CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Nota van beantwoording zienswijzen omgevingsvergunning en VVGB Gantel 37, Klazienaveen

Commissie Wonen en Ruimte 7 december 2022, gemeente EmmenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen omgevingsvergunning Gantel 37 te Klazienaveen (331443-2022)7.646 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Nota van Beantwoording Zienswijzen Ontwerp-Omgevingsvergunning en Ontwerp-VVGB Gantel 37, Klazienaveen (NL.IMRO.0114.Zaak15890-V502) Inleiding De ontwerp-omgevingsvergunning en ontwerp-verklaring van geen bedenkingen (ontwerp-VVGB) voor de bouw en exploitatie van een biovergistingsinstallatie en warmtekrachtkoppelingsinstallatie op de locatie Gantel 37, Klazienaveen, kadastraal bekend gemeente Emmen, sectie AE, nummer 80 (NL.IMRO.0114.Zaak15890-V502) hebben van 23 maart tot en met 3 mei 2022 ter inzage gelegen. Tijdens deze termijn zijn zes zienswijzen binnengekomen. Deze zienswijzen zijn binnen de wettelijke termijn binnengekomen en derhalve ontvankelijk. Voor twee van de zes zienswijzen is op verzoek van indieners een extra termijn gegeven om de zienswijze aan te vullen. De gronden van één van de twee zienswijzen zijn binnen de gestelde extra termijn aangevuld. Op de andere zienswijze is geen aanvulling binnengekomen. AVG Zienswijzen zijn openbaar. Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) moeten de namen en adressen van indieners, als het geen bedrijven of instellingen zijn, in vrij toegankelijke digitale documenten wel worden geanonimiseerd. Om kennis te nemen van de namen van de indieners van de zienswijzen is aan het raadsbesluit een appendix toegevoegd met naam en toenaam.

Deze appendix maakt onderdeel uit van het besluit maar zal niet digitaal bekend worden gemaakt. Aspecten zienswijze De inhoud van de zienswijzen wordt per onderwerp samengevat weergegeven onder “A”. Vervolgens vindt onder “B” de beantwoording vanuit de gemeente plaats. Onder “C” is aangegeven of en hoe de ontwerp-omgevingsvergunning is aangepast. Strijd met gebruiksregels bestemmingsplan A1 Indieners geven aan dat de aangevraagde installaties niet zijn aan te merken als biovergisting- en warmtekrachtkoppelingsinstallatie, maar dat het een afvalverwerkingsinstallatie betreft. Dit is in strijd met het bestemmingsplan. B1 Eén van de indieners stelt dat het bedrijfsconcept sinds 2009 is veranderd, en dat het nu om een afvalverwerkingsbedrijf gaat. Indiener geeft daarbij aan dat het een overgang betreft van de stook van houtchips in 2009 naar verbranding van ongevaarlijk afval, waaronder ook houtafval, in de huidige aanvraag. Dit zou volgens indiener in strijd zijn met het bestemmingsplan. De constatering van indiener dat het concept is veranderd, is echter niet juist. De aanvraag heeft nog steeds betrekking op de oprichting van een biovergistingsinstallatie en warmtekrachtcentrale. Het bestemmingsplan stelt geen voorschriften aan de input van deze installaties. Dit betekent dat de input van de installaties niet relevant is voor de toets of het gebruik past in het bestemmingsplan.

Uiteraard gelden in de milieuwetgeving wel regels met betrekking tot de input. Daar is uitvoerig aan getoetst door de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD). In tegenstelling tot wat indiener aangeeft, wordt exact dezelfde input toegestaan als in 2009 en in de veranderingsvergunning van 2012. In de uitgebreide vergunningsteksten worden dezelfde stromen toegestaan als nu. Daarin wordt ook uitsluitend vergund wat is aangevraagd. Op basis van het Activiteitenbesluit zouden zelfs nog meer stromen zijn toegestaan, maar dat wordt op deze locatie niet vergund (want niet aangevraagd). De aangevraagde input valt onder de wettelijke definitie van biomassa. Het doel van het project is het opwekken van warmte en het produceren van gas, daarvoor wordt biomassa nuttig (her)gebruikt.

1

De aanvraag is in 2016 en nu opnieuw aan het geldende bestemmingsplan getoetst. Het beoogde gebruik past in het bestemmingsplan. De rechtbank heeft in de uitspraak van 2 oktober 2018 overigens ook geoordeeld dat het aangevraagde gebruik niet strijdig is met het geldende bestemmingsplan. C1 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Strijd met wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan A2 Indieners geven aan dat de aangevraagde ontwikkeling in strijd is met de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 6.5.1. B2 Op grond van artikel 3.6 lid 1 sub a Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan een bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid bevatten. Middels een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan kan het college van burgemeester en wethouders het plan, onder bepaalde voorwaarden, zelfstandig wijzigen. Dit wordt vastgelegd in een wijzigingsplan. Het wijzigingsplan wordt niet meer voorgelegd aan de gemeenteraad. Een wijzigingsbevoegdheid wordt vaak opgenomen bij nieuwe ontwikkelingen die nog niet geheel duidelijk zijn bij het opstellen van het bestemmingsplan. Burgemeester en wethouders mogen de bevoegdheid gebruiken maar zijn het niet verplicht. Het wijzigingsplan gaat deel uit maken van het bestemmingsplan (moederplan). De voorliggende ontwikkeling wordt niet mogelijk gemaakt met een wijzigingsplan.

Het betreft een geheel andere procedure, met een totaal ander doel. Artikel 6.5.1 is geschreven ten behoeve van wijziging van de bestemming Bedrijf-Biovergisting in de bestemming Agrarisch-Glastuinbouw. Dat is hier niet aan de orde. Er wordt derhalve niet getoetst aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 6.5.1. C2 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Strijd met bouwregels bestemmingsplan A3 Indieners geven aan dat de bouwhoogten van de aangevraagde installaties in strijd zijn met de bouwregels van artikel 11 van het geldende bestemmingsplan. B3 Allereerst, op de locatie Gantel 37 is het bestemmingsplan “Klazienaveen, glastuinbouwgebied Klazienaveen” van toepassing. In dit bestemmingsplan is aan de beoogde locatie de bestemming “Bedrijf-Biovergisting” toegekend. Deze bestemming is opgenomen in artikel 6. Artikel 11 is in zijn geheel niet van toepassing op de beoogde locatie. Er wordt derhalve niet aan de regels van dat artikel getoetst. De bouwhoogte van de WKK is wel in strijd met de maximale bouwhoogte zoals genoemd in artikel 6.2.1 onder b van het geldende bestemmingsplan. De bouwhoogte zou maximaal 12 meter mogen bedragen, maar deze wordt 12,2 meter. Deze overschrijding van 20 centimeter valt echter ruim binnen de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid van 24.1 onder a, de 10% regel.

