Bijlage 5 - Quickscan Flora en Fauna
Tekst van het document
Quickscan natuurwaardenonderzoek Europaweg 259a & 263-265 Nieuwe-Schoonebeek
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Europaweg 259a & 263-265 Nieuwe-Schoonebeek Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000.
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever:
BJZ.NU
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 5379 versie 1.0 Ligging plangebied: Europaweg 259a & 263-265 Nieuwe-Schoonebeek Auteur: H. van Gijn
Status: definitief Rapportdatum: 12-09-2023 Veldwerk uitgevoerd door: J. Tamminga
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. 1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 6
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 8
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 8 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4
Toetsingskaders ........................................................................................................................ 9
4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................... 9 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ....................................................................................... 9 4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ......................................................................... 10 4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden ............................................................................................. 10 Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 11
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 11 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................... 11 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 12 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 14 Hoofdstuk 6
Soortenbescherming .............................................................................................................. 15
6.1 Methode ................................................................................................................................................. 15 6.1.1 Algemeen ........................................................................................................................................ 15 6.1.2 Bronnenonderzoek .......................................................................................................................... 15 6.1.3 Veldonderzoek ................................................................................................................................ 16 6.1.4 Methode per soortgroep ................................................................................................................. 17 6.2 Resultaten .............................................................................................................................................. 18 6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 23 6.4 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 27 6.5 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 27 Hoofdstuk 7
Conclusies ............................................................................................................................... 28
2
SAMENVATTING Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. Te weten Europaweg 259a te Nieuwe-Schoonebeek en Europaweg 263-265 te Nieuwe-Schoonebeek, gemeente Emmen. Het voornemen bestaat om alle aanwezige bebouwing in beide deelgebieden te slopen. Tevens worden de spullen/materialen langs de stallen in deelgebied Europaweg 263-265 verwijderd en worden er ten noorden van dit erf zonnepanelen geplaatst. Met uitzondering van het plaatsen van de zonnepanelen in deelgebied Europaweg 263-265 vinden er geen bouwwerkzaamheden in de deelgebieden plaats. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 9 juni 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Drenthe. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase in beide deelgebieden. Er vindt een afname van stikstof plaats gedurende de gebruiksfase. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening is voor de gebruiksfase niet nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.
Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het deelgebied Europaweg 259a wordt niet beschouwd als functioneel leefgebied van beschermde diersoorten. Het deelgebied bestaat volledig uit bebouwing welke voor beschermde diersoorten niet toegankelijk is. Tevens vormt het dakvlak van de aanwezige bebouwing geen geschikte nest- of verblijfplaats van vleermuizen of vogels. Het deelgebied wordt ook niet beschouwd als geschikt foerageergebied voor beschermde diersoorten. In het deelgebied Europaweg 263-265 benutten beschermde diersoorten het deelgebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten er geen verblijfplaats en benutten het ook niet als foerageergebied. Vermoedelijk nestelen er vogels in het deelgebied Europaweg 263-265 waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, maar er nestelen mogelijk ook vogels waarvan de nestplaats (jaarrond) beschermd is (huismus).
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden, dient gewerkt te worden buiten de voortplantingsperiode of dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden zodat de aanwezigheid van een bezet vogelnesten uitgesloten kan worden. Om vast te kunnen stellen of er huismussen in het plangebied nestelen, waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden.
3
Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibieën gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rusten/of voortplantingsplaatsen van een beschermd grondgebonden zoogdier of amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats’. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein ongeschikt gemaakt te worden, zodat deze dieren op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde dieren gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied in het deelgebied Europaweg 263-265 voor verschillende grondgebonden zoogdier- en vogelsoorten af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties.
Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; • Geen beschermde amfibieën of zoogdieren doden (zorgvuldig werken, wegvangen of werkterrein ongeschikt maken) • Nader onderzoek naar functie meest noordelijke stal huismus (deelgebied Europaweg 263-265); • Stikstofberekening uitvoeren beide deelgebieden (ontwikkelfase);
4
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. Te weten Europaweg 259a te Nieuwe-Schoonebeek en Europaweg 263-265 te Nieuwe-Schoonebeek, gemeente Emmen. Het voornemen bestaat om alle aanwezige bebouwing in beide deelgebieden te slopen. Tevens worden de spullen/materialen langs de stallen in deelgebied Europaweg 263-265 verwijderd en worden er ten noorden van dit erf zonnepanelen geplaatst. Met uitzondering van het plaatsen van de zonnepanelen in deelgebied Europaweg 263-265 vinden er geen bouwwerkzaamheden in de deelgebieden plaats. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Drenthe (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. Te weten Europaweg 259a te Nieuwe-Schoonebeek en Europaweg 263-265 te Nieuwe-Schoonebeek, gemeente Emmen. Beide deelgebieden liggen op circa 2 kilometer ten oosten van de woonkern Nieuwe-Schoonebeek en worden omgeven door landelijk gebied. 2.2 Beschrijving van het plangebied Europaweg 259a Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing. De bebouwing bestaat uit twee stallen welke beschikken over gemetselde buitengevels met deels spouwmuur. De buitengevels van de meest zuidelijk gelegen stal zijn deels met damwandplaten betimmerd. Beide stallen zijn gedekt met golfplaten en beschikken over dakisolatie. Het plangebied grenst aan erfverharding en grasland. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.
Ligging van het plangebied op de luchtfoto. De beide stallen worden met de gele sterren aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
Europaweg 263-265 Het plangebied bestaat uit bebouwing, agrarisch cultuurland en spullen/materialen. De bebouwing bestaat uit drie stallen en een mestbassin. De stallen beschikken over gemetselde buitengevels, maar alleen de meest oostelijke- en zuidelijk gelegen stal beschikken over een spouwmuur. De buitengevels van de stallen zijn deels met damwandplaten betimmerd. De stallen zijn gedekt met golfplaten en beschikken over dakisolatie. Het agrarisch cultuurland, tijdens het veldbezoek in gebruik als grasland, bestaat uit een soortenarme vegetatie en wordt intensief beheerd. Het plangebied grenst aan agrarisch cultuurland, erfverharding en grasland. Langs de stallen liggen op sommige plekken spullen/materialen (o.a. planken, oud ijzer, stenen, pallets en plastic). Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.
6
Ligging van het plangebied op de luchtfoto. De 3 stallen en het mestbassin worden met de gele sterren aangeduid en de locatie waar de zonnepanelen geplaatst worden met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
7
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om alle aanwezige bebouwing in beide deelgebieden te slopen. Tevens worden de spullen/materialen langs de stallen in deelgebied Europaweg 263-265 verwijderd en worden er ten noorden van dit erf zonnepanelen geplaatst. Met uitzondering van het plaatsen van de zonnepanelen in deelgebied Europaweg 263-265 vinden er geen bouwwerkzaamheden in de deelgebieden plaats. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen aanwezige bebouwing in beide deelgebieden; • Verwijderen spullen/materialen buitenruimte deelgebied Europaweg 263-265; • Plaatsen zonnepanelen Europaweg 263-265;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: • Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden; Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloopwerkzaamheden en het plaatsen van zonnepanelen. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het deelgebied Europaweg 259 aan grasland en erfverhading. Het deelgebied Europaweg 263-265 grenst aan grasland, erfverharding en agrarisch cultuurland. Het aangrenzende agrarisch cultuurland vormt geen nestplaats voor weidevogels. Weidevogels nestelen vaak op minimaal 200 meter afstand van dergelijke erven in verband met mogelijk predatoren op dergelijke erven. Tevens zijn er geen nestelende of losse waarnemingen van weidevogels in het plangebied en directe omgeving opgenomen in de NDFF (NDFF, 2023).
Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
8
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
9
•
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming1. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Drenthe zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Drenthe.
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermd het areaal bos in ons land. Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. De opstand moet buiten het erf liggen. - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000m2); - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
1
Voor voorliggende ontwikkeling is geen gedragscode toepasbaar. 10
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Drenthe. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Europaweg 259a Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 1,11 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
1,11 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot NNN behoren
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid (bron: Ruimtelijke Plannen). 11
Europaweg 263-265 Het plangebied ligt op minimaal 1,01 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
1,01 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot NNN behoren
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid (bron: Ruimtelijke Plannen).
Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade 12
ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Europaweg 259a Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied zelf behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ligt circa 1,57 kilometer afstand. Dit is het Natura 2000-gebied Bargerveen. Het plangebied ligt op minimaal 1,99 kilometer afstand van Duits Natura 2000-gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
1,57 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
Ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Natura 2000-gebied wordt met de lichtgroene en paarse kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl).
Europaweg 263-265 Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied zelf behoort niet tot Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied ligt circa 1,49 kilometer afstand. Dit is het Natura 2000-gebied Bargerveen. Het plangebied ligt op minimaal 2,01 kilometer afstand van Duits Natura 2000-gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
1,49 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
Ligging van Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de blauwe marker aangeduid. Natura 2000-gebied wordt met de lichtgroene en paarse kleur aangeduid (bron: calculator.aerius.nl). 13
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer zonnepanelen (Europaweg 263-265) en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase, kan een negatief effect op Natura2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor beide deelgebieden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Er vinden enkel sloopwerkzaamheden plaats in beide deelgebieden. Er vindt daarom een afname van stikstof plaats gedurende de gebruiksfase.
Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening is niet nodig.
5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Drenthe. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden voor de ontwikkelfase in beide deelgebieden. Er vindt daarom een afname van stikstof plaats gedurende de gebruiksfase. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening is voor de gebruiksfase niet nodig. Overige negatieve effecten op Natura 2000-gebied kunnen worden uitgesloten.
14
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Methode 6.1.1 Algemeen Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • Bronnenonderzoek (o.a. internet en de Nationale databank flora en fauna); • Veldbezoek door ervaren ecoloog; 6.1.2 Bronnenonderzoek Europaweg 259a Op 5 juli 2023 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. In een ruime begrenzing van het zoekgebied rondom het plangebied, zijn 193 verschillende waarnemingen bekend in de NDFF. Voor de verspreiding van de waarnemingen, zie luchtfoto onder.
Verspreiding van alle bekende records (groene stippen) in het plangebied (bron: NDFF).
Er zijn waarnemingen ingevoerd van overige zoogdieren (1), vogels (9), dagvlinders (5), nachtvlinders (1), libellen (2), vaatplaten (4), mossen (7) en korstmossen (164). Uit de databank kwamen de volgende bruikbare gegevens: De waarnemingen, opgenomen in de NDFF, hebben hoofdzakelijk betrekking op korstmossen. De relevante vogelwaarnemingen betroffen een kerkuil slaapplaats (2018) (ten westen van het plangebied) en territorium steenuil (2021). Tevens is er ten zuiden van het plangebied één losse waarneming van otter opgenomen (2022) bij een watergang. Deze bevinden worden meegenomen in dit onderzoek. De overige waarnemingen betroffen niet relevante waarnemingen en bevinden zich buiten het plangebied. Verder zijn er geen waarnemingen opgenomen die relevant zijn voor deze studie, anders dan dat het een bevestiging is van het voorkomen van bepaalde soorten in en rond het plangebied.
15
Europaweg 263-265 Op 5 juli 2023 is de NDFF geraadpleegd en is gekeken of waarnemingen van beschermde planten en dieren aanwezig zijn in de databank. In een ruime begrenzing van het zoekgebied rondom het plangebied, zijn 191 verschillende waarnemingen bekend in de NDFF. Voor de verspreiding van de waarnemingen, zie luchtfoto onder.
Verspreiding van alle bekende records (groene stippen) in het plangebied (bron: NDFF).
Er zijn waarnemingen ingevoerd van overige zoogdieren (1), vogels (8), dagvlinders (1), vaatplaten (6), mossen (7) en korstmossen (168). Uit de databank kwamen de volgende bruikbare gegevens: De waarnemingen, opgenomen in de NDFF, hebben hoofdzakelijk betrekking op korstmossen. De vogelwaarnemingen betroffen losse waarnemingen. De waarnemingen betroffen niet relevante waarnemingen en bevinden zich buiten het plangebied. Verder zijn er geen waarnemingen opgenomen die relevant zijn voor deze studie, anders dan dat het een bevestiging is van het voorkomen van bepaalde soorten in en rond het plangebied. 6.1.3 Veldonderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 9 juni 2023 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Het plangebied bestaat uit twee deelgebieden. Te weten Europaweg 259a te Nieuwe-Schoonebeek en Europaweg 263-265 te Nieuwe-Schoonebeek, gemeente Emmen.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; 16
Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten. 6.1.4 Methode per soortgroep Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels, Veel vogels vertonen territorium-indicerend gedrag en veel vogels hebben een bezet nest of zelfs al uitgevlogen jongen in deze tijd van het jaar. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.
Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Vleermuizen hebben de winterverblijfplaats verlaten en bezetten de zomerverblijfplaatsen. Er is in het plangebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het plangebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied.
Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en onderzoek naar voortplantingswateren. Sommige volwassen amfibieën hebben de voortplanting voltooid en hebben de voortplantingswateren al weer verlaten (kamsalamander, gewone pad, heikikker) en zitten overdag weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Soorten als ‘groene kikker’ en rugstreeppad moeten nog beginnen aan de voortplanting. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het plangebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
17
6.2 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Europaweg 259a Vogels Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing. Deze bebouwing is goed afgesloten en daardoor voor vogels niet toegankelijk en niet geschikt om een nestplaats in te bezetten. Er is wel is de bebouwing gekeken maar er zijn ook geen vogelnesten aangetroffen. Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden dat steen- of kerkuilen er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Aanwezigheid van deze soorten in gebouwen is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van braakballen, schijtsporen en ruiveren. Er zijn ook geen aanwijzingen gevonden dat boeren- en huiszwaluwen een vaste rust- of nestplaats in het plangebied bezetten. Het dakvlak vormt ook geen geschikte nestplaats voor vogels. Er ontbreken andere nestplaatsen voor vogels in het plangebied zoals bomen, struiken, ruigte en dichte vegetatie. Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing en wordt daardoor ook niet beschouwd als geschikt foerageergebied voor vogels. Ten westen van het plangebied is een slaapplaats van een kerkuil (2018) in de NDFF opgenomen.
Dit betreft een slaapplaats en geen nestplaats. Tevens worden de werkzaamheden in het plangebied uitgevoerd op ruim 100 meter afstand van de betreffende slaapplaats. De slaapplaats wordt omgeven door bedrijfsmatige erven en ligt ook niet ver verwijderd van de Europaweg. Waardoor de kerkuil op de betreffende slaapplaats al enige gewenning heeft aan geluid- of optische verstoring. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot niet een negatief effect. Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing welke voor vogels niet toegankelijk is. Er is weliswaar territorium van steenuil vastgesteld in de NDFF (2016 en 2021). Het territorium van steenuil wordt echter door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet negatief beïnvloed. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en geen bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en het plangebied wordt niet beschouwd als functioneel leefgebied van grondgebonden zoogdieren. Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing, er is geen beplanting in het plangebied aanwezig. De bebouwing is voor grondgebonden zoogdieren niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om er een rust- en voortplantingsplaats in te bezetten.
Er is geen beplanting in het plangebied aanwezig. Ten zuiden van het plangebied is een losse waarneming van een otter in 2022 opgenomen in de NDFF (NDFF, 2023). Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing welke voor grondgebonden zoogdieren niet toegankelijk is. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot een negatief effect voor het leefgebied van otter. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen grondgebonden zoogdier gedood en wordt geen vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen;
18
Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De bebouwing beschikt weliswaar over luchtspouw maar er zijn geen invliegopeningen zoals open stootvoegen of ventilatieopeningen aangetroffen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten. De bebouwing is voor vleermuizen niet toegankelijk en de daklijsten en damwandplaten sluiten strak aan op de buitengevels. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering aangetroffen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: Geen. • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als ongeschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk vliegen vleermuizen wel over een deel van het plangebied tijdens het foerageren langs de zuidelijk gelegen beplanting op het erf.
Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen foerageergebied voor vleermuizen aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen en het plangebied wordt niet beschouwd als functioneel leefgebied voor amfibieën. Het plangebied bestaat volledig uit bebouwing, er is geen beplanting in het plangebied aanwezig. De bebouwing is voor amfibieën niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om er een (winter)rustplaats in te bezetten.
Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen amfibie gedood en wordt geen vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield.
