Bijlage 12: Bodemonderzoek deelgebied 2 (RIS.10458)
Tekst van het document
Gemeente Emmen, bestemmingsplan Klazienaveen, Meridiaan (vastgesteld)
Bijlage 13 Bodemonderzoek deelgebied 2
259
Postbus 75 4140 AB Leerdam Prins Mauritsstraat 17
VERKENNEND BODEMONDERZOEK
4141 JC Leerdam T +31 88 99 04 800
Meridiaan 4-48 in Klazienaveen
Ref.: 1905247A00-R19-1118 10 december 2019
STICHTING LEFIER
RPS advies- en ingenieursbureau bv
Contactpersoon
De heer
Projectleider
Adres
Postbus 2102
Projectnummer
1905247A00
7801 CC Emmen
Kenmerk Datum
1905247A00-R19-1118 10 december 2019
Versie
1.0
Handtekening
Handtekening
Akkoord
Akkoord
Projectleider en controleur
Adviseur/ auteur
ma
Dit rapport is vertrouwelijk. Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 2 van 22
RPS advies- en ingenieursbureau bv in Leerdam RPS besteedt veel aandacht aan de uitvoering van zijn werkzaamheden en is hiervoor gecertificeerd volgens: NEN-EN-ISO 9001:2008 en ISO 14001:2004
2001 + 2002
VGM Checklist Aannemers (VCA**) BRL SIKB 1000 (Monsterneming voor partijkeuringen grond; protocol 1001) BRL SIKB 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB-procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch (water)bodemonderzoek; protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018) BRL SIKB 6000 (Beoordelingsrichtlijn milieukundige begeleiding en evaluatie (water)bodemsanering; protocollen 6001 en 6003) RPS advies- en ingenieursbureau bv is een onafhankelijk adviesbureau. Uitbesteding van werkzaamheden en/of analyses vindt plaats bij gecertificeerde en/of geaccrediteerde bedrijven (ISO 9001:2008, ISO 14001:2004, RvA-Testen en BRL SIKB 1000, 2000, 6000).
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 3 van 21
INHOUDSOPGAVE 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
INLEIDING ..................................................................................................................... 5 Algemeen ....................................................................................................................... 5 Aanleiding ...................................................................................................................... 5 Doelstelling..................................................................................................................... 5 Toegepaste normen....................................................................................................... 5 Opbouw rapportage ....................................................................................................... 5
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
VOORONDERZOEK ..................................................................................................... 6 Ligging locatie en algemene gegevens ......................................................................... 6 Historische gegevens..................................................................................................... 6 Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken ....................................................................... 7 Achtergrondwaarden...................................................................................................... 8 Geologie en geohydrologie ............................................................................................ 8 Conclusie vooronderzoek .............................................................................................. 8
3 3.1 3.2 3.3
ONDERZOEKSSTRATEGIE ......................................................................................... 9 Hypothese .................................................................................................................... 10 Onderzoeksopzet veldwerk.......................................................................................... 10 Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek............................................ 10
4 4.1 4.2 4.3 4.4
RESULTATEN VELDWERK ....................................................................................... 12 Veldwerk ...................................................................................................................... 12 Lokale bodemopbouw .................................................................................................. 12 Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................... 12 Meetresultaten grondwatermonsters ........................................................................... 12
5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.2.3 5.3
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK ................................................................. 14 Samenstelling analysemonsters .................................................................................. 14 Toetsing analyseresultaten .......................................................................................... 14 Toetsingswaarden........................................................................................................ 14 Toetsingsresultaten grondmonsters ............................................................................ 16 Toetsingsresultaten grondwatermonsters.................................................................... 17 Interpretatie .................................................................................................................. 18
6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ....................................................................... 19 Conclusies.................................................................................................................... 19 Toetsing hypothese(n) ................................................................................................. 20 Aanbevelingen ............................................................................................................. 20 Hergebruiksmogelijkheden grond ................................................................................ 20 Slotwoord ..................................................................................................................... 21
BIJLAGEN 1.A 1.B 1.C 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Regionale ligging van de onderzoekslocatie Kadastrale kaart Locatieoverzicht met boorpunten en peilbuizen Boorprofielen Toetsingskader Analysecertificaten Getoetste analyseresultaten Bodeminformatie milieudienst/gemeente
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 4 van 21
1. INLEIDING 1.1
Algemeen
Dit rapport behandelt het verkennend bodemonderzoek dat RPS advies- en ingenieursbureau bv (RPS) heeft verricht in opdracht van Stichting Lefier. Het onderzoek is uitgevoerd aan de Meridiaan 4-48 in Klazienaveen (gemeente Emmen) en staat bij RPS geregistreerd onder nummer 1905247A00.
1.2
Aanleiding
Aanleiding voor het uitvoeren van het bodemonderzoek is de voorgenomen herontwikkeling die zal bestaan uit de sloop van de huidige flat en het realiseren van nieuwbouw woningen.
1.3
Doelstelling
Het doel van het verkennend onderzoek in deze situatie is het bepalen van de geschiktheid van de bodem voor de voorgenomen plannen, door aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of het freatisch grondwater, in gehalten boven de streefwaarde of het geldende achtergrondgehalte, die een belemmering kunnen vormen voor de herontwikkeling/plannen.
1.4
Toegepaste normen
Het vooronderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5725 (Nederlandse Norm: 'Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek', oktober 2017). Het vooronderzoek wordt uitgevoerd voorafgaand aan het feitelijk onderzoek van de bodem (= veld- en laboratoriumonderzoek). De bij het vooronderzoek verzamelde informatie wordt gebruikt voor het verkrijgen van een adequate invulling van het veld- en laboratoriumonderzoek en draagt bij aan de verklaring van de resultaten van het bodemonderzoek. Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (N Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de april 2016). De veldwerkzaamheden worden uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn BRL 2000 (beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) met onderliggende protocollen 2001 en 2002.
