Bijlage 1 - Algemene subsidieverordening gemeente Emmen 2026 met toelichting
Tekst van het document
Nu de eigen verantwoordelijkheid van subsidieontvanger vooropstaat, kan de subsidieontvanger in zijn beleid ook op een andere wijze de veiligheid van minderjarigen of wilsonbekwame personen waarborgen, bijvoorbeeld door in plaats van een verklaring omtrent gedrag voor te schrijven dat altijd sprake is van toezicht door een derde (vier ogen-principe). Het is ook aan de subsidieontvanger om te bepalen waar de scheidslijn ligt tussen diegenen die een verklaring omtrent gedrag moeten overleggen en diegenen waarvoor dit niet geldt. Hierbij speelt de aard van de door de desbetreffende persoon uit te voeren werkzaamheden, alsmede andere waarborgen van de veiligheid van minderjarigen of wilsonbekwame personen een rol. Vanzelfsprekend is de subsidieontvanger zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van het vastgestelde beleid. Tweede lid Het kan voorkomen dat op grond van een wettelijk voorschrift op de subsidieontvanger reeds de verplichting rust om van alle personeelsleden, vrijwilligers en anderen die de subsidieontvanger inzet, een verklaring omtrent gedrag te vragen. In een dergelijk geval prevaleert deze wettelijke regeling boven de regeling uit deze verordening en is het eerste lid niet van toepassing.
Derde lid Vanzelfsprekend hoeven (structurele) subsidieontvangers niet bij elke subsidieaanvraag bewijsstukken te overleggen om aan te tonen, dat zij voldoen aan de voorwaarden van de eerste twee leden. Het college hanteert hierbij het uitgangspunt dat een subsidieontvanger slechts bewijsstukken bij zijn aanvraag hoeft te voegen, wanneer hij in de voorgaande 3 jaren geen subsidieaanvraag heeft ingediend. Het kan natuurlijk voorkomen dat de activiteiten van een subsidieontvanger in de loop van de tijd veranderen. Daarom dient een subsidieontvanger bij de eerstvolgende subsidieaanvraag, nadat hij activiteiten heeft ontplooid, waarbij minderjarigen of wilsonbekwame personen betrokken zijn (waar dat eerder niet het geval was), de gevraagde bewijsstukken te overleggen. Overigens dient de subsidieontvanger op grond van artikel 12 lid 7 onder f het college hier bij aanvang van de activiteiten al over te informeren. Vierde lid Subsidieontvangers dienen naast het hanteren van een vastgesteld beleid, zoals bedoeld in lid 1, tevens de registratielijst van de “Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk” te hanteren, teneinde te voorkomen dat een kwaadwillende medewerker van de ene organisatie naar de andere kan overstappen. Dit betekent dat de subsidieontvanger bij binnenkomst van een nieuwe vrijwilliger controleert of de desbetreffende vrijwilliger op de registratielijst voorkomt
19
en, indien dit het geval is, de desbetreffende vrijwilliger niet in dienst neemt. Bovendien dient de subsidieontvanger in die gevallen waarin een vrijwilliger na een tuchtprocedure wordt veroordeeld, van deze veroordeling melding te maken, zodat de desbetreffende vrijwilliger op de registratielijst kan worden geplaatst. Eerder heeft het College Bescherming Persoonsgegevens toestemming verleend voor het beheren van een dergelijke registratielijst. Op deze lijst worden alleen mensen opgenomen die volgens een vastgestelde tuchtprocedure zijn veroordeeld. Op de website van de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (NOV) (www.nov.nl) en op de website van de Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk (www.tuchtrechtvrijwilligerswerk.nl) is de meest actuele informatie over dit onderwerp beschikbaar. Vijfde lid Wanneer de subsidieontvanger niet over een eigen tuchtprocedure beschikt, dient de subsidieontvanger de tuchtprocedure van de “stichting tuchtrecht vrijwilligerswerk” te hanteren. Over een eventueel gehanteerde eigen tuchtprocedure dient de subsidieontvanger met Vereniging NOV overeenkomst af te sluiten, zodat de registratielijst van de Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk gehanteerd kan worden om te melden en te raadplegen.