19
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten. Europaweg 263-265 Vogels Het plangebied wordt als functioneel leefgebied voor vogels beschouwd. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk nestelen er ieder voorjaar vogels in de stallen. De stallen zijn voor vogels toegankelijk en geschikt om een nestplaats in te bezetten. Het mestbassin wordt niet beschouwd als geschikte nestplaats. Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn merel, huismus, witte kwikstaart, houtduif en holenduif. Tijdens het veldbezoek zijn in de meest noordelijk gelegen stal nestelende huismussen vastgesteld. Verder zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat steen- of kerkuilen er een vaste rust- of nestplaats bezetten. Aanwezigheid van deze soorten in gebouwen is doorgaans gemakkelijk vast te stellen aan de hand van braakballen, schijtsporen en ruiveren. Tevens zijn er geen aanwijzingen gevonden dat boeren- en huiszwaluwen een vaste rust- of nestplaats in het plangebied bezetten. Er nestelen geen weidevogels in het agrarisch cultuurland maar vogels benutten het agrarisch cultuurland wel als foerageergebied.
Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vogels waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is, zoals steenuil en huismus. Door het slopen van de stallen tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest beschadigd of vernield. Als gevolg van het plaatsen van de zonnepanelen neemt de oppervlakte agrarisch cultuurland af. Hierdoor neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende vogelsoorten af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen stallen tijdens de voortplantingsperiode; - Plaatsen zonnepanelen; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, bosmuis, veldmuis steenmarter, haas, vos en ree. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten veldmuis, bosmuis en huisspitsmuis er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Bos- en huisspitsmuizen kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten onder spullen/materialen in de buitenruimte langs de stallen. Veldmuizen bezetten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond in het agrarisch cultuurland.
De bebouwing is voor deze soorten niet toegankelijk en daardoor niet geschikt om een rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Voor steenmarter is de bebouwing wel toegankelijk maar er zijn geen rust- en voortplantingsplaats in de bebouwing vastgesteld. Er zijn geen openingen onder het dakvlak vastgesteld van de stallen en er zijn in het plangebied ook geen aanwijzingen gevonden die duiden op de aanwezigheid van steenmarter (zoals uitwerpselen en prooiresten). Tevens zijn in de NDFF ook geen waarnemingen van steenmarter in het plangebied en nabij omgeving opgenomen (NDFF, 2023). Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de afstand tot bos wordt het plangebied niet tot functioneel leefgebied van kleine marterachtigen beschouwd. Door het plaatsen van de zonnepanelen (grondverzet) en het verwijderen van spullen/materialen in de buitenruimte wordt mogelijk een grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van het plaatsen van de zonnepanelen neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende grondgebonden zoogdieren af. 20
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Plaatsen van zonnepanelen (grondverzet); - Verwijderen spullen materialen in buitenruimte; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. De stallen beschikken deels over luchtspouw maar er zijn geen invliegopeningen zoals open stootvoegen of ventilatieopeningen aangetroffen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten. De stallen zijn wel toegankelijk voor vleermuizen maar er zijn geen openingen aangetroffen tussen de het dakvlak en de dakisolatie, hierdoor vormen de stallen geen geschikte hangplek voor vleermuizen. Tevens zijn er ook geen uitwerpselen van vleermuizen in de stallen vastgesteld. Verder zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik, zonnewering of gevelbetimmering aangetroffen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als ongeschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk vliegen vleermuizen wel over een deel van het plangebied tijdens het foerageren langs de beplanting op het erf. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen foerageergebied voor vleermuizen aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische 21
amfibieënsoorten beschouwd. Amfibieën als bruine kikker en gewone pad benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een (winter)rustplaats. Deze soorten kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder spullen/materialen in de buitenruimte. De bebouwing is voor amfibieën niet toegankelijk en vormt daardoor geen geschikte (winter)rustplaats. Agrarisch cultuurland vormt geen functioneel leefgebied voor amfibieën. Het plangebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied.
Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten onder spullen/materialen in de buitenruimte.
Door het verwijderen spullen/materialen in de buitenruimte wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een vaste (winter)rustplaats beschadigd en/of vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten neemt de geschiktheid van het plangebied als foerageergebied van amfibieën niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Verwijderen spullen/materialen in de buitenruimte; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het plangebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
22
6.3 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Europaweg 259a Vogels Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vogel gedood en geen (bezet) vogelnest beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of verblijfplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentieel foerageergebied Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties.
Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; • Essentiële Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op (essentiële) vliegroutes2 van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;