1.5
Opbouw rapportage In hoofdstuk 2 is een beeld gegeven van de onderzoekslocatie. Aspecten als ligging, terreininrichting en grondgebruik zijn hierbij toegelicht. Tevens is in dit hoofdstuk duidelijk gemaakt welke bodembelastende activiteiten in het verleden hebben plaatsgevonden. Hoofdstuk 3 beschrijft de onderzoeksstrategie. Hierin is de hypothese gesteld en een toelichting gegeven op het uitgevoerde veldonderzoek, de wijze van monstername en laboratoriumonderzoek. De resultaten van het veldonderzoek zijn weergegeven in hoofdstuk 4. Bodemopbouw, grondwaterstanden en zintuiglijke waarnemingen zijn in dit hoofdstuk behandeld. De samenstelling van de mengmonsters en de resultaten van het laboratoriumonderzoek zijn weergegeven in hoofdstuk 5. In dit hoofdstuk is tevens een interpretatie van deze resultaten gegeven. In hoofdstuk 6 zijn vervolgens conclusies getrokken naar aanleiding van het veld- en laboratoriumonderzoek en zijn aanbevelingen gedaan.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 5 van 21
2
VOORONDERZOEK
2.1
Ligging locatie en algemene gegevens
De onderzoekslocatie aan de Meridiaan 4-48 ligt aangrenzend ten noorden van de dorpskern van Klazienaveen in de woonwijk de Sterrenbuurt en is in gebruik als appartementencomplex (3 woonlagen) met een woonlaag of bedrijven op de begane grond. De locatie wordt in het noorden begrensd door een stuk openbaar groen (gras) dat voorheen bebouwd is geweest en enkele woningen met tuin. Aan de oostzijde grenst de locatie aan een gezondheidscentrum. De omgeving aan de zuid- en westzijde zijn in gebruik als openbare weg respectievelijk Van Echtenkanaal en Meridiaan met parkeergelegenheid. Dit onderzoek heeft alleen betrekking op het perceel Emmen, I 9272. In tabel 2.1 zijn de algemene gegevens van de onderzoekslocatie samengevat. Tabel 2.1: algemene gegevens onderzoekslocatie algemene gegevens
informatiebron
adres
Meridiaan 4-48
opdrachtgever
postcode en plaats
7891 EG Klazienaveen
opdrachtgever
(gemeente)
(gemeente Emmen)
huidige eigenaar
Stichting Lefier
opdrachtgever
huidige gebruiker
idem
opdrachtgever
kadastrale aanduiding
Gemeente Emmen, sectie I, perceelnummer 9272
Kadaster
x-,y-coördinaten
263403-527624
Kadaster
(totale) oppervlakte locatie
857 m²
opdrachtgever
huidig gebruik
wonen
opdrachtgever
bestemming
idem
opdrachtgever
bebouwing op het terrein
650 m2
kadaster
terreinverharding
klinkers, tegels
veldinspectie
In de bijlagen zijn de volgende tekeningen en kaarten opgenomen: Bijlage 1a - regionale ligging onderzoekslocatie Bijlage 1b - kadastrale kaart Bijlage 1c - gedetailleerde tekening van het perceel met de boorlocaties
2.2
Historische gegevens
Bij de gemeente Emmen is navraag gedaan naar beschikbare gegevens over de bodemkwaliteit op de onderzoekslocatie en de naastgelegen percelen. Daarnaast is het bodemloket van het gezamenlijk bevoegd gezag Wet bodembescherming (Wbb) geraadpleegd via www.bodemloket.nl.
De gemeente Emmen geeft aan dat er op de locatie geen informatie bekend is over bodembedreigende activiteiten. Uit een historisch bodemonderzoek van Register is aangegeven dat ten westen van de onderzoekslocatie een benzinestation, autowasserij en autoreparatiebedrijf aanwezig is geweest in de periode 1970-1996. Bij de gemeente Emmen komt het adres Meridiaan 4 daardoor ook voor in het tankenbestand, alleen liggen de betreffende brandstoftanks en bodembedreigende activiteiten buiten de onderzoekslocatie op het openbare terrein voor het appartementencomplex. Het gaat ook
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 6 van 21
om een ander kadastraal perceel. In bijlage 7 is een tekening van de voormalige bedrijfsactiviteiten opgenomen.
Op basis van de beschikb www.topotijdreis.nl) blijkt dat de onderzoekslocatie lange tijd bebouwd is geweest. Op kaartmateriaal van rond 1900 is de locatie onbebouwd en ligt het in het veengebi Klazienaveen is opgericht in de jaren 1900-1920. Vanaf deze periode is de locatie bebouwd en in gebruik als school bestaande uit ie die vanaf 1964 resulteert in een centraal gelegen gebouw met enkele kleine bebouwingen er omheen. Het is niet duidelijk of het perceel dan nog in gebruik is als school of dat het een andere bestemming heeft gekregen. Vanaf 1975 is de huidige bebouwing zichtbaar en is ook de noordelijk gelegen bebouwing zichtbaar. Dit noordelijke deel is in 2018/2019 gesloopt en recentelijk in gebruik genomen als grasveld. Tevens is vanaf 1975 tot 2010 bebouwing ten westen van het appartementencomplex zichtbaar. Dit betreft het benzine-service-station en autoreparatiebedrijf dat eerder bij de historische gegevens is vermeld.
Op 14 november 2019 heeft de heer een medewerker van Poelsema Veldwerkbureau, een locatie-inspectie uitgevoerd. Tijdens deze locatie-inspectie, voor uitvoering van het veldwerk, zijn geen bodembedreigende situaties geconstateerd. Op de onderzoekslocatie zijn geen verdachte deellocaties zichtbaar.
2.3
Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken
Op de onderzoekslocatie zijn, voor zover bekend bij de gemeente Emmen en de opdrachtgever, nog niet eerder bodemonderzoeken uitgevoerd. In de directe omgeving (aangrenzend ten westen) is een bodemonderzoek uitgevoerd. De beschikbare gegevens worden hieronder kort besproken:
Het verkennend onderzoek is uitgevoerd om na te gaan of er verontreiniging aanwezig is na beëindiging van het benzine-service-station (periode 1970-1996). De bovengrond is licht verontreinigd met minerale olie en PAK. In de ondergrond is een licht verhoogd gehalte minerale olie waargenomen. Het grondwater is licht verontreinigd met chroom.
2.4
Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS)
Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. De stofgroep bestaat uit ruim 6000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). PFAS zijn stoffen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Inmiddels worden er al meer dan vijftig jaar producten gemaakt en gebruikt waar PFAS in voorkomt. Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten wordt PFAS in Nederland, en breder in Europa, inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar diffuus verspreid in het milieu aangetroffen. In heel Nederland zijn de bovengrond en geroerde bodems verdacht op het (diffuus) voorkomen van PFAS. Bron: tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie en website bodemplus FAQ PFAS
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 7 van 21
2.5
Achtergrondwaarden
Voor het gebied waarbinnen de onderzoekslocatie ligt, is een bodembeheersplan opgesteld. Hierin zijn gemiddelde en achtergrondwaarden opgenomen die in het gebied voorkomen. De locatie ligt in W1, wonen voor 1967 en zowel de boven- als de ondergrond van de locatie vallen in klasse achtergrondwaarde (niet verontreinigd). In de bodemkwaliteitskaart zijn voor zover bekend geen gegevens opgenomen over het voorkomen van PFAS.
