CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2.14 XI - Inventariserend archeologisch onderz

Commissie Wonen en Ruimte 13 maart 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Hoogspanningsstation Veenoord’ gewijzigd vaststellen (14999-2023)26.608 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Archeologisch veldonderzoek Netversterking Noord-Oost Nederland, locatie Veenoord-Boerdijk, gemeenten Emmen en Coevorden Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en deels karterend booronderzoek

M. Hanemaaijer

2

Colofon ADC Rapport 5630 Archeologisch veldonderzoek Netversterking Noord-Oost Nederland, locatie Veenoord-Boerdijk, gemeenten Emmen en Coevorden Een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en deels karterend booronderzoek Auteur : M. Hanemaaijer In opdracht van: Tauw BV © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, 9 augustus 2022 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status onderzoek: concept Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

Autorisatie: A. Muller ISSN 1875-1067 ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel. 033-299 81 81 E-mail info@archeologie.nl

3

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding en administratieve gegevens 2 Voorgaand bureauonderzoek 3 Inventariserend Veldonderzoek 3.1 Plan van Aanpak 3.2 Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.3 Plan van Aanpak Aanvullend Inventariserend Veldonderzoek 3.4 Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Aanvullend Inventariserend Veldonderzoek 4 Conclusies 5 Aanbeveling Literatuur Geraadpleegde websites Lijst van afbeeldingen en tabellen Bijlage 1 Boorgegevens Bijlage 2 Boorgegevens aanvullend inventariserend veldonderzoek

4 8 10 13 13 15 16 17 19 21 22 23 24

4

Samenvatting In opdracht van Tauw BV heeft ADC ArcheoProjecten in oktober en november een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het kader van de Net versterking Noord-Oost Nederland, (NNON), locatie Veenoord-Boerdijk, gemeenten Emmen en Coevorden. In 2021 is voor het plangebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd.1 Op basis van de resultaten van dit onderzoek is geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek uit te voeren. Dit rapport heeft betrekking op het verkennend en karterend booronderzoek. Het plangebied is op basis van de landschappelijke situatie onderverdeeld in 11 verschillende deelgebieden. De boorstrategie is afgestemd op de landschappelijke situatie. Een deel van het bij het bureauonderzoek onderzochte plangebied is in eerste instantie niet meegenomen bij het onderhavige onderzoek vanwege de aanwezigheid van een dassenburcht (zones 6 en 9), maar naar aanleiding van planaanpassing zullen in zone 9 geen werken meer plaatsvinden, terwijl zone 6 alsnog doormiddel van aanvullend inventariserend veldonderzoek gedeeltelijk onderzocht kon worden, met uitzondering van een gebied dat door de aanwezigheid van broedvogels niet betreden mocht worden (ter hoogte van aanvullende boringen 17 en 24 t/m 31).

Teneinde de in het bureauonderzoek opgestelde verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een extensieve oppervlaktekartering en een verkennend en deels karterend booronderzoek uitgevoerd. De extensieve oppervlaktekartering heeft geen vondsten opgeleverd. Uit het verkennend booronderzoek blijkt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit fluvioperiglaciale afzettingen afdekt met dekzand. Beide worden ingedeeld bij de Formatie van Boxtel. Ter plaatse van de beekdalen ontbreekt regelmatig het pakket dekzand en ligt direct onder de humeuze bovengrond een (gelaagd) pakket zandige leem of zand met leemlagen. Gezien het ontbreken van een afdekkende laag dekzand zijn de gelaagde lemige afzettingen mogelijk gerelateerd aan beken die zich in het dekzand hebben ingesneden. De afzettingen worden in dit geval ingedeeld bij het Laagpakket van Singraven (Formatie van Boxtel). In het oosten van het plangebied is de natuurlijk ondergrond voorzien van een grindige bijmenging die kan worden gerelateerd aan de aanwezigheid van de Rolderrug in de ondergrond. Ter plaatse van een aantal hoger gelegen delen van het plangebied is in de top van de natuurlijke ondergrond nog een restant van een B- of BC-horizont aanwezig. In diverse boringen die ter plaatse van het beekdal zijn gezet is boven de C horizont een laag (zandig of kleiig) veen of sterk humeus zand aanwezig.

Het veen wordt ingedeeld bij de Formatie van Nieuwkoop en het Laagpakket van Griendtsveen. De bouwvoor bestaat overwegend uit een matig humeus zandpakket van ca. 30 tot 50 cm dik. Ter plaatse van een noord-zuid lopende strook in deelgebieden 8 en 11 is sprake van diepe verstoringen die kunnen worden gerelateerd aan het gebruik als vloeiveld. De relatief hoger gelegen delen van het plangebied waar een B- of BC-horizont aanwezig is worden beschouwd als archeologisch kansrijke zones. Ter plaatse van deze delen zijn aanvullende karterende boringen gezet. Hierbij zijn geen duidelijke archeologische indicatoren aangetroffen. Wel zijn in het zeefresidu die ter plaatse van deelgebied 11 zijn gezet vuursteenfragmenten met scherpe randen aangetroffen. Gezien de context (meerdere onbewerkte natuursteenfragmenten), de aanwezigheid van windlak en het ontbreken van werktuigen wordt geconcludeerd dat deze een natuurlijke oorsprong hebben. Gezien het ontbreken van indicatoren kan de aanwezigheid van vindplaatsen met een matig-hoge vondstdichtheid, een oppervlakte van meer dan 1000m2 worden uitgesloten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het potentiële vondstniveau relatief dicht aan het maaiveld ligt en een deel van het potentiële vondstniveau (de oorspronkelijk aanwezige A- en E-horizonten) zal zijn aangetast door ploegwerkzaamheden.

Ter plaatse van de beekdalen met een relatief intacte bodem (veenrestanten) kunnen afvaldumps en rituele deposities aanwezig zijn. Dit geldt met name voor de zones die grenzen aan hoger gelegen dekzandkopjes.

1

Hoof 2021.

5

Advies Voor de werkzaamheden ter plaatse van de beekdalen wordt een extensieve begeleiding geadviseerd. Dit houdt in dat tijdens en na uitvoering van de graafwerkzaamheden de graafvlakken regelmatig gecontroleerd worden op de aanwezigheid van archeologische resten. Een archeoloog is dus niet permanent aanwezig bij de graafwerkzaamheden. Ook dient de kraanmachinist bij het blootleggen van archeologische sporen en vondsten tijdens de graafwerkzaamheden onmiddellijk contact dient op te nemen met de uitvoerend archeoloog. Bij voorkeur heeft de kraanmachinist enige ervaring met archeologisch graafwerk. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Voor het gedeelte van zone 6 dat nog niet kon worden onderzocht doormiddel van booronderzoek – ter hoogte van aanvullende boringen 17 en 24 t/m 31 – blijft de verwachting vanuit het bureauonderzoek vooralsnog behouden. Deze verwachting is laag voor nederzettingen. Wel kunnen hier specifieke vindplaatsen aanwezig zijn zoals afvaldumps en rituele deposities, die vaak worden aangetroffen in en langs de randen van beekdalen.

