Bijlage 2.25 XXII - Soortgericht onderzoek
Tekst van het document
Soortgericht onderzoek NNON VeenoordBoerdijk Toetsing aan de Wet natuurbescherming 16 december 2022
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Verantwoording Titel
Soortgericht onderzoek NNON Veenoord-Boerdijk
Opdrachtgever
TenneT TSO
Projectleider
Willem Hulsen
Auteur
Vincent Sanders
Kwaliteitscontrole
Harm Bolle en Jordy Houkes
Projectnummer
1280309
Aantal pagina’s
31
Datum
16 december 2022
Handtekening
Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.
Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com
2/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Inhoud 1
2
Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1
Aanleiding en doel onderzoek ............................................................................................ 5
1.2
Leeswijzer .......................................................................................................................... 6
Plangebied en beoogde ontwikkeling ........................................................................................ 6 2.1
Plangebied ......................................................................................................................... 6
2.2
Beoogde ontwikkeling ........................................................................................................ 7
3
Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen .............................................. 8
4
Onderzoeksmethode ................................................................................................................. 8
5
4.1
Protocollen ......................................................................................................................... 8
4.2
Eekhoorn, steenmarter en boommarter ............................................................................. 9
4.3
Vleermuizen ..................................................................................................................... 11
4.4
Jaarrond beschermde vogelsoorten ................................................................................. 13
4.5
Poelkikker ......................................................................................................................... 14
Resultaten en effectbepaling ................................................................................................... 15 5.1
5.1.1
Resultaten ................................................................................................................. 15
5.1.2
Eekhoorn ................................................................................................................... 16
5.1.3
Steenmarter .............................................................................................................. 16
5.1.4
Boommarter .............................................................................................................. 16
5.1.5
Bunzing ..................................................................................................................... 21
5.1.6
Das ............................................................................................................................ 22
5.2
6
Eekhoorn, steenmarter en boommarter ........................................................................... 15
Vleermuizen ..................................................................................................................... 22
5.2.1
Verblijfplaatsen.......................................................................................................... 22
5.2.2
Vliegroutes ................................................................................................................ 23
5.2.3
Foerageergebied ....................................................................................................... 24
5.3
Jaarrond beschermde vogelsoorten ................................................................................. 24
5.4
Poelkikker ......................................................................................................................... 26
Vervolgstappen........................................................................................................................ 26 6.1
Ontheffing Wet natuurbescherming ................................................................................. 26
6.2
Activiteitenplan ................................................................................................................. 28
3/31
Kenmerk
6.3 7
8
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Overige maatregelen ........................................................................................................ 29
Conclusie ................................................................................................................................. 29 7.1
Aanleiding ........................................................................................................................ 29
7.2
Resultaten ........................................................................................................................ 29
7.3
Conclusie ......................................................................................................................... 30
Literatuur ................................................................................................................................. 31
4/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel onderzoek
TenneT is voornemens om samen met de regionale netbeheerder Enexis het elektriciteitsnetwerk in Drenthe te versterken door de aanleg van een hoogspanningsstation. Dat is nodig om de energietransitie mogelijk te maken en het sterk stijgende aanbod van duurzame elektriciteitsproductie, zoals zonne- en windenergie mogelijk te maken. TAUW heeft in een quickscan en aanvullende notitie het voornemen getoetst aan de Wet natuurbescherming (TAUW, 2021 en 2022a). Hieruit bleek dat negatieve effecten op de volgende soorten op voorhand niet uitgesloten zijn: Eekhoorn Steenmarter
Boommarter Das Grote bosmuis
Veldspitsmuis Diverse soorten vleermuizen Algemene broedvogels
Buizerd Wespendief Havik
Sperwer Boomvalk Slechtvalk
Ransuil Poelkikker
In 2022 heeft TAUW ecologisch onderzoek uitgevoerd om de functie van het plangebied voor beschermde soorten te bepalen. Deze rapportage doet verslag van de onderzoeksresultaten en de gevolgen voor de beoogde ontwikkeling. In een eerder stadium (2021) heeft TAUW onderzoek gedaan naar grote bosmuis en veldspitsmuis (TAUW, 2022b). Tijdens dit onderzoek is grote bosmuis aangetroffen. Het onderzoek naar das wordt uitgevoerd door Das & Boom. Voor algemene broedvogels worden tijdens werkzaamheden maatregelen getroffen om aantasting van nesten te voorkomen. Deze rapportage doet geen verslag van eerder uitgevoerde onderzoeken (grote bosmuis, veldspitsmuis en das) en algemene broedvogelsoorten.
5/31
Kenmerk
1.2
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 volgt een overzicht van het plangebied en de beoogde ontwikkeling. In de navolgende hoofdstukken staan de details en de resultaten van het ecologisch onderzoek. In hoofdstuk 3 volgt eerst een samenvatting van de conclusies uit de quickscan. In hoofdstuk 4 is de onderzoeksmethode uitgewerkt, waarna in hoofdstuk 5 de resultaten van het onderzoek zijn behandeld. Aan de hand van de resultaten is een effectbeoordeling uitgevoerd. In hoofdstuk 6 ‘vervolgstappen’ is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een ontheffing nodig is en onder welke voorwaarden een ontheffing redelijkerwijs verleend kan worden. Tot slot vat hoofdstuk 7 alles in een conclusie samen.
2 Plangebied en beoogde ontwikkeling 2.1
Plangebied
Het plangebied is gelegen in het oostelijk deel van de provincie Drenthe, globaal tussen Veenoord en Emmen. Het bestaat uit agrarische landerijen die voornamelijk in gebruik zijn als weiland. Deze zijn deels gemaaid, enkele percelen hebben een uitgesteld maaibeheer. Er zijn een aantal akkerpercelen aanwezig die recent zijn geploegd en/of zijn ingezaaid. Deze agrarische landerijen zijn in het landschap afgewisseld met langgerekte bospercelen. De bospercelen kenmerken zich door de aanwezigheid van grote bomen zoals abeel, wilg, berk en esdoorn. Met name in de randen van de bospercelen is een sterk ontwikkelde struiklaag en kruidenvegetatie aanwezig. Er zijn relatief veel dode of omgevallen bomen en veel bomen hebben uitgebroken kronen of afgestorven takken. Op enkele locaties is sprake van een ruigtezoomvegetatie langs de bosrand op de overgang van bos naar weilandpercelen. Op andere locaties vormt een watergang of greppel de grens van bos naar weiland. Het plangebied wordt doorkruist door de snelweg A37. De A37 loopt vanaf knooppunt Hoogeveen via Emmen naar de grens bij Zwartemeer. In het plangebied staan in de lijn noordwest - zuidoost enkele hoogspanningsmasten. Figuur 2.1 geeft het vlekkenplan weer van het plangebied. Elke vlek staat voor een gedeelte waar werkzaamheden uitgevoerd worden.