2.6
Geologie en geohydrologie
Voor een beschrijving van de regionale bodemopbouw en geohydrologie is gebruikgemaakt van de Grondwaterkaart van Nederland, via www.dinoloket.nl (TNO).
Voor de lokale bodemopbouw wordt verwezen naar paragraaf 4.2.
Het uitgebreide geohydrologische profiel is in tabel 2.2 weergegeven. Tabel 2.2: geohydrologisch profiel onderzoekslocatie laag
diepte in
bodemsamenstelling
m-mv deklaag (formatie van Boxtel)
0,0 tot 1,5
zand matig fijn tot fijn zand
slecht doorlatende deklaag (formatie van
1,5 tot 2,5
klei, zandige klei met weinig klei, fijn, matig fijn tot grof zand
eerste watervoerend pakket
2,5 tot 25
zand matig fijn en grove zanden met weinig klei
(formatie van Peelo en Urk)
25 tot 47
zand, matig fijn tot grove zanden met zandige klei, klei en matig
tweede watervoerend pakket
47 tot 60
zand, grof tot matig fijne zanden
Tweede watervoerend pakket
60 tot 78
zand, matig tot fijne zanden met schelpen
(formatie van Oosterhoud)
78 tot 102
complexe eenheid, zand, zandige klei, en fijn zand met weinig klei
Drenthe)
fijn zand (formatie van Appelscha)
en grof zand
De regionale grondwaterstroming is zuidwestelijk gericht. Zeer lokaal kan de grondwaterstroming afwijken door verschillen in bodemopbouw of door humane bodemverstorende activiteiten. Op basis van de beschikbare grondwatergegevens kan geen uitspraak worden gedaan of er kwel of inzijging optreedt op de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Ook vindt er in de directe nabijheid geen grondwateronttrekking plaats.
2.7
Conclusie vooronderzoek
Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat de onderzoekslocatie of een deel ervan is verontreinigd met één of meer stoffen. De locatie kan
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 8 van 21
De landbodem is echter ook verdacht op het heterogeen voorkomen van een verontreiniging met PFAS. De verdenking op het voorkomen van PFAS komt voort uit het gestelde in het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Gesteld wordt dat de bovenste circa 1,0 m van alle bodems en/of geroerde bodemlagen in Nederland verdacht zijn op het voorkomen van PFAS.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 9 van 21
3
ONDERZOEKSSTRATEGIE
3.1
Hypothese
Uit het vooronderzoek zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat de locatie of een deel ervan is verontreinigd met één of meer stoffen. De onderzoekshypothese luidt derhalve -niet lijnvormig (ONV-NL 5.1 van de NEN5740+A1.
3.2
Onderzoeksopzet veldwerk
De conform de gekozen onderzoeksstrategie uit te voeren werkzaamheden zijn weergegeven in tabel 3.1. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 2000 met onderliggende protocollen 2001 en 2002. Bij de monstername wordt extra aandacht geschonken aan kleding en schoeisel. Een en ander teneinde contaminatie van de -monsters met PFAS gerelateerde stoffen te voorkomen. Tabel 3.1: overzicht veldwerkzaamheden Locatie
oppervlakte
boringen
boringen
peilbuizen
(m2)
tot 0,5 m-mv
tot gws1)
tot 1,5 m-gws2)
boringen totaal
Meridiaan 4-48 in Klazienaveen 857 4 1 1 gws: grondwaterstand (min. 1,0 m-mv) 1) Indien de grondwaterstand zich ondieper bevindt dan 1,0 m-mv geldt een boordiepte van 1,0 m-mv. Bevindt de grondwaterstand zich dieper dan 2,0 m-mv dan geldt een boordiepte van 2,0 m-mv. 2) Indien de grondwaterstand zich dieper dan 5,0 m-mv bevindt, wordt er geen peilbuis geplaatst.
6
In tabel 3.1 is de diepte van de boringen aangegeven in meters beneden het maaiveld (m-mv). De einddiepte van de peilbuis is circa 1,5 m onder de heersende grondwaterspiegel. De peilbuis wordt na plaatsing afgepompt. Opgemerkt wordt dat in overleg met de opdrachtgever geen boringen inpandig in het appartementencomplex zijn uitgevoerd omdat deze nog in gebruik is door de huidige bewoners. Het uitkomende bodemmateriaal wordt zintuiglijk beoordeeld op kleur en samenstelling en gedetailleerd weergegeven in profielbeschrijvingen. Grondmonsters worden genomen uit trajecten van maximaal 50 cm. Zintuiglijk verontreinigde bodemlagen worden apart bemonsterd, zodat gerichte analyse van deze lagen mogelijk is. Tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden wordt tevens aandacht besteed aan het voorkomen van asbest en asbestgelijkende materialen in de bodem. De peilbuis wordt een week na plaatsing nogmaals afgepompt en bemonsterd en in het veld onderzocht op pH (zuurgraad) en elektrische geleiding (EC).
