Bijlage 1d - Nader onderzoek vleermuizen
Tekst van het document
Ecologisch onderzoek Parallelweg Emmen BJZ.nu
Ecologisch onderzoek Parallelweg Emmen BJZ.nu
In opdracht van
Contactpersoon Telefoon E-mail Datum Rapportagenummer
Hoofdkantoor
Opsteller Telefoon E-mail Paraaf
Kwaliteitscontrole Paraaf
BJZ.nu Euclideslaan 265 3584 BV Utrecht Mevr. Tjitske Dalderup 06-59818673 tjitske@bjz.nu 21 september 2022 NIRP20220166
NatuurInclusief Korenbree 23A 7271 LH Borculo 0545 723032 info@natuurinclusief.nl www.natuurinclusief.nl Lana Scheers 054 5723032 lanascheers@natuurinclusief.nl
Angelo Grievink
NatuurInclusief is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van NatuurInclusief; opdrachtgever vrijwaart NatuurInclusief voor aanspraken va n derden in verband met deze toepassing. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/ of openbaar worden gemaakt d.m.v. fotokopie, microfilm of op welke ander e wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever hierboven aangegeven en NatuurInclusief, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd .
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................. 4 1
Inleiding ............................................................................................................. 5 1.1
2
3
Onderzoekslocatie .................................................................................................. 6 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie ................................................................................ 6
2.2
Geplande ingreep ............................................................................................... 7
Onderzoeksmethode ................................................................................................ 8 3.1
4
Leeswijzer ....................................................................................................... 5
Vleermuisonderzoek ............................................................................................ 8
Resultaten ......................................................................................................... 10 4.1
Vleermuisonderzoek .......................................................................................... 10
Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus pipistrellus.............................................................. 10 Laatvlieger – Eptesicus serotinus................................................................................. 10 5
6
Effectenbeoordeling .............................................................................................. 12 5.1
Effecten op beschermde soorten ............................................................................ 12
5.2
Kans op overtreding .......................................................................................... 12
5.3
Vrijstellingsmogelijkheden ................................................................................... 12
5.4
Algemene zorgplicht .......................................................................................... 12
5.5
Noodzaak aanvraag ontheffing beschermde soorten en verbodsbepalingen .............................. 13
Conclusie + aanbeveling .......................................................................................... 14
Literatuur............................................................................................................... 15
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Bijlage 1 Wetgeving .................................................................................................... 16
NatuurInclusief
3
Samenvatting IAA Architecten is voornemens om het pand aan de Parallelweg in Emmen te slopen en 12 nieuwbouw woningen te plaatsen. In het kader van de Wet natuurbescherming heeft BJZ.nu, NatuurInclusief ingeschakeld om aanvullend ecologisch onderzoek uit te voeren naar vleermuizen. In deze rapportage zijn de resultaten beschreven van het onderzoek. Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied is geen onderdeel van een essentieel foerageergebied. De geplande werkzaamheden resulteren niet in het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen verbodsbepalingen overtreden. Het is daarom niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen bij Provincie Drenthe, aanvullende en compenserende maatregelen zijn niet noodzakelijk. Wel geldt de zorgplicht die stelt dat effecten redelijkerwijs zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, beperkt
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
of ongedaan moeten worden gemaakt (art. 1.11 Wnb).
NatuurInclusief
4
1 Inleiding IAA Architecten is voornemens om het pand aan de Parallelweg in Emmen te slopen en 12 nieuwbouw woningen te plaatsen. Voordat deze werkzaamheden worden uitgevoerd, moet de ingreep worden getoetst aan de natuurwet- en regelgeving. De Wet natuurbescherming verplicht vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen aanwezige beschermde plant - of diersoorten en groei- of verblijfplaats aantasten. Uit de quickscan is naar voren gekomen dat het plangebied mogelijk geschikt is voor vleermuizen. Vleermuizen zijn beschermd volgens het beschermingsregime Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming (art. 3.5 Wnb). Hieruit volgend heeft NatuurInclusief dan ook in de periode van april – september 2022 aanvullend vleermuisonderzoek, uitgevoerd. Voorliggende rapportage betreft een overzicht met de resultaten van het vleermuisonderzoek en een aanbeveling voor vervolgstappen.
1.1
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt omschreven hoe de onderzoekslocatie eruitziet, hoe deze momenteel gebruikt wordt en wat de opdrachtgever van plan is in het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bespreekt de onderzoeksmethodiek. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten weer en in hoofdstuk 5 worden de mogelijke effecten beschreven en in hoofdstuk
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
6 wordt afgesloten met de conclusie en aanbevelingen.
NatuurInclusief
5
2 Onderzoekslocatie 2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
Het projectgebied is gelegen aan de Parallelweg te Emmen, gemeente Emmen in de provincie Drenthe. Het middelpunt van het projectgebied bevat de coördinaten N 52.788971, E 6.900303). Het projectgebied bestaat uit een kantoorgebouw met twee verdiepingen. Verder is het plangebied gevuld met erfverharding in de vorm van opritten, parkeerplaatsen en wandelpaden, intensief beheerd gazon en struweel, zie figuur 2 voor een impressie. In figuur 1 is het projectgebied op een topografische kaart weergegeven.
