Bijlage 2.6 III - Natuurtoets (quickscan)
Tekst van het document
Quickscan Hoogspanningsstation VeenoordBoerdijk Toetsing aan de Wet natuurbescherming 26 oktober 2021
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Verantwoording Titel
Quickscan Hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk
Opdrachtgever
TenneT TSO
Projectleider
Willem Hulsen
Auteur(s)
Vincent Sanders
Tweede lezer
Adrie van Hooff
Uitvoering inspectiewerk
Bram Rijksen
Projectnummer
1280309
Aantal pagina’s
31
Datum
26 oktober 2021
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Inhoud 1
2
3
4
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding .......................................................................................................................... 5
1.2
Voornemen ......................................................................................................................... 6
1.2.1
Realisatiefase.............................................................................................................. 6
1.2.2
Conditionerende onderzoeken .................................................................................... 7
1.3
Doel en scope .................................................................................................................... 8
1.4
Beschrijving plangebied ..................................................................................................... 9
Wettelijk kader ......................................................................................................................... 13 2.1
Wetgeving ........................................................................................................................ 13
2.2
Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 13
2.3
Vrijstellingen ..................................................................................................................... 13
2.4
Zorgplicht ......................................................................................................................... 14
Werkwijze ................................................................................................................................ 15 3.1
Inleiding ............................................................................................................................ 15
3.2
Kwaliteit ............................................................................................................................ 15
3.3
Uitgangspunten ................................................................................................................ 15
3.4
Toegankelijkheid plangebied............................................................................................ 15
Effecten op beschermde soorten............................................................................................. 16 4.1
Literatuuronderzoek ......................................................................................................... 16
4.2
Flora ................................................................................................................................. 16
4.3
Grondgebonden zoogdieren ............................................................................................ 16
4.3.1
Potentieel aanwezige soorten ................................................................................... 16
4.3.2
Toetsing .................................................................................................................... 19
4.3.3
Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation ...................................................... 20
4.3.4
Maatregelen conditionerende onderzoeken .............................................................. 20
4.4
Vleermuizen ..................................................................................................................... 20
4.4.1
Algemeen .................................................................................................................. 20
4.4.2
Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 20
4.4.3
Foerageergebied ....................................................................................................... 21
4.4.4
Vliegroute .................................................................................................................. 22
3/31
Kenmerk
4.5
6
Vogels .............................................................................................................................. 23
4.5.1
Vogels met jaarrond beschermde nesten ................................................................. 23
4.5.2
Vogels (categorie 5) .................................................................................................. 25
4.5.3
Tijdens het broeden beschermde vogels .................................................................. 25
4.6
5
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Amfibieën ......................................................................................................................... 26
4.6.1
Potentieel aanwezige soorten ................................................................................... 26
4.6.2
Toetsing .................................................................................................................... 26
4.6.3
Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation ...................................................... 26
4.6.4
Maatregelen conditionerende onderzoeken .............................................................. 27
4.7
Reptielen .......................................................................................................................... 27
4.8
Vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden ........................................................ 27
4.9
Zorgplicht ......................................................................................................................... 27
4.10
Functiekaart geschiktheidsbeoordeling ............................................................................ 27
Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 29 5.1
Aanleiding ........................................................................................................................ 29
5.2
Resultaten ........................................................................................................................ 29
5.3
Vervolgstappen conditionerende onderzoeken ................................................................ 29
5.4
Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation ............................................................. 30
5.5
Vervolgstappen zorgplicht ................................................................................................ 30
Literatuur ................................................................................................................................. 31
4/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding
TenneT werkt samen met de regionale netbeheerder Enexis aan het versterken van het elektriciteitsnet in Drenthe en Groningen. Dat is nodig om de energietransitie mogelijk te maken en het sterk stijgende aanbod van duurzame elektriciteitsproductie, zoals zonne- en windenergie mogelijk te maken. Bovendien wordt op termijn een groei naar de vraag naar elektriciteit verwacht. De versterking van het netwerk vindt onder meer plaats door nieuwe 380/110/20 kV en 220/110/20 kV hoog- en middenspanningsstations te bouwen en bestaande hoogspanningsstations uit te breiden. De verschillende deelprojecten in Drenthe en Groningen vallen onder de 'Netversterking Noord-Oost Nederland' (NNON). De geplande uitbreidingen zijn in de onderstaande afbeelding schematisch weergegeven. Voorafgaand aan dit onderzoek is in opdracht van TenneT een locatiestudie uitgevoerd. Op basis hiervan is de locatie Veenoord-Boerdijk, in de gemeente Emmen, als voorkeurslocatie geselecteerd.
Afbeelding 1.1 Geplande uitbreidingen in Noordoost Nederland van TenneT en Enexis
5/31
Kenmerk
1.2
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Voornemen
1.2.1 Realisatiefase TenneT en Enexis gaan gezamenlijk het nieuwe 380/110/20kV-hoogspanningsstation ‘VeenoordBoerdijk realiseren in het zuidoosten van Drenthe om overbelasting van het 110kVhoogspanningsnet in de regio te voorkomen. Overbelasting wordt voorkomen door met het nieuwe station te zorgen voor: • •
Een koppeling tussen het midden- en hoogspanningsnet, waardoor lokaal opgewekte energie via het landelijk 380kV net verder kan worden getransporteerd Nieuwe aansluitpunten voor duurzame initiatieven. Naast het station van TenneT komt een middenspanningsstation (20 kV) van de regionale netbeheerder Enexis. Het grootste deel van de duurzame initiatieven wordt aangesloten op het laag- en middenspanningsnet van Enexis. Via het nieuw te realiseren middenspanningsstation komt de energie op het hoogspanningsnet (110 kV- en 380 kV), waar het verder wordt getransporteerd
Het projectgebied ligt ten noorden van de A37 bij afrit 4 en ligt nabij bedrijvenpark De Tweeling. De toekomstige stationslocatie ligt ten noordwesten van Veenoord en ten zuidwesten van Emmen, in de gemeente Emmen. De bijbehorende verbindingen komen deels in de gemeente Coevorden te liggen. Het nieuwe hoogspanningsstation wordt gerealiseerd naast de bestaande gecombineerde TenneT 380/110kV-hoogspanningsverbinding van Meeden naar Zwolle.