3.3
Onderzoeksprogramma chemisch-analytisch onderzoek
Het conform de gekozen onderzoeksstrategie uit te voeren laboratoriumonderzoek is weergegeven in tabel 3.2. boven- en ondergrond tevens geanalyseerd op PFAS(30). De analyses worden door een RvA-geaccrediteerd milieulaboratorium uitgevoerd conform de geldende richtlijn. Voor analyses op grond en grondwater geldt het AS3000 (Accreditatieschema 3000). AS3000 beschrijft alle kwaliteitseisen vanaf het moment van monsteroverdracht aan het laboratorium tot en met de analyse en rapportage van het laboratorium.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 10 van 21
Tabel 3.2: laboratoriumonderzoek Locatie Meridiaan 4-48 in Klazienaveen
1
bovengrond
ondergrond
(0,0-0,5 m-mv)
(0,5-2,0 m-mv)
standaardpakket
1
standaardpakket
grondwater 1
standaardpakket
bodem* + PFAS*** bodem* + PFAS*** grondwater** *) droge stof, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink (zware metalen), PAK (10 VROM), minerale - som 7). **) barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink (zware metalen), vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, naftaleen en styreen (BTEXNS), gechloreerde koolwaterstoffen en chloorbenzenen, bromoform en minerale olie (GC). ***) 30 stoffen uit de PFAS-advieslijst handelingskader d.d. 12 juli 2019 (Bodemplus)
Van alle grond(meng)monsters wordt afzonderlijk het gehalte van organisch stof en lutum bepaald.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 11 van 21
4
RESULTATEN VELDWERK
4.1
Veldwerk
De boor- en bemonsteringswerkzaamheden zijn uitgevoerd op 14 november door de heer van Poelsema Veldwerk B.V. overeenkomstig tabel 3.1 en onder Kwalibo-erkenning (certificaat ECSIKB-02239). In verband met het uit te voeren bodemonderzoek op de locatie is bij het Kadaster Klic een graafmelding uitgevoerd. Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot kabels en leidingen waren niet noodzakelijk.
4.2
Lokale bodemopbouw
De lokale bodemopbouw kan als volgt worden gekarakteriseerd: De bodem van 0,0 m-mv tot circa 0,5 m-mv bestaat uit matig fijn matig siltig zwak humeus zand. zand. De bodem van circa 0,5 m-mv tot maximaal 2,7 m-mv bestaat uit matig fijn, matig siltig zand met resten hout of planten. Zeer plaatselijk is op een diepte van 0,7 -1,20 m-mv veen aangetroffen. Het freatisch grondwater is aangetroffen op een diepte van gemiddeld 1,20 m-mv. In bijlage 2 zijn de profielbeschrijvingen als boorstaten opgenomen.
4.3
Zintuiglijke waarnemingen
Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden zijn zintuiglijk afwijkingen aan de grond geconstateerd. Deze afwijkingen zijn opgenomen in tabel 4.1. Indien aan een bodemlaag geen zintuiglijke afwijking is geconstateerd, is de betreffende laag ook niet in de tabel opgenomen. Tabel 4.1: zintuiglijke waarnemingen nummer boring 03
diepte (m-mv) 0,50-0,70
zintuiglijke waarneming
eind diepte boring (m-mv)
sporen baksteen
2,00
Tijdens het uitvoeren van de veldwerkzaamheden zijn geen asbest en/of asbestgelijkende materialen in de bodem of op het maaiveld waargenomen. Sporen baksteen zijn in principe niet asbestverdacht en omdat ook uit de bodeminformatie van de gemeente Emmen geen verontreiniging met asbest naar voren is gekomen gaan wij ervan uit dat de locatie als niet asbestverdacht kan worden aangemerkt.
4.4
Meetresultaten grondwatermonsters
Tijdens de bemonstering van de peilbuis op 22 november 2019 is het elektrisch geleidingsvermogen (EC), de troebelheid (NTU) en de zuurgraad (pH) van het grondwater vastgesteld met behulp van een geijkte troebelheid/pH/EC-meter. De bemonstering is uitgevoerd door de heer van Poelsema Veldwerkbureau onder Kwalibo-erkenning. Het EC wordt als maat gehanteerd voor de hoeveelheid opgeloste zouten in het water en wordt uitgedrukt in micro-Siemens per centimeter (µS/cm) of milli-Siemens per centimeter (mS/cm). In tabel 4.2 zijn de resultaten van deze metingen weergegeven.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 12 van 21
Tabel 4.2: gegevens grondwatermonster nummer
filterstelling
peilbuis
(m-mv)
1
1,70-2,70
pH 6,70
EC
troebelheid
gws tijdens plaatsing
gws tijdens
(µS/cm)
(NTU)
(m-mv)
bemonstering(m-mv)
450
12,2
1,20
0,70
De pH en EC kunnen voor de onderzoekslocatie als normale waarden worden beschouwd. Met betrekking tot troebelheid dient te worden gesteld dat wanneer de waarde hoger ligt dan 10 NTU, eventueel gemeten verontreinigingen in het grondwater met slecht oplosbare organische parameters (onder andere PAK en PCB), deze mede veroorzaakt kunnen zijn door gronddeeltjes.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 13 van 21
5
CHEMISCH-ANALYTISCH ONDERZOEK
5.1
Samenstelling analysemonsters
De laboratoriumwerkzaamheden zijn grotendeels uitgevoerd conform de onderzoeksopzet, weergegeven in tabel 3.2. alleen door het aantreffen van verschillende bodemtypen (zand en veen) is één extra mengmonster van de ondergrond ingezet. De samenstelling van de mengmonsters van de boven- en ondergrond heeft plaatsgevonden in het laboratorium van Synlab in Hoogvliet. Hierbij is rekening gehouden met de geografische indeling van de onderzoekslocatie, de bodemtypen en informatie zoals weergegeven in hoofdstuk 4. In tabel 5.1 en 5.2 zijn respectievelijk de specificaties voor de grond- en grondwatermonsters aangegeven. Tabel 5.1: samenstelling grond(meng)monsters nummer
nummer
diepte
analysepakket
(meng)monster
boring
(m-mv)
incl. AS3000
BG1 zand
1 t/m 6
0,05 - 0,5
OG 1 zand
OG2 veen
onderzoeksdoel
standaardpakket
bepalen kwaliteit zandhoudende
bodem + PFAS
bovengrond bepalen kwaliteit zandhoudende ondergrond
1
0,5 - 1,0
standaardpakket
1
1,5 - 2,0
bodem + PFAS
1
2,5 - 2,7
3
0,5 - 0,7
3
1,2 - 1,7
3
0,7 - 1,2
standaardpakket
bepalen kwaliteit veenhoudende ondergrond
bodem + PFAS Tabel 5.2: overzicht grondwatermonster nummer
nummer
filterstelling
analysepakket
watermonster
boring
(m-mv)
incl. AS3000
Peilbuis 1-1-1
1
2,7 - 3,7
standaardpakket
onderzoeksdoel bepalen kwaliteit grondwater
grondwater
5.2
Toetsing analyseresultaten
5.2.1
Toetsingswaarden
Toetsing van de analyseresultaten vindt plaats aan de toetsingswaarden zoals die op 1 juli 2013 van kracht zijn geworden (Circulaire Bodemsanering 2013, Staatscourant 16675, d.d. 27 juni 2013), zie lyseresultaten zijn getoetst met BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice van SIKB-IHW) via de webapplicatie @MIS.