De reikwijdte van binnenplanse afwijkingen in zijn algemeenheid is reeds bij vaststelling van het bestemmingsplan op aanvaardbaarheid getoetst. Het betreft bovendien de bevoegdheid van het college. Deze (beperkte) overschrijding kent daarom geen relevantie bij de afweging om een (ontwerp-) VVGB af te geven. De bouwhoogte van warmtebuffers, pompinstallaties, CO2- en mestzakken, watersilo's en installaties ten behoeve van de energievoorziening mag maximaal 15 meter bedragen. Aan deze bouwregel is voldaan. Voor overige andere bouwwerken geldt binnen het bouwvlak een bouwhoogte van 6m. Het gehele perceel is bouwvlak. De bouwregel die ziet op een maximale bouwhoogte van 3m geldt alleen buiten bouwvlak. Dat is hier niet aan de orde. C3 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. 2

Risico op overlast van stank en insecten door op- en overslag in de open lucht A4 Indieners geven aan dat op- en overslag van het geleverde verbrandingsafval gebeurt in de open lucht. Aangegeven wordt dat dit stankoverlast met zich mee brengt, evenals mogelijke overlast van insecten die op het afval afkomen. B4 In tegenstelling tot wat indieners aangeven, is er geen sprake van open opslag. De opslag wordt afgedekt. Dit is ook expliciet als vergunningsvoorschrift opgenomen. Zie onder andere vergunningsvoorschrift 7.4 op pagina 38 van de ontwerp-omgevingsvergunning. De opslag vindt plaats boven een betonnen vloer met opstaande betonwanden. Beton is insecten ondoorlatend. Ook de aanvoer vanuit transport wordt afgedekt aangeleverd. Op 22 februari 2016 is door Delphy een fytosanitair onderzoek uitgevoerd. Met bovenstaande zijn de adviezen van Delphy opgevolgd. In de ontwerpvergunning leest u bovendien terug dat wij deze uitvoering van maatregelen bij Delphy hebben geverifieerd en dat ons door de deskundige van Delphy is bevestigd dat de maatregelen in overeenstemming zijn met het eerder gegeven advies, en voldoende zijn om verspreidingsrisico’s te beperken. C4 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit.

Vergunningvoorschrift om verspreiding ziekten en plagen te voorkomen A5 Indiener geeft aan dat er in de ontwerpbeschikking geen vergunningsvoorschrift is opgenomen ten behoeve van het afdekken van materialen, opslag op een harde ondoorlatende ondergrond, en een voor insecten ondoordringbare wand. B5 Zie B 4. C5 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Installaties in strijd met wettelijke eisen A6 Indiener geeft aan dat de aanvraag van 2016 met de open sleufsilo’s niet voldoet aan BBT, zorgt voor onnodige en onacceptabele fytosanitaire risico’s en dus niet voldoet aan de wet. B6 Deze stelling is ons inziens incorrect. De RUD heeft de milieuaspecten van de aanvraag zorgvuldig getoetst. Deze voldoet op alle fronten. Voor wat betreft het fytosanitaire aspect zijn aanvullende voorwaarden gesteld in de ontwerpvergunning, zoals het afdekken van de sleufsilo’s. Daarnaast is ook vanwege het geuraspect afdekking voorgeschreven. Dit is conform de Best Beschikbare Technieken (BBT), en gebruikelijk bij dergelijke installaties. Er is dus geen sprake van open opslag, en de opslag voldoet aan BBT. C6 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. M.e.r. of passende beoordeling noodzakelijk A7 Indiener geeft aan dat de conclusie die in de vormvrije m.e.r.-beoordeling is getrokken, namelijk dat er geen m.e.r.

en/of passende beoordeling nodig is voor deze ontwikkeling, onjuist is, omdat er sprake is van een doorzet van meer dan 50 ton per dag. B7 3

Allereerst, de maximale capaciteit van de installaties qua input is al eerder vergund. In deze procedure komt dat niet opnieuw aan de orde. Uiteraard is in het kader van de revisievergunning wel getoetst aan de actuele regelgeving. Het is onjuist om in het kader van de milieuregelgeving de input van de biovergistingsinstallatie en de input van de WKK simpelweg bij elkaar op te tellen om zo te concluderen dat bepaalde normen worden overschreden. Het zijn twee verschillende installaties, waarvoor per installatie andere regels gelden. De vergistingsinstallatie valt onder categorie D 18.1: “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7”. De capaciteit van de installatie wijzigt niet. Hetgeen in de ontwerpbeschikking staat, is juist. De WKK valt niet onder deze categorie, want is (deels) aan te merken als een installatie als bedoeld in categorie D 18.7: “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de verbranding of de chemische behandeling van niet-gevaarlijke afvalstoffen”. Voor deze categorie geldt dat een m.e.r.-beoordeling moet worden gemaakt indien de activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Die grens wordt niet overschreden.

Ook hiervoor geldt dat de vergunning niet ziet op een uitbreiding of wijziging van de capaciteit. Voor beide installaties geldt dat een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden. Hieruit volgt geen m.e.r.-plicht. C7 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. IPPC inrichting A8 Indiener geeft aan dat, in tegenstelling tot hetgeen is vastgelegd in de m.e.r.-beoordeling en de ontwerpbeschikking, de inrichting een IPPC inrichting betreft. Indiener stelt dat er sprake is van een doorzet van 50 ton per dag, en bijlage 1 bij de RIE die norm als grens specificeert voor een IPPC/RIE inrichting. Indiener is van mening dat de ontwerpbeschikking op dit punt onjuist is. Dit zou tot gevolg hebben dat er geen VVGB kan worden verleend. B8 Allereerst, de wet kent het begrip IPPC-inrichting niet, wel het begrip IPPC-installatie. Op basis van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE) moet worden beoordeeld of er sprake is van een IPPCinstallatie. De WKK en de biovergistingsinstallatie worden aan verschillende drempels in de Richtlijn getoetst en overschrijden deze niet. Simpelweg optellen geeft een onjuiste voorstelling van zaken en is incorrect. Er is geen sprake van een IPPC-installatie.