Aangezien dit gedeelte van zone 6 in dezelfde landschappelijke zone is gelegen als de delen van het beekdal waarvoor extensieve begeleiding is geadviseerd, wordt eenzelfde begeleiding ook voor dit niet onderzochte deel van zone 6 geadviseerd. De resterende boringen (17 en 24 t/m 31) kunnen voordat de geplande werken in dit deel van het plangebied worden gestart als controleboringen worden gezet, om te bepalen waar een intacte bodem (veenrestanten) aanwezig is en dus extensieve begeleiding plaats moet vinden. Het onderzoek is uitgevoerd conform het advies in het bureauonderzoek en hiermee kan de aanwezigheid van vindplaatsen met een matig-hoge vondstdichtheid en een oppervlakte van meer dan 1000m2 worden uitgesloten. De aanwezigheid van vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, een kleine omvang of alleen een sporenniveau ter plaatse van de hoger gelegen zones kan niet worden uitgesloten maar de kans op een waardevolle archeologische vindplaats is klein. Daarom adviseert ADC ArcheoProjecten om het resterende deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen.

Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeenten Emmen en Coevorden. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

6

7

Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode

Afkorting

Tijd in jaren

Nieuwe tijd:

NT

1500 - heden

Middeleeuwen:

XME

450 – 1500 na Chr.

Late Middeleeuwen

LME

Vroege Middeleeuwen

VME

Romeinse tijd:

ROM

Laat-Romeinse tijd

ROML

270 - 450 na Chr.

Midden-Romeinse tijd

ROMM

70 - 270 na Chr.

Vroeg-Romeinse tijd

ROMV

12 voor Chr. - 70 na Chr.

IJzertijd:

IJZ

Late IJzertijd

IJZL

250 - 12 voor Chr.

Midden-IJzertijd

IJZM

500 - 250 voor Chr.

Vroege IJzertijd

IJZV

Bronstijd:

BRONS

Late Bronstijd

BRONSL

1100 - 800 voor Chr.

Midden-Bronstijd

BRONSM

1800 - 1100 voor Chr.

Vroege Bronstijd

BRONSV

Neolithicum (Jonge Steentijd):

NEO

Laat-Neolithicum

NEOL

2850 - 2000 voor Chr.

Midden-Neolithicum

NEOM

4200 - 2850 voor Chr.

Vroeg-Neolithicum

NEOV

Mesolithicum (Midden-Steentijd):

MESO

Laat-Mesolithicum

MESOL

6450 - 4900 voor Chr.

Midden-Mesolithicum

MESOM

7100 - 6450 voor Chr.

Vroeg-Mesolithicum

MESOV

8800 - 7100 voor Chr.

Paleolithicum (Oude Steentijd):

PALEO

Laat-Paleolithicum

PALEOL

35.000 - 8800 voor Chr.

Midden-Paleolithicum

PALEOM

300.000 – 35.000 voor Chr.

Vroeg-Paleolithicum

PALEOV

tot 300.000 voor Chr.

Bron: Archeologisch Basis Register 1992

1050 - 1500 na Chr. 450 - 1050 na Chr. 12 voor Chr. – 450 na Chr.

800 – 12 voor Chr.

800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr.

2000 - 1800 voor Chr. 5300 – 2000 voor Chr.

5300 - 4200 voor Chr. 8800 – 4900 voor Chr.

tot 8800 voor Chr.

8

1

Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van Tauw BV heeft ADC ArcheoProjecten in oktober en november een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het kader van de Net versterking Noord-Oost Nederland, (NNON), locatie Veenoord-Boerdijk, gemeenten Emmen en Coevorden. In 2021 is voor het plangebied een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd.2 Op basis van de resultaten van dit onderzoek is geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek uit te voeren. Dit rapport heeft betrekking op het verkennend en karterend booronderzoek. In afb. 1 is het plangebied weergegeven. Het plangebied is op basis van de landschappelijke situatie onderverdeeld in 11 verschillende deelgebieden (afb. 1 en 2). De boorstrategie is afgestemd op deze landschappelijke situatie. Een deel van het bij het bureauonderzoek onderzochte plangebied is in eerste instantie niet meegenomen bij het onderhavige onderzoek vanwege de aanwezigheid van een dassenburcht (zones 6 en 9, afb. 11), maar naar aanleiding van planaanpassing zullen in zone 9 geen werken meer plaatsvinden, terwijl zone 6 alsnog doormiddel van aanvullend inventariserend veldonderzoek gedeeltelijk onderzocht kon worden, met uitzondering van een gebied dat door de aanwezigheid van broedvogels niet betreden mocht worden (ter hoogte van aanvullende boringen 17 en 24 t/m 31).

In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1).3 In aanvulling hierop is het onderzoek uitgevoerd conform de in het bureauonderzoek beschreven strategie.4 In het plangebied zijn de volgende werkzaamheden gepland: • • • • • • • • • • •

realisatie nieuwbouw hoogspanningstation Veenoord-Boerdijk - TenneT (VOB 380 / 110 kV); realisatie nieuwbouw station Enexis (20 kV); toegangsweg naar de nieuwe stations; verwijdering mast 119 en 120; aanpassing mast 116 en 121; realisatie van ondergrondse 110 kV kabels tussen mast 116 en 121 naar het station VOB; realisatie van 5 nieuwe masten (119A, 119B, 120A, 120B en 120C) voor de aansluiting van VOB380 op de 380 kV bovengrondse lijnverbinding reconstructie bestaande 380 kV lijnverbinding tijdelijke bovengrondse 380 kV lijnverbinding tijdens de bouwfase met 8 tijdelijke mastlocaties; reservering toekomstige kabelstroken voor Enexis (20 kV); bouw van opstijgpunten

Daarnaast zijn er bouwwegen, lierplaatsen, werkstroken en enkele gebieden voor tijdelijke opslag tijdens de bouwfase gereserveerd. Details omtrent de verstoringsdieptes zijn niet beschikbaar, uitgegaan kan worden van een maximale verstoringsdiepte van 2,1 m –mv.

2

Hoof 2021.

3

SIKB 2018.

4

Aangenomen wordt dat het advies uit het bureauonderzoek waarin de strategie is beschreven is overgenomen door de

gemeenten Emmen en Coevorden.

9

De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: opdrachtgever:

fase AMZ-cyclus: aanleiding: locatie: plaats: gemeente: provincie: kaartblad: oppervlakte plangebied:

Centrum coördinaat: bevoegde overheid: deskundige namens de bevoegde overheid met contactgegevens: goedkeuring rapport door bevoegde overheid: Archis-zaaknummer: ADC-projectcode: auteur: projectmedewerker(s): autorisatie: periode van uitvoering: beheer en plaats documentatie:

Tauw BV Mevr. M. Caspers Australiëlaan 5 Postbus 3015 3502 GA Utrecht M +31 62 13 34 73 1 machteld.caspers@tauw.com inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend en karterend booronderzoek Aanleg hoogspanningsstation Veenoord-Boerdijk Veenoord-Boerdijk Emmen en Coevorden Drenthe 17H Deelgebied 1: ca. 3182 m2 Deelgebied 2: ca. 3501 m2 Deelgebied 3: ca. 8304 m2 Deelgebied 4: ca. 24774 m2 Deelgebied 5: ca. 6145 m2 Deelgebied 7: ca. 49916 m2 Deelgebied 8: ca. 115153 m2 Deelgebied 10: ca. 18928 m2 Deelgebied 11: ca. 131236 m2 Deelgebied 12: ca. 9962 m2 Deelgebied 13: ca. 8121 m2 252.810/527.990 Gemeenten Emmen en Coevorden Onbekend n.n.b. 5126403100 4230277 M. Hanemaaijer G.P.A.M. Nieuwlaat & E. Derksen A. Muller Oktober en november 2021 ADC ArcheoProjecten bv, Amersfoort