In de Wbb wordt onderscheid gemaakt tussen de AW2000de interventiewaarden. Als actiewaarde (tussenwaarde) voor nader onderzoek geldt ½ maal de interventie- plus de achtergrondwaarde ((AW+I) * ½ ). Hiervoor worden de navolgende coderingen gebruikt in dit rapport: AW2000 T I
= = =
achtergrondwaarde triggerwaarde voor nader onderzoek (voorheen tussenwaarde) interventiewaarde
Dit leidt tot de volgende indeling: rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 14 van 21
gehalte < AW2000 gehalte > AW2000 en < T gehalte > T en < I gehalte > I
- niet verontreinigd - licht verontreinigd - matig verontreinigd - sterk verontreinigd
Alvorens de analyseresultaten te toetsen worden deze naar standaard bodem omgerekend (organische stof 10% en humus 25%). Voor barium geldt dat per 1 april 2009 wettelijk geen eis meer is vastgesteld.
In de Wbb wordt onderscheid gemaakt tussen streef- en interventiewaarden. Als actiewaarde voor nader onderzoek geldt ½ maal de interventie- plus de streefwaarde ((S+I) * ½). Hiervoor worden de navolgende coderingen gebruikt in dit rapport: S T I
= = =
streefwaarde triggerwaarde voor nader onderzoek (voorheen tussenwaarde) interventiewaarde
Dit leidt tot de volgende indeling: gehalte < S - niet verontreinigd gehalte > S en < T - licht verontreinigd gehalte > T en < I - matig verontreinigd gehalte > I - sterk verontreinigd De toetsingswaarden voor grondwater zijn landelijk vastgesteld. De analysecertificaten van de grond- en grondwatermonsters zijn opgenomen in bijlage 4. In bijlage 5 zijn alle analyseresultaten van de monsters weergegeven die getoetst zijn aan de geldende achtergrond-/streef-, tussen- en interventiewaarden. Toetsingskader Per- en Polyfluoralkylstoffen (PFAS) Vooruitlopend op de definitieve normstelling voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie zijn, door de minister van Infrastructuur en milieu, op 29 november 2019, de voorlopige normen boven de bepalingsgrens aangepast. Voor de toepassing en verspreiding van baggerspecie gelden de in tabel 5.3 weergegeven normen.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 15 van 21
Tabel 5.3 toepassingsnormen voor het toepassen en verspreiden van baggerspecie (in µg/kg d.s.)1 Toepassingssituatie Toepassingsnorm Verspreiden baggerspecie op de kant of weilanddepot
Baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau op een landbodem met de bodemfunctieklasse of bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur2 Baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau op een landbodem met de bodemfunctieklasse en van bodemkwaliteitsklasse wonen of industrie 2 Baggerspecie toepassen boven grondwaterniveau in grondwaterbeschermingsgebieden2 Baggerspecie grootschalig toepassen op de landbodem boven grondwaterniveau2 Baggerspecie toepassen onder grondwaterniveau3, met inbegrip van grootschalig toepassen
PFOS = 3 PFOA = 7 GenX = 3 andere PFAS = 3 PFOS = 0,9 overige individuele PFAS = 0,8 PFOS = 3 PFOA = 7 GenX = 3 andere PFAS = 3 alle PFAS 0,1 (=bepalingsgrens) PFOS = 3 PFOA = 7 GenX = 3 andere PFAS = 3 PFOS = 0,9 overige individuele PFAS = 0,8
Baggerspecie toepassen in hetzelfde toegestaan, geen kwaliteitsnorm oppervlaktewaterlichaam of in stroomafwaarts gelegen aansluitende oppervlaktewaterlichamen Baggerspecie toepassen in oppervlakte waterlichamen 0,1 (=bepalingsgrens) (ophogingen), met inbegrip van grootschalig toepassen Baggerspecie toepassen in niet vrijliggende diepe plassen (in PFOS = 3,7 open verbinding met Rijkswater) overige individuele PFAS = 0,8 Baggerspecie toepassen in diepe plassen 0,1 (=bepalingsgrens) 1.
Op de waarden uit deze tabel hoeft (tot 10%) geen bodemtypecorrectie toegepast te worden (dit is overeenkomstig de
2.
systematiek zoals die op dit moment al voor PAK geldt). Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van het maaiveld.
3.
: op een diepte van 1 meter en meer onder het maaiveld.
Voor de toepassing van PFAS-houdende grond en baggerspecie is niet alleen het tijdelijk handelingskader van belang, maar dient vanzelfsprekend ook te worden voldaan aan alle verplichtingen die voor het toepassen voortvloeien uit het Besluit bodemkwaliteit. Bron: Tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie
Voor de gemeenten die voorafgaande aan de publicatie van het tijdelijk handelingskader, al gebiedsspecifiek beleid hebben vastgesteld blijft dit beleid van kracht. Lokaal kunnen derhalve afwijkende normen voor hergebruik van PFAS-houdende grond geleden. Bron: website bodemplus, FAQ PFAS.
5.3
Toetsingsresultaten grondmonsters
In de geanalyseerde grond(meng)monsters zijn overschrijdingen van de toetsingswaarden conform de Wbb aangetoond. In tabel 5.4 zijn de monsters waarin overschrijdingen zijn aangetoond weergegeven en de verhoogde parameters aangegeven. Als voor een parameter geen verhoging is aangetoond, is deze niet in de tabel opgenomen. De resultaten zijn tevens indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit om een beeld te vormen van de bodemkwaliteit.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 16 van 21
De analysecertificaten van de grondmonsters zijn opgenomen in bijlage 4. In bijlage 5 zijn de volledige Botova toetsingen aan de geldende achtergrond en interventiewaarden (Wbb) en maximale bodemkwaliteitswaarden (Bbk) opgenomen. Tabel 5.4: analyseresultaten grond(meng)monsters (meng) Wbb overschrijdende monster parameter(s) BG1 zand
>I < AW < AW
OG1 zand OG2 veen
Bbk
PFOS PFOA (µg/kg ds) (µg/kg ds)
overige PFAS (µg/kg ds)
PCB
Niet toepasbaar
0,63
<0,1
-
-
Altijd toepasbaar Altijd toepasbaar
0,12 0,58
<0,1 0,71
-
Door het aantreffen van een sterke PCB-verontreiniging in de bovengrond (traject 0,05-0,50 m-mv) is het mengmonster (BG1 zand) uitgesplitst en individueel onderzocht op de parameter PCB. In onderstaande tabel (tabel 5.5) zijn de gegevens met betrekking tot de analyse weergegeven. tabel 5.5: overzicht gemeten overschrijdingen in de separate grondmonsters deelmonster Traject kritische parameter(s) overschrijding (m-mv) PCB
Bbk
Niet toepasbaar
01-1
0,05 - 0,5
02-1
0,05 - 0,5
Niet toepasbaar
03-1
0,05 - 0,5
< achtergrondwaarde Altijd toepasbaar
04-1
0,05 - 0,5
< achtergrondwaarde Atlijd toepasbaar
05-1
0,05 - 0,5
Niet toepasbaar
06-1
0,05 - 0,5
< achtergrodnwaarde Altijd toepasbaar
Uit bovenstaande tabel komt naar voren dat in drie deelmonsters (1, 2 en 5) een matige verontreiniging met PCB voorkomt. Opmerkelijk is dat al deze boringen aan de westzijde van het perceel liggen.