Voor wat betreft de stelling dat dit tot gevolg zou hebben dat de VVGB niet kan worden verleend, merken wij overigens op dat het hier een aspect van de milieuvergunning betreft. Het college is hiervoor het bevoegde orgaan. Ook al zou de conclusie van indiener op dit punt juist zijn geweest (wat niet het geval is), dan zou dit alsnog niet kunnen leiden tot weigering van de (ontwerp-) VVGB voor het afwijken van de bouwregel. C8 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Lozing A9 Indiener stelt dat het lijkt alsof er digestaat zal worden geloosd op het riool. Dit is in strijd met de vormvrije m.e.r.-beoordeling en de lozingsvergunning uit 2009. B9 Indiener stelt dat het lijkt alsof er digestaat (vergiste biomassa) zal worden geloosd op het riool. Die stelling klopt niet. De lozing die wel zal plaatsvinden is in overeenstemming met de geldende regels, en het Waterschap heeft hierover een positief advies afgegeven. 4

Het lozen van hemelwater, ketelspuiwater en condensaat is een activiteit die valt onder de algemene regels, opgenomen in het Activiteitenbesluit. Aan het waterschap Hunze en Aa’s is advies gevraagd. Het waterschap ziet geen aanleiding om advies te geven voor de indirecte lozing. De lozing zal qua samenstelling en hoeveelheid geen invloed hebben op de doelmatige werking van de rioolwaterzuivering in Emmen. De directe lozing blijft onder het Activiteitenbesluit vallen en hiervoor is geen watervergunning nodig. Verder geldt dat het lozen van afvalwater inherent is aan het ter plaatse toegestane gebruik. Er is geen sprake van strijdigheid. C9 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Afzet van warmte A 10 Indiener stelt dat er in een eerdere ontwerp-vergunning sprake was van een vergunningsvoorschrift waarin het in gebruik nemen van de vergistingsinstallatie afhankelijk werd gesteld van de realisatie van de houtgestookte installatie met (in elk geval 50% van) de vergunde thermische capaciteit. Indiener geeft aan dat de synergie met omliggende tuinbouwbedrijven en andere bedrijven niet is gewaarborgd, nu dit voorschrift niet is opgenomen in de ontwerp-vergunning die ter inzage heeft gelegen. B 10 Het bevoegd gezag dient te beslissen op een vergunningsaanvraag zoals deze is ingediend.

Het voornemen is om de aanvraag van HoSt te verlenen zoals deze is aangevraagd. De bij ons beschikbare informatie geeft geen enkele aanleiding om uit te gaan van de aanname dat de stookinstallatie niet zal worden gebouwd. Sterker nog, deze ontwikkeling levert juist ook voordelen op voor het tuinbouwgebied zelf. Zo zal 9 MW warmte worden geleverd. Dat staat gelijk aan de verwarming van 30 hectare glastuinbouw. Het betreft bovendien een goedkoper alternatief voor aardgas. Initiatiefnemer heeft aangegeven dat glastuinbouwers pluk- en ruimingsafval uit kassen kunnen aanleveren voor vergisting, dat het zorgt voor levering van CO2 uit gasopwerking (vergistingsinstallatie) voor CO2-bemesting door tuinders, en levering van restwarmte. Ook worden reststromen uit de vergisting opgewerkt tot voeding voor de groei van potplanten. Wij zien derhalve geen aanleiding om een vergunningvoorschrift op te nemen zoals indiener omschrijft. C 10 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Kadastrale aanduiding A 11 Indiener vraagt zich af of de vergunning uit 2009 wel betrekking heeft op dezelfde locatie als de aanvraag van 2016. In 2009 wordt namelijk uitgegaan van De Gantel, sectie 1, nummer 12371, en de aanvraag van 2016 heeft betrekking op Gantel 37, Klazienaveen, kadastraal bekend gemeente Emmen, sectie AE, nummer 801.

B 11 De locatie waarop de vergunning uit 2009 betrekking heeft, is dezelfde locatie als waar de huidige aanvraag op ziet. Het verschil in kadastrale aanduiding komt doordat er na de vergunning uit 2009 een kadastrale hernummering van het perceel plaatsgevonden. Van belang is dat het perceel kadastraal nu bekend is als gemeente Emmen, sectie AE, nummer 801. De locatie is verder niet gewijzigd. C 11 5

(Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Risico op (geluids)overlast door extra (vracht)verkeersbewegingen A 12 Indieners geven aan dat de nabije omgeving 7 dagen in de week te maken krijgt met extra vrachtverkeer voor aan- en afvoer van materialen. Gevreesd wordt voor (geluids)overlast in de dorpen Klazienaveen-Noord en Barger-Compascuum. B 12 Op de locatie Gantel 37 te Klazienaveen is het bestemmingsplan “Klazienaveen, glastuinbouwgebied Klazienaveen” van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 30 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. In het vigerend bestemmingsplan is aan de locatie Gantel 37 de bestemming “Bedrijf-Biovergisting” toegekend. Die bestemming staat een biovergistingsinstallatie met bijbehorende gasdistributiebedrijf, warmtekrachtcentrale, en andere bouwwerken toe. Deze bestemming is in 2015 specifiek aan deze locatie toegekend, om gebruik zoals nu is aangevraagd, toe te staan. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan in 2015 is reeds geoordeeld dat kan worden voldaan aan het criterium van goede ruimtelijke ordening. Onderdeel van de belangenafweging zijn ook de aspecten (extra) verkeersbewegingen en daarmee samenhangend geluid. Bij de aanvraag is een akoestisch onderzoek gevoegd. Dat akoestisch onderzoek is in het kader van deze aanvraag beoordeeld. Ook indirecte hinder is in de beoordeling meegenomen.

Indirecte hinder is geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door transportbewegingen van en naar de inrichting op de openbare weg. Het geluid van dat verkeer wordt beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer”, d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde 65 dB(A). Uit het akoestisch rapport blijkt dat het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting bij de woning die het dichtst bij de beoogde locatie ligt niet meer bedraagt dan 44 dB(A). Aan de voorkeursgrenswaarde wordt derhalve voldaan. Er is derhalve geen indirecte hinder te verwachten. C 12 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Risico op geluidsoverlast van de installaties bij westenwind A 13 Indieners geven aan dat de nabije omgeving te maken krijgt met geluidsoverlast van de installaties, voornamelijk bij westenwind. B 13 Op de locatie Gantel 37 te Klazienaveen is het bestemmingsplan “Klazienaveen, glastuinbouwgebied Klazienaveen” van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 30 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. In het vigerend bestemmingsplan is aan de locatie Gantel 37 de bestemming “Bedrijf-Biovergisting” toegekend.

