CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Verslag van bevindingen

Commissie Wonen en Ruimte 12 maart 2024, gemeente EmmenBij agendapunt: Raadsbrief inzake oliewinning en afvalwaterinjectie Schoonebeek4.248 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Stelpstra Advies

Het Bijdragespoor van de oliewinning Schoonebeek Verslag van bevindingen van de verkenners.

De Gemeynt en Stelpstra advies December 2023

De Gemeynt BV | Polstraat 14i | 7411 KB Deventer | gemeynt.nl IBAN NL31TRIO0212498835 | BIC TRIONL2U | KvK 27271806 | BTW NL814071363B01

Stelpstra Advies

Inhoudsopgave 1.

Inleiding en verantwoording ...................................................................... 3

2.

Waarom een bijdrage? ............................................................................... 5

3.

De hoogte van een bijdrage........................................................................ 7

3.1

Inleiding ...................................................................................................... 7

3.2

Bijdragen in Nederland................................................................................... 7

3.3

Bijdragen in het buitenland ............................................................................. 7

3.4

Conclusies .................................................................................................... 8

4.

Richtlijn voor een bijdrage ....................................................................... 10

5.

Risico’s ..................................................................................................... 12

6.

Appreciatie en volgende stappen ............................................................. 13

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

2

Stelpstra Advies

1.

Inleiding en verantwoording In het olieveld Schoonebeek is nog een grote hoeveelheid rendabel te winnen olie aanwezig, en de exploitant NAM heeft nog een vergunning daarvoor tot 2040. Voor de berging van het productiewater heeft NAM een nieuwe vergunning nodig. Bewoners en gemeenten hebben aangegeven dat voor continuering van de winning en de berging van productiewater in Drenthe (in plaats van Twente waar de opslag door een bestuurlijke beslissing is beëindigd) een lokale bijdrage vanuit de revenuen van het olieveld zou moeten worden overwogen. Ook binnen het Rijk is het denken over de vraag wie mee mag delen in de opbrengsten van bodemschatten met de contourennota Mijnbouwwet1 aan het veranderen. Om die redenen is voor olieveld Schoonebeek een verkenning gestart naar overwegingen voor en tegen een bijdrage vanuit de oliewinning, en naar de mogelijke grondslagen voor zo’n bijdrage. Deze verkenning maakte onderdeel uit van een breder gebiedsproces, dat bestaat uit drie aparte sporen: • Het vergunningenspoor, gericht op het vergunningenproces • Het ontzorgingsspoor, dat antwoorden moet geven op alle vragen en zorgen die omwonenden hebben met betrekking tot de oliewinning, en • Het bijdragespoor omvat 2 blokken. Het eerste blok heeft tot doel om te bezien of en hoe een deel van de olieopbrengsten beschikbaar kunnen komen voor het gebied.

Het tweede blok richt zich op de vraag hoe, aan wie en waaraan de middelen worden besteed. Deze verkenning richt zich op het eerste blok. Hieraan hebben het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK), de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM), de provincie Drenthe, en de gemeentes Coevorden en Emmen deelgenomen. Twee onafhankelijke partijen, te weten Stelpstra Advies en De Gemeynt, hebben de verkenning inhoudelijk en organisatorisch begeleid. Deze rapportage is het verslag van bevindingen door Stelpstra Advies en De Gemeynt als ‘verkenners’ voor dit bijdragespoor. De verantwoordelijkheid voor de verwoording van de uitkomsten en voor dit verslag rust volledig bij Stelpstra Advies en De Gemeynt. De ideeën over de hoogte en vorm van het bijdragespoor zijn ontwikkeld en besproken in de verkenning. Elk van de betrokken partijen heeft hierin een eigen autonome rol, positie en verantwoordelijkheid, zonder mogelijkheden de andere partijen te beïnvloeden. Daarbij geldt ook dat het denken over lokale revenuen bij projecten die als bovenlokaal/nationaal belang worden gezien nog volop in ontwikkeling is, en er (nog?) geen nationale kaders of richtlijnen zijn waaruit een bijdrage voor Schoonebeek kan worden afgeleid.