5.4
Toetsingsresultaten grondwatermonsters
In het geanalyseerde grondwatermonster zijn overschrijdingen van de toetsingswaarden van de Wbb aangetoond. De overschrijdingen zijn opgenomen in tabel 5.5. Als voor een bepaalde component geen overschrijding is aangetoond, is deze component niet in de tabel opgenomen. Tabel 5.6: overzicht gemeten overschrijdingen in de grondwatermonster nummer
kritische parameter(s)
overschrijding
xylenen
> streefwaarde
watermonster peilbuis 1-1-1
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 17 van 21
5.5
Interpretatie
Uit de analyseresultaten blijkt dat het mengmonster van de bovengrond sterk verontreinigd is met PCB. De overige onderzochte parameters in de boven- en ondergrond overschrijden de achtergrondwaarden niet. De ondergrond kan als niet verontreinigd worden gekwalificeerd. Na uitsplitsing van het mengmonster van de bovengrond blijkt dat de parameter PCB maximaal matig verontreinigd is in drie deelmonsters die allen aan de westzijde van de locatie liggen. Het gaat hier om een oppervlakte van circa 180 m2 en een omvang van circa 90 m 3. De oorzaak van de aangetroffen verontreiniging is niet bekend. Wanneer de parameters indicatief worden getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit dan voldoet de ondergrond aan klasse ltijd toepasbaar . De bovengrond is na uitsplitsing deels niet toepasbaar en deels altijd toepasbaar. Gesteld kan worden dat de bovengrond op het westelijke deel van de locatie niet toepasbaar is op basis van de parameter PCB. Het overige terrein is niet verontreinigd en valt daarmee in de bodemkwa ltijd toepasbaar . Opgemerkt dient te worden dat bij analyses van mengmonsters de gehalten in individuele deelmonsters zowel hoger als lager kunnen zijn dan het gemeten gehalte in het mengmonster.
De aangetoonde gehalten aan PFOS, PFOA en overige PFAS voldoen aan toepassingsnormen voor het toepassen van grond en baggerspecie op de landbodem boven grondwaterniveau, van respectievelijk 3,0 (µg/kg ds), 7,0 (µg/kg ds) en 3,0 (µg/kg ds). Voor de bodemfunctieklasse landbouw/natuur geldt voor PFAS-verbindingen in principe de bepalingsgrens als hergebruiksnorm (stand-still principe). Het is in een aantal gevallen echter wel toegestaan grond van de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur met lage gehalten PFAS toe te passen (tot max. de toepassingsnormen uit het tijdelijk handeli moet dan wel de achtergrondwaarde ten aanzien van de verschillende PFAS in het gebied van toepassing (de ontvangende bodem) vastgesteld zijn. Deze vastgestelde achtergrondwaarden op de locatie van toepassing gelden dan als maximale waarden voor de in de toe te passen partij aanwezige PFASverbindingen. Dit betekent in deze situatie dat de ontvangende bodem minimaal 0,63 µg/kg PFOS en 0,71 µg/kg PFOA moet bevatten. Grond van de bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur met gehalten PFAS, die liggen onder de toepassingsnormen genoemd in het Tijdelijk Handelingskader, mag wel opnieuw elders toegepast worden. Bron: Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, min. I&W, d.d. 8 juli 2019
Uit de analyseresultaten blijkt dat het grondwater licht verontreinigd is met xylenen. De overige geanalyseerde parameters overschrijden de streefwaarde niet. Het is niet duidelijk wat de oorzaak is van de lichte xylenenverontreiniging. Het is niet te verwachten dat de aangetroffen lichte verontreiniging in het grondwater afkomstig is van het voormalige benzine-service-station/ autoreparatiebedrijf omdat er in het destijds uitgevoerde bodemonderzoek geen verontreinigingen met vluchtige aromaten zijn gemeten en de grondwaterstromingsrichting noordwestelijk is gericht waardoor eventuele verontreinigen van de naastgelegen locatie niet in de richting van de onderzoekslocatie stroomt.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 18 van 21
6
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
In dit hoofdstuk vindt de integratie plaats van de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek. Op basis hiervan is de milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater beschreven. Vervolgens vindt de toetsing plaats van de vooraf opgestelde hypothese.
6.1
Conclusies
Op basis van het veld- en laboratoriumonderzoek kan worden geconcludeerd dat het mengmonster van de bovengrond aan de Meridiaan 4-48 in eerste instantie sterk verontreinigd is met PCB. Na uitsplitsing blijkt dat de bovengrond aan de westzijde van de locatie maximaal matig verontreinigd is met PCB. De oppervlakte van dit deel bedraagt circa 180 m 2 en het verontreinigd traject bedraagt 0,5 meter. Op basis van deze gegevens wordt geconcludeerd dat circa 90 m3 grond matig verontreinigd is met PCB. De oorzaak van de aangetroffen verontreiniging is niet bekend. Omdat er geen sterk verhoogde PCB-gehalten zijn waargenomen, mag worden geconcludeerd dat er in het kader van de Wbb (Wet bodembescherming) géén sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hoewel er geen sprake is van een ernstige bodemverontreiniging conform de Wbb komt er wel matig verontreinigde grond/ niet toepasbare grond voor welke niet geschikt is voor de toekomstige functie zijnde wonen. In de bovengrond is een lichte hoeveelheid PFAS aangetoond. In de ondergrond komt nauwelijks tot geen PFAS voor. De ondergrond is niet verontreinigd met één van de onderzochte parameters en mag als niet verontreinigd worden gekwalificeerd. Het grondwater is licht verontreinigd met xylenen. De overige geanalyseerde parameters overschrijden de gestelde streefwaarden niet.