6/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Afbeelding 1.2 Vlekkenplan locatie Veenoord-Boerdijk (indicatief)
1.2.2
Conditionerende onderzoeken
Voordat de realisatiefase kan starten, vinden naast het ecologisch onderzoek ook de volgende andere conditionerende onderzoeken plaats: • Archeologie • • •
Bodemonderzoek Conventionele explosieven Milieuhygiëne
•
Watertoets
Voor het bodemonderzoek vinden diverse onderzoeken plaats in het plangebied, zoals het nemen van sonderingen en boringen, het plaatsen van peilbuizen en drukopmeters, en het inmeten van het terrein, waarbij het terrein te voet of met een mobiele boorkraan betreden wordt. Hierbij is op voorhand niet uitgesloten dat deze leiden tot negatieve effecten op beschermde soorten. Deze potentiële effecten worden getoetst in deze rapportage. De conditionerende onderzoeken archeologie, conventionele explosieven, milieuhygiëne en watertoets worden uitgevoerd middels een bureaustudie. Omdat de bureaustudiefase geen onderzoek ter plaatse van het plangebied bevat, is een effectbeoordeling op beschermde soorten voor die onderzoeken niet nodig, omdat het plangebied niet betreden wordt. Uit de bureaustudie kan echter naar voren komen dat nader (veld)onderzoek nodig is.
7/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
In de effectbeoordeling van beschermde soorten wordt onderscheid gemaakt tussen de beoogde ontwikkeling en de conditionerende onderzoeken. Indien maatregelen getroffen moeten worden, worden deze apart besproken in hoofdstuk 4.
1.3
Doel en scope
Het doel van het project is het realiseren van: • Realisatie nieuwbouw hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk - TenneT (VOB 380/110 kV) • • •
Realisatie nieuwbouw station Enexis (20 kV) Toegangsweg naar de nieuwe stations Verwijdering mast 119 en 120
• • •
Aanpassing mast 116, 117, 118 en 121 Realisatie van ondergrondse 110 kV kabels tussen mast 116 en 121 naar het station VOB Realisatie van 5 nieuwe masten (119A, 119B, 120A, 120B en 120C) voor de aansluiting van
• •
VOB380 op de 380 kV bovengrondse lijnverbinding Reconstructie bestaande 380 kV lijnverbinding Tijdelijke bovengrondse 380 kV lijnverbinding tijdens de bouwfase met 8 tijdelijke mastlocaties
•
Reservering toekomstige kabelstroken voor Enexis (20 kV)
Daarnaast zijn er bouwwegen, lierplaatsen, werkstroken en enkele gebieden voor tijdelijke opslag tijdens de bouwfase gereserveerd. Om bovenstaande planologisch mogelijk te maken, worden de volgende werkzaamheden uitgevoerd: • Opstellen van een m.e.r.-aanmeldingsnotitie voor het project • Bestemmingsplanherziening (in de gemeenten Emmen en Coevorden) •
Uitvoeren benodigde bureau- en veldonderzoeken voor de bestemmingsplanherzieningen, noodzakelijke vergunningen en m.e.r.-aanmeldingsnotitie
Voorliggend onderzoek (de quickscan) heeft als doel om: • De effecten van de beoogde activiteit op beschermde soorten te beschouwen, tegen de achtergrond van de wettelijk vastgestelde bescherming in de Wet natuurbescherming •
De effecten van de conditionerende werkzaamheden op beschermde soorten te beschouwen, tegen de achtergrond van de wettelijk vastgestelde bescherming in de Wet natuurbescherming
Naast de beoordeling van effecten op beschermde soorten in deze natuurtoets dienen ook effecten op beschermde gebieden en houtopstanden nader beschouwd te worden. Deze toetsingen worden in separate rapportage gerapporteerd. Afbeelding 1.3 geeft de scope van de veldonderzoeken weer.
8/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Figuur 1.3 Scope bureau-onderzoeken
1.4
Beschrijving plangebied
Het plangebied is gelegen in het oostelijk deel van de provincie Drenthe, globaal tussen Veenoord en Emmen. Het bestaat uit agrarische landerijen die voornamelijk in gebruik zijn als weiland. Deze zijn deels gemaaid maar enkele percelen hebben een uitgesteld maaibeheer. Er zijn een aantal akkerpercelen aanwezig die recent zijn geploegd en/of zijn ingezaaid. Deze agrarische landerijen zijn in het landschap afgewisseld met langgerekte bospercelen. De bospercelen kenmerken zich door de aanwezigheid van grote bomen zoals abeel, wilg, berk en esdoorn. In de bospercelen is een sterk ontwikkelde struiklaag en kruidenvegetatie aanwezig, met name aan de randen. Er is geen sprake van onderhoud waardoor er relatief veel dode bomen staan of zijn omgevallen en veel bomen uitgebroken kronen of afgestorven takken hebben. Op enkele locaties is sprake van een ruigtezoomvegetatie langs de bosrand op de overgang van bos naar weilandpercelen. Op andere locaties vormt een watergang of greppel de grens van bos naar weiland. Het water in de watergangen is voornamelijk troebel (doorzicht van minder dan 30 centimeter) en op enkele locaties sterk bruin gekleurd met een drijflaag van flab, kroos of ander organisch materiaal.
9/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Het plangebied wordt doorkruist door de snelweg A37. De A37, tussen Meppel en de Duitse grens wordt ook wel de Poort naar Oost genoemd, loopt vanaf knooppunt Hoogeveen via Emmen naar de grens bij Zwartemeer. In het plangebied staan enkele hoogspanningsmasten die in de lijn noordwest, zuidoost staan opgesteld.
Figuur 1.4 Gemaaid weiland in het noordwesten van het plangebied
10/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Figuur 1.5 Watergang tussen verschillende percelen met zeer troebel bruin gekleurd water, ten noorden van de A37
Figuur 1.6 Bosrand en bijbehorende overgang naar agrarisch perceel, ten noorden van de A37
11/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Figuur 1.7 Noordkant bosstrook ten zuiden van de A37
Figuur 1.8 Agrarische akkerpercelen ten zuiden van de A37, gescheiden door een natuurlijke haag
12/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
2 Wettelijk kader 2.1
Wetgeving
De Wet natuurbescherming is het wettelijk stelsel voor natuurbescherming. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat de genoemde verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming voor bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden altijd gelden. Het afwijken hiervan is alleen onder voorwaarden toegestaan. Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Drenthe is het bevoegd gezag voor het verlenen van toestemming door middel van een vergunning, ontheffing of vrijstelling.
2.2
Beschermingsregime en bepalingen
Het onderdeel soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming heeft bepalingen opgenomen voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: • • •
Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijk verspreidingsgebied. Ze zijn beschermd via de vogelrichtlijn Dieren en planten: het gaat hier om inheemse dieren en planten, die zijn beschermd via de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn Nationale soorten: het gaat hier om soorten, die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn vallen. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd
Per beschermingsregime geldt een aantal verbodsbepalingen. Tabel 2.1 is een samenvatting van de verbodspalingen. Ze voorzien in een bescherming van verblijfplaatsen, evenals de bescherming tegen verstorende invloeden. Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe kan een ontheffing verlenen van de verboden als genoemd in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10.
2.3
Vrijstellingen
In de Wet natuurbescherming is een aantal algemene soorten amfibieën en zoogdieren beschermd onder de categorie ‘Nationale soorten’, zoals gewone pad, bruine kikker en konijn. Provincie Drenthe heeft bevoegdheid om bij verordening deze soorten ‘vrij te stellen’ van de ontheffingsplicht (Verordening Provincie Drenthe, 2018). Dit betekent dat geen ontheffing nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze toetsing.