Die bestemming staat een biovergistingsinstallatie met bijbehorende gasdistributiebedrijf, warmtekrachtcentrale, en andere bouwwerken toe. Deze bestemming is in 2015 specifiek aan deze locatie toegekend, om gebruik zoals nu is aangevraagd, toe te staan. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan in 2015 is reeds geoordeeld dat kan worden voldaan aan het criterium van goede ruimtelijke ordening. Het onderdeel geluid is daarbij in de belangenafweging meegewogen. De bedrijfsactiviteiten hebben inderdaad tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Dat geluid wordt vooral veroorzaakt door interne transportbewegingen. De geluidsbelasting in de omgeving is in kaart gebracht in een akoestisch rapport.

6

Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (RBS). Dit is de toestand waarbij de inrichting volledig gebruik maakt van de vergunde capaciteit in de betreffende beoordelingsperiode. Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting. Geconcludeerd is dat de situatie ten aanzien van de geluidsbelasting, maximale geluidsniveaus en indirecte hinder milieuhygiënisch aanvaardbaar is. Aan de vergunning zijn voorschriften verbonden waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de aangevraagde geluidsruimte. Mochten deze grenswaarden worden overschreden, dan kan hierop gehandhaafd worden. Met betrekking tot geluid is als vergunningsvoorschrift 5.10 opgenomen dat binnen drie maanden, nadat de inrichting in zijn geheel in werking is, door middel van een akoestisch onderzoek aangetoond moet worden dat wordt voldaan aan de in voorschrift 6.1.1. en 6.1.2 gestelde geluidvoorschriften. Dit onderzoek moet in overleg met het bevoegd gezag worden opgezet en uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek dienen binnen vier maanden, nadat de inrichting in zijn geheel in werking is, aan het bevoegd gezag te worden overlegd.

Er wordt dus gemonitord of voldaan wordt aan de vergunningsvoorschriften. C 13 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Risico op stankoverlast van de installaties bij westenwind A 14 Indieners geven aan dat de nabije omgeving te maken krijgt met stankoverlast van de installaties, voornamelijk bij westenwind. B 14 Op de locatie Gantel 37 te Klazienaveen is het bestemmingsplan “Klazienaveen, glastuinbouwgebied Klazienaveen” van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 30 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. In het vigerend bestemmingsplan is aan de locatie Gantel 37 de bestemming “Bedrijf-Biovergisting” toegekend. Die bestemming staat een biovergistingsinstallatie met bijbehorende gasdistributiebedrijf, warmtekrachtcentrale, en andere bouwwerken toe. Deze bestemming is in 2015 specifiek aan deze locatie toegekend, om gebruik zoals nu is aangevraagd, toe te staan. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan in 2015 is reeds geoordeeld dat kan worden voldaan aan het criterium van goede ruimtelijke ordening. Het onderdeel geur is daarbij in de belangenafweging meegewogen. Er bestaan geen landelijke geurnormen. Landelijk uitgangspunt is wel dat (nieuwe) geurhinder wordt voorkomen. Er kan lokaal worden vastgesteld welke mate van geurhinder nog acceptabel is.

De gemeente Emmen en de Provincie Drenthe hebben echter geen beleidskader voor geur vastgesteld. Voor het bepalen van een aanvaardbaar hinderniveau is daarom aangesloten bij het geurbeleid van de provincies Groningen en Overijssel. Daaruit volgt dat aan de volgende richtwaarden voldaan moet worden:  Richtwaarde als 98-percentiel: 1,5 ouE/m3  Richtwaarde als 99,5-percentiel: 3,0 ouE/m3  Richtwaarde als 99,9-percentiel: 6,0 ouE/m3 Uit het in juli 2021 uitgevoerde geuronderzoek is gebleken dat de maximale berekende belasting op de dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning deze richtwaarden niet overschrijdt. In de omgevingsvergunning zijn bovendien voorschriften opgenomen om geurhinder zoveel mogelijk te beperken. Eveneens is in de voorschriften opgenomen (7.11) dat binnen 3 maanden nadat de inrichting, in overeenstemming met de vergunning, in werking is gebracht, de vergunninghouder, door middel van een geuronderzoek bij representatieve bedrijfssituatie(s), aan 7

het bevoegd gezag moet aantonen dat aan de geurvoorschriften van deze vergunning wordt voldaan. Dit geuronderzoek dient ten minste een combinatie te zijn van emissiemetingen, verspreidingsberekeningen en veldmetingen (snuffelploegonderzoek). Daarnaast zijn ook vergunningsvoorschriften (7.15 e.v.) opgenomen ten behoeve van het monitoren van de geursituatie. C 14 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Risico op lichthinder A 15 Indiener geeft aan dat zij mogelijk hinder zal ondervinden van deze ontwikkeling door meer verlichting. B 15 Op de locatie Gantel 37 te Klazienaveen is het bestemmingsplan “Klazienaveen, glastuinbouwgebied Klazienaveen” van toepassing. Dit bestemmingsplan is op 30 april 2015 door de gemeenteraad vastgesteld. In het vigerend bestemmingsplan is aan de locatie Gantel 37 de bestemming “Bedrijf-Biovergisting” toegekend. Die bestemming staat een biovergistingsinstallatie met bijbehorende gasdistributiebedrijf, warmtekrachtcentrale, en andere bouwwerken toe. Deze bestemming is in 2015 specifiek aan deze locatie toegekend, om gebruik zoals nu is aangevraagd, toe te staan. Bij vaststelling van dit bestemmingsplan in 2015 is reeds geoordeeld dat kan worden voldaan aan het criterium van goede ruimtelijke ordening. Het onderdeel lichthinder is daarbij in de belangenafweging meegewogen.

Als vergunningsvoorschrift 1.5 is opgenomen: “De in de inrichting aangebrachte of gebruikte verlichting moet zodanig zijn afgeschermd dat geen directe lichtstraling buiten de inrichting waarneembaar is.” Er is derhalve geen lichthinder te verwachten. Overigens wordt daarbij opgemerkt dat deze ontwikkeling plaatsvindt binnen het glastuinbouwgebied, en enige lichthinder inherent is aan de aard van de activiteiten die in dit gebied plaatsvinden. C 15 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Nabijheid dorp Klazienaveen-Noord A 16 Indiener geeft aan dat een dergelijke ontwikkeling niet gewenst is zo dichtbij een dorp als Klazienaveen-Noord. B 16 Indiener geeft aan dat zij de voorliggende ontwikkeling onwenselijk vindt in de nabijheid van Klazienaveen-Noord. Zij geeft echter niet aan waarom niet. Het is derhalve lastig om hierop een reactie te geven. In zijn algemeenheid is hierover het volgende te zeggen. In de nabijheid van Klazienaveen-Noord is een (glastuinbouw)bedrijventerrein gevestigd, waar ook op korte afstand van Klazienaveen-Noord reeds bedrijfsmatige activiteiten worden uitgevoerd. Op grond van de door de gemeenteraad vastgestelde Structuurvisie Emmen 2020 “Veelzijdigheid Troef” dient in het glastuinbouwgebied ingezet te worden op herstructurering.