6/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Figuur 2.1 Vlekkenplan locatie Veenoord-Boerdijk (indicatief, versie november 2021)
2.2
Beoogde ontwikkeling
TenneT en Enexis gaan gezamenlijk het nieuwe 380/110/20kV-hoogspanningsstation ‘VeenoordBoerdijk realiseren in het zuidoosten van Drenthe om overbelasting van het 110kVhoogspanningsnet in de regio te voorkomen. Overbelasting wordt voorkomen door met het nieuwe station te zorgen voor:
Een koppeling tussen het hoogspanningsnet en het extrahoogspanningsnet Nieuwe aansluitpunten voor duurzame initiatieven. Naast het station van TenneT komt een middenspanningsstation (20 kV) van de regionale netbeheerder Enexis. Het grootste deel van de duurzame initiatieven wordt aangesloten op het laag- en middenspanningsnet van Enexis. Via het middenspanningsstation komt de energie op het hoogspanningsnet (110 kV- en 380 kV), waar het verder wordt getransporteerd
Het projectgebied ligt ten noorden van de A37 bij afrit 4 en ligt nabij bedrijvenpark De Tweeling. De toekomstige stationslocatie ligt ten noordwesten van Veenoord en ten zuidwesten van Emmen, in de gemeente Emmen. De bijbehorende verbindingen komen deels in de gemeente Coevorden te liggen. Het nieuwe hoogspanningsstation wordt gerealiseerd naast de bestaande gecombineerde TenneT 380/110kV-hoogspanningsverbinding van Meeden naar Zwolle.
7/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Aangaande de ecologische toetsing wordt ervan uit gegaan dat op alle terreinen waar werkzaamheden plaatsvinden het terrein volledig ongeschikt raakt voor beschermde soorten.
3 Relevante soorten en mogelijke effecten en verbodsbepalingen In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante soort, mogelijke effecten en verbodsbepalingen. In de quickscan is op voorhand niet uitgesloten dat beschermde soorten in het plangebied voorkomen en dat negatieve effecten op beschermde soorten tot een overtreding van verbodsbepalingen leidt (TAUW, 2021). Onderstaande tabel geeft in samengevatte vorm weer waar onderzoek naar heeft plaatsgevonden en welke functies niet zijn uitgesloten. Ook is aangegeven welke verbodsbepalingen mogelijk overtreden worden. Tabel 3.1 Soort(groep)en waar onderzoek naar gedaan is en deze rapportage verslag van doet Soortgroep
Verbodsbepaling
Vervolgstappen
Grondgebonden
Mogelijk overtreding
Soortgericht onderzoek naar eekhoorn, steenmarter en boommarter
zoogdieren
artikel 3.10
(verblijfplaatsen/leefgebied)
Vleermuizen
Mogelijk overtreding
Soortgericht onderzoek naar verblijfplaatsen in bomen (ruige
artikel 3.5
dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, baardvleermuis, franjestaart en watervleermuis), foerageergebied en vliegroutes (alle soorten die in de omgeving voorkomen)
Vogels jaarrond
Mogelijk overtreding
Soortgericht onderzoek naar nestlocaties en bijbehorende
beschermd
artikel 3.1
functionele leefomgeving van buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk, ransuil
Amfibieën
Mogelijk overtreding
Soortgericht onderzoek naar poelkikker (voortplantingswater en
artikel 3.5
winterhabitat)
4 Onderzoeksmethode In dit hoofdstuk is de methode van het uitgevoerde onderzoek per verwachte soort beschreven.
4.1
Protocollen
Het veldwerk voor het ecologisch soortonderzoek is uitgevoerd volgens de meest recente versies van algemeen geaccepteerde onderzoeksprotocollen. In sommige gevallen betreft dit de kennisdocumenten van BIJ12 of de soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus. Indien voor een soort geen onderzoeksprotocol aanwezig is, is het onderzoek afgestemd op basis van trefkans.
8/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
In deze gevallen is een nadere toelichting gegeven over de gehanteerde onderzoeksopzet. In de volgende paragrafen is per soort(groep) de methode van het onderzoek beschreven.
4.2
Eekhoorn, steenmarter en boommarter
Het onderzoek met cameravallen naar eekhoorn, steenmarter en boommarter is gecombineerd uitgevoerd. Het onderzoek vond plaats in de lente van 2022. Er is geen landelijk of provinciaal onderzoeksprotocol hoe deze soorten onderzocht moeten worden. De onderzoeksinspanning is daarom op basis van expert judgement bepaald. Er zijn in totaal tien cameravallen ingezet in de bosschages waar kap van bomen plaatsvindt en de directe omgeving daarvan (zie figuur 4.1). Door de hele bosschages zijn boomholtes aanwezig waar boommarter mogelijk kan verblijven. In het gebied waar gekapt gaat worden zijn verblijfplaatsen van eekhoorn, steenmarter en boommarter niet uitgesloten. Wanneer er voor de cameraval beweging wordt gedetecteerd worden foto’s gemaakt die op een later moment zijn beoordeeld. Voor de cameravallen zijn doorboorde blikjes sardientjes opgehangen, kattenbrokken uitgestrooid en is pindakaas uitgesmeerd op objecten. Hierdoor wordt eekhoorn, steenmarter en boommarter naar de cameraval toe gelokt, zodat de waarnemingskans groter is. De camera’s hebben zes weken in het plangebied gestaan om activiteit van eekhoorn, steenmarter en boommarter vast te leggen. De camera’s zijn geplaatst op 1 en 8 april 2022. Tijdens het plaatsen is rekening gehouden met een goede spreiding over het plangebied én kansrijke locaties voor deze soorten.
In figuur 4.1 zijn de locaties van de cameravallen op kaart weergegeven. Na drie á vier weken (combinatie van tijdsduur omdat een gedeelte van de camera’s één week later is geplaatst) heeft een controleronde plaatsgevonden om de camera te controleren, SD-kaarten uit te lezen, nieuw lokvoer aan te brengen en batterijen te vervangen. De controleronde vond plaats op 28 april 2022. Op 20 mei 2022 zijn de cameravallen weer verwijderd uit het plangebied. Door bovenstaande werkwijze is een goed beeld ontstaan van de functies voor eekhoorn, steenmarter en boommarter in het plangebied. In tabel 4.1 zijn gedetailleerde onderzoeksgegevens uitgewerkt.