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Figuur 1 Begrenzing totale onderzoekslocatie
Figuur 2 impressie van het projectgebied
NatuurInclusief
6
2.2
Geplande ingreep
IAA Architecten is voornemens om het pand aan de Parallelweg in Emmen te slopen en 12 nieuwbouw woningen te plaatsen.
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Figuur 3 Verbeelding van een mogelijk eindbeeld (Bron: Ska-Pa).
NatuurInclusief
7
3 Onderzoeksmethode 3.1
Vleermuisonderzoek
Het aanvullend vleermuisonderzoek richt zich op de gebruiksfunctie van vleermuizen in het gebied. Er wordt gekeken of er verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes in- en rondom het onderzoeksgebied aanwezig zijn. Tevens wordt er gekeken naar de soortensamenstelling en aantallen van de voorkomende vleermuizen in het gebied. De onderzoekslocatie is door deskundige medewerkers van NatuurInclusief onderzocht tijdens voor vleermuizen gunstige weersomstandigheden. De methodiek van het inventariseren is bepaald aan de hand van de soort specifieke kennisdocumenten van BIJ12 en het Protocol Vleermuisinventarisaties (januari 2021) opgesteld door Vleermuisvakberaad, Netwerk Groene Bureaus, de Zoogdiervereniging en de Gegevensautoriteit Natuur. Om gedurende het onderzoek voldoende overzicht te houden is het zomer- en kraamonderzoek door vier personen uitgevoerd en het paaronderzoek door twee personen, in het kader van veiligheid (zie figuur 2). Gedurende het aanvullend vleermuisonderzoek zijn er vijf veldbezoeken uitgevoerd. Er zijn drie veldbezoeken uitgevoerd in de zomer- en kraamperiode (15 mei – 15 augustus) en twee veldbezoeken in de paar- en massawinterperiode (15 augustus – 10 september), zie Tabel 2 voor de specificaties van de bezoeken. Tijdens het zomer- en kraamonderzoek is er gekeken naar in- en uitvliegende dieren.
Het onderzoek heeft plaats gevonden tijdens het uit- of invliegtijdstip van vleermuizen, respectievelijk rond zonsondergang en -opkomst. Tijdens het paar- en massawinteronderzoek is er gekeken naar de balts-, paar- en massawinterverblijfplaatsen van vleermuizen. Deze bezoeken vonden plaats tussen 00:00 en 02:00 uur. Voor het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector Pettersson M500-384. De opgenomen geluiden zijn, indien dat noodzakelijk
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
was, geanalyseerd met specifieke software, zoals BatExplorer, versie 2.1.7.0.
NatuurInclusief
8
Figuur 2 Indeling deelgebieden
Datum 18 mei 2022
1 juni 2022
28 juni 2022
17 augustus 2022 2 september 2022
Deelgebied
Tijdstip
Type onderzoek
03:31 – 05:31 uur
Zomer- en kraamverblijfplaatsen
1 t/m 4
Zomer- en kraamverblijfplaatsen
1 t/m 4
21:43 – 23:43 uur
Zomer- en kraamverblijfplaatsen
1 t/m 4
21:52 – 23:52 uur 00:00 – 02:00 uur
Paarverblijfplaatsen/massaw inter
1 t/m 4
Paarverblijfplaatsen/massaw inter
1 t/m 4
00:00 – 02:00 uur
Vliegroutes
Temperatuur
Windkracht
Bewolking
± 16oC
1 Bft
Licht bewolkt
± 13oC
1 Bft
Licht bewolkt
± 18oC
1 Bft
Licht bewolkt
± 20oC
1 Bft
Licht bewolkt
± 14oC
2 Bft
Onbewolkt
Foerageerbieden Vliegroutes Foerageerbieden Vliegroutes Foerageerbieden Vliegroute Foerageergebieden Vliegroutes Foerageergebieden
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Tabel 2 Data uitgevoerde veldbezoeken vleermuisonderzoek
9
4 Resultaten 4.1
Vleermuisonderzoek
Gedurende het onderzoek zijn drie soorten vleermuizen in het plangebied aangetroffen, namelijk gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Gewone dwergvleermuis - Pipistrellus pipistrellus De gewone dwergvleermuis is de meest algemeen voorkomende vleermuissoort in Nederland. De kleine bruin gekleurde vleermuis is een flexibele soort die zowel in gesloten als open landschappen, van stadcentra tot op het platteland voorkomt. De soort is een echt gebouwbewonende soort waarbij hij een voorkeur heeft voor spleetvormige holten in spouwmuren, achter gevelbekleding en onder daken. In de kraam- en winterperiode kan het aantal dieren bij elkaar variëren van enkele tientallen tot tweehonderd dieren. Foerageren doet de gewone dwergvleermuis vaak langs lijnvormige structuren van de opgaande vegetatie, langs bosranden, de bebouwing, bij water maar daarnaast ook vaak in tuinen en rond straatlantaarns. Tijdens de veldbezoeken is de gewone dwergvleermuis het meest in- en rond de onderzoekslocatie aangetroffen. Het gaat hierbij om één tot drie individuen per bezoek. De soort is zowel overvliegend- als foeragerend aangetroffen. Verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken in de zomer-kraam periode zijn er geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen.