In stappenplan 'In veilige handen' is door de Stichting Tuchtrecht Vrijwilligerswerk een blauwdruk opgenomen met randvoorwaarden, waaraan een tuchtprocedure dient te voldoen. Hoofdstuk IV Verantwoording en vaststelling Een bestuursorgaan is verplicht een verstrekte subsidie vast te stellen. Vaststelling vindt in het algemeen plaats na verlening, maar kan ook samenvallen met de verlening (zie hiervoor artikel 16 lid 2). Wanneer de subsidie eerst is verleend, vindt de vaststelling na afloop van de activiteiten plaats. De beslistermijn van artikel 16 is hierbij van toepassing. Indien de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en de verplichtingen nageleefd, dan wordt de subsidie vastgesteld op het bedrag dat is verleend. Een subsidie vaststellen op een hoger bedrag dan is verleend, is niet mogelijk. De Awb biedt hiervoor geen grondslag. Lager vaststellen kan wel (artikel 4:46, tweede lid, Awb): wanneer de activiteiten niet (allemaal) zijn verricht; wanneer de verplichtingen niet zijn nageleefd; wanneer onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de juiste of volledige gegevens zouden tot een andere beschikking zouden hebben geleid; wanneer de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidieontvanger dit wist of behoorde te weten. Artikel 14.
Verantwoording subsidies tot en met € 25.000,Kenmerkend voor subsidies tot en met € 25.000,- is dat deze op basis van vertrouwen worden verstrekt. Er wordt niet meer standaard om een aanvraag voor subsidievaststelling (verantwoording) gevraagd, nu subsidies tot en met € 25.000,- direct worden vastgesteld (zie artikel 16 lid 2) en er dus voorafgaand geen beschikking tot subsidieverlening genomen wordt. De noodzakelijke bewijsstukken worden direct met de aanvraag meegestuurd. Hierdoor kunnen de lasten voor zowel de subsidieaanvrager als de subsidieverstrekker worden bespaard. In plaats van verantwoording geldt een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de verplichtingen (zie artikel 12). Ook indien de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden, kan directe vaststelling worden toegepast. De toepassing is dan onder meer afhankelijk van de aard van de subsidie en risicoafweging van de subsidieverstrekker.
20
Achteraf kan een risicogeoriënteerde controle (vandaar de verplichting om gedurende 5 jaren betalingsbewijzen en andere informatie te bewaren) plaatsvinden bij de subsidieontvanger, welke in bijzondere gevallen kan leiden tot terugvordering. Artikel 15. Aanvraag tot vaststelling en verantwoording subsidies hoger dan € 25.000,In artikel 10 is bepaald dat de wijze van verantwoording al bij het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend wordt gemaakt. Eerste lid In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie hoger dan € 25.000,- aan het college dienen te verantwoorden; er dient, vóór de uiterlijke aanleverdatum, een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden. Tweede lid De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Daarom dienen bij de aanvraag tot vaststelling enkele documenten te worden overlegd: Allereerst een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden.
Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Verder dient ook een financieel verslag of jaarrekening te worden ingediend. Derde lid In voorkomende gevallen kan het college bepalen dat een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop toegevoegd moeten worden. Of hierin door het college verzocht wordt, zal afhangen van de aard van de subsidie(ontvanger). Wanneer een subsidieontvanger standaard een jaarrekening en balans opstelt en deze naar het oordeel van het college dienstig kunnen zijn bij de verantwoording van de subsidie, zal het college deze in beginsel opvragen. Vierde lid Bij subsidies hoger dan €25.000,- is de hoofdregel dat de subsidieverantwoording in beginsel is voorzien van een verklaring van een onafhankelijke externe accountant, of een NBA geregistreerde financieel adviseur. Al naar gelang de hoogte van het verleende bedrag aan subsidie, wordt een beoordelingsverklaring, een samenstellingsverklaring of een controleverklaring gevraagd. Vanaf een bedrag van € 200.000,- wordt een controleverklaring gevraagd.
Een dergelijke verklaring geeft de meeste zekerheid over de rechtmatige besteding van de subsidie. Aan deze verklaring zijn ook de hoogste kosten verbonden, maar bij subsidies van een dergelijke omvang, verhouden de kosten voor de accountant tot de omvang van de subsidie. Voor subsidies hoger dan € 25.000,- tot en met € 200.000,- kan worden volstaan met een beoordelingsverklaring of een samenstellingsverklaring. Dergelijke verklaring bieden minder zekerheid, echter gelet op de hoogte van het subsidiebedrag en de hierbij te lopen financiële risico’s, kan hiermee worden volstaan. Wel zal in deze gevallen dor de gemeente goed worden gekeken naar de financiële onderbouwing van de besteding van de subsidie. Om te voorkomen dat over meerdere ontvangen jaar subsidies apart verantwoording moet worden afgelegd, met de daarbij komende kosten, voor de aanvrager, is onder c de mogelijkheid opgenomen dat deze subsidies bij elkaar opgeteld kunnen worden en dat dan kan worden volstaan met 1 (totale) verklaring.