9/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Tabel 4.1 Plaatsingsgegevens van de verschillende cameravallen die in figuur 4.1 op kaart zijn weergegeven Camera
Kijkrichting
Locaties
59
Noord
Oostelijke bosschage, oostgrens
58
Noord
Oostelijke bosschage, middengedeelte
60
Noordoost
Oostelijke bosschage, zuidgrens nabij wildtunnel
51
Noordwest
Noordelijke uitloper van westelijke bosschage, westgrens ten noorden van hoogspanningsleidingen
57
Noordwest
Noordelijke uitloper van westelijke bosschage, middengedeelte ten noorden van hoogspanningsleidingen
49
Noordwest
Noordelijke uitloper van westelijke bosschage, middengedeelte ten zuiden van
50
West
Bosschage parallel aan snelweg, oostkant
52
Noord
Bosschage parallel aan snelweg, middengedeelte
55
Noordoost
Bosschage parallel aan snelweg, westkant
53
Noord
Bosschage ten zuiden van de snelweg
hoogspanningsleidingen
Figuur 4.1 Locaties van cameravallen in het plangebied
10/31
Kenmerk
4.3
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Vleermuizen
Het vleermuizenonderzoek is uitgevoerd conform het Vleermuizenprotocol 2021 van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2021). Dit is gedaan met behulp van een batdetector. Een batdetector is een apparaat dat ultrasone geluiden, die een vleermuis maakt, omzet in voor de mens hoorbare tikkende geluiden. Aan de hand van het ritme en de frequentie kan worden bepaald om welke vleermuissoort het gaat. Voor het determineren van soorten wordt daarnaast gebruik gemaakt van opnameapparatuur en de speciale software voor het analyseren van vleermuisopnames. Om verblijfplaatsen in bomen, vliegroutes en foerageergebied in kaart te brengen hebben ervaren ecologen door het plangebied gelopen en gepost. Bij het rondlopen is gekeken naar vleermuisactiviteit en vleermuisgedrag. Onder een ervaren ecoloog wordt verstaan iemand die langdurige ervaring heeft met vleermuisinventarisaties. De locaties die onderzocht zijn betreffen locaties die gekapt gaan worden, met een bufferzone van 20 meter. De bufferzone is gehanteerd om ook indirecte effecten te kunnen toetsen. In figuur 4.2 is weergegeven waar de ecologen (bij benadering) zijn opgesteld. In figuur 4.3 is weergegeven welke locaties zijn onderzocht.
Figuur 4.2 Globale verdeling van ecologen tijdens het onderzoek naar vleermuizen
11/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Figuur 4.3 Locaties die onderzocht zijn op vleermuizen met een bufferzone van 20 meter
In totaal zijn vier veldbezoeken uitgevoerd in de periode mei tot en met september. Meerdere bezoeken zijn nodig omdat vleermuizen gebruik maken van een netwerk van verblijfplaatsen met bijbehorende foerageergebieden en routes tussen deze plekken. Door de bezoeken te spreiden wordt een beter beeld verkregen van de aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied en hiermee van de betekenis van het plangebied voor vleermuizen. In tabel 4.2 zijn de data en weersomstandigheden van de veldbezoeken weergegeven. Het veldwerk is sterk weersafhankelijk en is alleen bij gunstige weersomstandigheden uitgevoerd. Dit houdt voor vleermuizen in dat er geen of weinig neerslag is en niet te veel wind. Tijdens de voorjaarsbezoeken zijn meer ecologen ingezet dan in het najaar. Dit omdat in het najaar vleermuizen langdurig baltsen of zwermen bij verblijfplaatsen en de kans op waarnemen groter is dan het voorjaar. Daarnaast zijn de bezoeken vanwege de omvang van de bosschages verlengt, waardoor langer onderzoek is gedaan dan het Vleermuisprotocol 2021 vereist. Om deze redenen zijn beschermde functies van vleermuizen in het najaar, ondanks het lagere aantal onderzoekers, voldoende onderzocht.
12/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Tabel 4.2 Data, focus/doel en weersomstandigheden per veldbezoek Datum en tijd
Focus/doel
Weersomstandigheden
Vaststellen van verblijfplaatsen in bomen
Droog, 11 C°, NW1 Bft en half bewolkt (10-80%)
08 juli 2022,
Vaststellen van verblijfplaatsen in bomen,
Droog, 15 C°, W2 Bft en half bewolkt (10-80%)
02:10 – 05:25
foerageergebied en vliegroutes
17 augustus 2022,
Vaststellen van verblijfplaatsen in bomen,
20:55 – 00:55
foerageergebied en vliegroutes
12 september 2022,
Vaststellen van verblijfplaatsen in bomen
bezoek 01 juni 2022, 21:45 – 00:20
Droog, 18 C°, N0 Bft en bewolkt (>80%)
Droog, 18 C°, Z0 Bft en onbewolkt (<10%)
22:00 – 01:00
4.4
Jaarrond beschermde vogelsoorten
Het onderzoek naar jaarrond beschermde soorten is gericht op het vaststellen van nestlocaties en de bijbehorende functionele leefomgeving van buizerd, wespendief, havik, sperwer, boomvalk, slechtvalk en ransuil. Voor buizerd is er een kennisdocument beschikbaar, waarop de onderzoeksmethode gebaseerd is (BIJ12, 2017a). Omdat het plangebied een groot gedeelte bos betreft, is de onderzoeksmethode uitgebreid met extra bezoeken. De onderzoeksmethode voor buizerd is ook geschikt voor havik, sperwer en slechtvalk, omdat deze soorten in dezelfde periode tot broeden overgaan. Wespendief en boomvalk arriveren pas laat in het voorjaar terug uit Afrika, waardoor de onderzoeksinspanning is uitgebreid met bezoeken in het late voorjaar en de zomerperiode. Voor ransuil is er eveneens geen kennisdocument beschikbaar. Het onderzoek is daarom dermate afgestemd op de periode dat ransuil goed te inventariseren is. Dat is de periode vanaf de tweede helft van februari tot halverwege april. In die periode wordt het territorium afgebakend en worden vrouwtjes met zang gelokt. Door ’s avonds met gunstige weersomstandigheden (weinig wind en geen vorst) te inventariseren kan ransuil goed geïnventariseerd worden. Door drie bezoeken te spreiden in bovengenoemde periode ontstaat een goed beeld of er nestlocaties van ransuil aanwezig zijn in het plangebied.
Tijdens het onderzoek is speciaal aandacht besteed aan nestlocaties die geschikt zijn voor ransuil om op te nestelen (oude middelgrote tot grote nesten van andere soorten zoals bijvoorbeeld zwarte kraai). Dergelijke nesten zijn in de winterperiode reeds geïnventariseerd (TAUW, 2022a). Vanwege de grootte van het plangebied is het onderzoek naar ransuil door twee ecologen uitgevoerd. Het onderzoek naar roofvogels is uitgevoerd door één ecoloog. In onderstaande tabel zijn de bezoekgegevens en weersomstandigheden vermeldt.