13/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Tabel 2.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming Verbodsbepaling
A
B
C
D
E
Vogels
Dieren
Planten
Dieren
Planten
(HR)/
(HR)/
(‘nationaal’)
(‘nationaal’)
Bonn/Bern
Bonn/Bern
(VR) Dieren of planten: Doden of vangen Storen/verstoren
3.1.1
3.5.1
3.1.4
3.5.2
3.10.1.a
(tenzij 3.1.5) Plukken, verzamelen, afsnijden,
3.5.5
3.10.1.c
ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of vervoeren
3.2.6
3.6.2
3.6.2
Plaatsen: Vernielen, beschadigen of wegnemen
3.1.2
nesten Beschadigen of vernielen
3.5.4
voortplantingsplaatsen Beschadigen of vernielen rustplaatsen
3.10.1.b (vaste vp)
3.1.2
3.5.4
3.10.1.b (vaste rp)
Eieren: Vernielen (of -VR- beschadigen)
3.1.2
3.5.3
Rapen
3.1.3
3.5.3
Onder zich hebben
3.1.3
Toelichting: Codes verwijzen naar wetsartikelen Wet natuurbescherming. Oranje
verbodsbepaling geldt alleen wanneer sprake is van opzet.
Rood
verbodsbepaling geldt in alle gevallen, ook wanneer geen sprake is van opzet.
2.4
Zorgplicht
De zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming) houdt in dat handelingen, die nadelige gevolgen kunnen hebben voor in het wild levende dieren en planten achterwege worden gelaten. Als zich mogelijk negatieve effecten voordoen, dan treft de initiatiefnemer noodzakelijke maatregelen om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken/ongedaan te maken. Het betreft alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht dient onder meer als vangnet voor de bescherming van soorten waarvoor op grond van de Wet natuurbescherming geen specifiek verbod geldt. De zorgplicht is daarnaast van toepassing op beschermde gebieden.
14/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
3 Werkwijze 3.1
Inleiding
De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de volgende gegevens: • Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data • Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) • • •
Natuurkaart van TAUW (https://www.TAUW.nl/op-welk-terrein/ecologie/ecoviewer.html) Oriënterende veldbezoeken op 8 tot en met 10 juni 2021 Aanvullend veldbezoek voor das op 1 juli 2021
Het doel van de literatuurstudie is om na te gaan welke beschermde soorten in of in de omgeving van het plangebied kunnen voorkomen. De ecoloog controleert tijdens het oriënterende veldbezoek of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook kijkt de ecoloog naar aanwijzingen van de aanwezigheid (zichtwaarnemingen en sporen van terreingebruik, zoals holen, uitwerpselen, haren, prooi- of voedselresten).
3.2
Kwaliteit
Voor soortenbescherming is een volledige garantie over de aanwezigheid niet te geven. Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede in dit kader is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten.
3.3
Uitgangspunten
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de beoogde ontwikkeling: • Sloop van gebouwen is geen onderdeel van de werkzaamheden • Voor het plangebied (zie figuur 1.2) wordt uitgegaan dat het gehele terrein bouwrijp gemaakt • •
3.4
wordt (worst-case scenario) Voor de conditionerende onderzoeken worden geen bomen gekapt Voor het conditionerende onderzoek wordt geen grootschalig grondverzet uitgevoerd
Toegankelijkheid plangebied
Tijdens de uitvoering van het veldbezoek voor deze quickscan was het niet mogelijk om alle bosdelen te bezoeken door aanwezigheid van ondoordringbaar braamstruweel en andere vegetatie. Hierdoor was het niet mogelijk om alle exacte locaties van bijvoorbeeld potentieel jaarrond beschermde nesten of dassenburchten in te tekenen op kaart. Desondanks was het wel mogelijk om een volledige inschatting te maken van het aanwezige habitat en de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten.
15/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
4 Effecten op beschermde soorten 4.1
Literatuuronderzoek
In de omgeving van het plangebied zijn verspreidingsgegevens bekend van de verschillende soortgroepen, en/of het plangebied ligt binnen het algemene verspreidingsgebied van deze soorten. In tabel 4.1 zijn de soorten per soortgroep weergegeven. Tabel 4.1 Soorten in de omgeving van het plangebied (bron: NDFF en natuurkaart TAUW) Soortgroep
Aanwezige soorten in omgeving
Flora
Drijvende waterweegbree
Grondgebonden zoogdieren
Eekhoorn, steenmarter, boommarter, das, otter, grote bosmuis, waterspitsmuis, veldspitsmuis en wolf
Vleermuizen
Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, tweekleurige vleermuis, meervleermuis en watervleermuis
Vogels
Diverse soorten
Vogels jaarrond beschermd
Buizerd, wespendief, havik, sperwer, slechtvalk, boomvalk, ransuil, steenuil, kerkuil, ooievaar, huismus, gierzwaluw, huismus en roek
Amfibieën
Poelkikker en heikikker
Reptielen
Levendbarende hagedis
Vissen
Geen vermelding in literatuur
Vlinders
Geen vermelding in literatuur
Libellen
Geen vermelding in literatuur
Overige ongewervelden
Geen vermelding in literatuur
4.2
Flora
Drijvende waterweegbree komt voor in helder, voedselarm tot matig voedselrijk (fosfaatarm), zwak zuur water (FLORON, 2021). In het plangebied zijn enkele watergangen gelegen naast agrarische percelen. Tijdens het veldbezoek voor deze quickscan werden de weilanden bemest. Door uitspoeling via regenwater komen fosfaten in de watergangen terecht. Hierdoor zijn de watergangen fosfaatrijk en ongeschikt als groeiplaats voor drijvende waterweegbree. Dit blijkt eveneens uit het troebele water en de algenrijkdom in de sloten. Gelet op het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van drijvende waterweegbree in het plangebied uitgesloten. Door de voedselrijke situatie in het plangebied en de bospercelen (getuige het voorkomen in groten getale van braam en brandnetel) is de aanwezigheid van overige beschermde flora uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde flora zijn uitgesloten.
4.3
Grondgebonden zoogdieren
4.3.1 Potentieel aanwezige soorten Eekhoorn komt voor in bossen, tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos. Het voorkeurshabitat gaat uit naar ouder bos omdat daar meer voedsel en nestgelegenheid is (Zoogdiervereniging, 2021).