10

2

Voorgaand bureauonderzoek Aardkundige gegevens Bron

Informatie

Geologie

Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden; dekzand Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven; veen Formatie van Drente, Lp. v. Gieten met een dek van de Formatie. van Boxtel, Lp. v. Wierden; grondmorene met een zanddek Deelgebied 1: Beekdalbodem, Grondmorenewelvingen, droogdal Deelgebied 2: grondmorenewelvingen; droogdal Deelgebied 3: grondmorenewelvingen; beekbodem Deelgebied 4: beekdalbodem Deelgebied 5: beekdalbodem Deelgebied 7: beekdalbodem Deelgebied 8: beekdalbodem; Plateau-achtige storthoop, opgehoogd, opgespoten terrein of kunstmatig eiland Deelgebied 10: beekdalbodem; opgespoten terrein of kunstmatig eiland Deelgebied 11: Plateau-achtige storthoop, opgehoogd, opgespoten terrein of kunstmatig eiland Deelgebied 12: Plateau-achtige storthoop, opgehoogd, opgespoten terrein of kunstmatig eiland; beekdalbodem; droog dal; IJsstroomrug, 'megaflute' Deelgebied 13: beekdalbodem Deelgebied 1: beekeerdgronden, lemig fijn zand; veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand Deelgebied 2: moerige podzolgronden met een veenkoloniaal dek en een moerige tussenlaag; veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand Deelgebied 3: veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand; moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand; Deelgebied 4: moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand; madeveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120

cm; beekeerdgronden, lemig fijn zand Deelgebied 5: beekeerdgronden, lemig fijn zand Deelgebied 7: moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand Deelgebied 8: moerige eerdgronden met een veenkoloniaal dek en een moerige tussenlaag op zand; meengronden met een veenkoloniaal dek op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm Deelgebied 10: veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand Deelgebied 11: veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand Deelgebied 12: moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand, beekeerdgronden; lemig fijn zand Deelgebied 13: madeveengronden op zand zonder humuspodzol, beginnend ondieper dan 120 cm; Moerige eerdgronden met een moerige bovengrond op zand; veldpodzolgronden, leemarm en zwak lemig fijn zand Tussen ca. 11,6 en 14,4 m +NAP tot 9,0 m +NAP

Geomorfologie

Bodemkunde

Actueel Hoogtebestand Nederland

11

Verwachtingsmodel5 Het onderzoeksgebied valt voor een groot deel binnen het beekdal van het Holslootsdiep, waarbinnen zandkoppen aanwezig zijn. Aan de oostzijde ligt de Rolderrug en aan de westzijde een grondmorenwelving. Binnen het onderzoeksgebied hebben voornamelijk de hoger gelegen dekzandgebieden een hoge verwachting voor nederzettingen. Hieronder vallen de Rolderrug en de grondmorenewelving, die op de bodemkaart herkenbaar zijn aan de aanwezigheid van podzolbodems. Gezien de hoge ligging zullen deze waarschijnlijk nooit volledig met veen zijn bedekt, waardoor hier vindplaatsen uit alle perioden aanwezig kunnen zijn. Ook de koppen binnen het beekdal vormden aantrekkelijke nederzettingslocaties. De koppen die op het AHN herkenbaar zijn vallen op de bodemkaart samen met de aanwezigheid van beekeerdgronden. Deze zullen in de loop van de vroege prehistorie met veen overdekt zijn, waardoor hier alleen vindplaatsen uit de steentijd verwacht worden. Dat blijkt ook uit de bekende waarnemingen. Het archeologische vondstniveau uit met name de steentijd bevindt zich veelal in de top van het zand. Binnen de hoger gelegen dekzandgebieden ligt de top van het zand waarschijnlijk dicht aan het maaiveld. De koppen binnen het beekdal zijn mogelijk nog afgedekt door een restant van het oorspronkelijk aanwezige veendek.

Vaak blijkt dat de bovenzijde van het zand door landbouwactiviteiten zoals ploegen en egaliseren is verstoord, wat ook blijkt uit eerdere onderzoeken in de omgeving van het onderzoeksgebied, waardoor de oorspronkelijk aanwezige podzolbodem en daarmee het archeologische vondstniveau is opgenomen in de bouwvoor. Grondsporen zoals haardkuilen, paalsporen, afvalkuilen, waterputten, sloten en greppels kunnen nog wel bewaard zijn gebleven. Binnen de hoger gelegen dekzandgebieden en de koppen in het beekdal is het niet de verwachting dat organisch materiaal zoals onverbrand bot en hout bewaard is gebleven. Aardewerk, natuursteen, metaal en andersoortige anorganische materialen kunnen wel aanwezig zijn, net zoals houtskool en gecalcineerd bot. In de lager gelegen delen van het onderzoeksgebied, op de bodemkaart herkenbaar door de aanwezigheid van veengronden en moerige eerdgronden, is de verwachting laag voor nederzettingen. Wel kunnen hier specifieke vindplaatsen aanwezig zijn zoals afvaldumps en rituele deposities, die vaak worden aangetroffen in en langs de randen van beekdalen. Binnen de fossiele beeklopen zijn ook (houten) structuren zoals voorden, bruggen, visvangstinstallaties en dergelijke te verwachten, alsmede veenwegen. Door de natte omstandigheden kunnen in beekdalen naast anorganische resten ook organisch resten bewaard zijn gebleven.

Ook zijn vindplaatsen vanwege de diepere ligging vaak minder aangetast dan op de hogere zandgronden. Vindplaatsen binnen beekdalen kunnen uit alle perioden dateren. In een groot deel van het onderzoeksgebied binnen de gemeente Emmen hebben vloeivelden van de aardappelmeelfabriek gelegen. Deze zijn op de geomorfologische kaart aangegeven als plateauachtige storthoop. Op de bodemkaart en ook op het beeld van het AHN zijn de vloeivelden echter niet herkenbaar. Het is onduidelijk in hoeverre de vloeivelden hebben geleid tot verstoring van de bodem. Het is mogelijk dat binnen de vloeivelden de bodem juist gaver is omdat hier lange tijd geen landbouwactiviteiten hebben plaatsgevonden. Langs en deels door het onderzoeksgebied loopt de Boerdijk. Deze is aan het einde van de 18e eeuw al deels aanwezig en is aan het begin van 20e eeuw recht getrokken bij de aanleg van een stoomtramlijn. Resten van het voorgaande pad kunnen binnen het onderzoeksgebied aanwezig zijn.

5

Van Hoof 2021.

