Bijlage 2.18 XV - Draadslachtoffers
Tekst van het document
Notitie Contactpersoon
Niels Jeurink
Datum
1 april 2022
Kenmerk
N003-1280309NJE-V03-evm-NL
1 Beoordeling kans op extra draadslachtoffers Veenoord – Boerdijk 1.1
Inleiding
Hoogspanningsverbindingen kunnen leiden tot slachtoffers onder vooral vogels en vleermuizen. De dieren vliegen tegen een draad en overleven de botsing niet. Hiernaar is veel onderzoek verricht (zie voor een overzicht daarvan bijvoorbeeld van der Vliet en Boerefijn, 2014). De dieren worden in Nederland beschermd door de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb). De vraag is dus wanneer de regels met betrekking tot de wettelijke bescherming van de dieren door het aanleggen, gebruiken of aanpassen van een hoogspanningsverbinding worden overtreden en, áls dat het geval zou zijn, wat de eigenaar/ beheerder van de hoogspanningsverbinding dan geacht wordt te doen. In het navolgende wordt nader ingegaan op de wettelijke bescherming van dieren die aanvaringsslachtoffer van hoogspanningsverbindingen kunnen worden. Hoewel ons geen publicaties bekend zijn van draadslachtoffers onder vleermuizen bij hoogspanningsverbindingen, wordt daarbij ingegaan op de bescherming van zowel vogels als vleermuizen en wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming (hoofdstuk 2 Wnb; paragraaf 1.2 van deze notitie) en soortenbescherming (hoofdstuk 3 Wnb; paragraaf 1.3 van deze notitie).
1.2
Gebiedsbescherming
1.2.1 Wettelijke bescherming van gebieden De Wet natuurbescherming beschermt onder meer de Natura 2000-gebieden. Deze natuurgebieden met Europese status zijn te beschouwen als de ruggengraat van het Nederlandse natuurnetwerk. Onderscheid wordt gemaakt in Vogelrichtlijngebieden en Habitatrichtlijngebieden. Elk gebied is aangewezen voor bepaalde soorten en/of habitattypen; per soort of habitattype geldt een ‘instandhoudingsdoelstelling’. Deze instandhoudingsdoelstelling mag door plannen of projecten niet worden geschaad. Wanneer een project (zelfstandig of in combinatie met de effecten van andere plannen of projecten) significante schade zou toebrengen aan een soort of habitattype dan is dat alleen toegestaan met een vergunning als bedoeld in artikel 2.7 Wnb.
Kenmerk
1.2.2
N003-1280309NJE-V02-evm-NL
Mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden
Vleermuizen Van de diverse soorten vleermuizen zijn er slechts 3 waarvoor in 1 of meer Natura 2000-gebieden een instandhoudingsdoelstelling geldt, namelijk de meervleermuis, de vale vleermuis en de ingekorven vleermuis. Voor de vale vleermuis geldt een instandhoudingsdoelstelling in 4 Natura 2000-gebieden die alle in Zuid-Limburg zijn gelegen. Effecten op deze soort zijn alleen al vanwege de afstand tot het plangebied uitgesloten. Voor de ingekorven vleermuis geldt in 5 Natura 2000-gebieden een instandhoudingsdoelstelling, ook uitsluitend in de provincie Limburg. Ook op deze soort en op deze gebieden zijn effecten uitgesloten vanwege de grote afstand tot het plangebied. Voor de meervleermuis geldt een instandhoudingsdoelstelling in 25 Nederlandse Natura 2000gebieden en daarnaast in diverse Natura 2000-gebieden in Duitsland. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden daarvan zijn gelegen in de provincie Fryslân en in aangrenzend Duitsland (Niedersachsen). Gelet op de actieradius van een groep meervleermuizen (10 km, zie Haarsma, 2011), is ook een effect op gebieden met een instandhoudingsdoelstelling voor deze vleermuissoort uitgesloten. Vogels In Nederland zijn in totaal 76 gebieden geheel of gedeeltelijk aangewezen als ‘speciale beschermingszone’ voor 1 of meer soorten vogels (‘Vogelrichtlijngebied’). Voor elk van die soorten geldt een instandhoudingsdoelstelling.