Tijdens de veldbezoeken in de paar- en massawinterperiode zijn er geen paarterritoria, paarverblijfplaatsen of massawinterverblijfplaatsen aangetroffen. Foerageergebieden en vliegroutes Gedurende de meeste avondbezoeken is foeragerend gedrag in het plangebied aangetroffen. Het ging per ronde om een tot drie individuen. De dieren foerageerden aan de noordzijde bij de parkeerplaats en aan de westzijde langs de weg. De piekactiviteit was een half uur na zonsondergang en een uur voor zonsopkomst. Kijkend naar het verloop van de foerageeractiviteit door de onderzoeksronde heen, de hoeveelheid dieren en de vele alternatieven in de directe omgeving is het foerageergebied binnen het plangebied als niet essentieel te beoordelen. Gedurende de veldbezoeken in de zomer-, kraam-, paar- en massawinterperiode zijn er geen vliegroutes
Laatvlieger – Eptesicus serotinus De laatvlieger is een algemeen voorkomende soort in Nederland. Het is één van de grootste vleermuissoorten die in Nederland voorkomt. Het is een echt gebouwbewonende soort, verblijfplaatsen zijn onder andere veelal te vinden achter boeiboorden, achter gevelbekleding, achter dakgoten, lood langs de schoorstenen, in spouwmuren en op zolders. Kraamverblijfplaatsen bestaan uit tien tot zestig en soms tot driehonderd vrouwtjes. De mannetjes verblijven ergens anders, soms in groepjes van 20 dieren. Het foerageren vindt plaats langs bosranden, heggen, lanen maar ook boven weilanden en langs structuurrijke randen van bebouwing, parken en waterpartijen. De soort foerageert soms in kleine groepjes van circa 20 dieren op dezelfde locatie. De afstand van verblijfplaats tot foerageergebied kan verschillen tussen de 4.5 tot 10 kilometer. Laatvlieger is tijdens alle veldbezoeken in het plangebied waargenomen. Het ging bij alle waarnemingen om een kort foeragerend individu of een eenmalige passage van één individu. NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
waargenomen in het plangebied. Door het gebrek aan vliegroutes kan geconcludeerd worden dat er voldoende alternatieve in de directe omgeving aanwezig zijn.
10
Verblijfplaatsen Tijdens de veldbezoeken zijn er geen aanwijzingen verkregen die duiden op enige aanwezigheid van rust - en/of verblijfplaatsen van de laatvlieger binnen het plangebied. Foerageergebieden en vliegroutes Tijdens de veldbezoeken op 18 mei is een foeragerende laatvlieger aangetroffen, deze was kort aanwezig binnen het plangebied en vertrok daarna uit het plangebied. Tijdens de andere veldbezoeken is laatvlieger alleen overvliegend aangetroffen. Het ging hierbij om een enkel individu. Aangezien er alleen tijdens één ronde een foeragerende laatvlieger is waargenomen kan worden geconcludeerd dat er voldoende alternatieve foerageergebieden in de directe omgeving aanwezig zijn. Tijdens de onderzoeksrondes zijn geen vliegroutes waargenomen, door het ontbreken van een vliegroute kan worden geconcludeerd dat er voldoende alternatieve in de directe omgeving aanwezig zijn. Aangezien laatvlieger alleen overvliegend en kort foeragerend is aangetroffen in het gehele plangebied, zijn er geen aanwijzingen verkregen die duiden op enige aanwezigheid
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
van essentiële vliegroutes of foerageergebied voor deze soort.
NatuurInclusief
11
5 Effectenbeoordeling 5.1
Effecten op beschermde soorten
Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat er geen verblijfplaatsen zijn aangetroffen van vleermuizen. Er zijn geen essentiële vliegroutes of foerageergebied voor vleermuizen aangetroffen.
5.2
Kans op overtreding
In het plangebied en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen verbodsbepalingen overtreden. Wel geldt de zorgplicht die stelt dat effecten redelijkerwijs zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan moeten worden gemaakt (art. 1.11 Wnb). De zorgplicht kan worden aangehouden door algemene voorzorgsmaatregelen (zie paragraaf 5.4). Er zijn geen vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Op de soorten met een jaarrond beschermd nest na zijn de eventueel in gebruik zijnde nesten en rustplaatsen van vogels buiten de gebruiksperiode niet beschermd. Gedurende de gebruiksperiode geldt een algeheel verbod op het beschadigen en vernielen van nesten en rustplaatsen en het zodanig verstoren van deze plaatsen dat dit ten koste gaat van de functionaliteit (art. 3.1, lid 2 Wnb). Er is geen wettelijk vastgestelde periode als gebruiksperiode. Voor de wet is er sprake van een gebruiksperiode als er sprake is van een broedgeval of rustende vogel. Zonder het treffen van maatregelen kunnen verbodsbepalingen worden overtreden. Door het treffen van algemene voorzorgsmaatregelen kan overtreding worden voorkomen (zie paragraaf 5.4).
