dit in tegenstelling tot de vierkante en rechthoekige akkers uit eerdere periodes. De kadastrale kaarten uit 1832 en 1880 geven het verschil vaak goed weer tussen de rechthoekige percelen direct grenzend aan de boerderijen c.q. het dorp en de langwerpige smalle stroken op de es (zie afb. 10). 23
Afb. 9 Noord Barger es zoals weergegeven op de topografische kaart van ca. 1910
Afb. 10 Kadastrale kaart 1880 gedeelte Noordbarge en es met strookverkaveling
Afb. 11 Het eergetouw (links) en de keerploeg (rechts). Bron: Emmen in het perspectief van de es, Gemeente Emmen
24
In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zijn de lappendekens op de es door de ruilverkaveling veranderd in een veel grootschaliger blokverkaveling. Ondanks deze schaalvergroting zijn vooral de Weerdinger essen en Emmer- en Schimmer es als landschappelijke eenheid nog goed herkenbaar. Deze essen hebben tot op de dag van vandaag ook hun agrarische functie, bouwland, behouden.
dikte van het humushoudende bovendek kent de bodemkaart verschillende ‘esgronden’. Gronden met een meer dan 50cm dik humushoudend dek, de zogenaamde enkeerdgronden, zijn in de gemeente Emmen niet aanwezig. De esgronden in de Gemeente Emmen zijn zogenaamde moderof humuspodzolgronden met een matig dik humushoudend dek tussen de 30 – 50cm.
Essen kunnen een hogere ligging hebben door de aardkundige ondergrond, bijvoorbeeld door een hogere ligging ten opzichte van een aanpalend lager gelegen beekdal. Daarnaast kan een hogere ligging ook zijn ontstaan door menselijk ingrijpen. Door het, soms eeuwenlang, opwerpen van mest is de karakteristieke bolling van de es ontstaan. De bouwlanden werden bemest met schapenmest en, vooral vanaf de 2e helft van de17e eeuw, mest vermengd met heiplaggen verkregen uit de zogenaamde potstal. De schapen werden geweid op de heide. Om voldoende mest te verkrijgen voor de es was een areaal heide nodig in een verhouding 1 : 7 tot 1 : 10. Dit betekent dat voor 1 hectare es 7 a 10 hectare heide noodzakelijk was voor plaggen en beweiding van de schapen. Afhankelijk van de
Essen zijn over het algemeen boomloos, arm aan wegen c.q. sloten en onbebouwd. Langs de randen van de es zijn houtwallen, bosjes en struwelen aangelegd als wild- en windkering en/of hakhout. In visueel opzicht zijn het dus open gebieden waardoor de aanwezige hoogteverschillen goed zichtbaar zijn. In sommige gevallen zijn de voormalige zandpaden over de es in de loop der tijd verhard en/of rechtgetrokken. Tot op de dag van vandaag zijn op de meeste overgebleven essen nog relatief weinig wegen.
(rand)veenontginningen gerekend en niet tot het esdorpenlandschap. De es van Angelslo en een groot gedeelte van de essen van de marke van Noord- en Zuidbarge zijn als gevolg van stadsuitbreidingen verdwenen. Bijzonder detail is dat in het stedenbouwkundige ontwerp van de woonwijk Bargeres wel rekening is gehouden met de aanwezige hoogteverschillen van de es ten oosten van het Oranjekanaal. De overgebleven delen van de essen van Noord- en Zuidbarge worden niet tot het plangebied van het bestemmingsplan buitengebied gerekend. Datzelfde geldt van dat deel van de Emmer- en Schimmer es dat ten zuiden van de N381 ligt. Het gebied bij Den Oever en omgeving wordt als geheel tot de es gerekend. Reden hiervoor is de beperkte omvang van het gebied waardoor een onderscheid in bijvoorbeeld de es en het veld als aparte eenheden niet zinvol is. Bij de bespreking van het gebied komt dit onderscheid natuurlijk wel aan bod.