12

Advies6 Op basis van de resultaten van het bureauonderzoek blijkt dat in het plangebied archeologische resten aanwezig kunnen zijn, die bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. In het kader van de bestaande planvorming wordt daarom vervolgonderzoek aanbevolen op basis van het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Binnen het onderzoeksgebied worden meerdere verwachtingszones onderscheidden, waarvoor per zone een advies is opgesteld. Binnen de delen van het projectgebied die samenvallen met wegen, de kruising met de Hoogeveense Vaart of waar reeds inventariserend veldonderzoek heeft plaatsgevonden worden geen behoudenswaardige archeologische resten meer verwacht. Voor deze delen wordt dan ook geen vervolgonderzoek aanbevolen. Voor de hoger gelegen dekzandvoorkomens, waartoe de zones met een podzolbodem worden gerekend, is de verwachting hoog voor nederzettingsresten. Ook eventuele koppen in het beekdal, die worden verwacht binnen de zone met beekeerdgronden, hebben een hoge archeologische verwachting voor nederzettingen. Om de gespecificeerde verwachting aan te vullen en te verfijnen wordt een vervolgonderzoek geadviseerd in de vorm van een inventariserend booronderzoek. Voor de zones met een hoge archeologische verwachting buiten de omtrek van de vloeivelden wordt direct verkennend en zo nodig karterend onderzoek aanbevolen.

Een groot deel van de zone van hoge verwachting valt binnen de voormalige vloeivelden. Hier wordt in eerste instantie een quickscan aanbevolen bestaande uit twee boringen per hectare en voor de smalle tracédelen boringen om de 100 m. Als daaruit blijkt dat de bodem diep verstoord is, wordt verder onderzoek niet nodig geacht. Indien de bodem niet diep is verstoord wordt aanbevolen om over te gaan naar een verkennend booronderzoek, bestaande uit zes boringen per hectare en voor de smalle tracédelen boringen om de 50 m. Dit onderzoek heeft tot doel om de opbouw en mate van intactheid van de bodem te bepalen en de grenzen van de dekzandvoorkomens en de locaties van eventuele dekzandkoppen binnen het beekdal nader vast te stellen. Waar sprake is van een aaneengesloten zone met een intacte podzolbodem (drie boringen of meer waarin minstens de B-horizont bewaard is gebleven of minstens twee boringen op rij binnen een tracé), wordt aanbevolen om over te gaan naar een karterend onderzoek om eventuele vindplaatsen op te sporen. Hierin wordt het boorgrid verdicht naar 20 boringen per hectare en in het geval van smalle tracés boringen om de 25m. Van de boringen waar minstens nog een B-horizont aanwezig is dient de top van het dekzand tot in de C-horizont bemonsterd te worden met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm (megaboor).

Het zand wordt vervolgens gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 3 mm, waarna het zeefresidu wordt gecontroleerd op archeologische indicatoren zoals vuursteenartefacten, aardewerk en houtskool. Voor het beekdal is de verwachting voor nederzettingen laag. De hier verwachte beekdalspecifieke vindplaatsen zijn met booronderzoek niet op te sporen.7 Bij grootschalige ingrepen in beekdalen wordt veelal gekozen voor een archeologische begeleiding. Om een goede afweging te kunnen maken voor welke delen van het projectgebied een dergelijke begeleiding eventueel nodig is, wordt voor het beekdal een extensief booronderzoek aanbevolen, met een dichtheid van twee boringen per hectare en voor de smalle tracédelen boringen om de 100 m. Dit onderzoek richt zich voornamelijk op de aard en dikte van het pakket van beekdalafzettingen en de mate van verstoring daarvan. De hierboven genoemde verwachtingszones zijn weergegeven in afb. 2.

6

Van Hoof 2021.

7

Rensink 2008.

13

3

Inventariserend Veldonderzoek 3.1

Plan van Aanpak

3.1.1 Inleiding Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar nodig aanvullen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting (par. 2.4). Het inventariserend veldonderzoek bestaat uit een verkennend en deels karterend booronderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform het advies zoals gegeven in het bureauonderzoek. 8 Bij het verkennend booronderzoek is de werkwijze gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw en het vaststellen van (grootschalige) verstoringen, waarbij tevens rekening is gehouden met aard en diepte van de geplande ingrepen. Bij het karterend booronderzoek is de werkwijze gericht op het aantonen van de aanwezigheid van een (behoudenswaardige) archeologische vindplaatsen. Op 20 oktober 2021 is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld, waarin de werkwijze van het onderzoek is vastgelegd.

Het verkennend booronderzoek leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: • Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? • Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? • Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? • Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? • Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? • In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? • In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? • Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het karterende booronderzoek leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: • Zijn er indicatoren aangetroffen die verband houden met het verwachte type archeologische vindplaatsen?

Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? • Alhoewel niet het doel van dit type kartering, zijn er bij toeval indicatoren aangetroffen die verband houden met andere typen vindplaatsen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren?

8

Van Hoof 2021.

14

• • •

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?

3.1.2 Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van de in par. 3.1.1 genoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast: Verkenning aantal boringen: boorgrid:

diepte boringen: boormethode: bemonstering:

95 + 22 aanvullende verkennende boringen ter plaatse van de vloeivelden waar een intacte bodem werd aangetroffen Beekdalen en vloeivelden: in raaien met onderlinge boorafstand van 80 m, afstand tussen de raaien is 70 m (2 boringen per hectare) Hooggelegen dekzand, dekzandkoppen en ter plaatse van intacte zones van de vloeivelden: in raaien met onderlinge boorafstand van 50 m, afstand tussen de raaien is 40 m (6 boringen per hectare) Tot in de top van het dekzand Edelmanboor met diameter 7 cm versnijden en/of verbrokkelen

Kartering: Waar sprake is van een aaneengesloten zone met een intacte podzolbodem (drie boringen of meer waarin minstens de B-horizont bewaard is gebleven of minstens twee boringen op rij binnen een tracé), is overgegaan tot een karterend onderzoek. aantal boringen: boorgrid: diepte boringen: boormethode: bemonstering:

46 in raaien met onderlinge boorafstand van 25 m, afstand tussen de raaien is 20 m Tot in de top van het dekzand Edelmanboor met diameter 15 cm zeven over een zeef met maaswijdte 3 mm

Deze methode is gebaseerd op de Leidraad inventariserend veldonderzoek, deel karterend booronderzoek van de SIKB, en met een vondststrooiing van overwegend vuursteen, een matighoge vondstdichtheid en een oppervlakte van meer dan 1000m2. Vindplaatsen met een lagere vondstdichtheid, een kleinere omvang, alsmede lineaire vindplaatsen en puntelementen kunnen hiermee niet worden gekarteerd.9 De lithologische en bodemkundige kenmerken van de boringen zijn beschreven conform respectievelijk NEN 510410 en het Systeem voor de bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus11 en vastgelegd middels het invoerprogramma Deborah. De X- en Y-coördinaten en maaiveldhoogtes zijn ingemeten met een RTK-DGPS met een nauwkeurigheid van 1 cm. Indien sprake is van een redelijke tot goede vondstzichtbaarheid aan het maaiveld is tussen de boorpunten een (extensieve) oppervlaktekartering uitgevoerd. Archeologische indicatoren zijn verzameld en (indien mogelijk) worden gedetermineerd.

9

Versie 1.0 van deze leidraad is op 30 maart 2006 vastgesteld door het CCvD Archeologie. De geactualiseerde versie is op 4 december 2012 door Tol et al. 2012 gepubliceerd.