13/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Tabel 4.3 Data en weersomstandigheden van het onderzoek naar jaarrond beschermde vogelsoorten Datum
Tijd
Focus
Weersomstandigheden
10 maart 2022
18:30 – 20:45
Ransuil
Droog, onbewolkt (<10%), 7 °C, ZO1 Beaufort
30 maart 2022
20:00 – 22:05
Ransuil
Droog, bewolkt (>80%), 6 °C, NO2 Beaufort
29 maart 2022
08:15 – 12:15
Roofvogels
Droog, bewolkt (80%), 7 °C, N2 Beaufort
15 april 2022
20:30 – 22:30
Ransuil
Droog, bewolkt (80%), 10 °C, ZW1 Beaufort
16 april 2022
12:00 – 16:00
Roofvogels
Droog, half bewolkt (10 – 80%), 14 °C, ZW3 Beaufort
28 april 2022
12:30 – 16:00
Roofvogels
Droog, bewolkt (>80%), 14 °C, NO2 Beaufort
12 mei 2022
08:00 – 15:00
Roofvogels
Droog, half bewolkt (10 – 80%), 13 °C, ZW3 Beaufort
12 juni 2022
10:00 – 13:00
Roofvogels
Droog, half bewolkt (10 – 80%), 18 °C, ZW3 Beaufort
16 juli 2022
13:30 – 16:30
Roofvogels
Droog, onbewolkt (<10%), 20 °C, NW3 Beaufort
14 augustus 2022
06:15 – 08:45
Roofvogels
Droog, onbewolkt (10%), 19 C, O1 Beaufort
4.5
Poelkikker
Het onderzoek naar poelkikker is gericht op het vaststellen van voortplantingswater. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de richtlijnen zoals benoemd in het kennisdocument (BIJ12, 2017b). Indien voortplantingswater aanwezig is kan ook een uitspraak gedaan worden of winterhabitat aanwezig is. Aanwezigheid van winterhabitat is niet met een onderzoeksmethode aan te tonen en vindt plaats door expert judgement toe te passen. Om voortplantingswater van poelkikker aan te tonen heeft een inventarisatie op kooractiviteit plaatsgevonden. Er is zowel overdag als ’s avonds geïnventariseerd. Poelkikkers zijn op beide momenten actief en kunnen op beide momenten roepen. Er zijn twee bezoeken uitgevoerd om af- of aanwezigheid van poelkikker aan te tonen. Naast inventarisatie op gehoor is er ook fysiek gevangen met een schepnet. Hierdoor wordt meer zekerheid verkregen of poelkikker in het plangebied aanwezig is. Op één perceel (tussen de twee bosschages in ten noorden van de snelweg) was geen terreintoestemming. Daarom is langs deze sloten alleen geluisterd vanuit de bosschages. Vanaf deze locaties konden de gebieden die niet betreden mochten worden goed geïnventariseerd worden op gehoor. Aanvullend zijn enkele sloten in de omgeving van het plangebied onderzocht. Hierdoor geven de onderzoeksresultaten een representatief beeld van het voorkomen van poelkikker.
In tabel 4.4 geeft de bezoekgegevens weer. Tabel 4.4 Data en weersomstandigheden van het onderzoek naar poelkikker Datum
Tijd
Weersomstandigheden
Focus
1 juni 2022
19:45 – 21:45
Droog, half bewolkt (10 – 80%), 13 °C, NW2 Beaufort
Luisteren en scheppen
30 juni 2022
11:30 – 15:00
Droog, onbewolkt (<10%), 27 °C, Z1 Beaufort
Luisteren en scheppen
14/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
5 Resultaten en effectbepaling In dit hoofdstuk zijn de resultaten van het uitgevoerde onderzoek uitgewerkt. Tevens is bepaald wat de effecten van de beoogde ontwikkeling zijn op de aangetroffen soorten en functies en of/welke verbodsbepalingen (mogelijk) worden overtreden.
5.1
Eekhoorn, steenmarter en boommarter
5.1.1 Resultaten Uit het onderzoek met cameravallen blijkt dat gedurende de hele onderzoeksperiode beeldregistraties van marterachtigen zijn gemaakt. Een overzicht van de waarnemingen staan weergegeven in tabel 5.1. In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de resultaten en wordt een interpretatie gedaan van de beschermde functies die (mogelijk) aanwezig zijn in het plangebied. Tabel 5.1 Beeldregistraties van marterachtigen in het plangebied Cam
Datum
Soort
Aantal
Gedrag
60
3-04-22 4:07
Martes spec.
1
Ter plaatse
60
6-04-22 4:50
Steenmarter
1
Klimt in boom naast tonijnblik
51
6-04-22 23:56
Martes spec.
1
Ter plaatse
60
10-04-22 22:05
Das
1
Ruikt aan blik en keert terug naar waar die
49
11-04-22 5:22
Steenmarter
1
Verplaatst door beeld
49
13-04-22 1:11
Steenmarter
1
Verplaatst door beeld
49
13-04-22 1:11
Steenmarter
1
Scharrelt rond en ruikt bij blik
60
15-04-22 1:16
Das
1
Ruikt aan blik en keert terug naar waar die
60
18-04-22 5:19
Bunzing
1
Loopt richting lokblik
49
22-04-22 22:42
Steenmarter
1
Scharrelt rond en ruikt bij blik
53
24-04-22 23:02
Steenmarter
1
Loopt richting noord
51
29-04-22 1:40
Bunzing
1
Snuffelt rond voor de camera en loopt daarna
59
8-05-22 22:31
Bunzing
1
Ter plaatse
55
9-05-22 0:00
Boommarter
1
Komt af op lokblik
53
9-05-22 1:34
Das
1
Loopt in zuidelijke richting
58
9-05-22 6:02
Boommarter
1
Komt af op lokblik
49
9-05-22 6:46
Boommarter
1
Klimt in boom naast camera
59
9-05-22 22:32
Boommarter
1
Markeert, loopt richting camera
59
10-05-22 23:48
Bunzing
1
Ter plaatse
59
12-05-22 23:34
Bunzing
1
Ter plaatse
50
14-05-22 4:47
Boommarter
1
Snuffelt rond voor de camera
57
15-05-22 1:33
Boommarter
1
Komt af op lokblik
vandaan kwam
vandaan kwam
richting noord
15/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Cam
Datum
Soort
Aantal
Gedrag
58
15-05-22 23:12
Das
1
Snuffelt rond voor de camera
51
19-05-22 3:57
Boommarter
1
Observeert blik
5.1.2 Eekhoorn Tijdens het onderzoek met cameravallen is geen eekhoorn waargenomen. In combinatie met het ontbreken van bladernesten van eekhoorn (TAUW, 2022a) is het voorkomen van eekhoorn in het plangebied uitgesloten. Tijdens de uitvoering van de beoogde ontwikkeling worden aangaande eekhoorn geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Nadere vervolgstappen betreffende eekhoorn zijn niet nodig. 5.1.3
Steenmarter
Steenmarter is zes keer vastgelegd op de cameravallen. Als een verblijfplaats van steenmarter in het plangebied aanwezig is zou de soort veel vaker op de cameravallen moeten zijn verschenen. Aanwezigheid van verblijfplaatsen in het plangebied is dan ook uitgesloten. Mogelijk dat buiten het plangebied in bosschages of op agrarische erven wel verblijfplaatsen aanwezig zijn. Deze locaties bevinden zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden, waardoor een negatief effect op verblijfplaatsen van steenmarter is uitgesloten. Het gedeelte waar in de bosschages werkzaamheden plaatsvinden wordt dan ook alleen gebruikt als foerageergebied. Dit foerageergebied is niet essentieel, in de zin dat deze niet noodzakelijk is om een voortplantingslocatie of vaste rustlocatie van steenmarter te laten functioneren. In de omgeving blijft voldoende vergelijkbaar habitat beschikbaar, waardoor te allen tijde voldoende voedsel verkregen kan worden. Er zijn bijvoorbeeld in de directe omgeving veel landerijen en bosschages aanwezig. Tijdens de uitvoering van de beoogde ontwikkeling worden aangaande steenmarter geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Nadere vervolgstappen betreffende steenmarter zijn niet nodig. 5.1.4 Boommarter Boommarter is zeven keer vastgelegd op verschillende cameravallen. Figuur 5.1 geeft een boommarter in het plangebied weer.