De oorspronkelijke essen van de Gemeente Emmen zijn die van Noord- en Zuid-Barge, Emmen en Westenesch, Weerdinge, Roswinkel, Angelslo en Den Oever. Roswinkel wordt door zijn structuur en ligging op de rand van het veen tot de oude
Tot het buitengebied worden de volgende escomplexen gerekend (zie kaart pagina 23): Gebied 1 Emmer- en Schimmer es Gebied 2 Den Oever en omgeving Gebied 3 Weerdinger essen
Afb. 12 Lager gelegen bebouwing aan de rand van de es
Afb. 13 Verkaveling op de es, hier Emmer- en Schimmer es
25
Afb. 14 Emmer- en Schimmer es
Afb. 16 Bodemkaart
Afb. 15 Gebied 1 Buitengebied Emmer- en Schimmer es Afb. 17; 1900
26
Afb. 18; 1955
Afb. 19;1975
4.1.1 Gebied 1; Emmer- en Schimmer es De aard- en bodemkundige ondergrond van de Emmer- en Schimmer es is goed herkenbaar in het veld en zeer gaaf aanwezig. De es ligt tussen de lager gelegen beekdalgronden van de Sleenerstroom ten westen van de es en het voormalige Emmer meer ten oosten van de es. Daarnaast is door het opbrengen van mest door de mens een humushoudende dek ontstaan dat de al bestaande hoogteverschillen verder heeft versterkt. De kaart met het Actueel Hoogte Bestand geeft het reliëf goed weer. (zie afb. 20)
reliëf verschillende langgerekte ruggetjes te vinden zijn. Wanneer de kadastrale kaart van 1832 over de AHN kaart met het huidige reliëf wordt gelegd, dan blijken deze ruggetjes opvallend vaak overeen te komen met de kopse kanten van lange percelen (zie rode pijltjes op de detailkaarten afb. 21).
Afb. 21 Detailkaarten Bron; Emmen in het perspectief van de es
Afb. 20 Kaart hoogteverschillen (AHN) es: Bron Emmen in het perspectief van de es De Emmer- en Schimmer es kent ook nog veel kleinere hoogteverschillen die informatie geven over het vroegere gebruik van de es (Bron: Emmen in het perspectief van de es, Gemeente Emmen 2004). De kaart van het Actueel Hoogte Bestand Nederland (AHN) geeft het huidige reliëf weer en laat een aantal cultuurhistorische relicten zien. Als eerste liggen op de Schimmer es twee kuilen in het reliëf (zie kaders kaart hoogteverschillen). Hoewel niet op de bodemkaart weergegeven, zijn het waarschijnlijk dobben, drinkputten voor het vee, geweest. Daarnaast laat de AHN kaart zien dat in het huidige
Deze ruggetjes zijn zogenaamde wendakkerruggetjes of akkerbergen, die zijn ontstaan door de keerploeg. Percelen die dwars op het kavelpatroon en dus dwars op de ploegrichting stonden, werden gebruikt om de ploeg te keren. Door het keren van de ploeg werd grond opgeworpen en zo ontstonden verhogingen in het maaiveld. De wendakkerruggetjes laten in feite het ‘skelet’ van het oude ontginningspatroon op de es zien. Bijzonder is dat ondanks de grootscheepse ruilverkaveling na WOII de wendakkers op de Emmer- en Schimmer es nog zo goed zichtbaar zijn. Zij zijn nu nog het enige zichtbare restant van het vroegere agrarische gebruik van de es. De Emmer- en Schimmer es is in vergelijking tot bijvoorbeeld de essen van naburige dorpen als Sleen of Erm relatief jong. Dit kan worden afgeleid uit het register van bebouwde landen uit 1742 (Bron: Gerding e.a. Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe). Vanaf 1654 nam het areaal akkerland namelijk nauwelijks toe mede als gevolg van een sterke stijging van de belastingdruk op grondbezit.
Het register van nieuw bebouwde landen uit 1742 geeft slechts één vermelding, namelijk de Schimmer es. Deze lag in 1742 bovendien nog woest. Dit kan mede een verklaring zijn voor het feit dat het humushoudende dek van de es matig, tussen de 30cm en 50cm, dik is. De Emmer- en Schimmer es bestaat uit zogenaamde loopodzolgronden (code cY op afb. 16 de bodemkaart) waar de mens mest e.d. heeft opgebracht op een mineralogische rijke zandgrond, en kamppodzolgronden (code cHd), die is ontstaan in arm moedermateriaal. Bijzonder detail is het kleine stuifzandgebiedje ten westen van de es (geel op de bodemkaart). Stuifzandgebieden zijn veelal ontstaan door de mens. Reden hiervoor was intensivering van de agrarische bedrijfsvoering als gevolg van een toenemende vraag. Werd in het begin van de 17e eeuw nog gekozen voor uitbreiding van het areaal bouwland, vanaf 1654 was dit niet meer het geval. Omdat de belastingdruk op grondbezit sterk steeg, werd vooral voor intensivering gekozen. Voor de intensivering was ook een verbetering van de bemesting nodig. Vanaf de 2e helft van 17e eeuw nam dan ook de plaggenbemesting (heideplaggen vermengd met mest) sterk toe en werd het bezit van schapen sterk uitgebreid. Op sommige plaatsen leidde het plaggen en de overbeweiding met schapen tot het ontstaan van stuifzanden. De topografische kaart van ca.