Verstoring van exemplaren van vogels is alleen verboden als dit leidt tot een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de desbetreffende soorten (art. 3.1, lid 4 en 5 Wnb). Er zijn geen zodanig zeldzame of kwetsbare vogelsoorten aangetroffen dat er sprake zou kunnen zijn van een wezenlijke invloed als exemplaren worden verstoord. Overtreding van deze verbodsbepaling is niet aan de orde.
5.3
Vrijstellingsmogelijkheden
Algemene vrijstelling Niet van toepassing omdat er geen verbodsbepalingen worden overtreden.
Niet van toepassing omdat er geen verbodsbepalingen worden overtreden. Daarnaast is een vrijstelling door te werken conform een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode niet van toepassing. Door het treffen van maatregelen kunnen effecten worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de zorgplicht (zie paragraaf 5.4 en 5.5).
5.4
Algemene zorgplicht
Vanwege de zorgplicht (art. 1.11 Wnb) wordt aanbevolen de volgende maatregelen te nemen om effecten op vrijgestelde beschermde soorten en in de invloedsfeer voorkomende bedreigde soorten te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken:
Werken buiten kwetsbare perioden: de meeste diersoorten planten zich voort in de periode vanaf maart tot en met juli. Als de werkzaamheden buiten deze periode worden uitgevoerd kunnen de meeste diersoorten
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Werken volgens gedragscode
12
zich voortplanten, waardoor de effecten op de lokale populaties minder groot zijn; (wel letten op andere
maatregelen en eventuele kwetsbare winterperiode) Dieren de gelegenheid geven te vluchten: door één richting uit te werken, hebben mobiele diersoorten de tijd en ruimte om de verstorende werkzaamheden te ontvluchten.
Ongeschikt maken biotopen: door vegetatie zeer kort te maaien voorafgaand aan de werkzaamheden, zullen mobiele diersoorten het werkgebied verlaten en zullen zij geschikte bi otopen in de omgeving opzoeken. Daardoor kan doden en verwonden worden voorkomen.
Dit zijn algemene voorzorgsmaatregelen die wij aanbevelen. Let wel, dit zijn geen verplichte maatregelen om overtredingen te voorkomen, maar aanbevolen maatregelen ter invulling van de zorgplicht.
5.5
Noodzaak aanvraag ontheffing beschermde soorten en verbodsbepalingen
De geplande werkzaamheden resulteren niet in een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het is daarom
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen bij Provincie Drenthe, aanvullende en compenserende maatregelen zijn niet noodzakelijk.
NatuurInclusief
13
6 Conclusie + aanbeveling Binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied is geen onderdeel van een essentieel foerageergebied. De geplande werkzaamheden resulteren niet in het vernietigen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Er worden met de voorgenomen werkzaamheden geen verbodsbepalingen overtreden. Het is daarom niet noodzakelijk een ontheffing aan te vragen bij Provincie Drenthe, aanvullende en compenserende maatregelen zijn niet noodzakelijk.
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Wel geldt de zorgplicht die stelt dat effecten redelijkerwijs zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, beperkt of ongedaan moeten worden gemaakt (art. 1.11 Wnb).
NatuurInclusief
14
Literatuur
Bij12, juli 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis, versie 1.0. Bij12, Utrecht.
Bij12, juli 2017. Kennisdocument huismus, versie 1.0 Bij12, Utrecht. Bij12, juli 2017. Kennisdocument Gierzwaluw, versie 1.0 Bij23, Utrecht.
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, 2014. Soortenstandaard gewone dwergvleermuis, versie 2.0.
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Limpens, H., Mostert, K. & Bongerd, W. (1997). Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. KNNV Uitgeverij. Utrecht.
Korsten, E. (2012). Vleermuiskasten. Overzicht van toepassing, gebruik en succesfactoren. Bureau Waardenburg bv, Culemborg
Korsten, E., Limpens, H., Bouwman H. & Reinhold J.
Landschapsbeheer Flevoland, Lelystad. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en Gegevensautoriteit Natuur (20 21).
(2011). Vleermuisvriendelijk
bouwen,
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Vleermuisprotocol 2021.
