Bijlage 2 - Begeleidend schrijven ruimtelijke onderbouwing en verantwoording milieuaspecten
Tekst van het document
Bij het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten zal een bodemonderzoek conform NEN 5740 worden uitgevoerd om de eindsituatie van de bodemkwaliteit te bepalen. Nederlandse Richtlijn Bodembescherming Om het ontstaan van bodemverontreiniging te voorkomen is de systematiek gevolgd van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB), versie 20102, toegepast. In de NRB is een methodiek opgenomen om voor stoffen, op basis van een beschouwing van de aard en eigenschappen, de mate van bodembedreigendheid te bepalen. Op basis van het zogenaamde stoffenschema worden de verschillende activiteiten beoordeeld op bodembedreigendheid. Vervolgens wordt vastgesteld in hoeverre de gerealiseerde voorzieningen en maatregelen overeenkomstig de stand der techniek zijn en welke maatregelen eventueel getroffen dienen te worden. De definitie van een verwaarloosbaar bodemrisico volgens de NRB is een situatie waarbij, door een combinatie van voorzieningen en maatregelen (cvm), het ontstaan of de toename van verontreiniging (gemeten tussen nul- en eindsituatieonderzoek), zoveel mogelijk wordt voorkomen en waarbij herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk is. De NRB kent voor verschillende categorieën van activiteiten meerdere combinaties van voorzieningen en maatregelen.
Als de tijdens de inventarisatie aangetroffen situatie past binnen één van de geformuleerde cvm, dan wordt een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt en is verdere actie niet noodzakelijk. Indien dit niet het geval is, dan wordt niet het verplichte verwaarloosbare bodemrisico bereikt. In dat geval zal moeten worden beschreven op welke wijze alsnog een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt zou kunnen worden en wat hierbij de uiteindelijke keuze van het bedrijf is (inclusief plan van aanpak met planning). Indien blijkt dat realisatie van een verwaarloosbaar bodemrisico niet redelijk en realistisch is, dan dient dit door middel van een onderbouwing gemotiveerd te worden. Met deze onderbouwing dient aandacht besteed te worden aan: 1. de uitvoeringstechnische onredelijkheid van de standaard cvm; 2. de bedrijfsvoeringtechnische onredelijkheid van de standaard cvm. Overigens is deze afwijking van de standaard cvm alleen mogelijk in geval van bestaande situaties. Op basis van een inventarisatie die in januari 2021 op de locatie is uitgevoerd is een beoordeling gemaakt van de aanwezige activiteiten die onder de werkingssfeer van de NRB vallen. De bevindingen zijn in onderstaande tabel opgenomen.
Cumela Advies – Nijkerk
- 25 -
april 2023
Ruimtelijke onderbouwing & milieutechnische toelichting – Ericasestraat 31 te Erica
Activiteit
Bodembedreigend?
Categorie BRCL
CVM nr.
Aanwezige maatregelen en voorzieningen
Werkplaats
Ja, divers
2.2.2 Bovengrondse leiding
I
Opslag diesel
Ja, diesel
1.3 Opslag bovengrondse tank
III
Tanken diesel < 25.000 l/j
Ja, diesel
3.4 Tanken
I
Opslag agrarische goederen
Nee, inert
--
--
• • • • • • • • • • • • • • • •
Werkzaamheden boven vloeistofkerende vloer Kleinschalige werkzaamheden en hoeveelheid stoffen Gecontroleerde afvoer Onderhoud en inspectie conform het onderhoudsplan Visueel toezicht en faciliteiten en personeel aanwezig Tank dubbelwandig met lekdetectie Inpandig opgesteld Onderhoud en inspectie conform het onderhoudsplan Visueel toezicht en faciliteiten en personeel aanwezig Tanken boven vloeistofkerende vloer Tanken door bekwaam personeel Onderhoud en inspectie conform het onderhoudsplan Visueel toezicht en faciliteiten en personeel aanwezig Goederen zijn intrinsiek en logen niet uit naar de bodem Overeenkomstig art. 1 Besluit bodemkwaliteit Voldoet aan eisen Activiteitenbesluit
Verwaarloos baar bodemrisico Ja
Ja
Ja
Ja
Uit bovenstaande tabel blijkt dat voldoende voorzieningen aanwezig zijn om bodemverontreiniging te voorkomen. Op het buitenterrein worden uitsluitend inerte goederen opgeslagen. Dit zijn bijvoorbeeld landbouwproducten of tarragrond. Deze grond heeft klasse achtergrondwaarde op basis van het Besluit bodemkwaliteit. Ook zijn maatregelen getroffen om eventuele incidenten tijdig te verhelpen. Hiermee wordt voldaan aan de vereisten om een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren.