16/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Het voedsel bestaat voornamelijk uit boomzaden zoals eikels, noten en kegels van naaldbomen. Ook eten ze knoppen, bladeren, bessen, schors, paddenstoelen, rupsen, vogeleieren en jonge vogels. De verblijfplaats bestaat uit een nest dat wordt gemaakt van takken en bladeren hoog in boomkronen. Ook worden boomholtes gebruikt als verblijfplaats. Het bos in het plangebied betreft relatief oud bos met voldoende foerageermogelijkheid voor eekhoorn. In de boomkronen kunnen nesten worden gemaakt en de boomholtes in oudere bomen zijn geschikt als verblijfplaats. Op voorhand is het niet uit te sluiten dat eekhoorn voorkomt in het plangebied. Steenmarter verblijft bij voorkeur in stenige plaatsen zoals gebouwen met openingen. Daarnaast wordt de soort ook aangetroffen in holen onder de grond, in dicht struweel, takkenhopen en boomholtes. In een territorium kan een steenmarter gebruik maken van wel tientallen verblijfplaatsen. In het plangebied is alleen in het bos geschikt habitat aanwezig voor verblijfplaatsen van steenmarter. Zo is er veel dood hout aanwezig wat voor natuurlijke takkenhopen kan zorgen, is er dicht struweel aanwezig en kunnen er in de grond holen zitten. De bomen zijn voldoende oud voor geschikte boomholtes voor de steenmarter. Op voorhand is het niet uit te sluiten dat steenmarter voorkomt in het plangebied.
Boommarter verblijft bij voorkeur in oudere, maar ook jongere bossen. Verblijfplaatsen bestaan uit boomholtes, konijnen-, vossen- of dassenholen in de grond, ruimtes tussen boomwortels of onder takkenhopen (Zoogdiervereniging, 2021). De soort wordt ook in toenemende mate aangetroffen in/rond bebouwing. In het plangebied is ouder bos aanwezig waar in potentie boomholtes aanwezig zijn. Ook kunnen er holtes in de grond aanwezig zijn die als verblijfplaats geschikt zijn. Door het dode hout kunnen er natuurlijke takkenhopen zijn ontstaan. Op voorhand is niet uit te sluiten dat boommarter voorkomt in het plangebied. Das komt voor in verscheidende biotopen, met een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosschages, heggen en houtwallen (Zoogdiervereniging, 2021). Das verblijft in zelf gegraven ondergrondse burchten. In het plangebied is een enkele dassenpijp aangetroffen en in het bos is mogelijk een hoofdburcht aanwezig. Het bos zelf kon tijdens de veldbezoeken op 8 tot en met 10 juli niet worden betreden door het vele en hoge braamstruweel. Wel zijn er diverse sporen aangetroffen zoals wissels en dassenputjes aangetroffen, die wijzen op een verblijfplaats in de bosschage. Ook uit een mondelinge mededeling van een lokale pachter/jager blijkt dat er dassen aanwezig zijn.
Naar aanleiding van deze informatie is door een ecoloog van TAUW en TenneT een aanvullend veldbezoek aan het plangebied gebracht op 1 juli 2021, om dassenburchten te inventariseren. Tijdens dit aanvullend veldbezoek is een hoofdburcht gevonden in de meest oostelijk gelegen bosschage. De hoofdburcht heeft circa 12 pijpen die in 2021 zijn belopen. In het talud van de sloot, op circa 100 meter ten zuiden van de hoofdburcht is een vluchtpijp aanwezig. Ook is er een vluchtpijp in het meest oostelijk gelegen weiland van het plangebied aanwezig en recent belopen. Figuur 4.1 geeft de locaties van de hoofdburcht weer op kaart.
17/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Opgemerkt moet worden dat het onderzoek niet volledig is. Delen van bosschages dienen op een later moment nog onderzocht te worden om een volledig beeld te krijgen welke functies het plangebied heeft voor dassen.
Figuur 4.1 Locaties van dassenburchten in het plangebied (niet volledig onderzocht)
Otter komt in Nederland voor in waterrijke habitats zoals langs de grote rivieren en in de Weerribben-Wieden. De soort jaagt in het water op onder andere vis. Verblijfplaatsen zijn te vinden in beschutte oeverdelen. In het plangebied zijn alleen sloten te vinden in het agrarisch landschap. De sloten staan niet in verbinding met andere watergangen. Door de kwaliteit van het water zal weinig voedsel voor otter aanwezig zijn. Door het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van otter in het plangebied uitgesloten. Grote bosmuis komt voornamelijk voor langs de oostgrens van Nederland, dus in de regio van het plangebied. Het biotoop van grote bosmuis bestaat uit allerlei typen, mits er voldoende dekking aanwezig is. Zo kan de soort voorkomen in bosranden, niet te nat rietland, parken, braakliggend land, duinen, heide en tuinen (Zoogdiervereniging, 2021). De bossen en de overgangen naar de agrarische landerijen bieden voldoende dekking voor grote bosmuis. Deze locaties zijn geschikt habitat voor grote bosmuis. Het voorkomen van grote bosmuis in het plangebied is niet op voorhand uit te sluiten.
18/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Waterspitsmuis leeft op oeverdelen van schone wateren met een rijkelijk begroeide oever die voldoende dekking biedt. De wateren in het plangebied zijn zeer troebel en bruin van kleur. Er is ook geen goed ontwikkelde watervegetatie aanwezig en de watergangen staan niet in verbinding met andere watergangen. Gelet op bovenstaande is het voorkomen van waterspitsmuis in het plangebied uitgesloten. Veldspitsmuis kent een zeer beperkte verspreiding in Nederland. De soort komt voor in het oosten van Overijssel en Drenthe en in het zuiden van Zeeland. Veldspitsmuis is gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap dat niet te intensief beheerd wordt. Hij komt voor in vegetatieovergangen, lintvormige landschapselementen, opgaande kruidenvegetaties en overhoekjes. Ook in aanliggende, braakliggende of niet begraasde kruidenvegetaties zoals boomgaarden kan de soort worden aangetroffen (Zoogdiervereniging, 2021). In het plangebied is geschikt habitat aanwezig in de overgangszones van agrarische percelen naar de bosrand, watergangen en wegen. Op deze locaties vindt weinig beheer plaats en is een kruidenrijke graslandvegetatie aanwezig met voldoende dekking. Gelet op de geschiktheid van het plangebied en het voorkomen van de soort in de omgeving is aanwezigheid van veldspitsmuis niet op voorhand uit te sluiten.
Uit de omgeving van het plangebied zijn meerdere waarnemingen bekend van wolf (NDFF, 2021). Wolven leven in uitgestrekte rustige gebieden waar weinig mensen komen. Jonge dieren gaan na het verlaten van het ouderlijke territorium zwerven en kunnen daarbij honderden kilometers afleggen op zoek naar nieuw leefgebied. Het plangebied is te klein van oppervlak om als geschikt leefgebied voor wolf te dienen. Ook de omliggende terreinen zijn niet geschikt, doordat deze voornamelijk in gebruik zijn als agrarische landerijen. De waarnemingen in de omgeving zullen dan ook betrekking hebben op zwervende exemplaren. Negatieve effecten zijn uitgesloten. 4.3.2 Toetsing Op voorhand is het niet uitgesloten dat eekhoorn, steenmarter, boommarter, grote bosmuis en veldspitsmuis voorkomen in het plangebied. Aanwezigheid van das is door aanwezigheid van belopen burchten aangetoond, echter is niet het gehele plangebied doorzocht. De beoogde ontwikkeling kan ertoe leiden dat verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied en individuen worden aangetast. Nader onderzoek is nodig om te bepalen om alle burchten in kaart te brengen en of er sprake is van aantasting van een beschermde functie van das. Indien dit het geval blijkt, is dit een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.10. Om een overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen maatregelen getroffen te worden.