Eerder omgekeerd: de verkenning bijdragespoor Schoonebeek kan nationaal helpen kaders en regels te stellen als uitwerking van de algemene richtlijn in de Contourennota die als volgt is neergezet: “Ook wil het kabinet de mogelijkheden verkennen om de lusten en lasten van mijnbouwactiviteiten anders te verdelen, zodat bijvoorbeeld de baten uit

1

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2023/01/20/contourennota-aanpassingmijnbouwwet

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

3

Stelpstra Advies

activiteiten die van nationaal of economisch belang zijn, deels terugvloeien naar de regio waar de activiteiten plaatsvinden”. In een weloverwogen en intensief proces van ruim zes maanden zijn partijen tot een zoveel mogelijk gezamenlijk beeld gekomen over de redenen voor, en de mogelijke omvang en grondslagen van een bijdrage, waarbij partijen elk eigen verantwoordelijkheden en speelruimte hebben. Daarom is ook geen sprake geweest van ‘onderhandelingen’ maar van het uitwisselen van ideeën en opvattingen, waarbij de verkenners hebben opgetekend welke lijnen zich aftekenen. In de periode maart tot oktober 2023 zijn bovengenoemde partijen zes keer bij elkaar gekomen om te overleggen over de achtergronden en invulling van het bijdragespoor. Daarnaast zijn er bilaterale gesprekken geweest om opvattingen verder te verkennen. Vooraf zijn afspraken gemaakt over de spelregels voor de gesprekken, met name op het gebied van het doel van de verkenning, vertrouwelijkheid van informatie, transparantie en besluitvorming. De belangrijkste onderwerpen die zijn besproken waren: • De ‘spelregels’ die gelden voor de overleggen en voor het proces. • Het waarom van een bijdragespoor voor de regio. • De mogelijke grondslagen om te komen tot het bepalen van de hoogte van het bijdragespoor, en mogelijke grondslagen voor een verdeling van de bijdragen tussen NAM en het Rijk.

• Het proces dat door beide gemeenten gevolgd kan gaan worden om te komen tot afspraken over de besteding van de bijdrage. De partijen die verantwoordelijk zijn voor de financiering van de bijdrage, zijnde de NAM en het Rijk, vertegenwoordigd door het Ministerie van EZK, hebben indicaties gegeven wat volgens hen passende en haalbare bijdragen kunnen zijn en waarom. De gemeenten Emmen en Coevorden hebben aangegeven hoe zij tegen een bijdrage aankijken. De provincie Drenthe stelde zich op als neutrale partij die het proces mogelijk wilde helpen maken. In verschillende besprekingen is een zoveel mogelijk gezamenlijke redeneerlijn gevonden die in deze rapportage is neergelegd. Na raadpleging van betrokken partijen, raadpleging van verschillende studies en analyses waaronder met name ook de maatschappelijke kosten-batenanalyse Schoonebeek2, en na een blik op bijdragesporen in binnen- en buitenland stellen de verkenners vast dat wat in het bijdragespoor Schoonebeek als redeneerlijn en indicatie van een bijdrage op tafel is gekomen, binnen de marges van redelijk en billijk valt. Tjisse Stelpstra (Stelpstra Advies, voorzitter van de Verkenning Bijdragespoor Schoonebeek, oud-gedeputeerde provincie Drenthe) Jan Paul van Soest, Hans Wiltink (De Gemeynt, inhoudelijke en procesondersteuning Verkenning Bijdragespoor Schoonebeek)

2

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/10/01/mkba-oliewinning-schoonebeek

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

4

Stelpstra Advies

2.

Waarom een bijdrage? Het idee van een gebiedsbijdrage uit mijnbouwprojecten komt voort uit de contourennota van de Rijksoverheid. Daarin is de visie van de overheid vastgelegd op de langer lopende discussie over regionale fondsen gefinancierd uit de opbrengsten van olie- en gaswinning en andere vormen van mijnbouw. Het kabinet wil de mogelijkheden verkennen om de lusten en lasten van mijnbouwactiviteiten anders te verdelen, zodat bijvoorbeeld de baten uit activiteiten die van nationaal of economisch belang zijn, deels terugvloeien naar de regio waar de activiteiten plaatsvinden. Die aanpak moet een bijdrage leveren aan het verkrijgen van draagvlak waarbij mijnbouwbedrijven meer in verbinding komen met de regio. Op deze manier wordt invulling gegeven aan een grotere betrokkenheid van omwonenden bij een concreet mijnbouwproject. Om de betrokkenheid vorm te geven is een gebiedsproces gestart. In het bijdragespoor als onderdeel van het gebiedsproces komt de vraag aan de orde of en op welke gronden een bijdrage uit de revenuen van de oliewinning aan het gebied passend zijn. Zo’n bijdrage kan financieel zijn, of financiële onderdelen omvatten, maar ook niet-financiële, zoals de bereidheid de gezamenlijke invloed uit te oefenen om bepaalde wensen die voor de regio belangrijk zijn, gerealiseerd te krijgen.