Figuur 5.2 geeft op kaart weer waar boommarter is geregistreerd op cameravallen. Hoewel het aantal waarnemingen gering is, geven deze resultaten weer dat er een vaste verblijfplaats aanwezig moet zijn in het plangebied of de directe omgeving daarvan. Boommarter verplaatst zich namelijk veelvuldig via boomkruinen, waardoor waarnemingen op de grond minder frequent gedaan worden. In dat perspectief is het aantal boommarterregistraties aan de hoge kant.
16/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Figuur 5.1 Boommarter in het plangebied
Figuur 5.2 Registraties van boommarter door cameravallen in het plangebied. Elk kruis staat voor één registratie
17/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
De exacte locatie van de verblijfplaats(en) kan niet achterhaald worden met de verkregen resultaten. Daarom heeft in november 2022 additioneel spooronderzoek naar boommarter plaatsgevonden. Op 21 en 22 november 2022 heeft een ter zake kundig ecoloog alle bosschages ten noorden van de snelweg A37 onderzocht op sporen van boommarter. Hier vinden grootschalige kapwerkzaamheden plaats. Het gebied ten zuiden van de snelweg is niet onderzocht, omdat de bosschage daar behouden blijft en daar ook geen boommarter op cameravallen is geregistreerd. Tijdens het spooronderzoek is gelet op uitwerpselen van boommarter. Boommarter plaatst uitwerpselen op markante plekken zoals dikke zijtakken van een boom, omgevallen bomen of op kruisingen van boswegen (van Diepenbeek, 2019). De bosschages zijn systematisch afgelopen en daarbij is specifiek gelet op plekken waar boommarter uitwerpselen kan achterlaten. Op twee locaties zijn mogelijke uitwerpselen van boommarter aangetroffen. De eerste vondst betrof een drietal uitwerpselen op een geknakte boom. De uitwerpselen waren verschillend van vorm. Eentje was stevig en grijs, met botresten er in, de tweede was een restant van dierlijk materiaal en de derde was rood gekleurd wat wijst op een dieet met veel vruchten (zie figuur 5.3). Gelet op de locatie en het uiterlijk van de uitwerpselen is het aannemelijk dat deze sporen van boommarter zijn.
De tweede vondst is gedaan op een tak die op de grond lag. Het betrof één oude markering die restanten van vruchten bevatte (zie figuur 5.4). Uitwerpselen van boommarter zijn lastig te onderscheiden van steenmarter, bunzing en vos als die op de grond gevonden worden (Van Diepenbeek, 2019). Hoewel andere soorten niet met zekerheid kunnen worden uitgesloten is er een redelijke kans dat deze markering ook van boommarter is. Steenmarter, bunzing en vos zijn ook aangetroffen op de cameravallen, maar zijn minder vaak geregistreerd. Naast uitwerpselen is in een boomvork van een oude wilg op ooghoogte een dode muis aangetroffen. Het betrof een spitsmuis, die niet aangevreten was (zie figuur 5.5). Het is algemeen bekend dat spitsmuizen niet smakelijk zijn. Zo doden katten bijvoorbeeld wel spitsmuizen, maar eten deze vervolgens niet op. Uilen eten wel spitsmuizen, gezien restanten van spitsmuizen wel eens in braakballen aangetroffen worden. Gelet op de locatie die typisch is voor boommarter, katten slechts incidenteel voorkomen in de bosschage en dat uilen wel spitsmuizen eten, wordt aangenomen dat dit een prooi van boommarter betreft. De spitsmuis is vermoedelijk blijven liggen in de boomvork omdat deze voor boommarter niet smakelijk is. In figuur 5.6 zijn de locaties van de vondsten op kaart weergegeven.
Daarop is te zien dat twee vondsten buiten te kappen bosschages vallen en één vondst binnen de te kappen bosschages. De vondsten zijn dusdanig verspreid over het plangebied gedaan dat er geen conclusies getrokken kunnen worden waar de verblijfplaats van boommarter aanwezig is. Er zijn ook geen clusters van uitwerpselen en/of uitwerpselen op een zijtak van een boom gevonden die op een specifieke verblijfplaats wijzen.
18/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Er dient aangenomen te worden dat de verblijfplaats van boommarter binnen de te kappen bosschages aanwezig is (worst-case scenario). Dit betekent dat voortplantingslocaties en/of vaste rustplaatsen vernietigd worden (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub b). Door het nemen van maatregelen dient voorkomen te worden dat individuen gedood worden (verbodsbepaling Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a). Voor het vernietigen van voorplantingslocaties en/of vaste rustplaatsen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
Figuur 5.3 Uitwerpselen van vermoedelijk boommarter op een liggende boom. Rechts is te zien dat er drie uitwerpselen op de boom liggen
19/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Figuur 5.4 Restanten van uitwerpselen, mogelijk van boommarter
Figuur 5.5 Een dode spitsmuis in een boomvork op ooghoogte
20/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Figuur 5.6 Locaties van de aangetroffen sporen op kaart weergegeven
5.1.5
Bunzing
Bunzing is onder de beleidsregels van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) vrijgesteld bij het uitvoeren van een ruimtelijke ontwikkeling. Omdat veel provincies onlangs of in de nabije toekomst het beleid hebben gewijzigd of gaan wijzigen, is bunzing onder diverse provinciale beleidsregels niet meer vrijgesteld. Het valt niet uit te sluiten dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland deze lijn ook gaat volgen in de toekomst. Daarom wordt bunzing ook in deze rapportage toegelicht. Bunzing is vijf keer waargenomen op cameravallen. Deze waarnemingen zijn verspreid gedaan over drieënhalve week binnen de onderzoeksperiode. Gelet op het verspreide karakter van deze waarnemingen, het gebied geschikt wordt geacht én dat deze zijn gedaan binnen de voortplantingsperiode van bunzing, kan gesteld worden dat vaste verblijfplaatsen van bunzing aanwezig zijn in het plangebied. Op dit moment (met de huidige beleidsregels van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland) worden geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Indien de beleidsregels niet wijzigen zijn aangaande bunzing geen vervolgstappen nodig. Wel is de zorgplicht van toepassing die het doden van individuen voorkomt (zie hoofdstuk 6).