Voor de conditionerende onderzoeken wordt onder andere gebruik gemaakt van een sondeertruck. Deze truck is vergelijkbaar met een tractor, maar dan op rupsbanden. Hierdoor is er een evenredige verdeling van de belasting op de grond, waardoor deze niet verdicht wordt. De truck wordt ingezet op de weilanden. Doordat de bodem niet verdicht wordt en het qua landbewerking vergelijkbaar is met de huidige agrarische activiteiten zijn negatieve effecten op veldspitsmuis uitgesloten.
19/31
Kenmerk
4.3.3
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation
Om aan- of afwezigheid van eekhoorn, steenmarter, boommarter, grote bosmuis en veldspitsmuis aan te tonen is soortgericht onderzoek nodig. Dit onderzoek is ook nodig naar das, maar dan om te bepalen waar de verblijfplaats ligt en hoe dassen gebruik maken van het plangebied. Uit het soortgericht onderzoek kunnen extra maatregelen volgen. Indien beschermde soorten aanwezig zijn en verboden negatieve effecten niet te voorkomen zijn, is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. In onderstaande tabel is opgenomen welke type onderzoeken benodigd zijn en ik welke (globale) periode deze uitgevoerd dienen te worden. Tabel 4.2 Benodigd soortgericht onderzoek grondgebonden zoogdieren Soort
Type onderzoek
Globale onderzoeksperiode
Eekhoorn
Inventarisatie boomnesten en
Winter (inventarisatie) en voorjaar (cameravallen
inzet cameravallen
gecombineerd met steen- en boommarter)
Steen- en boommarter
Cameravallen
April – juni
Das
Spooronderzoek en camera’s
Gehele jaar
Grote bosmuis en
Inventarisatie met lifetraps
Augustus - oktober
veldspitsmuis
4.3.4 Maatregelen conditionerende onderzoeken De conditionerende onderzoeken in het veld kunnen alleen plaatsvinden wanneer de volgende maatregel in acht wordt genomen: •
De bospercelen worden niet betreden
Indien deze maatregel niet uitvoerbaar is dienen de resultaten van het soortgericht onderzoek te worden afgewacht.
4.4
Vleermuizen
4.4.1 Algemeen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn drie typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Verblijfplaatsen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, andere bouwwerken of in bomen. Foerageergebieden zijn groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen en watergangen. Vliegroutes worden gevormd door lijnvormige elementen zoals bomenrijen, randen van bebouwing en watergangen. 4.4.2
Verblijfplaatsen
4.4.2.1 Potentiële aanwezigheid In het plangebied zijn geen gebouwen aanwezig die gesloopt of aangetast worden. Effecten op verblijfplaatsen van soorten in gebouwen (zoals tweekleurige vleermuis, laatvlieger en meervleermuis) zijn daarom uitgesloten. De agrarische percelen bevatten geen geschikte elementen voor verblijfplaatsen. De bosschages zijn dermate oud dat boomholtes en loszittend schors niet zijn uit te sluiten. In boomholtes en achter schors kunnen vleermuizen verblijven. Het
20/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
is dan ook niet uitgesloten dat verblijfplaatsen aanwezig zijn van vleermuizen die gebruik maken van bomen (ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, baardvleermuis, franjestaart en watervleermuis). 4.4.2.2 Toetsing De kap van bomen met boomholtes en/of loszittend schors kan bijdragen aan het verlies van een verblijfplaats van vleermuizen. Hierbij kunnen ook dieren verwond of gedood worden. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.5. Verblijfplaatsen kunnen (tijdelijk of permanent) ongeschikt raken als deze worden verlicht door kunstmatige verlichting. In dat geval is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.5 aan de orde. 4.4.2.3 Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation Om aan- of afwezigheid van boombewonende vleermuizen aan te tonen is soortgericht onderzoek nodig. Voordat het soortgericht onderzoek start dient in de winterperiode iedere boom beoordeeld te worden op vleermuisgeschiktheid. Aan de hand van die resultaten kan het soortgericht onderzoek specifiek gemaakt worden. Uit de resultaten van het soortgericht onderzoek kan een effectbeoordeling worden gemaakt. Voor het aantasten van verblijfplaatsen van vleermuizen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
Het soortgericht onderzoek naar vleermuizen in bomen vindt plaats in de periode juni tot en met september gedurende drie avondbezoeken en één ochtendbezoek. 4.4.2.4
Maatregelen conditionerende onderzoeken
De conditionerende onderzoeken in het veld kunnen alleen plaatsvinden wanneer de volgende maatregelen in acht worden genomen: • Er wordt niet gewerkt met kunstmatige verlichting van zonsondergang tot en met •
zonsopkomst, die uitstraalt naar bospercelen of gebouwen in de omgeving Er worden geen bomen gekapt met holtes of loszittend schors
Indien deze maatregelen niet uitvoerbaar zijn dienen de resultaten van het soortgericht onderzoek te worden afgewacht. 4.4.3 Foerageergebied 4.4.3.1 Potentiële aanwezigheid In het plangebied zijn groenstructuren aanwezig in de vorm van verschillende bosschages. Deze bosschages zijn geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving komen diverse soorten vleermuizen voor, die mogelijk gebruik maken van de groenstructuren in het plangebied.