4.4 Luchtkwaliteit Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen: • Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM); • Besluit gevoelige bestemmingen. Besluit NIBM Het Besluit NIBM staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling bij dit Besluit is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden voor inrichtingen zijn: • Teelt van gewassen in open grond, in een gebouw of opstanden van glas of kunststof; • Glastuinbouw; • Spoorwegemplacementen.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO 2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die
Cumela Advies – Nijkerk
- 26 -
april 2023
Ruimtelijke onderbouwing & milieutechnische toelichting – Ericasestraat 31 te Erica
genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. Het voornemen heeft geen betrekking op het realiseren van een gevoelige bestemming. Toename verkeer Om de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit te kunnen vaststellen kan de NIBM-Tool worden toegepast. De NIBM-tool is in 2008 ontwikkeld door het ministerie van Infrastructuur en Milieu in samenwerking met Kenniscentrum InfoMil. De NIBM-tool wordt jaarlijks geactualiseerd, versie 23 april 2022 is toegepast. Het doel van de NIBM-tool is: - Eenvoudig en snel bepalen of een plan niet-in-betekenende-mate bijdraagt aan de concentratie van een stof in de buitenlucht. - Het beperken van de onderzoekslast bij kleinere projecten. - Het vaststellen van grenzen voor het aantal extra voertuigbewegingen, dat niet zal leiden tot een concentratietoename die groter is dan de NIBM-grens. De NIBM-tool is gebruikt voor de beoordeling of de toename van verkeersbewegingen leidt tot een overschrijding van 3% van de jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Bij het invullen van de NIBM-Tool zijn de aanvullende verkeersbewegingen uit tabel 4.3 en 4.4 van het akoestisch onderzoek gebruikt. Hieruit blijkt dat per weekdaggemiddelde 44 lichte voertuigbewegingen en 72 bewegingen met zware voertuigen plaats vinden.
Hierbij moet worden opgemerkt dat bij deze worst-case benadering is tevens de incidentele bedrijfssituatie opgenomen. Deze incidentele bedrijfssituatie komt jaarlijks tweemaal voor. De reguliere activiteiten worden dan niet uitgevoerd. De gegeven zijn in de NIBM-tool ingevoerd.
Figuur 7: NIBM-tool initiatief Ericasestraat 31
Stof In de gewenste situatie wordt (grof)zand en grond, klasse achtergrondwaarde, opgeslagen. Voor deze bouwstoffen is stuifklasse S4 op grond van bijlage 3 bij het Activiteitenbesluit vastgesteld. De opslag vindt plaats tussen keerwanden van betonelementen waardoor verspreiding naar de omgeving tot een minimum wordt beperkt. Tijdens droge weersomstandigheden met harde wind kan verspreiding optreden. Bij deze weersomstandigheden wordt de opslag van deze stoffen bevochtigd waardoor het verstuiven van het materiaal wordt voorkomen. Conclusie Nu het voornemen betrekking heeft op het wijzigen van een inrichting die niet specifiek is genoemd in het Besluit NIBM wordt geconcludeerd dat deze wijziging onder de werkingssfeer van het Besluit NIBM valt. Daarnaast is aangetoond dat de toename van het verkeer niet leidt tot een overschrijding van 3% van de
Cumela Advies – Nijkerk
- 27 -
april 2023
Ruimtelijke onderbouwing & milieutechnische toelichting – Ericasestraat 31 te Erica
jaargemiddelde grenswaarde bij aan de concentraties fijnstof (PM 10) of stikstofdioxide (NO2). Hieruit volgt dat hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer geen belemmering oplevert ten aanzien van de gewenste wijziging. Tevens zijn voldoende voorzieningen en maatregelen aanwezig om de verspreiding van stof van de activiteiten te voorkomen.
4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); • de Regeling externe veiligheid (Revi); • het Registratiebesluit externe veiligheid; • het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); • het Vuurwerkbesluit. Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de Regeling basisnet; • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).
Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Beoordeling Uit deze beoordeling blijkt dat de projectlocatie niet is gelegen binnen een risicocontour of veiligheidsafstanden van risicovolle activiteiten of transportroutes. Het realiseren van de gewenste activiteiten brengt ook geen nieuwe risicocontouren met zich mee.