NatuurInclusief
15
Bijlage 1 Wetgeving Wet natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie wetten, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. De bevoegdheid ligt grotendeels bij de provincies. Zij zijn verantwoordelijk voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten bij bijvoorbeeld Natura
2000-gebieden
(de
gebiedsbeschermingsbepalingen)
en
dier-
en
plantensoorten
(de
soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid blijft het Rijk bevoegd gezag. De Wet natuurbescherming is onder te verdelen in 3 onderdelen: de bescherming van Natura 2000-gebieden, de bescherming van soorten en de bescherming van houtopstanden. Bescherming van Natura 2000-gebieden Natura 2000-gebieden in Nederland zijn onderdeel van een Europees netwerk aan natuurgebieden waar belangrijke flora en fauna duurzaam beschermd worden. Al deze gebieden zijn belangrijk om de Europese biodiversiteit te waarborgen. De in Nederland aangewezen Natura 2000-gebieden worden beschermd onder de Wet natuurbescherming, voorheen de Natuurbeschermingswet 1998. In Nederland zijn er ruim 160 natuurgebieden aangewezen als Natura 2000-gebieden. Voor ieder Natura 2000-gebied zijn er een instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor specifieke habitattypen en fauna in het aanwijzingsbesluit. De instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd in termen van behoud/uitbreiding van de omvang van het habitattype of leefgebied en behoud/verbetering van de kwaliteit van het habitattype of het leefgebied. Bij vogels is vaak ook een doelaantal opgenomen voor het aantal broedparen of aantal vogels (bij overwinterende soorten). Dit aantal zegt ook vooral iets over de benodigde draagkracht van het Natura 2000 -gebied.
Bij soorten is vaak ook een doelstelling voor de populatie opgenomen, in termen van behoud of uitbreiding. In het Natura 2000beheerplan worden de instandhoudingsdoelen in ruimte en tijd uitgewerkt. Zodra een gebied is aangewezen, dient voor alle projecten die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar kunnen brengen (een significant negatief effect) een vergunning te worden aangevraagd. Dit geldt niet alleen voor ingrepen binnen deze beschermde gebieden, maar ook voor ingrepen daarbuiten als deze een (negatief) effect hebben op de instandhoudingsdoelen. Een vergunning moet worden aangevraagd bij de provincie of het Rijk (RVO). Bij een omgevingsvergunning kan de aanvraag worden aangehaakt voor beschermde gebieden, dan is de gemeente veelal het bevoegd gezag. Bescherming van soorten •
vogelsoorten van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 Wnb),
•
strikt beschermde soorten conform de Habitatrichtlijn bijlage IV, Conventie van Bern bijlage I en II en de Conventie van Bonn bijlage I (paragraaf 3.2 Wnb), en
•
de andere beschermde soorten, genoemd in bijlage A en B van de wet (paragraaf 3.3 Wnb).
De beschermingsregimes en bijbehorende verbodsbepalingen zijn hieronder nader toegelicht. Beschermingsregime Vogelrichtlijn Hieronder vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Handelingen die de wet verbiedt zijn: •
Artikel 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen;
•
Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, beschadigen of nesten van vogels weg te nemen;
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Er zijn in de basis van de Wet natuurbescherming 3 soortenbeschermingsregimes van toepassing:
16
•
Artikel 3.1 lid 3: Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;
•
Artikel 3.1 lid 4 en lid 5: het is verboden vogels opzettelijk te verstoren, tenzij de verstoring niet wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
De verbodsbepalingen met betrekking tot nesten en rustplaatsen hebben in de regel alleen betrekking op nesten en rustplaatsen die in gebruik zijn. Onder de bescherming van deze plaatsen worden ook de essentiële onderdelen van het leefgebied verstaan die nodig zijn om het nest of rustplaats ecologisch gezien te lat en functioneren. De verbodsbepalingen gelden niet buiten het broedseizoen als de nesten en rustplaatsen niet meer in gebruik zijn. Voor enkele soorten die ieder jaar terug keren naar hetzelfde nest of van het nest afhankelijk zijn geldt dat deze jaarrond beschermd zijn. Onder bepaalde voorwaarden mogen de verboden handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen vastgesteld per provinciale verordening of ministeriële regeling. Daarnaast geldt er een vrijstelling als aantoonbaar wordt gewerkt conform een toepasbare en een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Gelden er geen vrijstellingen, dan is een ontheffing nodig om verbodsbepalingen te mogen overtreden. Een ontheffing kan bij de provincie of het Rijk worden aangevraagd, afhankelijk van het gezag dat bevoegd is voor ontheffingverlening voor de handeling (het Rijk alleen voor ‘interprovinciale handelingen’, zoals handelingen door Rijkswaterstaat, Defensie of handelingen aan hoofd(spoor)wegen).
Een ontheffing kan verkregen worden als er wordt voldaan aan de volgende criteria (art. 3.3, lid 4 Wnb): a. b.
er geen andere bevredigende oplossing is; er een geldig belang is: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora of fauna;
•
voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of
•
om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c.
en als de handelingen niet leiden tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort.