21/31
Kenmerk
4.4.3.2
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Toetsing
Door de kap van de bosschage kan essentieel foerageergebied van vleermuizen verdwijnen. Verlichting kan ook tot aantasting van essentieel foerageergebied leiden. Het verdwijnen van essentieel foerageergebied van vleermuizen is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.5. 4.4.3.3
Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation
Om aan- of afwezigheid van essentieel foerageergebied aan te tonen is soortgericht onderzoek nodig naar vleermuizen. Dit onderzoek is nodig om een effectbeoordeling te maken. Het onderzoek kan gecombineerd worden met het onderzoek naar verblijfplaatsen. Voor het aantasten van essentieel foerageergebied is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. 4.4.3.4
Maatregelen conditionerende onderzoeken
De conditionerende onderzoeken in het veld kunnen alleen plaatsvinden wanneer de volgende maatregelen in acht worden genomen: • Er wordt niet gewerkt met kunstmatige verlichting van zonsondergang tot en met •
zonsopkomst, die uitstraalt naar bospercelen in het plangebied of de omgeving Er worden geen bomen gekapt met holtes of loszittend schors
Indien deze maatregelen niet uitvoerbaar zijn dienen de resultaten van het soortgericht onderzoek te worden afgewacht. 4.4.4 Vliegroute 4.4.4.1 Potentiële aanwezigheid De natuurlijke lijnvormige structuren beperken zich tot de bosranden in het plangebied. Wanneer men vanuit de lucht op het plangebied en omgeving neerkijkt, wordt zichtbaar dat de bosschages in het plangebied via verschillende groenstructuren in verbinding staan met grote bospercelen ten noorden en zuiden van het plangebied. Vooral in de richting van het zuiden zijn veel aaneengesloten groenstructuren aan te treffen. Het is daardoor niet op voorhand uit te sluiten dat het plangebied wordt gebruikt als vliegroute van vleermuizen. 4.4.4.2 Toetsing Het kappen van bosschages of delen daarvan kan ertoe leiden dat vliegroutes van vleermuizen ongeschikt raken. Het verlichten van een vliegroute kan ook voor aantasting van de vliegroute zorgen. Vleermuizen maken gebruik van verschillende typen verblijven en migreren tussen deze verblijven. Enkele soorten migreren over grotere afstand tussen zomer- en winterverblijven. Het ongeschikt maken van een vliegroute van vleermuizen draagt ertoe bij dat (een gedeelte) van deze verblijven niet meer bereikbaar zijn. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.5.
4.4.4.3 Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation Om de aan- of afwezigheid van een vliegroute van vleermuizen aan te tonen is soortgericht onderzoek nodig. Dit onderzoek is nodig om een effectbeoordeling te maken.
22/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Het onderzoek kan gecombineerd worden met het onderzoek naar verblijfplaatsen. Bij aantasting van een essentiële vliegroute van vleermuizen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Het onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen kan gecombineerd worden met het onderzoek naar verblijfplaatsen. 4.4.4.4 Maatregelen conditionerende onderzoeken De conditionerende onderzoeken in het veld kunnen alleen plaatsvinden wanneer de volgende maatregelen in acht worden genomen: • •
Er wordt niet gewerkt met kunstmatige verlichting van zonsondergang tot en met zonsopkomst, die uitstraalt naar bospercelen in het plangebied of de omgeving Er worden geen bomen gekapt langs de randen van bospercelen
Indien deze maatregelen niet uitvoerbaar zijn dienen de resultaten van het soortgericht onderzoek te worden afgewacht.
4.5
Vogels
4.5.1 Vogels met jaarrond beschermde nesten 4.5.1.1 Potentieel aanwezige soorten De bosschages zijn geschikt broedhabitat voor buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk en ransuil. Deze soorten broeden in boomnesten. Tijdens het veldbezoek is er een buizerdnest aangetroffen ten zuiden van de A37. Ook zijn er roepende boomvalken waargenomen bij een nest in een hoogspanningsmast (nummer 120). Het was niet duidelijk of deze vogels gebruik maken van dit nest, of een nest hebben in de bosschage. Ook is er activiteit van wespendief en sperwer waargenomen tijdens het veldbezoek. De waargenomen activiteiten van deze soorten kan wijzen op een broedgeval binnen het plangebied. Ooievaar broedt in Nederland incidenteel in bomen, maar ook in hoogspanningsmasten. Nesten van ooievaar zijn dermate groot dat deze eenvoudig zijn te inventariseren. Er zijn geen ooievaarsnesten aangetroffen in de hoogspanningsmasten. Een incidenteel boomnest in de bosschage is niet op voorhand uit te sluiten, doordat de bosschages niet te inventariseren waren. Naast ooievaar en boomvalk kan ook buizerd, en slechtvalk een hoogspanningsmast als nestlocatie gebruiken. Alleen in hoogspanningsmast 120 is een nest waargenomen, waarvan niet duidelijk is welke soort hier gebruik van maakt. Het is niet uitgesloten dat buizerd of slechtvalk hier gebruik van maken. Roek is een koloniebroeder en broedt in bomen.
Roeken zijn luidruchtig tijdens het broeden, waardoor aanwezige kolonies makkelijk kunnen worden gelokaliseerd. Er zijn geen roeken waargenomen tijdens het driedaagse veldbezoek binnen de broedperiode, waardoor het voorkomen van roek is uitgesloten in het plangebied.
23/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Huismus en gierzwaluw zijn gebonden aan nestlocaties in gebouwen met openingen. De functionele leefomgeving bevindt zicht in de directe omgeving van de nestlocatie. Gierzwaluw heeft een groot foerageergebied, waardoor de directe omgeving niet van belang is voor foerageermogelijkheden. Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig en de ontwikkeling vindt plaats op voldoende afstand (meer dan 300 meter) van bebouwing. Hierdoor zijn negatieve effecten op huismus en gierzwaluw uitgesloten. Steenuil en kerkuil verblijven in gebouwen in het agrarisch landschap. Veelal zijn deze verblijfplaatsen te vinden in daken of nestkasten (steenuil) of achter nissen of in nestkasten in open schuren (kerkuil) op boerenerven. Een direct effect op een verblijfplaats van steen- of kerkuil is uitgesloten door de afstand van potentieel geschikte boerenerven tot het plangebied. Aantasting van de functionele leefomgeving is eveneens uitgesloten. Steenuil foerageert in een suboptimale situatie tot 300 meter rondom de nestlocatie. De afstand van het dichtstbijzijnde boerenerf bedraagt meer dan 300 meter. Kerkuil heeft een leefgebied tot wel 1200 hectare. De realisatie van het hoogspanningsstation heeft in relatie tot het grote leefgebied van kerkuil een zeer gering oppervlak. Hierdoor is aantasting van essentieel foerageergebied van kerkuil uitgesloten.
Negatieve effecten op steenuil en kerkuil zijn uitgesloten. 4.5.1.2
Toetsing
Op voorhand is niet uitgesloten dat er nest of nesten van buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, ransuil en ooievaar aanwezig zijn in het plangebied. De nesten van deze soorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest. Van buizerd is reeds één nestlocatie bekend. Het is niet bekend of er op een andere locatie ook buizerdnesten aanwezig zijn. De beoogde ontwikkeling kan bij aanwezigheid van een nest en bijbehorende functionele leefomgeving in strijd zijn de Wet natuurbescherming, artikel 3.1. Om een overtreding te voorkomen dienen maatregelen getroffen te worden. 4.5.1.3
Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation
Om een volledig beeld te krijgen van jaarrond beschermde nesten binnen het plangebied is soortgericht onderzoek nodig. Dit soortgericht onderzoek is nodig voor een effectbeoordeling. Een eerste stap in het soortgericht onderzoek is een inventarisatie van nesten in de winterperiode, wanneer er geen blad aan de bomen is. Op dat moment kan van afstand geïnventariseerd worden waar potentieel jaarrond beschermde nesten aanwezig zijn. Aan de hand van de resultaten van de nestinventarisatie kan de onderzoeksinspanning voor de roofvogels en ooievaar tijdens het broedseizoen bepaald worden. In onderstaande tabel is globaal aangegeven wat de onderzoeksperiode en het onderzoekstype is.