In de verkennende gesprekken zijn de volgende overwegingen rond een bijdrage naar voren gebracht: 1. De tijdgeest verandert. Was het vroeger standaard dat revenuen van bodemschatten naar de staat (algemene middelen) gingen die daar vervolgens keuzes mee maakte, die logica wordt tegenwoordig minder omarmd. Het idee begint te groeien dat ook lokale gemeenschappen waar mijnbouw plaatsvindt, moeten kunnen profiteren van een deel van waarde. Van belang is wel dat dit los staat van eventuele schade: die moet zoveel mogelijk worden voorkomen conform wettelijke regels, en mocht deze onverhoopt toch ontstaan gecompenseerd worden, los van een eventuele ‘bijdrage’. 2. Mijnbouwbedrijven zijn minder dan vroeger lokaal ‘geworteld’ maar veelal onderdeel geworden van grote internationale concerns. De regionale ‘social license to operate’ is minder vanzelfsprekend geworden, om die te verkrijgen en behouden zijn nieuwe vormen van verbinding nodig met de omgeving waarin de winning plaatsvindt. 3. Winning van delfstoffen is per definitie een eindige zaak. Tijdens de winning vormt zich een zekere sociaaleconomische infrastructuur die van die winning afhankelijk is, maar die naar zijn aard niet toekomstbestendig is. Het is van belang tijdig te beginnen met de ontwikkeling van een wel toekomstbestendige sociaaleconomische ontwikkeling.

Het ligt voor de hand een deel van de revenuen van winning daarvoor te reserveren. 4. Er is redelijke consensus dat Nederland in de komende decennia in een transitieperiode zit waarin we nog een tijdlang fossiele brandstoffen en grondstoffen nodig hebben, ook als maximaal wordt geïnvesteerd in verduurzaming van de energiehuishouding (besparing, hernieuwbare bronnen). Het wordt steeds breder geaccepteerd dat een regio waar fossiel wordt gewonnen, die voor de nationale overheid veel inkomsten oplevert, een deel van de revenuen krijgt om regionaal te besteden. Dat kan bijvoorbeeld door te investeren in een klimaatbestendige energievoorziening en het mogelijk maken van verduurzaming, en te investeren in een sociaaleconomische

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

5

Stelpstra Advies

gebiedsontwikkeling die een eenzijdige afhankelijkheid van een per definitie eindige activiteit (winning van een eindige voorraad) helpt voorkomen. 5. Naast de eindigheid is van belang dat bij verbranding van fossiele koolwaterstoffen CO2 vrijkomt die klimaatopwarming veroorzaakt. Er zijn wettelijke regelingen zoals normering, emissiehandel, heffingen en belastingen en andere om de CO2-uitstoot te reduceren. In het licht van de toenemende discussies over de rol van bedrijven en de toenemende druk om ook de zogeheten scope-3-emissies te reduceren (de CO2-inhoud van producten), is te overwegen een deel van de opbrengsten van vergunde winning te investeren in een klimaatbestendige energievoorziening. 6. Bewoners in de regio maken zich zorgen over mogelijke schade en overlast van de voorgenomen activiteiten voor milieu, natuur, gezondheid en eigendommen. Deze zorgen kunnen, ook als alles wordt gedaan om de risico’s en overlast tot het technisch haalbare minimum te beperken, wellicht niet geheel worden weggenomen. Mocht er daadwerkelijke schade optreden (zie punt 1) dan moet deze afdoende worden gecompenseerd. Een bijdrage is nadrukkelijk geen schadecompensatie, maar kan wel worden gezien als een vorm van betrokkenheid bij een gebied waarin zorgen en wensen leven. 7.

Er is geen vrije keuze in het bepalen van de locatie voor het winnen van delfstoffen zoals dat met veel andere economische activiteiten wel het geval is. De regio waar olie of gas in de grond zit, is ook de regio waar deze wordt gewonnen. De keuze is niet om het elders te doen, de keuze is om wel of niet te winnen. Deze onontkoombaarheid is een extra reden voor het leveren van een bijdrage aan de regio. Partijen in de verkenning onderschrijven dat deze overwegingen een rol moeten en mogen spelen bij het vaststellen van een bijdrage, al kan ieder een eigen accent hebben en houden.