10

Bosch 2005; Nederlands Normalisatie-Instituut 1989.

11

De Bakker e.a. 1989.

15

3.2

Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)

3.2.1 Oppervlaktekartering De extensieve oppervlaktekartering heeft geen vondsten opgeleverd. 3.2.2 Lithologische beschrijving verkennend booronderzoek De locatie van de boringen is weergeven in afb. 3. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 1. De diepere ondergrond bestaat in een groot deel van het plangebied uit een zandige leem of zand met leemlagen. Dit pakket wordt geïnterpreteerd als een fluvioperiglaciale afzetting. Dit pakket wordt in de meeste boringen afgedekt door een dunne laag zwak siltig, matig tot zeer fijn zand met veel roestvlekken (dekzand). Beide pakketten worden ingedeeld bij de Formatie van Boxtel. Ter plaatse van de beekdalen ontbreekt regelmatig het pakket dekzand en ligt direct onder de humeuze bovengrond een (gelaagd) pakket zandige leem of zand met leemlagen. Gezien het ontbreken van een afdekkende laag dekzand is het mogelijk dat de gelaagde lemige afzettingen zijn gerelateerd aan beken die zich in het dekzand hebben ingesneden. De afzettingen worden in dit geval ingedeeld bij het Laagpakket van Singraven (Formatie van Boxtel). Het is ook mogelijk dat hier geen dekzand is afgezet of is uitgestoven. In het oosten van het plangebied (deelgebieden 8 en 11) is de natuurlijke ondergrond vaak voorzien van een (zwak of matig) grindige bijmenging. De bijmenging met grind kan worden gerelateerd aan de Rolderrug in de ondergrond.

Ter plaatse van de hogere delen van het plangebied heeft podzolisatie plaatsgevonden. Dit blijkt uit de aanwezigheid van een bruin laag in de top van de natuurlijke ondergrond in een aantal boringen. De laag wordt geïnterpreteerd als een B- of BC-horizont. Het betreft boringen 4 en 5 (deelgebied 2), 54 (deelgebied 8), 70, 79, 81, 84, 85, 90, 91, 92, 97, 98, 99, 100, 102, 107, 108, 109, 112, 113, 116, 117 (deelgebied 11). De oorspronkelijk aanwezige A- en E-horizonten zijn niet meer aanwezig en opgenomen in de bouwvoor. De boringen in deelgebied 11 vormen een cluster in het midden van het deelgebied en een oostelijke strook langs de Boerdijk. De top ligt tussen 20 en 80 m –mv (tussen 12,01 en 13,75 m + NAP). In boring 113 bevindt de top zich op 75 cm –mv (12,14 m NAP), onder een 20 cm dikke matig humeuze bouwvoor onder een veenpakket. De bovengrond bestaat uit een ca. 30 tot 50 cm dik matig humeus zandpakket met zandbrokken (de bouwvoor). Deze rust in een aantal boringen direct op de C-horizont (of B/BC-horizont). In enkele boringen verspreid over de deelgebieden is onder de bouwvoor een vlekkerige menglaag aanwezig. Ter plaatse van boringen in met name het beekdal is onder de bouwvoor nog een pakket (rest) veen of sterk humeus zand aanwezig. Het veen wordt ingedeeld bij de Formatie van Nieuwkoop en het Laagpakket van Griendtsveen.

Dieper verstoorde bodemprofielen (dieper dan ca. 60 cm –mv) komen met name voor in deelgebieden 8 en 11. Samengevat kunnen binnen het plangebied vijf verschillende profieltypes worden onderscheiden (zie ook afb. 3): • • • • •

Bouwvoor op C-horizont AC-profiel met sterk humeus zand of veen direct boven de C-horizont Bouwvoor op geroerde laag op C-horizont Bouwvoor of geroerde laag op B- of BC-horizont Verstoord tot diep in de C-horizont (dieper dan ca. 60 cm –mv).

3.2.3 Interpretatie In afb. 4 is een top-zand hoogtekaart weergegeven. Hiermee wordt een beeld gegeven van het oorspronkelijke paleoreliëf, hoewel (recente) verstoringen tot in de C-horizont lokaal een afwijkend beeld geven. Uit de kaart blijkt dat met name deelgebieden 2, 10 en stukken van deelgebied 11 hoger zijn gelegen. In het oosten van deelgebied 11 ligt het zand een stuk hoger door de aanwezigheid van de Rolderrug in de ondergrond. Het beeld uit de top-zand hoogtekaart komt grotendeels overeen met de verwachting uit het bureauonderzoek. De dekzandkoppen en hoger gelegen dekzanden ter plaatse van deelgebieden 1 en 5 zijn weinig uitgesproken. Hier heeft waarschijnlijk aftopping plaatsgevonden. Dit blijkt ook uit het ontbreken van B- of BC-horizonten in

16

deze deelgebieden. Hierbij dient te worden opgemerkt dat ter plaatse van deelgebied 5 op basis van de bodemkaart beekeerdgronden aanwezig zijn en zich hier waarschijnlijk geen podzolbodem heeft gevormd. Uit het ontbreken van B- of BC-horizonten in deelgebied 10 blijkt dat ook hier waarschijnlijk aftopping heeft plaatsgevonden. Ter plaatse van de beekdalen zijn lokaal depressies waar nog sprake is van veenresten herkenbaar. Zoals opgemerkt ligt ter plaatse van het beekdal een gelaagd lemig pakket regelmatig direct onder de humeuze bovengrond, deze afzettingen zouden kunnen zijn gerelateerd aan beeklopen. Het boorgrid ter plaatse van het beekdal was echter ook niet intensief genoeg om fossiele beeklopen te reconstrueren. Diepe verstoringen zijn zichtbaar op de top-zand kaart, deze lijken zich met name te concentreren ter plaatse van een noord-zuid lopende zone in deelgebieden 8 en 11. Aangenomen wordt dat deze zijn gerelateerd aan het gebruik als vloeiveld. 3.2.4 Karterend booronderzoek Ter plaatse van de zones waar sprake is van minimaal twee aansluitende boringen waar een B- of BC-horizont aanwezig is zijn aanvullende karterende boringen gezet (zie afb. 5 en 6). Het opgeboorde sediment is gezeefd over een 3 mm zeef.

In het zeefresidu van de boringen die ter plaatse van de vloeivelden zijn gezet zijn meerdere fragmenten natuursteen, waaronder vuursteenfragmenten die zijn voorzien van scherpe randen, aangetroffen. Werktuigen zijn niet aanwezig. De vuursteenfragmenten zijn voorzien van windlak wat een aanwijzing voor een natuurlijk oorsprong van het vuursteen. Ook de context (veel natuursteen) pleit voor een natuurlijke oorsprong. Geconcludeerd wordt dat de vuursteenfragmenten een natuurlijke oorsprong hebben en geen aanwijzing vormen voor de aanwezigheid van een vindplaats.12 Met het karterend booronderzoek kan de aanwezigheid van vindplaatsen met een matig-hoge vondstdichtheid en een oppervlakte van meer dan 1000m2 worden uitgesloten. Vindplaatsen met een lagere vondstdichtheid, kleinere vindplaatsen of vindplaatsen met enkel een sporenniveau kunnen nog wel aanwezig zijn.