De oorzaak van de xylenenverontreiniging in het grondwater is niet bekend. Wanneer de resultaten indicatief worden getoetst aan het besluit bodemkwaliteit, valt de ondergrond in klasse altijd toepasbaar. Dit komt overeen met de resultaten van de bodemkwaliteitskaart die voor dit gebied is opgesteld. De kwaliteit van de bovengrond komt gedeeltelijk overeen met de bodemkwaliteitskaart. Het westelijke deel van de locatie (boringen 1, 2 en 5) is niet toepasbaar op basis van PCB. Het overige deel van het terrein valt wel in klasse altijd toepasbaar. Hoewel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem door middel van dit bodemonderzoek in voldoende mate in beeld is gebracht dient wel de kanttekening te wordt gemaakt dat er geen onderzoeksgegevens bekend zijn van onder het pand.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 19 van 21
6.2
Toetsing hypothese
De onderzoekshypothese, zoals opgesteld in paragraaf 3.1, is vergeleken met de resultaten van dit bodemonderzoek. Een overzicht van de toetsing van de hypothese is in tabel 6.1 opgenomen. Tabel 6.1: toetsing onderzoekshypothese per deellocatie locatie hypothese Meridiaan 4-48 in Klazienaveen onverdacht van bodemverontreiniging
conclusie hypothese verworpen
Op de locatie is de bovengrond matig verontreinigd waardoor de h verworpen dient te worden.
6.3
Aanbevelingen
Bij herontwikkeling dient rekening te worden gehouden met de matige PCB verontreiniging op de locatie. De bovengrond op de westelijke zijde is niet toepasbaar en is daarmee niet geschikt voor hergebruik op locatie. Omdat er van het inpandige deel geen bodemkwaliteitsgegevens bekend zijn wordt aanbevolen om voorafgaand aan de sloop (als het pand leeg is) of direct na de sloop aanvullende boringen te plaatsen. Om uit te sluiten of te bevestigen dat alleen het westelijke deel van de locatie matig verontreinigd is met PCB. Om over te kunnen gaan tot nieuwbouw zijn saneringswerkzaamheden noodzakelijk. Voorafgaand aan de sanering dient een plan van aanpak te worden ingediend bij het bevoegd gezag (gemeente Emmen). Verwacht wordt dat de goedkeuring van het plan van aanpak circa drie weken in beslag neemt. Op basis van de analyseresultaten wordt gesteld dat bij uitvoering van graafwerkzaamheden met uitzondering van de verontreinigingsspot geen aanvullende arbeidshygiënische veiligheidsmaatregelen genomen hoeven worden (CROW 400). De opdrachtgever wordt geadviseerd een exemplaar van dit rapport aan de gemeentelijke instantie te overleggen voor de aanvraag van een bouwvergunning.
6.4
Hergebruiksmogelijkheden grond
Bij eventuele graafwerkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de aangetroffen matige verontreinigingen in de bovengrond. Grond (met uitzondering van de matige PCB verontreiniging) die tijdens graafwerkzaamheden binnen de onderzochte locatie vrijkomt, mag zonder verder onderzoek binnen de onderzoekslocatie teruggebracht worden. Het is echter niet de bedoeling dat de verontreinigde grond als aanvulling dient of wordt gemengd met schone(re) grond. Wanneer grond van de locatie of naar buiten de geldende bodemkwaliteitszone moet worden afgevoerd, geeft dit verkennend bodemonderzoek onvoldoende informatie over de hergebruiksmogelijkheden en wordt door de toepasser een partijkeuring (AP04) geëist.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 20 van 21
6.5
Slotwoord
RPS is onafhankelijk en heeft, naast de relatie opdrachtgever - opdrachtnemer, geen enkele relatie met de opdrachtgever. Wij zijn door het ministerie van Infrastructuur en Milieu aangewezen als erkend monsternemer. Het procescertificaat en het hierbij behorende keurmerk zijn uitsluitend van toepassing op de monsterneming en de overdracht van de monsters aan een erkend laboratorium. Dit onderzoek betreft een momentopname. Naar gelang de tijd tussen onderzoek en toepassing groter is, dient voorzichtigheid betracht te worden bij het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. Dit onderzoek is geheel uitgevoerd volgens de NEN 5740. Onderzoek naar een mogelijke verontreiniging met asbest maakt echter geen deel uit van dit protocol. Dit onderzoek doet derhalve geen uitspraak over de aanwezigheid van asbest ter plaatse.
rps.nl 1905247A00-R19-1118 | 10 december 2019 Pagina 21 van 21
B I J L AG E 1. A Regionale ligging van de onderzoekslocatie
rps.nl
Omgevingskaart
Klantreferentie: 1905247A00
0m
125 m
Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Emmen I 9272 Meridiaan 4, 7891EG Klazienaveen CC-BY Kadaster.
625 m
Schaal 1: 12500
B I J L AG E 1. B Kadastrale kaart
rps.nl
Uittreksel Kadastrale Kaart
Uw referentie: 1905247A00 18
20
22
24
26
18/ TR
34-48
18-32
2-16
160-161
Van Ech tenskanaal NZ
500- 530
0m
Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 9 september 2019 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers
5m
25 m
Schaal 1:500 Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Emmen I 9272
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare m aten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
28
B I J L AG E 1. C Locatieoverzicht met boorpunten en peilbuizen
rps.nl
B I J L AG E 2. Boorprofielen
! !
6
2
3
! H
1
A
!
!