4.6 Geur De uitgevoerde activiteiten en toegepaste stoffen leiden niet tot waarneembare geurhinder. Ook in de bedrijfshal is geen specifieke geur afkomstig van de activiteiten. Op de locatie vindt geen compostering plaats. Landbouwproducten die tijdelijk worden opgeslagen, worden zo spoedig mogelijk toegepast op de landbouwgronden of getransporteerd naar de afnemer.
4.7 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming (Wnb) is in werking getreden op 1 januari 2017. Deze wet vervangt de volgende drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (houtopstanden). De provincie is bij de Wnb het bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en handelingen bij Natura 2000-gebieden en dier- en plantensoorten. Het Rijk blijft bevoegd gezag bij ruimtelijke ingrepen met grote nationale belangen. Voor gemeenten geldt dat zij het bevoegd gezag zijn voor omgevingsvergunningen.
Cumela Advies – Nijkerk
- 28 -
april 2023
Ruimtelijke onderbouwing & milieutechnische toelichting – Ericasestraat 31 te Erica
Gebiedsbescherming In de Wnb is de bescherming van specifieke natuurgebieden geregeld. Het betreft de Natura 2000-gebieden, die een internationale bescherming genieten. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen voor soorten en vegetatietypen opgesteld. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) -voorheen Ecologische Hoofdstructuur- is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Ten aanzien van ontwikkelingen binnen het NNN geldt het 'nee, tenzij-principe'. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De begrenzing en ruimtelijke bescherming van het NNN is voor de provincie Drenthe uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsvisie en de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening. Soortenbescherming Het uitgangspunt van de Wnb is dat er geen (opzettelijke) schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan.
De soortenbescherming binnen de Wnb is daarbij opgedeeld in drie beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Bij beoordeling van de toelaatbaarheid van bouwwerken en/of andere activiteiten moet rekening worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen dier- en plantensoorten. Er dient een ontheffing op grond van artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 Wnb te worden aangevraagd voor een (bouw)werkzaamheid of activiteit indien het volgende van toepassing is: • uit gegevens of onderzoek blijkt dat er sprake is van verstoring of doden van (een) beschermde soort(en); • het bouwwerk en/of de activiteit veroorzaakt beschadiging of vernieling van voortplanting- of rustplaatsen van dieren, danwel ontworteling of vernieling van plantensoorten; • er kan geen gebruik gemaakt worden van een vrijstelling op grond van de Wet natuurbescherming; • er kan niet gewerkt worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Houtopstanden In de Wnb is de bescherming van houtopstanden buiten de, door de gemeenteraad vastgestelde, bebouwde kom geregeld. Doel is de instandhouding van het bosareaal. In de Provinciale Omgevingsverordening van de provincie Drenthe is geregeld hoe een kapmelding moet worden ingediend, waaraan herbeplanting moet voldoen en wanneer ontheffing van de herbeplantingsplicht kan worden verleend.
Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom geldt de Bomenverordening gemeente Emmen 2011. In het bijbehorende bomenregister zijn de monumentale en waardevolle bomen en waardevolle houtopstanden vastgelegd. Zonder ontheffing is het verboden deze te kappen. Toetsing In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het strijdig gebruik moet beoordeeld worden of de toename leidt tot significantie negeteve effecten ten aanzien van gevoelige soorten of gebieden. Het plangebied bestaat uit een bestaande bedrijfslocatie. Het plangebied ligt binnen landelijk gebied, maar niet in of in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied (Bargerveen op ruim zeven kilometer, Mantingerzand op ruim 20 kilometer afstand), zie figuur 8. De keerwanden worden geplaatst op reeds verhard deel binnen het bestaande bouwvlak. Omdat geen ingrepen worden gedaan in bestaande natuur en geen sprake is van het aantasten van verblijfgebieden van gevoelige soorten is een onderzoek naar de soortenbescherming niet van toepassing.