3.3

Plan van Aanpak Aanvullend Inventariserend Veldonderzoek

3.3.1 Inleiding Zoals vermeld in de inleiding (H1) is een deel van het bij het bureauonderzoek onderzochte plangebied (zones 6 en 9) in eerste instantie niet meegenomen vanwege de aanwezigheid van een dassenburcht. Naar aanleiding van de dassenburcht is het plan in deze zones aangepast (afb. 7). In zone 9 zullen geen werken meer plaatsvinden. In zone 6 zijn in mei 2022 aanvullende verkennende boringen gezet (afb. 8). Voorafgaand aan het veldwerk bleek in verband met de aanwezigheid van broedvogels niet de gehele zone toegankelijk. Daarom zijn boringen 17 en 24 tot en met 31 komen te vervallen (afb. 8). Het nieuwe plangebied ligt op basis van het bureauonderzoek ter plaatse van een beekdal. Voor de omschrijving van het doel en de onderzoeksvragen wordt doorverwezen naar par. 3.1.1. 3.3.2 Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van de in par. 3.1.1 genoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast: Verkenning aantal boringen: boorgrid: diepte boringen: boormethode: bemonstering:

12

31 Verspreid over het gebied waar ontwikkelingen plaatsvinden, uitgaande van ca. 2 boringen per hectare Tot in de top van het dekzand Edelmanboor met diameter 7 cm versnijden en/of verbrokkelen

Determinatie A. Muller en R. Machiels, ADC ArcheoProjecten.

17

De lithologische en bodemkundige kenmerken van de boringen zijn beschreven conform respectievelijk NEN 510413 en het Systeem voor de bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus14 en vastgelegd middels het invoerprogramma Deborah. De X- en Y-coördinaten en maaiveldhoogtes zijn ingemeten met een RTK-DGPS met een nauwkeurigheid van 1 cm. Indien sprake is van een redelijke tot goede vondstzichtbaarheid aan het maaiveld is tussen de boorpunten een (extensieve) oppervlaktekartering uitgevoerd. Archeologische indicatoren zijn verzameld en (indien mogelijk) worden gedetermineerd.

3.4

Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) Aanvullend Inventariserend Veldonderzoek

3.4.1 Oppervlaktekartering De extensieve oppervlaktekartering heeft geen vondsten opgeleverd. 3.4.2 Lithologische beschrijving verkennend booronderzoek De locatie van de boringen is weergeven in afb. 8. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 2. Het onderste pakket bestaat in boringen 1 tot en met 19 uit een zandige leem. Dit pakket wordt afgedekt door sterk tot matig siltig, matig fijn zand. In boringen 20 tot en met 23 bestaat het onderste pakket uit zwak siltig, matig fijn zand met humusvlekken. In boring 21 en 22 wordt het zwak siltige zand afgedekt door een laag sterk tot uiterst siltig, matig fijn zand. De hierboven beschreven pakketten kunnen worden geïnterpreteerd als een fluvioglaciale afzetting. De top ligt tussen 20 en 85 cm -mv (tussen 11,89 m+ NAP en 11,02 m m + NAP). De natuurlijke ondergrond betreft de C-horizont, in geen van de boringen zijn in de top aanwijzingen voor podzolisatie aanwezig. De bovengrond bestaat uit een 15 tot 45 cm dik (matig) humeus zandpakket, vaak met zandbrokken (bouwvoor). In boring 20 is een relatief dik verstoord pakket aanwezig, tot een diepte van 85 cm -mv. In boringen 13, 14 en 21 is bevindt zich onder de bouwvoor en boven de C-horizont een vlekkerige verstoorde laag. In boringen 1, 2, 3, 7, 8, 10, 11 is onder de bouwvoor of vanaf het maaiveld een pakket (rest) veen of relatief onverstoord sterk humeus zand aanwezig.

Het veen wordt ingedeeld bij de Formatie van Nieuwkoop en het Laagpakket van Griendtsveen. de bodem relatief diep verstoord, tot ca. 85 cm mv. Samengevat kunnen binnen het plangebied vier verschillende profieltypes worden onderscheiden (zie ook afb. 9): • • • •

Bouwvoor op C-horizont AC-profiel met sterk humeus zand of veen direct boven de C-horizont Bouwvoor op geroerde laag op C-horizont Verstoord tot diep in de C-horizont (dieper dan ca. 60 cm –mv).

13

Bosch 2005; Nederlands Normalisatie-Instituut 1989.

14

De Bakker e.a. 1989.

18

3.4.3 Interpretatie In afb. 10 is een top-zand hoogtekaart weergegeven. Uit deze kaart blijkt dat door het midden van het plangebied sprake lijkt te zijn van een lichte depressie, in het westen en noorden en zuidoosten zijn opduikingen. De hoogteverschillen zijn echter vrij subtiel, ca. 30 cm. Met name in het zuiden van het plangebied is een relatief intacte bodem, gekenmerkt door veenrestanten, aanwezig. Zoals eerder opgemerkt was het boorgrid ter plaatse van het beekdal niet intensief genoeg om fossiele beeklopen te reconstrueren.

19

4

Conclusies De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: •

Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De natuurlijke ondergrond bestaat uit fluvioperiglaciale afzettingen afgedekt met dekzand. Beide worden ingedeeld bij de Formatie van Boxtel. Ter plaatse van de beekdalen ontbreekt regelmatig het pakket dekzand en ligt direct onder de humeuze bovengrond een (gelaagd) pakket zandige leem of zand met leemlagen. Gezien het ontbreken van een afdekkende laag dekzand zijn de gelaagde lemige afzettingen mogelijk gerelateerd aan beken die zich in het dekzand hebben ingesneden. De afzettingen worden in dit geval ingedeeld bij het Laagpakket van Singraven (Formatie van Boxtel). In het oosten van het plangebied is de natuurlijk ondergrond voorzien van een grindige bijmenging die kan worden gerelateerd aan de aanwezigheid van de Rolderrug in de ondergrond. Ter plaatse van een aantal hoger gelegen delen van het plangebied is in de top van de natuurlijke ondergrond nog een restant van een B- of BC-horizont aanwezig. Ter plaatse van boringen in met name het beekdal is onder de bouwvoor nog een pakket (rest) veen of sterk humeus zand aanwezig. Het veen wordt ingedeeld bij de Formatie van Nieuwkoop en het Laagpakket van Griendtsveen. De bouwvoor bestaat overwegend uit een matig humeus zandpakket van ca. 15 tot 50 cm dik.

•

Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In het hele plangebied is de bovenste ca. 15 tot 50 cm omgewerkt. De aanwezigheid van B- of BC-horizonten ter plaatse van deelgebieden 2 en 11 wijzen op een deels intacte bodemopbouw. De oorspronkelijk aanwezige podzolbodems ter plaatse van deelgebieden 1 en 10 zijn afgetopt. In de beekdalen zijn lokaal depressies met veenresten aanwezig, hier is de bodem relatief intact. Ter plaatse van een noord-zuid lopende strook in deelgebieden 8 en 11 is sprake van diepe verstoringen die kunnen worden gerelateerd aan het gebruik als vloeiveld.

•

Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De relatief hoger gelegen delen van het plangebied waar een B- of BC-horizont aanwezig is worden beschouwd als archeologisch kansrijke zones.