Onderscheid wordt daarbij gemaakt in de periode waarin een Natura 2000-gebied voor een soort waarde heeft. Er zijn gebieden die voor bepaalde broedvogels zijn aangewezen en gebieden die voor bepaalde wintergasten of doortrekkers zijn aangewezen. Ook zijn er gebieden met instandhoudingsdoelstellingen voor beide groepen vogels. Veel vogelsoorten zijn in hun voorkomen niet tot de Natura 2000-gebieden beperkt. Tijdens het broedseizoen kunnen vogels een zekere afstand afleggen tijdens voedselvluchten (de ‘foerageerafstand’). Deze ‘foerageerafstanden’ variëren sterk per soort en zijn bovendien verschillend voor broedvogels en niet-broedvogels. De maximale foerageerafstand bedraagt 70 km (aalscholver tijdens broedperiode) maar deze is voor de meeste soorten (veel) kleiner 1. Voor dit onderzoek is nagegaan welke Natura 2000-gebieden in de wijde omgeving van Veenoord zijn gelegen, voor welke soorten die gebieden een instandhoudingsdoelstelling hebben en welke van die soorten een zodanig grote foerageerafstand hebben dat Veenoord theoretisch binnen de foerageerafstand van de soort gelegen is. De Natura 2000-gebieden die alleen of tevens als Vogelrichtlijngebied zijn aangewezen (in volgorde van toenemende afstand tot Veenoord) zijn de volgende: • Bargerveen (13 km van Veenoord). Instandhoudingsdoelstellingen voor 10 soorten broedvogels en 2 soorten niet-broedvogels.
De broedvogels zijn in de regel gebiedsgebonden en komen niet of ten hoogste tot enkele kilometers buiten het Natura 2000-gebied om er te foerageren. Effecten van het project bij Veenoord op deze soorten zijn uitgesloten. 1
Een overzicht hiervan is te vinden in (van der Vliet et al., 2011). Hieruit blijkt dat de foerageerafstand voor veel soorten enkele
kilometers bedraagt; voor aalscholver (70 km) en lepelaar (40 km) is deze tijdens het broedseizoen het grootst. Voor een klein aantal soorten is de maximale foerageerafstand 30 kilometer
2/7
Kenmerk
N003-1280309NJE-V02-evm-NL
De twee niet-broedvogels zijn de kleine zwaan (foerageerafstand 12 km, geen effect van het project in Veenoord) en toendrarietgans. Van de laatste soort is geen foerageerafstand bekend; wanneer deze vergelijkbaar is met kolgans en kleine rietgans dan bedraagt deze 30 •
km. Dalum-Wietmarscher und Georgsdorfer Moor (Duitsland; ongeveer 15 km van Veenoord). Dit gebied is aangewezen vanwege de waarde voor 25 soorten broedvogels, 2 doortrekkers en 1
•
•
overwinterende soort. Van deze soorten reikt alleen de foerageerafstand van de wilde eend verder dan 15 km Dwingelderveld (ten minste ongeveer 26 km van Veenoord), met instandhoudingsdoelstellingen voor zeven broedvogels en vier niet-broedvogels. De maximale foerageerafstand van deze soorten 2 bedraagt 30 km, zodat het project theoretisch alleen voor de toendrarietgans gevolgen zou kunnen hebben Andere Vogelrichtlijngebieden, zowel die in Nederland als die in Duitsland, liggen op een afstand van ten minste 35 km van Veenoord. Op deze gebieden zijn theoretisch alleen effecten mogelijk op de aalscholver en de lepelaar, de enige soorten die tijdens het broedseizoen een grotere foerageerafstand hebben dan 35 kilometer (van der Vliet et al., 2011). Deze soorten hebben echter geen instandhoudingsdoelstelling in de andere Vogelrichtlijngebieden. Effecten op die gebieden zijn daarom uitgesloten.
De soorten waarvoor geldt dat Veenoord in theorie binnen de foerageerafstand ligt zijn daarmee (alleen) toendrarietgans en wilde eend, De instandhoudingsdoelstelling van de toendrarietgans wordt in zowel het Bargerveen als het Dwingelderveld ruimschoots gehaald 3. De staat van instandhouding van de toendrarietgans (als wintergast) is bovendien gunstig. significante effecten van het project in Veenoord zijn daarom uitgesloten. De conclusie is dat alleen wilde eenden uit het Natura 2000-gebied “Dalum-Wietmarscher Moor und Georgsdorfer Moor” theoretisch nog sprake zou kunnen zijn van een effect van het project in Veenoord. Het is echter uitgesloten dat het project bij Veenoord tot significante effecten zal leiden. Overwegingen daarvoor zijn de volgende: • De omvang van het project is relatief klein • Ook in de bestaande situatie is hier al sprake is van een hoogspanningsverbinding • Het landschap rond de projectlocatie is relatief open en is in intensief agrarisch gebruik, met een relatief diepe ontwatering. De waarde van het gebied voor vogels is daarom vrij gering. Zeker voor soorten van een waterrijke leefomgeving, zoals eenden, ganzen en meeuwen is het gebied ongeschikt. • Tussen het Duitse Natura 2000-gebied en de projectlocatie bij Veenoord liggen diverse andere voor ganzen en eenden aantrekkelijke foerageergebieden (m.n. langs de Ems).