Cumela Advies – Nijkerk
- 29 -
april 2023
Ruimtelijke onderbouwing & milieutechnische toelichting – Ericasestraat 31 te Erica
Projectlocatie Figuur 8: ligging projectlocatie t.o.v. natuurgebieden (www.calculator.aerius.nl)
Voor de volledigheid is op 23 maart 2023 een berekening met AERIUS-Calculator versie 2022.0.2 uitgevoerd. Hierin zijn de gecombineerde vervoersbewegingen en het dieselverbruik van overige activiteiten (intern transport en hogedrukspuit) van het agrarisch grondgebonden bedrijf en de loonwerkactiviteiten ingevoerd. De beoordeling betreft zowel de reguliere bedrijfssituatie, de incidentele bedrijfssituatie en de inzet van de mobiele kraan bij het realiseren van de keerwand voor opslag van zand en grond. Hierbij is dezelfde worstcase benadering aangehouden zoals deze in het akoestisch onderzoek zijn opgenomen. Uit de berekening blijkt dat de zowel de activiteiten tijdens de aanleg- en de gebruiksfase niet leiden tot significante effecten voor de omliggende Natura 2000-gebieden. De motivatie bij de berekening en de uitkomsten zijn als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd. Conclusie Aangezien sprake is van een geringe toename van verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie en een aanzienlijke afstand van gevoelige gebieden, ontstaan door de gewenste activiteiten geen significantie negatieve effecten op de gevoelige gebieden. Tevens worden geen ingrepen in de omgeving uitgevoerd waardoor gevoelige soorten of bestaande houtopstanden niet worden aangetast. De Wet Natuurbeschermingswet staat het uitvoeren van de gewenste nevenactiviteit niet in de weg.
Cumela Advies – Nijkerk
- 30 -
april 2023
Ruimtelijke onderbouwing & milieutechnische toelichting – Ericasestraat 31 te Erica
4.8 Archeologie & Cultuurhistorie Archeologie Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Cultuurhistorie Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Een aanvraag voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan via artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, Wabo moet voorzien zijn van een ruimtelijke onderbouwing. In het Besluit omgevingsrecht (art.
5.20 Bor) is aangeven waaraan deze moet voldoen. Hierbij wordt verwezen naar art. 3.1.6 Bro welke voorschrijft dat de aanvraag “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. Beoordeling Het initiatief betreft het verbreden van de activiteiten van een agrarisch grondgebonden bedrijf met loonwerken grondverzetactiviteiten. Voor dit initiatief worden geen nieuwe gebouwen gerealiseerd en geen ingrepen in de ondergrond voorzien. Archeologisch onderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Het projectgebied zelf kent, op basis van de Cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Drenthe, geen bijzondere cultuurhistorische waarden. De archeologische verwachtingskaart geeft aan dat het projectgebied is gelegen in een gebied met lage archeologische verwachting. In de nabijheid van het projectgebied bevinden zich tevens geen rijks- of gemeentelijke monumenten. Geconcludeerd wordt dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en het aspect cultuurhistorische waarden geen belemmering vormt voor voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Watertoets Het moderne waterbeheer streeft naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is om te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het initiatief heeft geen betrekking op het vergroten van het verharde oppervlak van het perceel. Het uitvoeren van een watertoets is niet aan de orde.
4.10 (Vormvrije) m.e.r.-beoordeling Vanuit het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het mogelijk dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd om te beoordelen of de gewenste ontwikkeling niet leidt tot onomkeerbare negatieve gevolgen voor het milieu. Wanneer een besluit wordt voorbereid voor het activiteit die is genoemd in bijlage C of bijlage D van het Besluit m.e.r. moet een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.
Cumela Advies – Nijkerk
- 31 -
april 2023
Ruimtelijke onderbouwing & milieutechnische toelichting – Ericasestraat 31 te Erica
Het verbreden van agrarische activiteiten is geen activiteit die zijn opgenomen in bijlage C of bijlage D. Hierdoor is het uitvoeren van een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet aan de orde.
4.11 Energie Voor de activiteiten wordt uitsluitend elektriciteit gebruikt. Het verbruik van energie bedraagt minder van 10.000 kWh voor de activiteiten. De hogedrukreiniger verbruikt circa 250 liter diesel op jaarbasis. Dit komt overeen met een energie equivalent van 2.500 kWh. Hiermee is het uitvoeren van aanvullende maatregelen niet van toepassing.
Cumela Advies – Nijkerk
- 32 -
april 2023
Ruimtelijke onderbouwing & milieutechnische toelichting – Ericasestraat 31 te Erica
5 UITVOERBAARHEID EN CONCLUSIE In deze toelichting is nader ingegaan op de ruimtelijke/planologische, juridische en milieukundige aspecten aangaande de verantwoording omtrent het wijzigen van het activiteiten voor de locatie Ericasestraat 31 te Erica.
5.1 Economische uitvoerbaarheid De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. De gronden zijn in eigendom van initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden.
5.2 Conclusie Gelet op de inhoud van deze ruimtelijke onderbouwing is het initiatief niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening en is er sprake van een aanvaardbare ruimtelijke ontwikkeling. De ontwikkeling speelt zich af ter grootte van de bestaande kavel.
Cumela Advies – Nijkerk
- 33 -
april 2023