Functieverbreding naar andere vormen van bedrijvigheid kan op grond van de Structuurvisie aan de orde komen als een manier om de kwaliteit van het tuinbouwgebied te versterken. Op de locatie Gantel 37 is een dergelijke functieverbreding al toegepast. Op grond van het bestemmingsplan is biomassavergisting op deze locatie immers reeds toegestaan.

8

Met betrekking tot duurzaamheid wordt in de Structuurvisie aangegeven dat de zoektocht naar (ver)nieuw(bar)e vormen van energie en het benutten van deze vormen nauw aansluit op het streven naar duurzaamheid. Daarbij zijn koppelingen denkbaar tussen industriële verwerking en teelt van biomassa. De teelt van biomassa en/of de verwerking van restafval uit de land- en tuinbouw in combinatie met biomassavergistingsinstallaties worden in de Structuurvisie daarbij zelfs als voorbeeld aangehaald. Voor wat betreft WKK wordt in de Structuurvisie expliciet de koppeling gemaakt met het glastuinbouwgebied. Qua locatie voor dergelijke ontwikkelingen wordt in de Structuurvisie aangegeven dat naarmate de installatie grootschaliger van aard wordt, vestiging op een bedrijventerrein of in het glastuinbouwgebied voor de hand ligt. In lijn met de Structuurvisie staat het vigerende bestemmingsplan de aangevraagde activiteiten reeds toe. Uitbreiding van deze activiteiten ligt eveneens in lijn met hetgeen hierover in de Structuurvisie wordt genoemd. De transitie naar duurzame energievoorzieningen is eveneens van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie van de provincie Drenthe wordt in dat kader aangegeven dat er wordt gestreefd naar een duurzame energiehuishouding. Dit vraagt om een overgang van gebruik van fossiele energie naar hernieuwbare energie.

Tevens wordt het benutten van de mogelijkheden voor duurzame energieopwekking en – distributie gestimuleerd, onder andere door het bieden van voldoende mogelijkheden voor initiatieven voor energieopwekking. Ook het besparen van energie, het zorgvuldig gebruik van de ondergrond voor de energiewinning, de opslag van CO2, groen gas of aardgas en de energie-infrastructuur zijn van provinciaal belang. In de voorliggende aanvraag worden duurzame energievoorzieningen aangevraagd. Een dergelijke ontwikkeling past derhalve binnen de provinciale Omgevingsvisie. C 16 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Gevolgen voor woongenot A 17 Indiener geeft aan dat deze ontwikkeling gevolgen heeft voor haar woongenot. B 17 Zoals onder B1 reeds aangegeven is er in 2015 een bestemmingsplan vastgesteld op grond waarvan deze activiteit reeds is toegestaan. Eventuele gevolgen voor het woongenot van omwonenden zijn bij dat besluit in de belangenafweging zijn meegenomen. Verder is, zoals aangegeven onder B4 en B12 tot en met B16, geen onaanvaardbare hinder te verwachten. C 17 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Risico op waardedaling van woningen A 18 Indieners benoemen het risico op waardedaling van de woningen in de nabije omgeving van deze ontwikkeling.

B 18 Zoals onder B1 reeds aangegeven is er in 2015 een bestemmingsplan vastgesteld op grond waarvan deze activiteit reeds is toegestaan. Eventuele gevolgen voor de waarde van omliggende woningen zijn bij dat besluit in de belangenafweging meegenomen. Ons inziens heeft de voorliggende ontwerp-omgevingsvergunning niet geleid tot een (extra) risico op waardedaling van omliggende woningen. Weliswaar staat deze vergunning een afwijking van het bestemmingsplan toe, maar dit gaat uitsluitend om een vergroting van het aantal vierkante meters bijbehorende bouwwerken en een kleine overschrijding van de bouwhoogte (zie B3). Op grond van het huidige bestemmingsplan kan het bouwblok (welke vrijwel het gehele perceel beslaat) reeds 9

volledig met gebouwen worden volgebouwd. De ruimtelijke impact van het bouwen van bijbehorende bouwwerken is niet wezenlijk anders dan die van gebouwen, en zal naar verwachting niet tot (extra) hinder voor omwonenden leiden, en derhalve niet tot waardevermindering waarvoor een tegemoetkoming in de schade aan de orde is. Mochten indieners dat anders zien, dan voorziet de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in een regeling voor schade die ruimtelijke plannen en besluiten kunnen veroorzaken. Het gaat daarbij om inkomensderving en/of waardedaling van een onroerende zaak. Op grond van artikel 6.1 Wro kan uitsluitend sprake zijn van een tegemoetkoming in de schade als de schade niet redelijkerwijs voor rekening van de aanvrager behoort te komen. Schade komt in elk geval voor rekening van de aanvrager als er sprake is van indirecte schade (schade door een wijziging in de planologische mogelijkheden op gronden van derden) en de schade het normaal maatschappelijk risico (NMR) niet overschrijdt. Daarvan is op grond van artikel 6.2 lid 2 sub b in elk geval sprake als de schade niet meer bedraagt dan 2% van de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk voor het ontstaan van de schade. Concreet betekent dit dat in geval van een woning met een waarde van €300.000,het normaal maatschappelijk risico in elk geval €6000,- bedraagt.

Verder is het van belang dat de schade niet voorzienbaar was (artikel 6.3 lid 1 Wro). Het staat indieners van de zienswijze vrij om een planschadeverzoek in te dienen. Er wordt dan, conform artikel 6.4 lid 3, wel een recht geheven van €300,- om het planschadeverzoek in behandeling te nemen. Dit recht wordt verrekend met eventueel uit te keren planschade (artikel 6.4 lid 4). Dit recht wordt echter niet terugbetaald indien geen planschade wordt uitgekeerd. C 18 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Toename aantal vierkante meters bijbehorende bouwwerken A 19 Indieners geven aan dat er op dit moment 150 m2 aan bijbehorende bouwwerken is toegestaan, terwijl er 6300 m2 is aangevraagd. Dit is een forse overschrijding. B 19 De afwijking van wat in de bouwregel staat (max 150m2) lijkt fors, maar ruimtelijk is de impact van deze afwijking niet groot ten opzichte van wat het bestemmingsplan reeds toestaat. Zo mag conform het bestemmingsplan het gehele perceel worden volgebouwd met gebouwen. Dat zien we bijvoorbeeld ook op nabijgelegen percelen waar kassen staan. Bij de WKK en biovergister worden vooral andere bouwwerken gebouwd. Daarbij kan worden gedacht aan onder meer de silo’s van de vergister. Qua ruimtelijke impact of ruimtebeslag zijn deze niet anders dan een gebouw, maar in juridische zin worden ze anders gekwalificeerd.