Beschermingsregime Habitatrichtlijn Soorten die staan in de Habitatrichtlijn bijlage IV, het Verdrag van Bern bijlage I en II en bijlage I van het Verdrag •
Artikel 3.5 lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, met uitzondering van de soorten, bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren;
•
Artikel 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen;
•
Artikel 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen;
•
Artikel 3.5 lid 5: Het is verboden plantensoorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
van Bonn. Handelingen die de wet verbiedt zijn:
17
Belangrijke noot is dat onder de bescherming van voortplantings- en rustplaatsen ook de essentiële onderdelen van het leefgebied worden verstaan die nodig zijn om deze ecologisch gezien te laten functioneren. Onder bepaalde voorwaarden mogen de verboden handelingen wel uitgevoerd worden. Er is dan een ontheffing of vrijstelling nodig. Er zijn vrijstellingen vastgesteld per provinciale verordening of ministeriële regeling. Daarnaast geldt er een vrijstelling als aantoonbaar wordt gewerkt conform een toepasbare en een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Gelden er geen vrijstellingen, dan is een ontheffing nodig om verbodsbepalingen te mogen overtreden. Een ontheffing kan bij de provincie of het Rijk worden aangevraagd, afhankelijk van het gezag dat bevoegd is voor ontheffingverlening voor de handeling (het Rijk alleen voor ‘interprovinciale handelingen’, zoals handelingen door Rijkswaterstaat, Defensie of handelingen aan hoofd(spoor)wegen). Een ontheffing kan verkregen worden als er wordt voldaan aan de volgende criteria (art. 3.8, lid 5 Wnb): a. b.
er geen andere bevredigende oplossing is; er een geldig belang is: •
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
•
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
•
voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of
•
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
c.
er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Beschermingsregime andere beschermde soorten
•
Artikel 3.10 lid 1, onderdeel a: in het wild levende dieren opzettelijk te doden of te vangen;
•
Artikel 3.10 lid 1, onderdeel b: Het is verboden de vaste voortplanting splaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen;
•
Artikel 3.10 lid 1c: vaatplanten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Voor deze soorten gelden in principe dezelfde vrijstellings- en ontheffingscriteria als bij het beschermingsregime Habitatrichtlijn, maar zijn er een groot aantal aanvullende wettelijke belangen opgenomen om vrijstelling of ontheffing te kunnen verlenen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor andere beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Wel blijft de zorgplicht geldig. De vrijstelling verschilt per provincie en geldt in het algemeen voornamelijk voor ruimtelijke ingrepen, bestendig beheer en onderhoud en bestendig gebruik. De totale Lijst beschermde soorten Wnb is te vinden op de website van NatuurInclusief. 1
1 https://www.natuurinclusief.nl/kennisloket/
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Dit zijn de soorten die genoemd worden in de bijlage van Wet natuurbescherming. Onder dit beschermingsregime is het verboden om:
18
In hele specifieke gevallen zijn bepaalde handelingen bij wet uitgezonderd van de verbodsbepalingen die hiervoor zijn genoemd. Deze gevallen zijn niet in dit beknopte overzicht opgenomen, voor zover niet relevant voor deze toetsing. Zorgplicht Voor alle soorten geldt de zorgplicht. De bescherming van soorten gaat uit van de intrinsieke waarde van alle dieren en planten. Daar moet zorgvuldig mee omgaan worden. Daarom is de zorgplicht in artikel 1.11 van de wet opgenomen. De zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving en voor Natura 2000-gebieden. Voorkomen, beperken en ongedaan maken van nadelige effecten (= geen effect op de gunstige staat van instandhouding) zijn hierbij sleutelwoorden. Houtopstanden Het hoofdstuk Houtopstanden in de Wet natuurbescherming is de implementatie van de oude Boswet in de wet. De Boswet had tot doel om bossen te beschermen. Hoewel de Wnb nog steeds als doel heeft om bossen en houtopstanden te beschermen, zijn er meer mogelijkheden om vrijstelling of ontheffing te krijgen van de herplantplicht. De handhaving ligt in principe bij de provincies en in sommige gevallen (bijv. handelingen van Rijkswaterstaat, Defensie) bij het Ministerie van LNV, Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Uitgangspunt is dat wat bos is in principe bos moet blijven.
Er mag dus geen netto oppervlakte bos verdwijnen. De bescherming van houtopstanden heeft betrekking op alle beplantingen van bomen groter dan 10 are, en op rijbeplanting van meer dan 20 bomen. Dit geldt voor beplantingen buiten de bebouwde kom houtopstanden (zie daarvoor het bestemmingsplan van de betreffende gemeente). Deze wijkt vaak af van de bebouwde kom verkeerswet (!), hoewel er steeds meer gemeenten deze komgrenzen samentrekken. Uitzonderingen van beplantingen die niet onder de boswet vallen (art. 4.1 Wnb) zijn; •
houtopstanden binnen de bebouwde kom houtopstanden (dan geldt alleen de APV);
•
houtopstanden op erven of in tuinen;
•
fruitbomen en windschermen om boomgaarden;
•
kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
•
kweekgoed;
•
uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen, en eenrijige
•
het dunnen van een houtopstand;
•
uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa (indien ten minste eens per tien jaar worden geoogst, bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare en zijn aangelegd na 1 januari 2013).
