Bijlage 1 - Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Emmen 2025
Tekst van het document
•
De in te zetten medewerkers dienen geregistreerd te zijn volgens de daartoe in de wet gestelde eisen aan de beroepsregistratie.
•
Ook dienen aanbieders in geval van ziekte of vakantie zorg te dragen voor vervanging. Daarnaast geldt op grond van de wet dat van aanbieders wordt verlangd dat zij een klachtenregeling en een medezeggenschapsregeling hebben.
Bij beroepsmatige ondersteuning B valt te denken aan een kleine aanbieder met een beperkt aantal werknemers, een ZZP’er of een student die wil bijverdienen. Omdat hierbij niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld voor beroepsmatig A is er hierbij sprake van lagere kosten waardoor een lager tarief gerechtvaardigd is. Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo 2015). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociale netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is een relevant diploma. Deze persoon wordt dus niet aangemerkt als beroepskracht. Het pgb voor roerende zaken zoals hulpmiddelen, autoaanpassingen, sportrolstoelen, woningaanpassingen, etc. wordt vastgesteld op basis van het programma van eisen en twee offertes, dan wel de tegenwaarde van het bedrag indien de gemeente zelf de voorziening zou hebben gekocht. Daarnaast dient gewaarborgd te zijn dat deze zaken veilig doeltreffend en cliënt gericht zijn. Het gaat om maximale tarieven. Als de aanbieder een lager tarief hanteert, dan wordt het pgb hierop afgestemd.
18
Normbedragen Jaarlijks, per 1 januari kan de beschikbare loon- en prijsindexaties worden vertaald naar indexering van de tarieven. Voor de uitwerking en bedragen, zie de nadere regels, inclusief financieel besluit wmo gemeente Emmen. 6.4 Wat is uw bijdrage in de kosten? In de wet, artikel 2.1.4, is bepaald dat in de verordening wordt geregeld of een inwoner een bijdrage in de kosten moet betalen voor het gebruik van voorzieningen. Sinds 2018 is het abonnementstarief Wmo van kracht. Het kabinet heeft aangekondigd dat uw bijdrage in de kosten vanaf 2026 weer inkomensafhankelijk wordt. Aanvullend op het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treft de gemeente Emmen minimabeleid voor uw bijdrage in de kosten Wmo. Dat wil zeggen dat cliënten met een verzamelinkomen tot 110% van het sociaal minimum, een fictieve eigen bijdrage van € 0-, krijgen opgelegd krijgen door het CAK. Niet pensioengerechtigde meerpersoonshuishoudens zijn vanuit wettelijke regeling vrijgesteld van het betalen van een eigen bijdrage. Voor 2025 gelden de volgende inkomensgrenzen voor het minimabeleid: Huishouden Eenpersoonshuishouden niet pensioengerechtigd Eenpersoonshuishouden, pensioengerechtigd Meerpersoonshuishouden, pensioengerechtigd Meerpersoonshuishouden, niet pensioengerechtigd
Inkomensgrens € € € Vrijgesteld van eigen bijdrage
Jaarlijks worden de inkomensgrenzen geïndexeerd aan de hand van het consumentenprijsindexcijfer. De genoemde inkomensgrenzen komen voort uit de Wmo 2015. Hierbij werd 120% van het sociaal minimum gehanteerd, dit is teruggerekend naar 110% van het sociaal minimum. De bedragen genoemd in deze verordening zijn de grondslag voor indexering.
Hoofdstuk 7 Tegengaan oneigenlijk gebruik en fraude In de memorie van toelichting (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3, pag. 31) is opgenomen dat de regering er waarde aan hecht dat gemeenten actief invulling geven aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik. Het behoort, aldus de memorie van toelichting tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3, pag. 136). Hiervoor is van belang dat het voor eenieder duidelijk is wat de rechten en plichten zijn en wat de gevolgen zijn als er sprake is van misbruik en oneigenlijk gebruik. In hoofdstuk 7 zijn hiervoor bepalingen opgenomen. Ook het door de gemeenteraad d.d. 31 januari 2019 vastgestelde Beleidsplan Toezicht en Handhaving Sociaal Domein 2019-2022, geeft aan op welke wijze de gemeentemisbruik en oneigenlijk gebruik in het sociaal domein wil tegengaan. 7.1.1 Beëindiging voorziening Als niet langer vaststaat dat de ondersteuning op maat nodig is of dat een hulpmiddel moet worden gebruikt, kan de gemeente de ondersteuning op maat intrekken of beëindigen.