Het enige verschil is dat een gebouw een bouwwerk is waar mensen in kunnen verblijven. De silo’s zijn niet bedoeld voor het verblijf van mensen. Juridisch is de kwalificatie anders, maar de ruimtelijke uitstraling is niet wezenlijk anders dan die van een gebouw. C 19 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Verhouding tot landelijke en gemeentelijke doelstellingen A 20 Indiener vraagt zich af hoe deze ontwikkeling zich verhoudt tot landelijke en gemeentelijke doelstellingen. B 20 Deze vergunning ligt in lijn met de gemeentelijke, provinciale en landelijke visie op functieverbreding en duurzaamheid in het tuinbouwgebied. Wij lichten dit hieronder nader toe. De ontwikkeling past in de gemeentelijk visie op functieverbreding in het tuinbouwgebied

10

Op grond van de Structuurvisie Emmen 2020 “Veelzijdigheid Troef”, welke op 24 september 2009 door uw raad is vastgesteld, dient in het glastuinbouwgebied onder andere ingezet te worden op herstructurering. Functieverbreding naar andere vormen van bedrijvigheid kan op grond van de Structuurvisie aan de orde komen als een manier om de kwaliteit van het tuinbouwgebied te versterken. Op de locatie Gantel 37 is een dergelijke functieverbreding al toegepast. Op grond van het bestemmingsplan is biomassavergisting op deze locatie immers reeds toegestaan. Met betrekking tot duurzaamheid wordt in de Structuurvisie aangegeven dat de zoektocht naar (ver)nieuw(bar)e vormen van energie en het benutten van deze vormen nauw aansluit op het streven naar duurzaamheid. Daarbij zijn koppelingen denkbaar tussen industriële verwerking en teelt van biomassa. De teelt van biomassa en/of de verwerking van restafval uit de land- en tuinbouw in combinatie met biomassavergistingsinstallaties worden in de Structuurvisie daarbij zelfs als voorbeeld aangehaald. Voor wat betreft WKK wordt in de Structuurvisie expliciet de koppeling gemaakt met het glastuinbouwgebied. Qua locatie voor dergelijke ontwikkelingen wordt in de Structuurvisie aangegeven dat naarmate de installatie grootschaliger van aard wordt, vestiging op een bedrijventerrein of in het glastuinbouwgebied voor de hand ligt.

In lijn met de Structuurvisie staat het vigerende bestemmingsplan de aangevraagde activiteiten reeds toe. Uitbreiding van deze activiteiten ligt eveneens in lijn met hetgeen hierover in de Structuurvisie wordt genoemd. De transitie naar duurzame energievoorzieningen is eveneens van provinciaal belang. In de Omgevingsvisie van de provincie Drenthe wordt in dat kader aangegeven dat er wordt gestreefd naar een duurzame energiehuishouding. Dit vraagt om een overgang van gebruik van fossiele energie naar hernieuwbare energie. Tevens wordt het benutten van de mogelijkheden voor duurzame energieopwekking en – distributie gestimuleerd, onder andere door het bieden van voldoende mogelijkheden voor initiatieven voor energieopwekking. Ook het besparen van energie, het zorgvuldig gebruik van de ondergrond voor de energiewinning, de opslag van CO2, groen gas of aardgas en de en20rgie-infrastructuur zijn van provinciaal belang. In de voorliggende aanvraag worden duurzame energievoorzieningen aangevraagd. Een dergelijke ontwikkeling past derhalve binnen de provinciale Omgevingsvisie. Vanuit landelijk oogpunt bezien: Deze installatie brengt vergroening naar het glastuinbouwgebied, waarmee een stuk toekomstzekerheid wordt behaald. De opgave is ook voor de glastuinbouwbedrijven erg groot en niet meer vrijblijvend. Voor de toekomst van de industrie in dit gebied is het dus bittere noodzaak.

C 20 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. NOx-emissie technisch niet haalbaar A 21 Indieners stellen dat de door HoSt geclaimde 187 kg/jaar NOx-emissie technisch niet haalbaar is. Eerder was uitgegaan van 16.645 kg/jaar NOx. B 21 De provincie Drenthe is bevoegd gezag voor de natuurvergunning. Bij een besluit op een aanvraag baseren zij zich op de gegevens die door de aanvrager wordt aangeleverd. Het is aan de provincie om de gegevens te checken en de haalbaarheid van het plan te beoordelen. Het is vervolgens aan de aanvrager om het bedrijf zo in te richten dat de NOx emissie inderdaad deze grens niet overschrijdt. Als dat niet gebeurt, zal de provincie daarop moeten handhaven. Het is dus ook zeker in het belang van aanvrager om waarheidsgetrouwe gegevens aan te leveren.

11

Overigens is de afname van NOx emissie ten opzichte van de eerdere PAS melding te verklaren. In de oude situatie werden geen aanvullende technieken toegepast. Deze waren ook niet nodig. Door gewijzigde wet- en regelgeving op gebied van natuur is dat nu echter wel noodzakelijk. Er bestaan twee verschillende technieken om NOx uitstoot vanuit de WKK-installatie te reduceren. Dit kan door (1) ureum te injecteren in de vuurhaard. Het kan ook door (2) een ammoniak katalysator te plaatsen net voor de rookgassen de schoorsteen verlaten. HoSt Klazienaveen heeft ter reductie van de uitstoot ervoor gekozen deze twee technieken in de installatie te combineren. Verder heeft zij haar technisch proces verbeterd door een beter gecontroleerde verbranding toe te passen zonder piektemperaturen. Gezamenlijk leidt dit tot een aanzienlijke reductie van NOxuitstoot. Deze combinatie van technieken is door HoSt reeds toegepast in een andere, vergelijkbare WKKinstallatie en middels metingen door gecertificeerde bedrijven is de reductie van de NOx-uitstoot aangetoond. C 21 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Positieve weigering en ontwerp-vergunning zijn in strijd met elkaar A 22 Indiener geeft aan dat de ontwerp-vergunning en de positieve weigering met elkaar in strijd zijn.