Ook het dunnen en afzetten van hakhout en grienden is toegestaan. Meldingsplicht Wanneer een houtopstand gekapt wordt, of er andere maatregelen genomen worden die (eventueel indirect) tot het verminderen van het oppervlakte bos leiden, geldt een meldingsplicht. De provincie kan aan de hand van een kapmelding ervoor kiezen om een kapverbod op te leggen, voor ten hoogste vijf jaar, ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden. Indien wordt gewerkt met een goedgekeurde gedragscode, geldt er geen meldingsplicht of verplichting om binnen 3 jaar te herplanten (art. 4.4, lid 1, onderdeel d en art. 4.4, lid 2). Een gedragscode wordt goedgekeurd, als daarin een werkwijze is opgenomen die waarborgt dat: •
er geen afbreuk wordt gedaan aan bijzondere natuur- of landschapswaarden; NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
beplantingen langs landbouwgronden;
19
•
de te vellen houtopstanden geen deel uitmaken van een boskern;
•
herbeplanting op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaatsvindt;
•
de grond waarop herbeplanting plaatsvindt ten minste dezelfde kwaliteit heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond;
•
de grond waarop de herbeplanting plaatsvindt ten minste een gelijke oppervlakte heeft als de grond waarop de gevelde houtopstand zich bevond.
Een voorbeeld van een dergelijke gedragscode is de Gedragscode houtopstanden en hakhoutbeheer van TenneT. Herplantplicht Daarnaast geldt voor boskap een herplantplicht. Aan de herplantplicht moet zijn voldaan binnen drie jaar na kap. Geldt er een herplantplicht, maar kan deze niet worden uitgevoerd op het oorspronkelijke perceel, dan kan er compensatie plaatsvinden door de herplant te realiseren op een ander perceel. De voorwaarden om van deze mogelijkheid gebruik te mogen maken (bijvoorbeeld overcompensatie) verschillen per provincie. Zo heeft provincie Utrecht een compensatiebank opgezet om op gewenste plekken te kunnen her planten en een initiatiefnemer niet zelf op zoek hoeft naar een perceel voor compensatie. Vrijstellingen of ontheffingsmogelijkheden De herplantplicht van bos geldt niet voor: •
maatregelen ten behoeve van natuurontwikkelingen (in het kader van het halen va n instandhoudingsdoelstellingen N2000 en opgelegde mitigatie of compensatie in het kader van vergunningen of ontheffingen)
•
creëren of onderhouden van brandgangen
•
houtkap voor biomassaplantages (art. 4.4, lid 1, onderdeel a t/m c Wnb).
Ook kunnen provincies vrijstellingsregels of nadere regels voor een ontheffing opstellen voor de herplantplicht. Daarnaast zijn er in de meeste provincies wel meer vrijstellingsmogelijkheden voor natuurontwikkeling, waaronder voor de ontwikkeling van gewenste natuurbeheertypen of als houtopstanden verloren gaan door vernatting door natuurlijke processen of anti-verdrogingsmaatregelen.
Natuurnetwerk Nederland Naast de bescherming van gebieden door de Wet natuurbescherming, is er tevens sprake van een beleidsmatige bescherming van bepaalde natuurgebieden waar rekening mee moet worden gehouden bij ruimtelijke ingrepen. Dit betreft de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan (NBP). De benaming NNN komt voort uit het Natuurpact van 18 september 2013. Daarin zijn tussen het Rijk en de provincies nieuwe afspraken gemaakt, waaronder over de herijking van de EHS en de nieuwe benaming NNN. 2 Het NNN is een netwerk van gebieden in Nederland waar de natuur (plant en dier) in feite voorrang heeft. Het netwerk moet voorkomen dat planten en dieren door isolatie van gebieden uitsterven en dat de Nederlandse biodiversiteit afneemt. Het NNN is samengesteld uit: •
Natura 2000-gebieden, bestaande natuurgebieden, reservaten en natuurontwikkelingsgebieden en (robuuste) verbindingen.
•
Landbouwgebieden met mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer (beheersgebieden).
•
Grote wateren (zoals de kustzone van de Noordzee, het IJsselmeer en de Waddenzee).
Zie: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2013/09/18/natuurpact-ontw ikkeling-en-beheer-van-natuur- innederland 2
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
Begrenzing Het Natuurnetwerk Nederland (NNN; tot voor kort: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) werd in 1990
20
Het is lang de bedoeling geweest dat het NNN in 2018 helemaal gerealiseerd zou zijn, maar inmiddels is duidelijk dat dit niet haalbaar is. Het kabinet Rutte-Assher heeft in het onderhandelingsakkoord van 20 september 2011 aangegeven dat de provincies het NNN in 2021 afronden. Het ambitieniveau is bovendien verminderd, zo worden vermoedelijk de robuuste verbindingen niet gerealiseerd. Los van de daadwerkelijke realisatie is de bescherming van de aangewezen zones in principe wel al van kracht, ook indien die zones nog niet zijn ingericht. In de Nota Ruimte is de globale begrenzing van de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (bruto-EHS) weergegeven. Deze is door de provincies verder uitgewerkt tot de netto-EHS, met concrete gebiedsbegrenzingen. Per provincie verschilt verder de exacte uitwerking, beschermingsmethode en eventuele aanwijzing van aanvullende beschermde gebieden. Dit kan soms enige verwarring opleveren. Bovendien werken diverse provincies sinds de verminderde Rijksambitie voor het NNN aan een aparte provinciale hoofdstructuur, waarvoor andere regels gelden. De verwarring wordt soms nog verder vergroot doordat het NNN overal doorvertaald moet worden in de gemeentelijke bestemmingsplannen, waarbij elke gemeente de vrijheid heeft om eigen keuzes te maken voor de gebruikte terminologie en onderverdeling.