24/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Tabel 4.3 Benodigd soortgericht onderzoek naar jaarrond beschermde vogelnesten Soort
Type onderzoek
Globale onderzoeksperiode
Jaarrond beschermde
Inventarisatie nesten
Winter
Buizerd
Inventarisatie gedurende 5 veldbezoeken
Maart – 15 mei
Wespendief
Inventarisatie gedurende 3 veldbezoeken
20 mei – 10 augustus
Havik
Inventarisatie gedurende 3 veldbezoeken
Februari – 15 juli
Sperwer
Inventarisatie gedurende 3 veldbezoeken
Maart – 15 juli
Boomvalk
Inventarisatie gedurende 3 veldbezoeken
Mei – augustus
Slechtvalk
Inventarisatie gedurende 3 veldbezoeken
Februari – juni
Ooievaar
Inventarisatie gedurende 2 veldbezoeken
20 april – juli
roofvogels en ooievaar
4.5.1.4 Maatregelen conditionerende onderzoeken De conditionerende onderzoeken in het veld kunnen alleen plaatsvinden wanneer de volgende maatregel in acht worden genomen: •
Er wordt binnen het broedseizoen lopend van februari tot en met september niet gewerkt binnen een straal van 100 meter rondom de bosschages, zonder van tevoren een broedvogelcontrole is uitgevoerd door een ter zake kundig ecoloog
De ter zake kundige ecoloog stelt tijdens de broedvogelcontrole vast of er soorten permanent verstoord worden. Aan de hand van de resultaten moet blijken of een terrein wel of niet betreden kan worden. Door deze maatregel wordt verstoring van jaarrond beschermde vogels voorkomen. Indien deze maatregel niet uitvoerbaar is dienen de resultaten van het soortgericht onderzoek en/of de broedvogelcontrole(s) te worden afgewacht. 4.5.2 Vogels (categorie 5) De nesten van vogels in deze categorie zijn alleen jaarrond beschermd als ‘zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden’ dat rechtvaardigen. Het betreft soorten zoals ekster, koolmees en zwarte kraai. Deze soorten zijn niet jaarrond beschermd, omdat deze soorten voldoende flexibel zijn om zich elders te vestigen. In de ruime omgeving van het plangebied is een vergelijkbaar type habitat aanwezig, waar deze vogels naar kunnen uitwijken. Voor deze vogels dienen geen aanvullende maatregelen getroffen te worden dan rekening houden met het broedseizoen (zie volgende paragraaf). 4.5.3 Tijdens het broeden beschermde vogels Vogels kunnen het gehele jaar tot broeden komen. Het is daarom zaak hier voorafgaand aan het werk rekening mee te houden. In dit gebied is de kans op een broedgeval is het grootst in de periode februari tot en met september.
Een (periodieke) controle op nesten van broedvogels is voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk om overtreding van de wet te voorkomen. Indien een broedgeval aanwezig is, dient een verstoringsvrije zone te worden aangehouden.
25/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Binnen deze zone kan gedurende de periode van broeden niet worden gewerkt. De breedte van deze zone dient door een ter zake kundige te worden bepaald. Bovenstaande maatregel aangaande broedvogels is van toepassing op de realisatiefase van het hoogspanningsstation, maar ook tijdens de uitvoeren van de conditionerende onderzoeken in het veld.
4.6
Amfibieën
4.6.1 Potentieel aanwezige soorten Poelkikker komt in de omgeving van het plangebied veelvuldig voor. Het is een soort die voornamelijk aan te treffen is in zonnige, onbeschaduwde wateren, die zwakzuur en niet te voedselrijk zijn. De meeste watergangen in het plangebied zijn voedselrijk en hebben ongeschikt habitat voor poelkikker. De watergangen aan de noordzijde van de A37, langs de bospercelen, zijn suboptimaal door de zonnige ligging en aanwezigheid van enige oevervegetatie. In deze suboptimale delen is op voorhand niet met zekerheid poelkikker uit te sluiten, mede in combinatie met het voorkomen van de soort in de omgeving van het plangebied. Als er in deze watergangen voortplanting van poelkikker plaatsvindt, worden de bosschages aangemerkt als overwinteringshabitat voor poelkikker. In deze bosschages zijn veel schuilmogelijkheden zoals holtes in de grond, onder takken, stenen en dergelijke. Heikikker komt voornamelijk voor in de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. De heikikker is een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in intensief gebruik agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (RAVON, 2021). Het agrarisch landschap is intensief in gebruik en wordt actief bemest. Daarnaast wordt het plangebied doorkruist door infrastructuur (de A37). Hierdoor is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor heikikker.
Negatieve effecten op heikikker zijn uitgesloten. 4.6.2 Toetsing Het aantasten van watergangen en bosschages kan ertoe leiden dat voortplantingswater en het landhabitat van poelkikker verloren raakt en er dieren gedood worden. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.5. Aangaande de conditionerende onderzoeken vindt in de watergangen enkel handmatige bemonstering plaats. Deze wijze van bemonstering heeft niet tot nauwelijks impact op de watergang, waardoor negatieve effecten op poelkikker door de conditionerende onderzoeken zijn uitgesloten. 4.6.3
Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation
Om de aan- of afwezigheid van poelkikker in de suboptimale delen van het plangebied aan te tonen is soortgericht onderzoek nodig. Uit de resultaten van dit onderzoek kan een effectbeoordeling gemaakt worden. Bij aantasting van leefgebied van poelkikker is een ontheffing van de Wet natuurbescherming benodigd.
26/31
Kenmerk
4.6.4
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Maatregelen conditionerende onderzoeken
De conditionerende onderzoeken in het veld kunnen alleen plaatsvinden wanneer de volgende maatregel in acht wordt genomen: • Er wordt geen grond vergraven of bemonsterd in de bosschages waar poelkikker kan overwinteren (holtes in de grond en onder takken, stenen en dergelijke) Indien deze maatregelen niet uitvoerbaar zijn dienen de resultaten van het soortgericht onderzoek te worden afgewacht.
4.7
Reptielen
Levendbarende hagedis komt voor in heide, hoogveen, open bossen, ruige graslanden en in bermen van infrastructuur (RAVON, 2021). Heide en hoogveen vormt het voorkeurshabitat. In het plangebied is geen heide en hoogveen aanwezig. Wel zijn er bossen aanwezig, echter zijn deze zeer dicht begroeid waardoor er geen geschikte opwarmplekken aanwezig zijn. Deze open plekken in de vegetatie zijn essentieel voor de levendbarende hagedis om een optimale lichaamstemperatuur te krijgen. Ook langs de bosranden is de vegetatie sterk verruigd en ontbreekt het aan open plekken. Door het ontbreken van geschikt habitat is het voorkomen van levendbarende hagedis uitgesloten.