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

6

Stelpstra Advies

3.

De hoogte van een bijdrage

3.1

Inleiding Een belangrijke vraag was hoe te komen tot het bepalen van de hoogte van een bijdrage. Daartoe is, globaal, gekeken wat in het verleden bij andere gelijksoortige projecten in Nederland is overwogen en is afgesproken en er is gekeken wat gebruikelijk is in het buitenland. Voorts zijn de overwegingen zoals samengevat in de vorige paragraaf besproken en is bezien welke hoogte van een bijdrage op basis daarvan passend zou kunnen zijn.

3.2

Bijdragen in Nederland In Nederland zijn in het verleden verschillende bijdragen voor een regio onderwerp van gesprek geweest. Bijvoorbeeld het Waddenfonds koppelt een regionale bijdrage (Waddenfonds) aan activiteiten in en met mogelijke impact op de Waddenzee, waaronder gaswinning en schelpdiervisserij. De bijdrage is uit de algemene middelen bekostigd. Andere voorbeelden zijn het windpark bij Urk (bekostigd uit de revenuen van het windpark), het langer openhouden van de kerncentrale in Borssele (bijdrage 50/50 bekostigd door het Rijk en door de exploitant), en natuurcompensatie gekoppeld aan Maasvlakte 2 (bekostigd door de projectontwikkelaar Havenbedrijf Rotterdam). De overeenkomst tussen deze projecten is dat het projecten zijn van bovenregionaal (nationaal) belang die een grote impact op de omgeving hebben of kunnen hebben, wat reden is om één of andere vorm van bijdrage vast te leggen, naast goede afspraken over schadecompensatie. De situaties per project verschillen sterk: soms is het de uitkomst van een georkestreerd proces, soms een ad hoc-vaststelling, soms van een (wettelijke of vrijwillige) regeling. Soms is de bijdrage voor de regio, soms voor andere doelen. Soms draagt het Rijk vrijwel alle lasten, en soms private partijen, soms verschillende partijen gezamenlijk.

De hoogte van de bijdrage, los van de verdeling over Rijk en private partijen, varieert ook sterk, van een klein percentage tot wel tientallen procenten van de (netto contante) waarde van het project. Kenmerkend voor olie- en gaswinning is dat de rijksoverheid een groot deel van de baten van projecten ontvangt, die tot dusverre vooral in de algemene middelen vloeien. Op grond daarvan wordt ook een bijdrage (mede) vanuit het Rijk billijk geacht, maar de ideeën erover zijn nog niet uitgekristalliseerd. Onder meer de parlementaire enquête gaswinning Groningen heeft het denken over lusten en lasten bij mijnbouw verder in beweging gebracht. Het is tegen deze achtergrond en dynamiek dat de deelnemers aan het bijdragespoor hun ideeën ontwikkelden.

3.3

Bijdragen in het buitenland In meer dan vijftig landen in de wereld geldt momenteel een wettelijke verplichting om de gemeenschap te laten meedelen bij de exploitatie van projecten die van nationaal belang worden geacht, waarbij de impact vooral regionaal is. Maar deze regelingen verschillen onderling sterk. Zowel qua grondslag als qua hoogte.

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

7

Stelpstra Advies

Een aantal voorbeelden uit Europese landen. In Italië wordt 7% van de royalty’s aan de staat betaald over de nettowaarde van het project, dat vervolgens wordt verdeeld over de regio (55%), gemeenten (15%) en de nationale staat (30%). In Finland heeft een gemeente recht op een deel van zowel de inkomstenbelasting van inwoners als de vennootschapsbelasting gerelateerd aan de bedrijfswinsten. In Duitsland ontvangt een Bundesland een mijnbouwlicentievergoeding (Forderabgabe, deze geldt zowel voor olie/gas en mijnbouw) ter hoogte van 10% van de marktwaarde van de geproduceerde olie of gas. Het betreft een richtlijn waarvan kan worden afgeweken. In veel landen is een bijdrage voor de regio bij mijnbouwactiviteiten gebruikelijk. Hoe die bijdragen zijn opgebouwd is zeer divers en is ook niet eenduidig. Deze onderling vergelijken lijkt al snel op de vergelijking van appels met peren en vraagt nader onderzoek. De diversiteit aan de verschillende fiscale regiems maakt het zeer lastig om tot een soort gewogen gemiddelde voor de hoogte van een bijdrage te komen.