•

Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? De B- en BC-horizonten liggen tussen 20 en 80 m –mv (tussen 12,01 en 13,75 m + NAP). Zijn er indicatoren aangetroffen die verband houden met het verwachte type archeologische vindplaats(en)? Bij het karterend booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Wel zijn in het zeefresidu van de karterende boringen die ter plaatse van deelgebied 11 zijn gezet vuursteenfragmenten met scherpe randen aangetroffen. Gezien de context (meerdere onbewerkte natuursteenfragmenten), de aanwezigheid van windlak en het ontbreken van werktuigen wordt geconcludeerd dat deze een natuurlijke oorsprong hebben.

•

In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Uit het bureauonderzoek is gebleken dat ter plaatse van de hoger gelegen delen van het plangebied resten van nederzettingen en jachtkampen aanwezig kunnen zijn. Uit het karterend booronderzoek ter plaatse van de hoger gelegen zones met B- of BC-horizonten zijn geen archeologische indicatoren naar voren gekomen. Hiermee kan de aanwezigheid van vindplaatsen met een matig-hoge vondstdichtheid en een oppervlakte van meer dan 1000m2 worden uitgesloten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het potentiële

20

vondstniveau relatief dicht aan het maaiveld ligt en een deel van het potentiële vondstniveau (de oorspronkelijk aanwezige A- en E-horizonten) zal zijn aangetast door ploegwerkzaamheden. Ter plaatse van de beekdalen met een relatief intacte bodem (veenrestanten) kunnen afvaldumps en rituele deposities aanwezig zijn. Dit geldt met name voor de zones die grenzen aan hoger gelegen dekzandkopjes. •

In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De in het plangebied eventueel aanwezige vindplaatsen worden bedreigd bij verstoringen dieper dan 20 cm. Bij werkzaamheden in het beekdal kunnen ook eventuele afvaldumps en rituele deposities worden verstoord bij verstoringen dieper dan 15 cm.

•

Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het karterend booronderzoek ter plaatse van de hoger gelegen zones met B- en BChorizonten heeft geen vondsten opgeleverd. Het karterend booronderzoek is uitgevoerd conform het advies in het bureauonderzoek en hiermee kan de aanwezigheid van vindplaatsen met een matig-hoge vondstdichtheid en een oppervlakte van meer dan 1000m2 worden uitgesloten. Vindplaatsen met een lagere vondstdichtheid, kleinere vindplaatsen en vindplaatsen die zich alleen manifesteren door middel van een sporenniveau kunnen nog wel aanwezig zijn. De kans op een archeologische resten is echter klein. Daarom wordt aanvullend onderzoek hier niet noodzakelijk geacht. Voor de werkzaamheden ter plaatse van zones binnen de beekdalen met een relatief intacte bodem (veenrestanten) wordt een extensieve begeleiding geadviseerd (zie afb. 11 voor ligging van de zones). Dit houdt in dat tijdens en na uitvoering van de graafwerkzaamheden de graafvlakken regelmatig gecontroleerd worden op de aanwezigheid van archeologische resten. Een archeoloog is dus niet permanent aanwezig bij de graafwerkzaamheden. Ook dient de kraanmachinist bij het blootleggen van archeologische sporen en vondsten tijdens de graafwerkzaamheden onmiddellijk contact dient op te nemen met de uitvoerend archeoloog.

Bij voorkeur heeft de kraanmachinist enige ervaring met archeologisch graafwerk. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Voor het gedeelte van zone 6 dat nog niet kon worden onderzocht doormiddel van booronderzoek – ter hoogte van aanvullende boringen 17 en 24 t/m 31 – blijft de verwachting vanuit het bureauonderzoek vooralsnog behouden. Deze verwachting is laag voor nederzettingen. Wel kunnen hier specifieke vindplaatsen aanwezig zijn zoals afvaldumps en rituele deposities, die vaak worden aangetroffen in en langs de randen van beekdalen. Aangezien dit gedeelte van zone 6 in dezelfde landschappelijke zone is gelegen als de delen van het beekdal waarvoor extensieve begeleiding is geadviseerd, wordt eenzelfde begeleiding ook voor dit niet onderzochte deel van zone 6 geadviseerd (afb. 11). De resterende boringen (17 en 24 t/m 31) kunnen voordat de geplande werken in dit deel van het plangebied worden gestart als controleboringen worden gezet, om te bepalen waar een intacte bodem (veenrestanten) aanwezig is en dus extensieve begeleiding plaats moet vinden.

21

5

Aanbeveling Voor de werkzaamheden ter plaatse van zones binnen de beekdalen met een relatief intacte bodem (veenrestanten) wordt een extensieve begeleiding geadviseerd (zie afb. 11 voor ligging van de zones). Dit houdt in dat tijdens en na uitvoering van de graafwerkzaamheden de graafvlakken regelmatig gecontroleerd worden op de aanwezigheid van archeologische resten. Een archeoloog is dus niet permanent aanwezig bij de graafwerkzaamheden. Ook dient de kraanmachinist bij het blootleggen van archeologische sporen en vondsten tijdens de graafwerkzaamheden onmiddellijk contact dient op te nemen met de uitvoerend archeoloog. Bij voorkeur heeft de kraanmachinist enige ervaring met archeologisch graafwerk. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Voor het gedeelte van zone 6 dat nog niet kon worden onderzocht doormiddel van booronderzoek – ter hoogte van aanvullende boringen 17 en 24 t/m 31 – blijft de verwachting vanuit het bureauonderzoek vooralsnog behouden. Deze verwachting is laag voor nederzettingen. Wel kunnen hier specifieke vindplaatsen aanwezig zijn zoals afvaldumps en rituele deposities, die vaak worden aangetroffen in en langs de randen van beekdalen.

Aangezien dit gedeelte van zone 6 in dezelfde landschappelijke zone is gelegen als de delen van het beekdal waarvoor extensieve begeleiding is geadviseerd, wordt eenzelfde begeleiding ook voor dit niet onderzochte deel van zone 6 geadviseerd (afb. 11). De resterende boringen (17 en 24 t/m 31) kunnen voordat de geplande werken in dit deel van het plangebied worden gestart als controleboringen worden gezet, om te bepalen waar een intacte bodem (veenrestanten) aanwezig is en dus extensieve begeleiding plaats moet vinden. Het onderzoek is uitgevoerd conform het advies in het bureauonderzoek en hiermee kan de aanwezigheid van vindplaatsen met een matig-hoge vondstdichtheid en een oppervlakte van meer dan 1000m2 worden uitgesloten. De aanwezigheid van vindplaatsen met een lage vondstdichtheid, een kleine omvang of alleen een sporenniveau ter plaatse van de hoger gelegen zones kan niet worden uitgesloten maar de kans op een waardevolle archeologische vindplaats is klein. Daarom adviseert ADC ArcheoProjecten om het resterende deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen.

Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeenten Emmen en Coevorden. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.