4.8
Vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden
Er zijn geen waarnemingen bekend van beschermde vissen, vlinders, libellen en overige ongewervelden uit de ruime omgeving van het plangebied. Door de eerder benoemde habitatkenmerken worden deze soorten ook niet verwacht. Voor deze soorten is geen geschikt leefgebied aanwezig. Negatieve effecten op deze (beschermde) soortgroepen zijn uitgesloten.
4.9
Zorgplicht
Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing: • Tijdens het bouwrijp maken van het terrein of tijdens het uitvoeren van conditionerende onderzoeken het terrein vanuit één richting benaderen. Hierdoor kan aanwezig fauna het gebied tijdig ontvluchten
4.10
Functiekaart geschiktheidsbeoordeling
In onderstaande figuur is een kaart gemaakt met daarop aangegeven waar beschermde soorten potentieel voorkomen. Het potentiële leefgebied van das is hierop niet specifiek aangegeven, omdat het hele plangebied geschikt wordt geacht. Reeds aangetroffen verblijfplaatsen van das zijn weergegeven in figuur 4.1.
27/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Figuur 4.2 Functiekaart potentieel aanwezige beschermde soorten
28/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
5 Conclusies en aanbevelingen 5.1
Aanleiding
In opdracht van TenneT TSO heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de Wet natuurbescherming, onderdeel beschermde soorten, voor het versterken van het elektriciteitsnetwerk nabij Veenoord-Boerdijk in Drenthe. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de bepalingen als opgenomen in de Wet natuurbescherming, of als de benodigde vergunningen en/of ontheffingen worden verleend. Het project verloopt in meerdere fases: de fase van conditionerende onderzoek en de daadwerkelijke realisatiefase van het hoogspanningsstation. In deze rapportage zijn de effecten getoetst op beschermde soorten in beide fases. In onderstaande conclusies worden de vervolgstappen per uitvoeringsfase besproken.
5.2
Resultaten
Aan de hand van de terreinkenmerken en het voorkomen van beschermde soorten in de omgeving van het plangebied zijn enkele soorten niet op voorhand uit te sluiten. Het betreft de volgende soorten en functies: • Eekhoorn (verblijfplaatsen en foerageergebied) • • •
Steenmarter (verblijfplaatsen en foerageergebied) Boommarter (verblijfplaatsen en foerageergebied) Das (verblijfplaatsen (gedeeltelijk aangetoond) en foerageergebied)
• • •
Grote bosmuis (verblijfplaatsen en foerageergebied) Veldspitsmuis (verblijfplaatsen en foerageergebied) Vleermuizen (verblijfplaatsen in bomen, foerageergebied en vliegroutes)
•
Jaarrond beschermde vogelsoorten (nesten van buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, ransuil en ooievaar) Poelkikker (voortplantingswater en landhabitat)
•
5.3
Vervolgstappen conditionerende onderzoeken
De conditionerende onderzoeken in het veld kunnen alleen plaatsvinden wanneer de volgende maatregelen in acht worden genomen: • De bospercelen worden niet betreden en er worden geen bomen gekapt • Er wordt niet gewerkt met kunstmatige verlichting van zonsondergang tot en met
• •
zonsopkomst, die uitstraalt naar bospercelen in het plangebied of bospercelen en gebouwen in de omgeving Er wordt binnen het broedseizoen lopend van februari tot en met september niet gewerkt binnen een straal van 100 meter rondom de bosschages Tijdens het broedseizoen worden periodiek broedvogelcontroles uitgevoerd. Indien er een broedgeval wordt aangetroffen dient de locatie te worden ontzien totdat de vogel klaar is met broeden
29/31
Kenmerk
•
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Er wordt geen grond vergraven of bemonsterd in de bosschages waar poelkikker kan overwinteren (holtes in de grond (inclusief muizenholen) en onder takken, stenen en dergelijke)
Indien deze maatregelen niet uitvoerbaar zijn dienen de resultaten van het soortgericht onderzoek te worden afgewacht.
5.4
Vervolgstappen realisatie hoogspanningsstation
Om te bepalen of bovengenoemde soorten en functies aanwezig zijn dient soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Afhankelijk van de uitkomst van de diverse soortgerichte onderzoeken kan een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig zijn. Een ontheffingsprocedure kan van invloed zijn op de planning van het project. Onderdeel van een ontheffingsprocedure is het nemen van mitigerende maatregelen voor de soorten waar een negatief effect op is. Afhankelijk van de uitkomst van de onderzoeken moet blijken hoe groot de impact is op beschermde soorten en dienen de maatregelen daar op afgestemd te worden. Enkele dagen voor de start van de werkzaamheden in het broedseizoen (lopend van februari tot en met september) dient een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. In tabel 5.1 is een samenvatting opgenomen van de toetsing aan de soortenbescherming en de vervolgstappen.
5.5
Vervolgstappen zorgplicht
Ten aanzien van de zorgplicht zijn de volgende maatregelen van toepassing: • Tijdens het bouwrijp maken van het terrein of tijdens het uitvoeren van conditionerende onderzoeken het terrein vanuit één richting benaderen. Hierdoor kan aanwezig fauna het gebied tijdig ontvluchten
30/31
Kenmerk
R004-1280309VSX-V04-hgm-NL
Tabel 5.1 Conclusies toetsing soortenbescherming realisatie hoogspanningsstation Soortgroep
Effect
Vervolgstappen
Onderzoeksperiode
Grondgebonden
Mogelijk overtreding
Soortgericht onderzoek naar eekhoorn,
Afhankelijk van soort,
zoogdieren
artikel 3.10
steenmarter, boommarter, das, grote
zie tabel 4.2
bosmuis en veldspitsmuis Vleermuizen
Mogelijk overtreding
Soortgericht onderzoek naar
artikel 3.5
verblijfplaatsen, foerageergebied en
Juni – september
vliegroutes Vogels
Mogelijk overtreding
Broedvogelcontrole voor aanvang
Februari – september
artikel 3.1
werkzaamheden
Vogels jaarrond
Mogelijk overtreding
Soortgericht onderzoek naar buizerd,
Winterperiode –
beschermd
artikel 3.1
wespendief, havik, sperwer, boomvalk,
augustus
Amfibieën
Mogelijk overtreding
slechtvalk, ransuil en ooievaar Soortgericht onderzoek naar poelkikker
Mei – juni
Niet van toepassing
Niet van toepassing
artikel 3.5 Reptielen, vissen,
Geen overtreding
vlinders, libellen
artikel 3.5 of 3.10
en overige ongewervelden
6 Literatuur Haarsma, A-J. (2011). De meervleermuis in Nederland. Rapport nr. 2011.40. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Geraadpleegde internetwebsites: www.verspreidingsatlas.nl www.ravon.nl www.zoogdiervereniging.nl
31/31