De bestemmingsplannen weerspiegelen uiteindelijk de definitieve uitwerking en hieruit berust dan ook de uiteindelijke juridische doorwerking. Toetsingskader Nee-tenzij beginsel Voor het NNN geldt het toetsingskader van het Structuurschema Groene Ruimte 1995 (SGR). Dit is overgenomen in de Nota Ruimte en later in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dat het NNN in oktober 2012 heeft opgenomen. Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel van de NNN in het Barro is per provincie verder uitgewerkt in het provinciaal natuurbeleid. Het Barro stelt dat ruimtelijke ingrepen moeten worden getoetst op mogelijke negatieve effecten voor de aanwezige natuur- en landschapswaarden. Voor het gehele NNN geldt het 'nee, tenzij beginsel'. Op grond van dit beginsel dient directe of indirecte aantasting van bos- en natuurgebied (door een ingreep in het NNN) waar mogelijk te worden voorkomen. Spelregels EHS Eind 2007 hebben de toenmalige Ministeries van LNV en VROM en de provincies de 'Spelregels EHS' uitgebracht . Dit is een al oud beleidskader voor het compensatiebeginsel, de EHS saldobenadering en het herbegrenzen van de EHS, maar in de meeste situaties nog steeds leidend. Op grond van de Spelregels EHS wordt niet alleen gekeken naar actuele natuurwaarden, maar ook naar ecologische potenties.
Deze spelregels gelden ook voor de nieuwe term NNN. Deze natuurwaarden of 'wezenlijke kenmerken en waarden' inclusief de bijbehorende abiotische en biotische randvoorwaarden worden vastgelegd in de vorm van natuurdoelen. De provincies hebben deze wezenlijke kenmerken en waarden vastgelegd in het provinciaal natuurbeleid. Deze natuurdoelen zijn per
Los van nuanceverschillen en verschillen in formulering in de bestemmingsplannen geldt in principe overal het 'nee-tenzij'-principe voor aantasting van het NNN. Aantasting is niet toegestaan, tenzij aan specifieke voorwaarden wordt voldaan. Er is ook vrijwel altijd een compensatieverplichting in het provinciaal beleid opgenomen. Voor kleine aantastingen is financiële compensatie soms mogelijk, voor grotere aantastingen is vaak zowel compensatie in oppervlakte als in 'kwaliteit' noodzakelijk. Bij aantasting van meer bijzondere typen natuur of natuur met een lange ontwikkelingstijd (bijv. bos) is meestal compensatie van een groter oppervlak verplicht (oppervlakte toeslag). Externe werking In de brief van 3 december 2004 heeft de minister van LNV, mede namens de minister van VROM, besloten om in de Nota Ruimte het 'Nee, tenzij'-regime op gebieden in de nabijheid van het NNN te laten vervallen (TK 29 576,
NatuurInclusief
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
provincie vastgelegd. Sinds 1 januari 2010 zijn alle provinciale doelen omgezet naar één landelijke index (Index Natuur en Landschap).
21
nr. 12). In een brief van 5 juni 2008 heeft de minister van LNV nogmaals aangegeven dat ingrepen buite n het NNN niet worden beoordeeld op hun effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden binnen het NNN (TK 29 576, nr. 12). In de beantwoording van een aantal vragen van de vaste Kamercommissie voor LNV in 2008 is expliciet tot uitdrukking gebracht dat dit ‘Nee-tenzij' regime niet van toepassing is op ingrepen buiten het NNN die gevolgen kunnen hebben voor het NNN zelf, de zogenaamde ‘externe effecten’ (TK 29576, nr. 52). Dit betekent overigens wel, dat bij een ingreep in het NNN, ook rekening gehouden moet worden met indirecte effecten, zoals geluidsverstoring. Hoewel de Minister heeft aangegeven dat externe werking niet hoeft te worden getoetst, zijn er echter een aantal provincies die de toetsing van de externe werking het NNN wel hebben opgenomen in de provinciale verordening (bijv. provincie Noord-Brabant). Het betreft dan geen ‘nee-tenzij’ principe, maar een ‘ja-mits’ principe, waarbij er niet hoeft te worden getoetst aan alternatieven of nut en noodzaak. Hoewel de Spelregels
Ecologisch onderzoek Parallelweg, Emmen
EHS richtinggevend is, is het provinciaal beleid daarmee leidend voor de toetsing (voor zover zij niet minder stringent zijn dan de landelijke Barro).
NatuurInclusief
22