21/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Mochten de beleidsregels in de toekomst, vóór de uitvoering van werkzaamheden wijzigen met een striktere bescherming van bunzing tot gevolg, dan is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. In dat geval moet uitgegaan worden dat verblijfplaatsen van bunzing worden aangetast (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub b). Ook dienen dan maatregelen getroffen te worden om het doden van bunzing te voorkomen (Wet natuurbescherming, artikel 3.10, lid 1, sub a). In het geval dat beleidsregels wijzigen dient voor het vernietigen van verblijfplaatsen van bunzing is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. 5.1.6
Das
Das is op de cameravallen vier keer vastgelegd. Het voorkomen van das en bijbehorende beschermde functies is reeds bekend. Omdat een derde partij onderzoek doet naar das wordt in deze rapportage niet verder ingegaan op das.
5.2
Vleermuizen
5.2.1 Verblijfplaatsen Tijdens de voorjaarsbezoeken (twee bezoeken) zijn geen verblijfplaatsen aangetroffen in het plangebied. Tijdens het eerste (avond)bezoek zijn pas later op de avond waarnemingen gedaan van vleermuizen die ten zuiden van de snelweg het plangebied introkken. Tijdens het tweede (ochtend)bezoek was er min of meer hetzelfde beeld, vanaf een uur voor zonsopkomst was er geen vleermuis meer aanwezig in de bosschages. De waargenomen soorten tijdens de eerste twee bezoeken betreffen gewone dwergvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. Tijdens de najaarsbezoeken zijn enkele verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis vastgesteld. Er zijn vijf paarterritoria van gewone dwergvleermuis (waarvan één buiten de invloedsfeer van werkzaamheden) en twee paarterritoria van gewone grootoorvleermuis aangetroffen. De paarterritoria zijn vastgesteld doordat er langdurig gebaltst werd. De gewone grootoorvleermuis was niet langdurig aan het baltsen, maar deze soort laat zich slecht detecteren en kan daardoor makkelijk gemist worden. Omdat baltsactiviteit in de lucht van vleermuizen wijst op een paarverblijfplaats binnen het paarterritorium, wordt ervan uitgegaan dat per paarterritorium één paarverblijfplaats aanwezig is.
De exacte paarverblijfplaats is niet gelokaliseerd, omdat tijdens de bezoeken de vleermuizen niet naar de paarverblijfplaats vlogen. In figuur 5.7 zijn de paarterritoria van vleermuizen op kaart weergegeven. Deze bevinden zich op één na allemaal binnen het te kappen deel van de bosschage of de directe invloedsfeer van de werkzaamheden. Op de verblijfplaats buiten de invloedsfeer van werkzaamheden na worden deze verblijfplaatsen bij uitvoering van de werkzaamheden als verloren beschouwd. Dit betekend dat vleermuizen gestoord worden en verblijfplaatsen beschadigd en vernietigd (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.5, lid 2 en 4).
22/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Door het nemen van maatregelen dient voorkomen te worden dat individuen gedood worden (verbodsbepaling Wet natuurbescherming, artikel 3.5, lid 1). Voor het storen van vleermuizen en het beschadigen en vernietigen van verblijfplaatsen is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.
Figuur 5.7 Verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied
5.2.2 Vliegroutes In het plangebied is één vliegroute aangetroffen die ten zuiden van de snelweg begint, de smalle bosschage naar het noorden volgt, vervolgens de snelweg (zonder geleiding) oversteekt en eindigt in de bosschages ten noorden van het plangebied. De vliegroute werd gebruikt door gewone dwergvleermuis en laatvlieger. In tabel 5.2 is weergegeven welke vleermuizen en aantallen van de vliegroute gebruik maken en tijdens welk bezoek de waarnemingen zijn gedaan. In de bosschages ten noorden van het plangebied is geen vliegroute aangetroffen langs geleidende elementen (zoals bosranden). De daar aangetroffen vleermuizen waren alleen aan het foerageren onder en tussen de boomkruinen. Ten zuiden van de snelweg, waar de vliegroute de snelweg passeert, worden geen bomen gekapt. Hierdoor verliest de vliegroute aldaar zijn functionaliteit niet. Bij overige delen van bosschages waar gekapt wordt ligt geen vliegroute.
23/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Tijdens de uitvoering van de beoogde ontwikkeling worden aangaande vliegroutes van vleermuizen geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Nadere vervolgstappen betreffende vliegroutes van vleermuizen zijn niet nodig. Tabel 5.2 Details van de onderzoeksresultaten naar de vliegroute die over de snelweg loopt Bezoek
Vliegroute in gebruik door
Richting
1
13 Gewone dwergvleermuis
Van zuid naar noord (avondbezoek)
5 Laatvlieger 2
3 Gewone dwergvleermuis
Van noord naar zuid (ochtendbezoek)
3
5 Gewone dwergvleermuis
Van zuid naar noord (avondbezoek)
3 Laatvlieger 4
4 Gewone dwergvleermuis
Van zuid naar noord (avondbezoek)
5.2.3 Foerageergebied In het plangebied zijn gedurende de nacht enkele foeragerende soorten vleermuizen aangetroffen zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, ruige dwergvleermuis, baard-/brandts vleermuis en watervleermuis. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger waren het meest talrijk aanwezig met respectievelijk maximaal 20 individuen en 10 individuen verspreid over het hele plangebied. Van de overige soorten zijn slechts maximaal twee individuen waargenomen. Gelet op de oppervlakte van de bosschage en de relatief lage aantallen vleermuizen is er geen essentieel foerageergebied aanwezig. De werkzaamheden leiden er ook niet toe dat het gehele foerageergebied verdwijnt. Het overgrote deel van de bosschage blijft beschikbaar en ook ten zuiden van de snelweg buiten het plangebied is geschikt en vergelijkbaar foerageergebied aanwezig. Wel dient men rekening te houden met indirecte effecten, zoals verstoring door uitstralende verlichting. Uitstralende verlichting dient voorkomen te worden richting de bosschages. Tijdens de uitvoering van de beoogde ontwikkeling worden aangaande foerageergebied van vleermuizen geen verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden. Indien uitstralende verlichting richting de bosschages wordt voorkomen zijn nadere vervolgstappen betreffende foerageergebied van vleermuizen zijn niet nodig.