4
5
0
Maten in meters, tenzij anders vermeld Diameters in millimet ers, tenzij anders vermeld Hoogtematen in met ers t.o.v. N. A.P., tenzij anders vermeld Ligging bes taande kabels en leidingen ter indicatie ingetekend
Legenda
3,5
7
21
28 Meters
Project:
VO Meridiaan 4 in Klazienaveen
type ! Ondiepe boring
Opdrachtgever:
Lefier
! H Diepe boring A Boring met peilbuis
Omschrijving:
Overzichtskaart met boorlocaties
Matig verontreinigd met PCB Onderzoekslocatie Bebouwing Perceel Water en bodem
Regionale ligging
schaal
1:25.000
1905247A00
Formaat:
A4
Projectleider:
Schaal:
1:500
Auteur:
Status:
Veldwerk:
Datum veldwerk:
Projectnummer:
Prins Mauri tsstr aat 1 7, 4 141 JC Lee rdam Postb us 7 5, 4 140 AB Le erda m T +31 88 - 99 04 8 00 W www.rps.nl
pdf/print door: kamperdijk e, 9-12-2019
14
Definitief 09-12-2019
Blad: Nummer:
1 van 1 Wijz:
1905247A00-001 Q:\GGI\1 Projecten\1905247A00\3 Werkdossier\04 Tekeningen\2_MXD\tekening.mx d
B I J L AG E 3. Toetsingskader
B I J L AG E Toelichting W BB (TOETSINGSKADER LANDBODEMS) Voor het bepalen van de kwaliteit van het onderzochte bodemmateriaal worden (de) monsters getoetst aan toetsingswaarden van de Circulaire Bodemsanering 2013, Staatscourant 16675 d.d. 27 juni 2013. Wanneer uit onderzoek blijkt dat mogelijk sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging treedt de Wet bodembescherming (Wbb) in werking. In de hiernavolgende paragrafen wordt nader uitleg gegeven over de toetsingswaarden van de genoemde circulaire en enkele zaken met betrekking tot de Wbb. Toetsingsnormen Bij toetsing van de analyseresultaten van het laboratoriumonderzoek wordt uitgegaan van een standaard bodem (25% lutum en 10% organische stof). Indien de percentages lutum en organische stof in het onderzochte materiaal hiervan afwijken, worden de in het laboratorium gemeten gehalten van de zware metalen, arseen en organische verbindingen omgerekend naar een standaardbodem. Doorgaans is dit van toepassing op alle onderzochte bodemmonsters. In de circulaire zijn twee waarden gegeven voor de beoordeling van de concentraties van de verschillende stoffen in de bodem en waaraan getoetst wordt: Achtergrondwaarde (AW2000-waarde): deze waarde geeft het kwaliteitsniveau aan waarbij de functionele eigenschappen voor mens, plant en dier zijn veiliggesteld.
De AW2000-waarde komt overeen met het Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR). Interventiewaarde (I-waarde): de interventiewaarde geeft de concentratie aan waarboven sprake is van een ernstige of dreigende ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van mens, plant en dier. Bij een overschrijding van de interventiewaarde in meer dan 25 m3 bodemmateriaal is sprake van een ernstig geval van (water)bodemverontreiniging en dient sanering plaats te vinden. De urgentie van het geval wordt bepaald door middel van een risico-onderzoek, dat deel uitmaakt van het nader bodemonderzoek. Aanleiding voor het uitvoeren van een nader bodemonderzoek vormt onder andere een overschrijding van de tussenwaarde, die als volgt kan worden geformuleerd:
Binnen het nader bodemonderzoek wordt de mate en omvang van de verontreiniging bepaald. Daarbij gaat het om het volume grond en/of grondwater met concentraties boven de interventiewaarde. Wet bodembescherming (Wbb) Er is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging en urgentie van sanering wanneer in meer dan 25 m 3 grond of in meer dan 100 m 3 grondwater de concentratie van een verontreinigende stof hoger is dan de interventiewaarde. Van een ernstig geval van bodemverontreiniging moet melding worden gemaakt bij het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de provincie. Daarnaast zijn er enkele bevoegdgezaggemeenten (zie Besluit aanwijzing bevoegdgezaggemeenten Wbb, Stb. 2000, 591 21 december 2000) die gelijk worden gesteld met een provincie, waardoor een dergelijk geval binnen de gemeentegrenzen bij de desbetreffende gemeente moet worden gemeld. Veelal wordt als gevolg van een melding in het kader van de Wbb een beschikking afgegeven. In het kader van de Wet bodembescherming is de meldingsplicht van toepassing wanneer handelingen worden verricht met: Een ernstig geval van bodemverontreiniging. Er is sprake van een ernstig geval indien meer dan 25m3 grond en/of 100 m3 grondwater sterk is verontreinigd.
Meer dan 50 m3 licht tot matig verontreinigde grond of 1.000 m3 licht tot matig verontreinigd grondwater wordt verplaatst en er geen samenloop is met andere wettelijke kaders zoals de Woningwet (aanvraag bouwvergunning). Besluit bodemkwaliteit Per 1 juli 2008 zijn grond en baggerspecie uit het Bouwstoffenbesluit genomen en is het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk) inwerking getreden. Het Bbk is gebaseerd op een risicobenadering met als uitgangspunt een directe relatie tussen (chemische) kwaliteit en het gebruik van de bodem. In de Achtergrondwaarden (AW2000). Deze zijn vastgesteld op basis van de gehalten aan stoffen zoals die voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden in Nederland die niet zijn belast door lokale verontreinigingsbronnen. Partijen grond en baggerspecie die voldoen aan de AW2000 zijn altijd vrij toepasbaar. methodiek om te bepalen of sprake is van een onaanvaardbaar risico.
n vaste norm, maar een
van de kwaliteit die nodig is om de bodem blijvend geschikt te maken voor de functie die de bodem heeft. Aan de bodemkwaliteitsklassen en de bodemfunctieklassen zijn dezelfde normen gekoppeld: de Maximale Waarden voor de klasse Wonen en de Maximale Waarden voor de klasse Industrie. Om een partij grond of baggerspecie te mogen toepassen moet zowel de bodemkwaliteitsklasse als de bodemfunctieklasse worden getoetst (dubbele toetsing). Grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de Maximale Waarden voor de klasse industrie overschrijdt mag in het generiek kader niet worden toegepast. Tabel: toepassen landbodem
kwaliteit functie
AW2000
WONEN
AW
WO
IND
AW
WONEN
X
X
X
X
INDUSTRIE
X
X
X
X
INDUSTRIE
WO
IND
AW
WO
X
X
X
X
partij AW2000
Tabel: toepassen waterbodem bodem
toepassen waterbodem
kwaliteit
AW2000
A
B
partij A B
X
X
X
X
X
X
IND
B I J L AG E 4. Analysecertificaten
B I J L AG E 5. Getoetste analyseresultaten
B I J L AG E 6.
B I J L AG E 7. Bodeminformatie milieudienst/gemeente