22

Literatuur Alterra, 2008: Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000; Landsdekkend digitaal bestand. Alterra, 2014: Bodemkaart van Nederland 1:50.000; Landsdekkend digitaal bestand. Bakker, H. de, J. Schelling, D.J. Brus & C. van Wallenburg, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland : de hogere niveaus. Wageningen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport NITG 05-043-A). Rensink, E. (red.), 2008: Archeologie en beekdalen. Schatkamers van het verleden. Uitgeverij Matrijs., Utrecht. Hoof, B.I., van, 2021: Netversterking Noord-Oost Nederland (NNON), locatie Veenoord-Boerdijk, gemeenten Emmen en Coevorden; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek. RAAP rapport 4945. Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Gouda. TNO, 2010: Geologische overzichtskaart van Nederland. 1:600 000. Utrecht. TNO, 2013: Lithostratigrafische Nomenclator van de Ondiepe Ondergrond, versie 2013. Tol, A.J., J.W.H.P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Gouda (SIKB uitgave, geactualiseerde versie).

23

Geraadpleegde websites http://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ http://maps.bodemdata.nl https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens

24

Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 1 Locatie van het plangebied Afb. 2 Detailkaart van het plangebied Afb. 3 Boorpuntenkaart met interpretatie Afb. 4 Top-zand hoogtekaart en boorpunten met interpretatie Afb. 5 Karterende boringen deelgebied 2 Afb. 6 Karterende boringen deelgebied 11 Afb. 7 Aangepast ontwerp naar aanleiding van de aanwezigheid van een dassenburcht Afb. 8 Plangebied en boringen naar aanleiding van aangepaste plannen Afb. 9 Boorpunten met interpretatie en zonering op basis van bureauonderzoek Afb. 10 Top-zand hoogtekaart en boorpunten met interpretatie Afb. 11 Zones voor vervolgonderzoek en boorpunten met interpretatie geprojecteerd op Top-zand hoogtekaart Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden.

25

Afb. 1 Locatie van het plangebied met indeling in deelgebieden

26

Afb. 2 Detailkaart van het plangebied, met landschappelijke zonering, onderzocht in de eerste fase van het inventariserend veldonderzoek.

27

Afb. 3 Boorpuntenkaart met interpretatie, van het gebied onderzocht in de eerste fase van het inventariserend veldonderzoek.

28

Afb. 4 Top-zand hoogtekaart en boorpunten met interpretatie, van het gebied onderzocht in de eerste fase van het inventariserend veldonderzoek.

29

Afb. 5 Karterende boringen deelgebied 2

30

Afb. 6 Karterende boringen deelgebied 11

31

Afb. 7 Aangepast ontwerp naar aanleiding van de aanwezigheid van een dassenburcht ter hoogte van deelgebied 6 en 9

32

Afb. 8 Plangebied en boringen naar aanleiding van aangepaste plannen ter hoogte van deelgebied 6 en 9

33

Afb. 9 Boorpunten met interpretatie en landschappelijke zonering op basis van bureauonderzoek ter hoogte van deelgebieden 6 en 9

34

Afb. 10 Top-zand hoogtekaart en boorpunten met interpretatie, in en rond deelgebied 6

35

Afb. 11 Zones voor vervolgonderzoek en boorpunten met interpretatie geprojecteerd op Top-zand hoogtekaart

Bijlage 1 Boorgegevens

Boring: 4230277_1 Kop algemeen: Projectcode: 4230277, Boornummer: 1, Beschrijver(s): GN MH, Datum: 25-10-2021, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 100 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 251030.164, Y-coördinaat in meters: 527111.309, Precisie coördinaat: 1 cm, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 11.875, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Drenthe, Gemeente: Coevorden, Opdrachtgever: Tauw, Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten 0 / 11.88 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 30, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Bodemkundige interpretatie: bouwvoor Archeologie: Puin onbepaald: enkel fragment 30 / 11.57 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 30, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 80, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-grijs-geel Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: zwak siltig, Mediaanklasse: matig fijn, Spreidingsklasse: matig slecht gesorteerd, Plantenresten: wortels-veel (>10%) Bodem: Bodemhorizont: C-horizont, Ijzer/mangaan: veel Fe-vlekken, Bodemkundige interpretatie:

gebioturbeerd 80 / 11.07 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 80, Ondergrens laag in cm: 100, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: leem, Bijmengsel: zwak zandig, Sublagen1: leemlagen-enkele-zeer dik Bodem: Bodemhorizont: C-horizont Einde boring 100 / 10.88

1 bron: 4230277 tennet emmen-coevorden zonder das - kopie.geojson - 12-11-2021 13:13:56

Bijlage 1 Boorgegevens

Boring: 4230277_2 Kop algemeen: Projectcode: 4230277, Boornummer: 2, Beschrijver(s): GN MH, Datum: 25-10-2021, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 85 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 251073.804, Y-coördinaat in meters: 527131.364, Precisie coördinaat: 1 cm, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 12.044, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Drenthe, Gemeente: Coevorden, Opdrachtgever: Tauw, Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten 0 / 12.04 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 30, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Brokken en vlekken: zandbrokken, Bodemkundige interpretatie: bouwvoor Archeologie: Puin onbepaald: fragmenten 30 / 11.74 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 30, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 70, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-grijs-geel Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: zwak siltig, Mediaanklasse: zeer fijn Bodem: Bodemhorizont: C-horizont, Ijzer/mangaan: enkele Fe- en Mn-vlekken 70 / 11.34 Laag algemeen: Bovengrens laag

in cm: 70, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 85, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: leem, Bijmengsel: zwak zandig Bodem: Bodemhorizont: C-horizont Einde boring 85 / 11.19

Boring: 4230277_3 Kop algemeen: Projectcode: 4230277, Boornummer: 3, Beschrijver(s): GN MH, Datum: 25-10-2021, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 90 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 251134.211, Y-coördinaat in meters: 526978.92, Precisie coördinaat: 1 cm, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 12.161, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Drenthe, Gemeente: Coevorden, Opdrachtgever: Tauw, Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten 0 / 12.16 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 30, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Mediaanklasse: matig fijn 30 / 11.86 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 30, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 85, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-grijs-geel Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: zwak siltig, Mediaanklasse: zeer fijn Bodem: Bodemhorizont: C-horizont, Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken 85 / 11.31 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 85, Ondergrens laag in cm: 90, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: leem, Bijmengsel: zwak zandig

Bodem: Bodemhorizont: C-horizont Einde boring 90 / 11.26

2 bron: 4230277 tennet emmen-coevorden zonder das - kopie.geojson - 12-11-2021 13:13:56

Bijlage 1 Boorgegevens

Boring: 4230277_4 Kop algemeen: Projectcode: 4230277, Boornummer: 4, Beschrijver(s): GN MH, Datum: 25-10-2021, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 100 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 251124.263, Y-coördinaat in meters: 527023.98, Precisie coördinaat: 1 cm, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: 12.361, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: GPS Plaats: Provincie: Drenthe, Gemeente: Coevorden, Opdrachtgever: Tauw, Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten 0 / 12.36 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 35, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Mediaanklasse: matig fijn Bodem: Brokken en vlekken: zandbrokken, Bodemkundige interpretatie: bouwvoor Laag opmerking: Opmerking: onderin brokken 35 / 12.01 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 35, Ondergrens laag in cm: 45, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-bruin Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: zwak siltig, Mediaanklasse: zeer fijn Bodem: Bodemhorizont: BC-horizont 45 / 11.91 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 45, Ondergrens laag in cm: 70, Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-geel-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: zwak

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=f6869d50-2b77-41cc-92ec-c6d30bafca44