B 22 Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Drenthe is bevoegd om te oordelen over de vraag of een vergunning nodig is op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Initiatiefnemer heeft hiervoor een aanvraag gedaan bij GS. Dit betekent dat dit aspect niet meer door het college en/of raad wordt beoordeeld. Het is niet aan het college of de raad om te toetsen of GS tot een juist besluit is gekomen. Voor de afgifte van de VvGB en vervolgens het verlenen van de vergunning geldt een ander toetsingskader dan voor GS bij het besluit op grond van de Wnb. De stelling dat het project dat door GS is beoordeeld in het besluit tot positieve weigering, een ander project is dan hetgeen bij de gemeente is aangevraagd, is onjuist. Het project, waar GS over heeft geoordeeld, is het project zoals dat in de huidige aanvraag voorligt en waarop besloten wordt. En in geval dat HoSt in strijd met het besluit van GS zou handelen, kan GS daarop handhaven. C 22 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. CO2-/stikstof uitstoot A 23 Indieners geven aan dat deze installatie CO2 uitstoot, terwijl iedereen minder CO2 zou moeten uitstoten in verband met klimaatveranderingen. Indieners geven tevens aan dat stikstofuitstoot niet is toegestaan in verband met het nabijgelegen natuurgebied (Natura 2000 gebied).

B 23 Zoals ook onder B 20 is aangegeven, is Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Drenthe bevoegd om te oordelen over de vraag of een vergunning nodig is op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb). Initiatiefnemer heeft hiervoor een aanvraag gedaan bij GS. Dit betekent dat dit aspect niet meer door het college en/of raad wordt beoordeeld. De vraag of GS heeft mogen oordelen dat er geen vergunning nodig is op grond van de Wnb is geen vraag die kan worden betrokken bij het oordeel of afgeweken kan worden van de bouwregel. Het betreffen twee separate juridische procedures. In deze procedure inzake de omgevingsvergunning moet worden getoetst aan de geldende bestemming, die reeds een biovergistingsinstallatie met bijbehorend gasdistributiebedrijf, warmtekrachtcentrale en andere bouwwerken toestaat. De VvGB wordt uitsluitend gevraagd voor de afwijking van de bouwregel inzake de bijbehorende bouwwerken. 12

C 23 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Positieve weigering op onjuiste gronden verleend A 24 Indiener stelt dat de positieve weigering van GS op onjuiste gronden is verleend. B 24 Zie B 21 en B 23. C 24 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Geen omgevingsvergunning zonder Wnb vergunning A 25 Indieners stellen dat de positieve weigering van de aanvraag om een Wnb-vergunning “zoals het nu lijkt van tafel zal gaan”, en dat zonder een geldige Wnb-vergunning geen omgevingsvergunning verstrekt kan worden. B 25 In de wettelijke procedure is niet voorgeschreven dat er op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning een Wnb- of natuurvergunning moet zijn afgegeven. Gedeputeerde Staten (GS) heeft voor dit project geoordeeld dat een Wnb-vergunning niet nodig is. Door GS is vastgesteld dat er geen sprake is van een vergunningplichtige activiteit. Dit oordeel is door GS gegeven op verzoek van HoSt. Omdat HoSt aan GS heeft gevraagd dit oordeel te geven, is een oordeel over de natuuraspecten geen onderdeel van de aanvraag omgevingsvergunning, waar het college van B&W een besluit op moet nemen. De aanvraag omgevingsvergunning bij de gemeente en het oordeel van GS over de vraag of een natuurvergunning nodig is, zijn twee gescheiden trajecten. Het ene traject wacht niet op het andere of andersom.

Zowel bevoegd gezag als de toetsingskaders zijn verschillend. Of de rechter het besluit van GS waarin geoordeeld is dat geen natuurvergunning nodig is, wel of niet in stand zal laten, kan het college niet beoordelen. Zowel het college als raad zijn in die procedure geen partij. GS heeft dit besluit genomen en in het kader van de beroepsprocedure ook verweer gevoerd op hetgeen in beroep naar voren is gebracht. De stelling dat dit besluit waarschijnlijk door de rechter zou worden vernietigd, kan het college niet bevestigen of ontkennen. Het is aan de rechter om dat te beoordelen. Zou de rechter oordelen dat het besluit van GS niet in stand kan blijven, dan moet GS een nieuw besluit nemen op het verzoek van HoSt om vast te stellen dat er geen Wnb-vergunning nodig is. Een nieuw besluit van GS staat los van het besluit van uw raad over de verklaring van geen bedenkingen. Het besluit over de (ontwerp) verklaring van geen bedenkingen hoeft en mag daar niet op wachten. Zoals eerder aangegeven, zijn dit twee gescheiden trajecten. Ieder traject kent ook zijn eigen beslistermijn. De beslistermijn voor de omgevingsvergunning is al enige tijd verstreken. De aanvrager kan bij de rechter afdwingen dat een besluit wordt genomen op de aanvraag.

Het is van cruciaal belang dat er in het kader van de omgevingsvergunningsprocedure een zelfstandige, ruimtelijke, beoordeling plaatsvindt, separaat van de lopende beroepsprocedure tegen de Wnb-vergunning. Het besluit over afgifte van de (ontwerp-)VVGB dient te worden onderbouwd met ruimtelijke argumenten die terug te leiden zijn naar de bouwregels waarmee de ontwikkeling in strijd is. Hoe de rechtbank zal besluiten op het beroep tegen de positieve weigering van de Wnbvergunning kent daarbij geen relevantie. Het geeft ook geen grondslag om de beslissing voor afgifte van een (ontwerp-)VVGB aan te houden. Afwachten zal bovendien ook weer een ander juridisch traject met zich mee brengen. De gemeenteraad houdt zich dan immers niet aan de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland 13

van 2 oktober 2018 waarin de rechter de motivatie van uw raad om de VVGB te weigeren onhoudbaar geacht. De rechtbank heeft dientengevolge het besluit om de aanvraag van 26 februari te weigeren vernietigd en besloten dat opnieuw dient te worden beslist op die aanvraag, met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. C 25 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Tweede aanvraag A 26 Indiener geeft aan dat er twee aanvragen zijn ingediend. De tweede aanvraag (‘alternatieve plan’ volledig overkapt van 2018) zit ten onrechte niet bij de stukken. Hiervoor is geen VVGB nodig zoals het college zelf stelt en wordt aan de eis tot het voorkomen fytosanitaire risico’s tegemoet gekomen. B 26 De alternatieve aanvraag is niet bij de stukken gevoegd, omdat de aanvraag uit 2016 zelfstandig dient te worden beoordeeld en getoetst. Weigering mag uitsluitend plaatsvinden op relevante gronden. Er mag geen vergelijk plaatsvinden met een andere aanvraag, want dan is er geen sprake meer van een zelfstandige beoordeling. We hebben de alternatieve aanvraag zowel tijdens de informatiebijeenkomst als in de stukken bij het raadsvoorstel wel benoemd, vanuit het oogpunt van transparantie en zorgvuldigheid. We hebben als bevoegd gezag niet te kiezen voor welk plan de initiatiefnemer een aanvraag indient.