3.4

Conclusies In dit bijdragespoor-proces is geen eigen onderzoek gedaan naar de grondslagen en de hoogte van bijdragen, maar moest worden volstaan met algemene indrukken van elders en van andere activiteiten. Die geven het beeld dat situaties waarvoor tot een bijdrage moet worden gekomen zeer sterk uiteenlopen, waardoor toch telkens maatwerk nodig blijkt: afspraken over bijdragen die worden toegespitst op de situatie in kwestie. Een eigen vergelijkend onderzoek naar bijdragen elders zou aan die conclusie waarschijnlijk niet veel veranderen. Wel zijn er een paar globale conclusies te trekken: • In Nederland zien we steeds vaker dat bij bovenregionale projecten van nationaal belang een vorm van bijdrage wordt afgesproken. • Een bijdrage (niet zijnde schadecompensatie) bij mijnbouw en andere grote projecten is in veel landen gebruikelijk. • Bij absentie van een nationale regeling of richtlijn (‘formule’) voor een bijdrage moeten de initiatiefnemers, het bevoegd gezag (vaak het Rijk) en een lokale gemeenschap en haar vertegenwoordigers in onderling overleg de billijkheid van een bijdrage bespreken. • Het proces zoals dat is gevolgd door en met de partijen in en rond Schoonebeek heeft willen voorkomen dat het gevoel zou ontstaan van een onderhandeling, waarbij het resultaat als uitkomst van dat proces snel wordt beoordeeld in termen van “winst en verlies”.

Daarnaast zijn er verschillende verantwoordelijkheden, het is verstandig die gescheiden te houden: de ontvangers van de bijdrage zijn niet verantwoordelijk voor de hoogte ervan maar willen er wel over meedenken, de financiers zijn niet verantwoordelijk voor de besteding van de bijdrage. De hoogte van de bijdrage is dan ook de uitkomst van de in dit verslag geschetste redeneerlijn en niet van onderhandelingen. • In deze lijn is het vaststellen van de hoogte van een bijdrage en de verdeelsleutel primair de verantwoordelijkheid van de twee financierende partijen: het Rijk (Ministerie van Economische Zaken en Klimaat EZK) en de NAM, gehoord de inzichten bij de ontvangende partijen. De uiteindelijke besteding en het proces dat daartoe moet leiden is evenzo primair de verantwoordelijkheid van de regio en de gemeenten. • Uit de voorbeelden in binnen- en buitenland en ook uit het bijdragespoor in Schoonebeek rolt er geen ‘formule’ uit voor het bepalen van de hoogte en vorm

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

8

Stelpstra Advies

•

van een bijdrage. Het vaststellen van een dergelijke formule, regeling of richtlijn is een bestuurlijke keuze. Een landelijk geldende regeling of richtlijn vergemakkelijkt het lokale proces sterk. Het verdient aanbeveling dat het Rijk de overwegingen in de Contourennota in een algemeen geldende regeling of richtlijn uitwerkt.

Op basis van bovenstaande lijkt een percentage tussen 5% en 10% (van de baten van een project) een redelijke bandbreedte voor een bijdrage. De precieze grondslag waarop dit percentage wordt toegepast kan verschillen, het kan over de winst gaan, over de opbrengst, over het volume etc. Dat bepaalt mede de hoogte van het percentage. Als de bandbreedte van 5% tot 10%, die wij als redelijk en billijk zien, toepassen op de opbrengst zoals vastgelegd in de MKBA voor Schoonebeek, komen daar de volgende bedragen uit voor de hoogte van het bijdragespoor. 5% 10%

WLO hoog - €456 miljoen €22,8 miljoen €45,6 miljoen

WLO laag - €899 miljoen €45 miljoen €89,9 miljoen

Dit betreft de getallen uit de MKBA waarbij als startmoment begin 2022 is aangenomen, met als ‘vast’ eindjaar 2040. Latere start betekent uiteraard een lager MKBA-saldo, en daarmee als met een vast percentage wordt gerekend ook een lagere bijdrage. Dat is primair aan de partijen die de bijdrage geacht worden te financieren (het Rijk en de NAM).

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

9

Stelpstra Advies

4.