5.3
Jaarrond beschermde vogelsoorten
Tijdens het onderzoek zijn geen beschermde functies van wespendief, havik, sperwer en ransuil aangetroffen. Wel is buizerd, boomvalk en slechtvalk aangetroffen. Van buizerd is één nest met één jong aangetroffen in de bosschage die parallel loopt ten noorden van de snelweg. Een paartje boomvalk heeft een broedpoging gedaan in een hoogspanningsmast, maar is na een korte periode (halverwege mei tot en met begin juni) verjaagd door zwarte kraaien.
24/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Omdat tijdens het veldbezoek van de QuickScan (TAUW, 2021) ook boomvalken aanwezig waren wordt ervan uitgegaan dat het paartje jaarlijks terugkeert naar deze locatie en er dus een jaarrond beschermd nest aanwezig is. In de noordoostelijke hoek van het plangebied heeft slechtvalk twee jongen grootgebracht. In figuur 5.8 zijn de locaties van de beschermde nesten weergegeven. De werkzaamheden leiden ertoe dat er nesten in hoogspanningsmasten (boomvalk en slechtvalk) vernietigd worden. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 2 (vernietiging) en 4 (opzettelijk storen). Er dienen maatregelen getroffen te worden om het doden van individuen (verbodsbepaling Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 1) te voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. Als dit niet mogelijk is dienen de nesten buiten het broedseizoen onder een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden verwijderd. Het nest van buizerd blijft fysiek behouden, echter kan indirecte aantasting plaatsvinden doordat werkzaamheden binnen de verstoringsafstand van 75 meter plaatsvinden (BIJ12, 2017 en zie figuur 1.1). Deze verstoringsafstand geldt alleen de werkzaamheden binnen het broedseizoen (maart – augustus) en de vestigingsfase (vanaf februari) van buizerd worden uitgevoerd.
Wanneer het werken niet binnen het broedseizoen kan worden uitgesloten is een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. Het is dan nodig het buizerdnest voorafgaand aan de werkzaamheden te verwijderen. Voor buizerd gelden dezelfde verbodsbepalingen als voor boomvalk en slechtvalk (overtreding Wet natuurbescherming, artikel 3.1, lid 2 en 4).
Figuur 5.8 Jaarrond beschermde nesten van buizerd, boomvalk en slechtvalk in het plangebied
25/31
Kenmerk
5.4
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Poelkikker
Tijdens het onderzoek naar poelkikker zijn geen poelkikkers waargenomen. In de watergangen in en om het plangebied zijn alleen bastaardkikkers waargenomen. De dichtheden van bastaardkikker was zeer laag. Tijdens het eerste veldbezoek zijn slechts enkele individuen van bastaardkikker waargenomen. Tijdens het tweede veldbezoek zijn circa 30 individuen waargenomen. Hoewel de watergangen in en om het plangebied op het oog geschikt lijken voor amfibieën, zijn er gelet op de vele watergangen relatief weinig bastaardkikkers aangetroffen. Dit geeft aan dat zelfs voor de minder kritische bastaardkikker (ten opzichte van poelkikker) het plangebied minder geschikt is en de waterkwaliteit naar verwachting ontoereikend is om als voortplantingswater te dienen. De afwezigheid van waarnemingen van poelkikker bevestigt dit. Omdat er geen voortplantingswater van poelkikker is aangetroffen in en om het plangebied, is het voorkomen van winterhabitat met verblijfplaatsen van poelkikker uitgesloten. Gelet op de afwezigheid van poelkikker in het plangebied worden bij de uitvoering van de beoogde ontwikkeling aangaande poelkikker geen verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming overtreden. Nadere vervolgstappen betreffende poelkikker zijn niet nodig.
6 Vervolgstappen In dit hoofdstuk is aangegeven of mitigerende maatregelen van toepassing zijn, of een ontheffing nodig is en onder welke voorwaarden een eventuele ontheffing redelijkerwijs verleend kan worden.
6.1
Ontheffing Wet natuurbescherming
Door de beoogde ontwikkeling gaan beschermde functies van boommarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis verloren. Indien werkzaamheden niet buiten de vestigingsfase en het broedseizoen van buizerd worden uitgevoerd gaat ook van buizerd een beschermde functie verloren. In andere rapportages is grote bosmuis en das behandeld. Ook van die soorten gaan beschermde functies verloren. Hierdoor is de beoogde ontwikkeling in strijd met de Wet natuurbescherming. Er dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden bij het bevoegd gezag. Voor deze beoogde ontwikkeling is de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland het bevoegd gezag. De ontheffingsaanvraag moet ingediend worden voor de te overtreden verbodsbepalingen.
26/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Een ontheffing kan alleen worden verkregen als:
Het belang van het voornemen een overtreding rechtvaardigt De staat van instandhouding niet verslechterd Uit een alternatievenafweging blijkt dat er ten aanzien van bijvoorbeeld de locatie, planning, inrichting en ontwerp en werkwijze geen reële opties zijn die gunstiger uitpakken voor benadeelde soorten
Buizerd, boomvalk en slechtvalk zijn beschermd via artikel 3.1. Een ontheffing kan redelijkerwijs worden verkregen als kan worden onderbouwd dat het voornemen minstens één van de volgende belangen dient:
Volksgezondheid of openbare veiligheid Veiligheid van luchtverkeer Ter voorkomen van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren
Bescherming van flora- en fauna Onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor daarmee samenhangende teelt
Om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan
Gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis zijn beschermd via artikel 3.5. Een ontheffing kan redelijkerwijs worden verkregen als kan worden onderbouwd dat het voornemen minstens één van de volgende belangen dient: Volksgezondheid of de openbare veiligheid Andere dwingende redenen van groot openbaar belang
Ter voorkomen van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of andere vormen van eigendom Bescherming van flora- en fauna of voor de instandhouding van natuurlijke habitats; Onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt aantal - bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld - van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt aantal - bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld - van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben
Boommarter (en grote bosmuis en das) zijn beschermd via artikel 3.10. Bij het schrappen van de vrijstelling van bunzing door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland kan ook voor deze soort in de toekomst een ontheffing van artikel 310 nodig zijn. Een ontheffing kan redelijkerwijs worden verkregen als kan worden onderbouwd dat het voornemen minstens één van de volgende belangen dient:
Volksgezondheid of de openbare veiligheid Andere dwingende redenen van groot openbaar belang
27/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Ter voorkomen van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren of andere vormen
van eigendom Bescherming van flora- en fauna of voor de instandhouding van natuurlijke habitats Onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie
Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt aantal - bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld - van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt aantal - bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld - van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben Om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt aantal - bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld - van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt aantal - bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld - van
bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben Ruimtelijke inrichting Voorkoming van schade of overlast, met in begrip van schade aan sportvelden,
schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen Schade of overlast van dieren door veroorzaakte schade of door draagkracht van het gebied Onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren
Bestendig beheer of onderhoud Algemeen belang Bestendig gebruik
Indien aan een van deze wettelijke belangen voldaan kan worden, er geen alternatieven zijn die gunstiger uitpakken voor de aanwezige soorten en er geen achteruitgang van de staat van instandhouding optreedt is een ontheffing redelijkerwijs verleenbaar.