1900 laat zien dat er een bosstrook en houtwallen zijn aangeplant om het verstuiven van de waardevolle bouwlanden op de es te voorkomen. Deze aanplant is een voorloper van het huidige Landschapsbosch. In het bos is op sommige plaatsen het oude reliëf van de stuifzanden nog steeds goed herkenbaar. Hoewel de es relatief jong is, kent het gebied waarin de es ligt een oude bewoningsgeschiedenis. Op en in de directe omgeving van de es liggen namelijk maar liefst drie hunebedden, relicten van de trechterbekers die zich vanaf ca. 3500 v. Chr. vestigden in Drenthe. 27
Afb. 22 Kadastrale kaart 1832 Emmer es
28
Afb. 23 Kadastrale grenzen Emmer- en Schimmer es thans
Vooral gebieden waar grote stenen aanwezig waren om hunebedden te bouwen werden gekozen. Aan de noordkant van de es ligt een gebiedje waar dergelijke stenen te vinden waren. Op de bodemkaart geeft de cursief gedrukte toevoeging m….. voor de code (hier: Y23x) weer dat in dit gebied grote hoeveelheden stenen aan en nabij het oppervlak voorkomen. De rode puntjes alsmede de toevoeging …..x aan de code geeft aan dat hier keileem van tenminste 20cm dik aanwezig is, beginnend tussen 40cm en 120cm (zie bodemkaart). De aanwezigheid van stenen verklaart mede waarom de Trechterbekers zich op de Hondsrug vestigden. De 52 overgebleven hunebedden op de Hondsrug flankeren eveneens een belangrijke prehistorische noord – zuid route. Oorspronkelijk bestonden de noord – zuid routes uit zandpaden of karrensporen. Sommige van deze zandpaden zijn in de loop der eeuwen verhard en bleven doorgaande routes. De Odoornerweg ten oosten van de es is een dergelijke doorgaande route. De Sluisvierweg en Schietbaanweg volgen min of meer het historische traject. De Sluisvierweg langs de noordzijde van de es was voorheen een zandpad richting Emmer Hooilanden. De Schietbaanweg, de historische westgrens van de es, is in de loop der tijd rechtgetrokken en directer aangesloten op de Sluisvierweg.
De voormalige Esch straat (zie kaart 1955) is met de aanleg van de N381 in de periode 1965 – 1975 vrijwel geheel verdwenen. Alleen het weggetje van Westenesch tot aan de N381 volgt nog het historische traject. Met de aanleg van de N381 zijn de overige paden over de es verdwenen en is er een rechte weg dwars over de es aangelegd. Het Langgraf dat voorheen altijd werd ontsloten vanaf de es, wordt sindsdien ontsloten via de Odoornerweg. Hoewel de N381 de es visueel in tweeën heeft gedeeld, is zowel ten noorden als ten zuiden van de weg de karakteristieke bolling van de es nog goed zichtbaar.
Essen liggen vlak bij het dorp maar zijn zelf onbebouwd. De Emmer- en Schimmer es ligt ten noorden van Westenesch en ten westen van Emmen. De onbebouwde structuur is tot op de dag nog zeer gaaf aanwezig. De kadastrale kaart van 1832 (afb. 22) laat de smalle strookverkaveling, ontstaan door de eerder genoemde introductie van de keerploeg, goed zien. Technologische verbeteringen maar vooral ook de ruilverkaveling in de 2e helft van de vorige eeuw heeft geleid tot grotere kavels. Het landgebruik, te weten bouwland, is tot op de dag van vandaag nog gaaf aanwezig. In het verleden lagen aan de noordoost grens van de es enkele weilandjes (zie kaart 1900) die grotendeels zijn verdwenen. Na 1985 is ten zuiden van Het Langgraf een strook weiland ontstaan. Bijzonder detail is het voormalige ronde ‘weilandje’ ten oosten van het hunebed in het Landschapsbosch. Op de kaart van 1955 (afb. 18) wordt dit gebiedje ‘Zandje’ genoemd. Zelfs na de aanleg van de N381 en nieuwe weg over de es liep er nog een zandpad naar dit gebiedje. In de periode 1975 – 1985 is het pad en het ‘Zandje’ verdwenen.
met andere essen in Drenthe (Bron: Emmen in het perspectief van de es, Gemeente Emmen 2004). Bij de Emmer es broeden kwartels, een typische vogelsoort van essen. Daarnaast is de geelgors waargenomen, waarmee de Emmer es voldoet aan het ecologische beeld van eslandschappen, een beeld dat lang niet voor alle essen opgaat. Ook de faunistische waarden van de Emmer es is relatief hoog. Op de Emmer es komt namelijk een Rode lijst dagvlindersoort voor. De visuele karakteristieken van de Emmer- en Schimmer es zijn nog zeer gaaf. Er is nog steeds sprake van een grote open ruimte die wordt begrensd door houtopstanden c.q. bebouwing. De karakteristieke hoogteverschillen en ook de lange zichtlijnen over de es zijn tot op de dag van vandaag aanwezig.