2
Aanname foerageerafstand voor toendrarietgans. Deze is niet bekend, maar verondersteld is dat deze gelijk is aan
de foerageerafstand van de kleine rietgans en de kolgans; voor alle andere vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling.in dit gebied geldt dat de foerageerafstand maximaal 12 kilometer bedraagt. Effecten op andere soorten zijn dan ook uitgesloten 3
Gegevens SOVON
3/7
Kenmerk
N003-1280309NJE-V02-evm-NL
Dit wordt bevestigd door een recent onderzoek van SOVON Vogelonderzoek Nederland waarin in opdracht van TenneT voor het gehele Nederlandse hoogspanningsnet het risico op aanvaringsslachtoffers onder vogels is beoordeeld. Het tracé bij Veenoord is daarbij beoordeeld als een tracé in één van de laagste risicoklassen (Sierdsema et al., 2020).
1.3
Soortenbescherming
1.3.1 Wettelijke bescherming van soorten Naast gebiedsbescherming kent de Wet natuurbescherming ook soortenbescherming. Vogels worden als Vogelrichtlijnsoorten beschermd door artikel 3.1 Wnb, vleermuizen worden als Habitatrichtlijnsoorten beschermd door artikel 3.5 Wnb. De verbodsbepalingen in deze beide artikelen mogen in beginsel niet overtreden worden, tenzij een ontheffing is verkregen. Denkbaar is dat bij draadslachtoffers ook de wettelijke verbodsbepalingen overtreden worden. Uit artikel 3.1 (voor vogels) volgt dat dit het geval kan zijn wanneer sprake is van ten minste 1 van onderstaande situaties: • De verbodsbepaling betreffende ‘opzettelijk doden’ van in Nederland in het wild levende vogels wordt overtreden (artikel 3.1 lid 1 Wnb) • De verbodsbepaling betreffende het vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten,
•
rustplaatsen en eieren van vogels (artikel 3.1 lid 2 Wnb) wordt overtreden De verbodsbepaling betreffende het opzettelijk storen van vogels (artikel 3.1 lid 4 Wnb) wordt overtreden. Deze verbodsbepaling geldt trouwens niet wanneer de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (artikel 3.1 lid 5 Wnb)
Bij draadslachtoffers onder vogels lijkt alleen sprake van een mogelijke overtreding van lid 1 van artikel 3.1 Wnb. Bij werkzaamheden voor tijdelijke verbindingen en bijbehorende masten kan daarnaast sprake zijn van overtreding van de leden 2 en 4 van artikel 3.1 Wnb. Uit artikel 3.5 (voor onder andere vleermuizen) volgt dat sprake is van overtreding van de wettelijke verbodsbepalingen wanneer binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van soorten) sprake is van ten minste één van onderstaande situaties: • De verbodsbepaling betreffende het opzettelijk doden van soorten wordt overtreden (artikel 3.5 lid 1 Wnb) • De verbodsbepaling betreffende het opzettelijk verstoren wordt overtreden (artikel 3.5 lid 2 Wnb) • De verbodsbepaling betreffende het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren wordt overtreden (artikel 3.5 lid 4 Wnb) Bij draadslachtoffers onder vleermuizen (voor zover daarvan al sprake zou zijn) lijkt alleen sprake van een mogelijke overtreding van lid 1 van artikel 3.5 Wnb. Bij werkzaamheden ten behoeve van tijdelijke verbindingen en bijbehorende masten kan daarnaast sprake zijn van overtreding van de leden 2 en 4 van artikel 3.5 Wnb.