Initiatiefnemer heeft gevraagd de aanvraag van 2016 te beoordelen, omdat zij dit plan wil realiseren. Overigens zorgt het alternatieve plan, net als het huidige plan, voor voldoende bescherming tegen fytosanitaire risico’. Een overkapping maakt deze risico’s, voor zover aanwezig, niet kleiner. C 26 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit. Communicatie A 27 Indieners stellen dat de communicatie over deze ontwikkeling van de kant van de gemeente erg tekort is geschoten. Het bestemmingsplan is vastgesteld in 2015, en daarvoor zijn al verschillende vergunningen verleend. Indieners stellen nimmer geïnformeerd te zijn over deze ontwikkeling. B 27 Sinds 2009 zijn er door verschillende bevoegde gezagen verschillende toestemmingen verleend om een biovergister en warmtekrachtkoppelingsinstallatie op deze locatie toe te staan. Deze vergunningen zijn op correcte wijze bekendgemaakt en gepubliceerd. Hieronder een overzicht van die toestemmingen. Datum 15-6-2009 29-12-2009 4-2-2009

17-5-2011

14

Type aanvraag Bouwvergunning fase I

Beschrijving aanvraag Besluit 1. het bouwen van een biovergister, 2. het bouwen Verleend van een warmtekrachtkoppeling (WKK) installatie Bouwvergunning fase II 1. het bouwen van een biovergister, 2. het bouwen Verleend van een warmtekrachtkoppeling (WKK) installatie Oprichtingsvergunning voor het in werking hebben van een inrichting voor Verleend Wet milieubeheer het opwekken van duurzame energie bestaande uit warmte en elektriciteit ten behoeve van de glastuinbouw. Het betreft een verbrandingsinstallatie met een capaciteit van 16.000 t/j en een vergistingsinstallatie met een capaciteit van 15.000 t/j Omgevingsvergunning Uitbreiding van de inrichting met een Verleend (milieu) biogasopwekkingsinstallatie

28-11-2012

Omgevingsvergunning (milieu)

Verhogen van de vergistingscapaciteit naar 25.000 t/j en het verruimen van de toe te passen biomassastromen

Verleend

30-4-2015

Bestemmingsplan

Vaststellen bestemmingsplan "Klazienaveen, Vastgesteld glastuinbouw Klazienaveen". De locatie is bestemd als "Bedrijf-biovergisting" en daarmee bestemd voor: 1. biovergistingsinstallatie, 2. gasdistributie, 3. warmtekrachtcentrale, en 3. andere bouwwerken.

Van belang om in dit kader te benoemen is dat het bestemmen van de locatie als “Bedrijf – biovergisting” volledig in lijn lag met de reeds verleende vergunningen. Weliswaar was de installatie nog niet gerealiseerd, er was geen sprake van het nieuw toestaan van de activiteiten. Desalniettemin, ook in het proces richting vaststelling van het bestemmingsplan waarin de locatie positief is bestemd als “Bedrijf-Biovergisting” zijn er verschillende mogelijkheden geweest om hiervan kennis te nemen. Op 11 februari 2014 heeft er een opstartbijeenkomst plaatsgevonden, waarin diverse aspecten van het bestemmingsplan aan bod zijn gekomen. Naar aanleiding van deze bijeenkomst is het concept-ontwerpbestemmingsplan toentertijd op onderdelen aangepast. Op 7 juli 2014 is er een inloopbijeenkomst geweest voor geïnteresseerden. Tijdens deze bijeenkomst kon een ieder het bestemmingsplan bekijken. Tevens kon men vragen stellen en reacties geven op het plan. Waar de beantwoording leidde tot aanpassingen van het bestemmingsplan, zijn deze in het ontwerpbestemmingsplan verwerkt. Vervolgens bestond de mogelijkheid om een zienswijze tegen het ontwerpplan in te dienen en in beroep te gaan tegen vaststelling van het bestemmingsplan. De plannen zijn op correcte wijze bekendgemaakt, gepubliceerd en hebben gedurende 6 weken ter inzage gelegen.

Er was in dat proces dus voldoende gelegenheid om kennis te nemen van de ontwikkelingen op deze locatie en voor het kenbaar maken van eventuele bezwaren. Op 26 februari 2016 is door initiatiefnemer de voorliggende aanvraag ingediend. Het ontwerpbesluit is op 16 juni 2016 gepubliceerd in de Staatscourant en Emmen.nu. Wellicht ten overvloede, ook nu was er sprake van gebruik dat reeds op grond van het bestemmingsplan was toegestaan. Vanaf 17 juni 2016 heeft het ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage gelegen. Op 5 juli 2016 is er door aanvrager een informatiebijeenkomst georganiseerd voor het glastuinbouwgebied. Door verschillende juridische procedure heeft het proces van vergunningverlening geruime tijd stil gelegen. Ingevolge een uitspraak van de rechtbank diende weer opnieuw op de aanvraag uit 2016 worden besloten. Ondanks dat er geen sprake is van met het bestemmingsplan strijdig gebruik (de strijdigheid ziet immers uitsluitend op de bouwregels) hebben we ervoor gekozen om ook de erkende overlegpartners (EOP’s) van de omliggende dorpen actief te benaderen en hen te wijzen op de ter inzagelegging van de ontwerp-besluiten. Via de EOP’s zijn er veel zorgen geuit door direct omwonenden.

Om die reden hebben we op 25 mei 2022 een informatiebijeenkomst georganiseerd waarbij zowel de gemeente, de RUD als ook de initiatiefnemer aanwezig waren om alle vragen van omwonenden te beantwoorden. Specifiek aan indieners is zelfs nog een extra termijn gegevens om de (pro-forma ingediende) zienswijze aan te vullen naar aanleiding van de informatiebijeenkomst. Bovenstaande ontkracht ons inziens de stelling van indiener dat de gemeente ernstig tekort is geschoten in de communicatie over deze ontwikkeling. C 27 (Dit aspect van) de zienswijze leidt niet tot wijziging van het besluit.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=969e12d5-b225-452b-8e66-1321a0d89411