Richtlijn voor een bijdrage In lijn met de motivatie voor een bijdrage (paragrafen 2 en 3) is in de verkenning gezocht naar een passende richtlijn voor een bijdrage die voor oliewinning in Schoonebeek zou kunnen gelden. Daarvoor spelen de volgende overwegingen: •

•

•

•

•

•

•

•

Kijkend naar de bandbreedte zoals genoemd op vorige pagina, kijkend naar de intentie die door het Rijk is vastgelegd in de contourennota en gezien de ambitie van partijen die stellen dat de hoogte van het bijdragespoor substantieel moet zijn, is het passend dat de bandbreedte ligt tussen ca. €45 en €90 miljoen als uitgegaan wordt van startjaar 2022, waarbij de tijdsvertraging die tot lagere waarden leidt in kan worden verrekend. Gezien de ambitie van betrokken partijen is de onderkant van de bandbreedte (5%), zoals getoond in de tabel op de vorige pagina, niet aan de orde. De mate waarin meer naar de bovenkant van de bandbreedte wordt bewogen zal uiteindelijke mede bepaald worden door de inkomsten en de verrekeningen tussen Rijk en initiatiefnemer. Daarin kan dan ook de factor tijdsvertraging worden meegenomen die tot een lager MKBAsaldo leidt. De financiering van een bijdrage wordt gedaan door de partijen die inkomsten verkrijgen uit de oliewinning, zijnde NAM en het Rijk. Over de samenstelling en de hoogte van de bijdrage kunnen alleen die beide partijen, bij ontstentenis van een al vastliggende regeling of richtlijn, onderling afspraken maken.

De financiële en fiscale verrekeningen tussen bedrijf en Rijk bij olie- en gaswinning zijn complex, met verschillende entiteiten (de private partij en haar aandeelhouders, de ministeries van Economische Zaken en Klimaat en van Financiën, staatsbedrijf Energiebeheer Nederland die telkens partner is bij winning). En er zijn verschillende fiscale en financiële regelingen. Gezien die complexiteit van de financiële en fiscale verrekeningen is het aan de NAM en EZK onderling om hierover afspraken te maken. We wijzen daarbij ook op de onderlinge afhankelijkheden en verwevenheden: de inzet van de ene partij beïnvloedt de inzet van de andere. Wel is het van belang dat transparant is hoe de uiteindelijke bijdrage is opgebouwd: welk deel is van de private onderneming NAM afkomstig, en welk deel van de staat? Een bijdrage van EBN zou in onze ogen als Rijksbijdrage mogen gelden. Een zichtbaar deel van beide partijen geeft betrokkenheid bij de regio weer, en geeft invulling aan de contourennota. Er is een gedeelde overtuiging dat de bijdrage niet moet worden toegevoegd aan de algemene middelen van de lokale of regionale overheid. De bijdrage moet ter beschikking worden gesteld aan het gebied en de gemeenschap in het gebied via de twee gemeenten: Coevorden en Emmen.

Om invulling te geven aan het tweede blok van het bijdragespoor (hoe de middelen tot besteding komen en waaraan) willen de beide gemeenten in overleg met partijen uit de regio afspraken maken. Voorwaarde voor het verstrekken van een bijdrage is dat het project doorgang vindt, anders ontstaan immers geen revenuen. Dat betekent dat er vergunningen zijn. Tegelijk echter moet op basis van de wettelijke regelingen over de vergunningen worden beschikt los van welke mogelijke bijdrage dan ook. De NAM heeft aangegeven hun bijdrage te willen en kunnen leveren in de jaren dat de operatie van de oliewinning in Schoonbeek winstgevend is, vast te stellen door een onafhankelijke derde partij (accountant). Het bedrag wordt jaarlijks uitgekeerd gedurende de looptijd van het project.

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

10

Stelpstra Advies

• •

De winstgevendheid kan van jaar tot jaar verschillen, met name afhankelijk van de olieprijzen. Het is logisch als de bijdrage gedeeltelijk ook variabel is. De bijdrage kan uit een vast en/of een variabel deel bestaan. Betrokken partijen hebben daar verschillende visies over: o De gemeenten hebben aangegeven voorkeur te hebben voor een hoog vast deel, wat hen zekerheid geeft over deze inkomsten waarmee plannen in de regio gerealiseerd kunnen worden. o EZK heeft voorkeur voor een hoog vast deel omdat dat aansluit bij de wijze waarop de overheid inkomsten en uitgaven raamt. o De NAM heeft voorkeur voor een hoog variabel deel omdat zij hun bijdrage afhankelijk zien van hun inkomsten. In een jaar dat de olieprijs hoog is en de kosten laag valt er meer bij te dragen, dan in een jaar dat de olieprijs laag is en de kosten hoog. In het laatste geval zijn de inkomsten gering, of wellicht negatief, waardoor er minder of niet bijgedragen kan worden

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

11

Stelpstra Advies

5.