Als de ondersteuning op maat wordt aangevraagd en toegekend, is het ook de verwachting dat de ondersteuning op korte termijn noodzakelijk is. Als binnen 6 maanden na de toekenning nog geen gebruik wordt gemaakt van de ondersteuning, is het redelijk te veronderstellen dat de toegekende ondersteuning niet nodig is. De ondersteuning op maat wordt dan ook beëindigd. 7.1.2 Terugvordering voorziening In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten 19
maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ 7.1.3 Opschorting pgb Op grond van artikel 2b lid 6 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, heeft het college deze bevoegdheid. 7.2 Hoe controleert de gemeente of een voorziening nog passend is en of afspraken worden nagekomen? Om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen, is geregeld contact met de inwoners van belang. De insteek van een dergelijk contact is in eerste instantie te bekijken of de ondersteuning nog voldoet, of eventueel aangepast moet worden, maar is ook van belang om na te gaan of de ondersteuning nog op de juiste wijze wordt ingezet. Deze onderzoeken worden gedaan door de Toegang. Het uitgangspunt hierbij is dat er bij langere indicaties periodiek gecontroleerd wordt of de maatwerkvoorziening nog past bij de problematiek van de inwoner. Om de rechtmatigheid van de verleende ondersteuning te kunnen onderzoeken, heeft de gemeente toezichthouders aangewezen, artikel 6.1 Wmo 2015.
Hoofdstuk 8 Inspraak en cliëntenparticipatie In de Wmo 2015 is vastgelegd dat de gemeente in de verordening bepalingen moet opnemen over de wijze waarop ingezeten inspraak kunnen op het Wmo beleid in de breedste zin. De wijze waarop de gemeente dit vorm geeft, is niet voorgeschreven. De gemeente heeft ervoor gekozen de inspraak te organiseren via adviesraden. De wijze waarop de gemeente de adviesraden bijstaat en de advisering is geregeld, is in separate regels vastgelegd. De medezeggenschap bij de aanbieders is in de contracten vastgelegd.
Hoofdstuk 9 Meningsverschillen Vanuit het belang van de dejuridisering wijst de regering gemeenten op de mogelijkheid om vormen van alternatieve geschillenbeslechting, zoals mediation of een ombudsfunctie als onderdeel van het proces te organiseren. Het college heeft de opdracht om een vorm van alternatieve geschillenbeslechting te realiseren. Dit kan een andere zijn dan mediation of een ombudsfunctie. Overigens kan de in de Wmo 2015 verankerde functie van cliëntondersteuning en de huidige ombudsfunctionaris in de gemeente Emmen ook een belangrijke rol spelen. De inwoner kan zelf bepalen voor welke vorm hij kiest om het geschil te behandelen. Hij kan dus ook kiezen voor een juridische procedure. 9.1.2 klachten over andere personen of organisaties De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. De Awb is niet van toepassing op de aanbieders. In dit artikel is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Het is aan het college om hierover met de aanbieders nadere afspraken te maken Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren.
Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, kan de inwoner de klacht voorleggen aan de ombudsman sociaal domein.
Hoofdstuk 10 Kwaliteit en aanbesteding 20
10.1 kwaliteit De inwoner moet ervanuit kunnen gaan dat de kwaliteit van de ondersteuning op maat die via de gemeente wordt geleverd goed is. Deze bepaling is een uitwerking artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt vastgelegd welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
10.2 inkoop en aanbesteding Hier wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. van de wet, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. Er is vastgelegd dat het college bij het vaststellen van de prijs rekening dient te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel.
De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de genoemde kostprijselementen, artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.
Hoofdstuk 11 Slotbepalingen In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Het gaat dan om de bevoegdheid aan het college om een nadere uitwerking te geven aan bepalingen uit deze verordening. Ook de bevoegdheid aan het college om te beslissen in gevallen waarin deze verordening niet voorziet is opgenomen. Verder de bepalingen voor het overgangsrecht, de inwerkingtreding van de nieuwe verordening en het intrekken van de oude verordening. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel heeft de regering te kennen gegeven dat de verantwoording over het gevoerde beleid de aandacht vraagt van de gemeenteraden. Met de verplichting van het college periodiek het beleid te evalueren en een verslag naar de raad te zenden, kan de raad de uitvoering geven aan de door de regering gevraagde aandacht. Het overgangsrecht regelt dat bestaande rechten blijven bestaan totdat er een nieuw besluit is genomen op basis van deze nieuwe verordening. Aanvragen die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreding van de nieuwe verordening, worden behandeld op basis van deze nieuwe verordening. Dit voorkomt onnodige besluitvorming. Voor ingediende bezwaarschriften geldt dat zij worden behandeld aan de hand van de verordening waarop het besluit waartegen bezwaar is gemaakt, is gebaseerd.
21