6.2
Activiteitenplan
Voor de aanwezige beschermde soorten waar negatieve effecten kunnen optreden dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Om een ontheffing aan te vragen moet een activiteitenplan opgesteld worden. In het activiteitenplan moet ingegaan worden op de volgende onderdelen: De beoogde ontwikkeling en de planning hiervan De aanwezige soorten, de beschermde ecologische functies en hoe die zijn onderzocht
De te overtreden verbodsbepalingen De mitigerende en compenserende maatregelen Het wettelijk belang van de ontwikkeling
De staat van instandhouding van de soort Een alternatievenafweging
Als het bevoegd gezag akkoord gaat met de alternatievenafweging, het wettelijk belang en de maatregelen die getroffen worden om negatieve effecten te verzachten of te voorkomen, verleent deze een ontheffing. In dat geval zijn er vaak in de verleende ontheffing voorwaarden beschreven.
28/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Meestal is één van die voorwaarden het opstellen van een werkprotocol waarin de mitigerende en compenserende maatregelen uitgewerkt worden en wordt de aanwezigheid van ecologische begeleiding vereist. Bij formele ontheffingsaanvragen dient rekening gehouden te worden met een proceduretijd. De wettelijk vastgestelde proceduretermijn voor de behandeling van een ontheffingsaanvraag bedraagt dertien weken. Het bevoegd gezag kan deze termijn eenmalig met zeven weken verlengen tot een maximale proceduretermijn van twintig weken.
6.3
Overige maatregelen
In de quickscan zijn overige maatregelen beschreven. Voor de volledigheid worden die hier herhaald: Indien werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient vooraf een
broedvogelcontrole door een ecoloog te worden uitgevoerd In het kader van de zorgplicht dienen de werkzaamheden tijdens het bouwrijp maken van het terrein de werkzaamheden vanuit één richting te worden uitgevoerd. Hierdoor kan aanwezige fauna het gebied tijdig ontvluchten
7 Conclusie In dit hoofdstuk zijn de conclusies en gevolgen voor de beoogde ontwikkeling samengevat.
7.1
Aanleiding
TenneT TSO is van plan om een nieuw hoogspanningsstation te realiseren bij Veenoord-Boerdijk. TAUW heeft een quickscan uitgevoerd, gevolgd door een nader onderzoek naar beschermde functies van eekhoorn, steenmarter, boommarter, vleermuizen, jaarrond beschermde vogelsoorten en poelkikker. Deze rapportage doet verslag van de resultaten van het nader onderzoek en de gevolgen voor de uitvoering van de beoogde ontwikkeling. Grote bosmuis, veldspitsmuis en das zijn separaat onderzocht, deze rapportage doet voor die soorten geen verslag.
7.2
Resultaten
Er zijn beschermde functies aangetroffen van boommarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, buizerd, boomvalk en slechtvalk. Negatieve effecten op boommarter, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, boomvalk en slechtvalk kunnen niet worden uitgesloten. Afhankelijk van de uitvoeringsplanning kunnen ook negatieve effecten optreden op buizerd. Bunzing is ook aangetroffen in het plangebied, echter is deze soort onder de beleidsregels van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland vrijgesteld bij ruimtelijke ontwikkelingen. Mogelijk dat deze vrijstelling verdwijnt in de toekomst. In dat geval zijn er ook beschermde functies van bunzing aanwezig in het plangebied.
29/31
Kenmerk
7.3
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
Conclusie
Bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Voor een ontheffingsaanvraag is het noodzakelijk een activiteitenplan op te stellen. Hierin staat alle informatie over het voornemen, de onderzoeksresultaten en effecten op populaties. Een belangrijk onderdeel zijn de maatregelen die genomen moeten worden om effecten op beschermde soorten te mitigeren en te compenseren. Daarnaast is het noodzakelijk het wettelijk belang aan te tonen van het voornemen. Ook moet aangetoond worden dat er geen reële alternatieven zijn om hetzelfde te bereiken, die gunstiger uitpakken voor de betreffende soorten. De resultaten van het soortgericht onderzoek in het plangebied zijn samengevat in tabel 7.1. Tabel 7.1 Samenvatting resultaten soortgericht onderzoek (*geen onderdeel van deze rapportage, maar voor de volledigheid wel benoemd) Soort
Aanwezig in het plangebied?
Ontheffing nodig?
Eekhoorn
Nee
Nee
Steenmarter
Ja
Nee
Boommarter
Ja
Ja (artikel 3.10)
Bunzing
Ja
Nee, mits beleidsregels niet wijzigen
Das*
Ja
Ja (artikel 3.10)
Grote bosmuis*
Ja
Ja (artikel 3.10)
Veldspitsmuis
Nee
Nee
Vleermuizen
Ja
Ja (artikel 3.5)
Buizerd
Ja
Ja / Nee (afhankelijk van planning) (artikel 3.1)
Wespendief
Nee
Nee
Havik
Nee
Nee
Sperwer
Nee
Nee
Boomvalk
Ja
Ja (artikel 3.1)
Slechtvalk
Ja
Ja (artikel 3.1)
Ransuil
Nee
Nee
Poelkikker
Nee
Nee
30/31
Kenmerk
R012-1280309VSX-V03-mdg-NL
8 Literatuur TAUW (Sanders, V.) 2021. Quickscan Hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk. Rapportage met kenmerk R004-1280309VSX-V04-hgm-NL, datum 26 oktober 2021. TAUW (Sanders, V.) 2022a. Resultaten inventarisatie nesten en boomholtes voor aanleg hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk. Notitie met kenmerk N004-1280309VSX-V02-evm-NL, datum 11 april 2022. TAUW (Sanders, V.) 2022b. Nader onderzoek naar grote bosmuis en veldspitsmuis in VeenoordBoerdijk. Rapportage met kenmerk R005-1280309VSX-V03-evm-NL, datum 13 juni 2022. Vleermuisprotocol 2021, Netwerk Groene Bureaus. BIJ12, 2017a. Kennisdocument Buizerd Buteo. Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017b. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae. Versie 1.0, juli 2017. Van Diepenbeek, 2019. Veldgids Diersporen Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist, 1e druk 2019.
31/31