Afb. 24 Kaart 2005
Bij de meeste essen speelt het slotenpatroon, als er al sloten aanwezig zijn, een ondergeschikte rol. Naast de N381 liggen, zoals gebruikelijk bij N-wegen, sloten ter afwatering. De beplantingstructuur is nog gaaf aanwezig. Dit betekent dat de es en de wegen over de es nog steeds onbeplant zijn. Alleen het huidige Landschapsbosch is uitgebreid. Het bestond oorspronkelijk uit een strook bos en houtwallen ter voorkoming van zandverstuivingen op de es. Voorheen lag het hunebed dan ook niet in het bos. In de loop der tijd is het stuifzandgebiedje en een deel van de es ingeplant met bos. Langs de zuidkant van de Sluisvierweg ter hoogte van De Ark wordt al sinds 1900 een houtwal weergegeven. De ecologische waarden van de Emmer- en Schimmer es zijn gemiddeld tot hoog in vergelijking 29
Afb. 26 Buitengebied Den Oever eo
Legenda tekeningen gebied 2 Voormalige ss, bouw-, weilanden en heide
Bebouwing thans
Historisch c.q. huidig bos
Afb. 25 Den Oever en omgeving
Afb. 27 Bodemkaart met 4 deelgebieden 30
Afb. 28 Kaart 1900 met 4 deelgebieden
Afb. 29 Kaart 2005 met 4 deelgebieden
4.1.2 Gebied 2; Den Oever en omgeving. Gegeven de geringe omvang van het gebied rondom het voormalige Den Oever wordt hier het gehele gebied besproken en niet alleen de esgronden. Op basis van de bodemkaart en cultuurhistorie kan het gebied globaal worden verdeeld in vier deelgebieden. Het eerste deel betreft het gebied dat op kadastrale kaart van 1880 ‘Den Oever’ wordt genoemd. Het betreft hier één boerderij met omringende agrarische bouwlanden (de es), weilanden en een stukje woeste grond. Het tweede gebied betreft dat deel dat op de kadastrale kaart van 1880 ‘Nieuwen Oever’ wordt genoemd (zie kaart volgende pagina. Het betreft hier 8 gebouwen, (waarschijnlijk 6 boerderijen en 2 schuren) met omliggende agrarische en gedeeltelijk woeste gronden.
Afb. 30 Hottingeratlas 1773 - 1794
Het derde deelgebied betreft het zogenoemde ‘Oevermanskamp’. Dit gebiedje kende oorspronkelijk geen behuizing. De topografische kaart van 1900 geeft eveneens een aanpalend bos weer. Het Oevermanskamp is verdwenen en heeft plaatsgemaakt voor het crematorium. Op de plaats waar voorheen bos stond, staat nog steeds bos. Het voormalige Oevermanskamp wordt niet en het aanpalende bosje wel tot het buitengebied gerekend. Oevermanskamp wordt hier dan ook niet verder geanalyseerd. Op basis van de ontginningsgeschiedenis behoort het daarentegen wel tot het gebied Den Oever en omgeving. Het vierde deel is bodemkundig en cultuurhistorisch een gebied op (de overgang naar) het veen. Het ontginningspatroon is hier, zij het kleinschalig, veenkoloniaal.
Zowel de aard- als bodemkundige ondergrond is vooral in de omgeving van de deelgebieden 1 en 4 nog zeer goed herkenbaar. Dit ondanks de aanleg van wegen en industrieterreinen in de directe omgeving van het gebied. Zo is de overgang van de hoger gelegen zandgronden naar het (afgegraven) veen in het veld nog goed herkenbaar. De hoogspanningsmasten duiken in het zuidelijke gedeelte van het gebied als het ware de diepte in. De glooiingen in het terrein worden in de omgeving van de boerderij van het oude Den Oever nog versterkt door het door de mens opgebrachte humushoudende dek van de es. Het betreft hier zogenaamde Kamp- (cHd.. op de bodemkaart) en Laarpodzolgronden (cHn...) die beide een matig dik (30 - 50cm) humushoudend dek hebben.
Afb. 31 Hoogeteverschillen van de es bij Den Oever
31
Afb. 32 Kadastrale kaart 1880 Den Oever en Nieuwen Oever
Aansluiting kaartblad Den Oever en Oevermanskamp Nieuwen Oever (zie verticale tekst)