Risico’s Er is een aantal risico’s verbonden aan het plan voor of de uitvoering van het bijdragespoor: Het bijdragespoor komt niet van de grond als de NAM geen vergunning krijgt voor de oliewinning. Om specifieker te zijn, het betreft een vergunning voor het opslaan van het afvalwater. De vergunning voor de oliewinning is indertijd afgegeven voor onbepaalde tijd. Alhoewel de deelnemers aan de overleggen het erover eens zijn dat de omvang van het bijdragespoor niet het resultaat is van onderhandelingen, kan daarover bij anderen een afwijkende perceptie bestaan. In de communicatie vraagt het helder maken van de verantwoordelijkheden in deze extra aandacht. Er is een risico dat minder aandacht krijgt en dat hangt samen met de oliewinning. Het bijdragespoor wordt gefinancierd door een activiteit, oliewinning, die substantieel CO2 uitstoot. Zowel tijdens de winning, omdat bovengemiddeld veel energie nodig is om de olie op te kunnen pompen (scope 2), als tijdens het gebruik (scope 3). Gezien de toenemende maatschappelijke onrust rondom klimaatverandering, kan dit in de toekomst tot vragen en kritiek leiden. Sterke CO2-reductie bij de winning (scope 1 en 2) en ambitie om ook de scope 3 emissies te verminderen, kan dit risico verminderen.

Zodra de omvang van het bijdragespoor is vastgesteld is het aan de twee gemeenten om spelregels op te stellen voor de verdeling van tientallen miljoenen euro’s. Dat vraagt om een zorgvuldig proces, heldere afwegingen, borging van de gemaakte afspraken en een uitvoering die niet beïnvloed wordt door politieke afwegingen en invloeden.

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

12

Stelpstra Advies

6.

Appreciatie en volgende stappen In het licht van de verkennende gesprekken, de ervaringen met bijdragen in binnen- en buitenland voor gelijksoortige projecten, de kenmerken van het project en de MKBA die daarvoor is opgesteld, vinden de verkenners/begeleiders een gezamenlijke en berekende bijdrage (Rijk en NAM) van tussen de €45 en €90 miljoen, afhankelijk van olieprijzen en detaillering van afspraken tussen Rijk en initiatiefnemer, en afhankelijk van het feitelijke startjaar, passend en billijk. Vanuit dat kader en wat er aan de gesprekstafel is gewisseld kan vanuit die berekende bijdrage de definitief te bepalen bijdrage tussen €60 en €80 miljoen liggen. Het is aan het Rijk (EZK) en NAM om tot overeenstemming te komen over hoogte en verdeelsleutel van de bijdrage, en over de detaillering en uitwerking van de te verstrekken bijdrage. Gezien de voorkeur van EZK en de gemeenten is sterk te overwegen dat de bijdrage uit een groot vast deel en uit een klein variabel deel bestaat. We raden met klem aan dat NAM en EZK de in dit Bijdragespoor gedeelde overwegingen en toezeggingen voor eind 2023 concreet maken en vastleggen, indien nodig gefaciliteerd door een derde partij. De verkenners van het bijdragespoor hebben tot heden voor het geheel aan partijen gewerkt en kunnen alleen met een nieuw mandaat een nieuwe rol oppakken.

Het is aan de gemeenten om het proces met gemeenteraden en het gebied zo te organiseren dat duidelijk wordt waaraan de bijdrage besteed gaat worden en hoe daarover en door wie zal worden besloten. Met deze constateringen, en met de strekking van de gesprekken dat de besluitvorming over de besteding van de bijdrage primair een zaak is van het gebied en haar bewoners via een door de gemeenten te organiseren proces, ronden de verkenners/begeleiders hun taken af.

Bijdragespoor – bevindingen verkenners

13

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=13579eea-0638-4abb-9a71-7fbb1b463226