4/7
Kenmerk
N003-1280309NJE-V02-evm-NL
1.3.2 Mogelijke effecten: beschermde soorten draadslachtoffers Om te bezien of eventuele draadslachtoffers onder vogels ook leiden tot een overtreding van de Wet natuurbescherming moet een vergelijking worden gemaakt van de reeds aanwezige (vergunde of referentie-) situatie, de tijdelijke situatie en de toekomstige (‘plan-’) situatie. Referentiesituatie •
Veenoord – Boerdijk: de hoogspanningsverbinding van Veenoord noordwaarts richting Gasselternijveen bestaat sinds 1959. De daaraan bij Ermerveen ‘aantakkende’ verbinding langs Holsloot en door het natuurgebied ‘de Kuilen’ bestaat sinds 2000. De 380/110kV hoogspanningslijn Zwolle – Meeden is rond 1995 gebouwd
Tijdelijke situatie • Veenoord-Boerdijk: bouw van de nieuwe mast 119A, de tijdelijke situatie duurt circa 6 maanden. Voor één circuit wordt een tijdelijke lijn ingezet waar 3 fasebundels 4-bundel AMS620 en een bliksemdraad worden gebruikt. Zie figuur 1.1
Figuur 1.1 Overzicht locatie Veenoord-Boerdijk; de hoogspanningsverbinding door het bosgebied ‘De Kuilen dateert van ± 2000, de verbinding naar Veenoord dateert van ± 1959)
5/7
Kenmerk
N003-1280309NJE-V02-evm-NL
Plansituatie • Er is geen sprake van opwaardering van de reeds bestaande lijnen (bijvoorbeeld door meer of dikkere draden). In de plansituatie is zelfs sprake van het (deels) verwijderen van de 110kVlijnverbinding tussen mast 116 en 121. Wel betekent het nieuwe tracé dat een deel van het bosperceel ‘de Kuilen’ wordt gekapt, wat ten koste gaat van soorten van loofbos 4. Figuur 1.2 geeft een overzicht van de plansituatie.
Figuur 1.2 Overzicht locatie Veenoord-Boerdijk; plansituatie
1.4
Conclusie
1.4.1 Vleermuizen - gebiedsbescherming Er zijn instandhoudingsdoelstellingen voor 3 soorten vleermuizen. Alleen voor de meervleermuis zijn ook Natura 2000-gebieden buiten de provincie Limburg aangewezen. Vanwege de actieradius van de soort en de grote afstand tot die Natura 2000-gebieden zijn vanuit het aspect gebiedsbescherming op vleermuizen negatieve effecten uitgesloten. Daarbij zijn ons geen publicaties bekend van draadslachtoffers onder vleermuizen bij hoogspanningsverbindingen.
4 De waarde van het loofbos wordt nog onderzocht. Vermoedelijk heeft het waarde als broedhabitat van buizerd en mogelijk ook boomvalk. Daarnaast is hier een wespendief waargenomen
6/7
Kenmerk
N003-1280309NJE-V02-evm-NL
1.4.2 Vogels - gebiedsbescherming Er zijn in Nederland in totaal 76 Natura 2000-gebieden met instandhoudingsdoelstellingen voor één of meer soorten vogels, de ‘Vogelrichtlijngebieden’. Vogels zijn in hun voorkomen niet tot deze gebieden beperkt maar zoeken hun voedsel vaak ook in de omgeving van de gebieden. Gelet op de grote afstand tussen de Vogelrichtlijngebieden en de projectlocatie zijn significante effecten op vogels uitgesloten. 1.4.3 Vogels - soortbescherming Er is bij dit project geen sprake van een zodanige toename van het aantal draadslachtoffers onder beschermde soorten vogels dat daardoor de wettelijke verbodsbepalingen overtreden zouden worden. Dat geldt zowel voor de tijdelijke als voor de plansituatie. De overwegingen daarvoor zijn als volgt: • De verschillen tussen de referentiesituatie, de tijdelijke situatie en de plansituatie zijn gering, zodat ook een tijdelijke toename van het aantal draadslachtoffers is uitgesloten. Wel betekent het nieuwe tracé dat een deel van het bosperceel ‘de Kuilen’ wordt gekapt, wat ten koste gaat van soorten van loofbos • Er is in de plansituatie vergeleken met de referentiesituatie geen sprake van een toenemende kans op draadslachtoffers • De omgeving van het bosgebied de Kuilen is relatief arm aan vogels
2 Literatuur Haarsma, A-J, 2011. De meervleermuis in Nederland. Anne-Jifke Haarsma, augustus 2011. Rapport van de Zoogdiervereniging In opdracht van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw, en Innovatie. Sierdsema, H., R. Foppen, C. Kampichler en L. van den Bremer, 2020. Prioritering van locaties voor draadmarkeringen in hoogspanningsverbindingen op basis van aanvaringsrisico’s van vogels. Sovon-rapport 2020/82. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen in opdracht van TenneT TSO BV. Van der Vliet, R., W. Heijligers en J. Tilborghs, 2011. Maximale foerageerafstanden. Op een rij gezet voor 97 beschermde vogelsoorten. In Toets Online 04 11: 6-10. Van der Vliet, drs. R. en ir. M. Boerefijn, 2014. Kennisdocument draadslachtoffers. Overzicht van theoretische achtergronden en resultaten van literatuur- en veldonderzoek. Rapport TAUW BV i.o.v. TenneT TSO BV. Kenmerk rapport R001-4758408RVJ-cri-V01-NL.
7/7