21
De accountant moet onderzoeken of het financiële verslag of de jaarrekening voldoet aan de bij of krachtens de wet gestelde voorschriften en of het activiteitenverslag, voor zover hij (de accountant) dat verslag kan beoordelen, met de verantwoording verenigbaar is. Wanneer een subsidieontvanger standaard een jaarrekening opstelt en deze vergezeld gaat van een controleverklaring van een onafhankelijke extern accountant, volstaat deze verklaring slechts als de accountant in deze verklaring uitdrukkelijk verklaart dat hij ook de verleende subsidie gecontroleerd heeft. Vijfde lid In dit lid is vastgelegd aan welke eisen degene die de verklaring opstelt, moet voldoen. Zesde lid Dit lid biedt de basis om in een subsidieregeling of in de beschikking tot subsidieverlening te bepalen dat er ook andere, waaronder minder of meer, gegevens gevraagd worden. Dit biedt de mogelijkheid om maar maatwerk te leveren. Zevende lid Dit artikel lid biedt de mogelijkheid om categorieën van subsidieontvangers aan te wijzen, waarbij de subsidie direct kan worden vastgesteld ook al is het verstrekte bedrag aan subsidie hoger dan € 25.000,-. Dit zal vooral om aanvragers gaan waarbij van te voren vaststaat dat het vragen van een verklaring over de verstrekte subsidie geen meerwaarde heeft, maar bijvoorbeeld door ingeleverde en betaalde facturen vaststaat dat de subsidie rechtmatig is verstrekt.
Artikel 16. Subsidievaststelling Eerste lid In dit lid wordt tot uitdrukking gebracht dat de beschikking tot subsidieverlening reeds de maximale subsidie bepaalt (vergelijk ook artikel 4:31 Awb). Bij de vaststelling wordt slechts bepaald welk gedeelte van de verleende subsidie besteed is, dit op basis van de ingediende verantwoording, Doorgaans zal dit het volledige verleende subsidiebedrag zijn, maar het vastgestelde bedrag kan ook lager zijn dan de verleende subsidie (zie onder andere artikel 4:46 Awb). Van deze situatie moet worden onderscheiden de situatie dat het college voorafgaand aan de subsidievaststelling de beschikking tot subsidieverlening wijzigt. Tweede lid Voor subsidies tot en met € 25.000,- geldt dat zij ineens worden vastgesteld, zonder dat daar een afzonderlijk besluit tot subsidieverlening aan vooraf gaat. Voor een dergelijke subsidievaststelling behoeft derhalve geen aanvraag tot vaststelling met bijbehorende verantwoording ingediend te worden. Zie ook de artikelen 11 en 14. Derde lid Het derde lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking tot subsidievaststelling gegeven dient te worden, wanneer een aanvraag tot vaststelling met bijbehorende verantwoording is ingediend. Vierde lid Het merendeel van de aanvragen zal binnen de in het vorige lid genoemde beslistermijn kunnen worden afgehandeld.
Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. In lid 4 is daarom de mogelijkheid opgenomen de beslistermijn te verdagen. Een besluit tot verdaging is niet appellabel. Wanneer het college gebruikmaakt van deze verdagingsmogelijkheid, informeert het college de subsidieontvanger daarover zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling.
22
Vijfde lid Dit lid biedt de mogelijkheid om ook voor subsidies hoger dan €25.000,- aan te sluiten bij de directe vaststelling van het eerste lid. Dit is echter alleen mogelijk, indien dit bij subsidieregeling gebeurt en betrekking heeft op bepaalde categorieën subsidieontvangers. Hoofdstuk V Overschotten en reservevorming Artikel 17. Vorming van een reserve Eerste lid Het kan voorkomen dat voor het verrichten van de activiteiten waarvoor de subsidie is aangevraagd, niet het volledige bedrag van de verleende subsidie nodig is geweest. Normaal gesproken leidt dit tot een lagere vaststelling van de subsidie, nu niet de gehele subsidie is besteed voor de activiteiten met het oog waarop deze is verstrekt. In bepaalde gevallen kan dit echter leiden tot ongewenste situaties. Daarom heeft het college een aantal voorwaarden gesteld waaronder ‘subsidie-overschotten’ behouden kunnen worden. Dit gaat dan om subsidieontvangers waarmee een langjarige subsidierelatie bestaat en die de subsidie ontvangen voor activiteiten die gedurende het hele jaar plaatsvinden (op grond waarvan zij een subsidie per kalenderjaar/boekjaar ontvangen). Met deze ‘subsidie-overschotten’ dienen zij vervolgens een reserve te vormen. Deze reserve (als zodanig ook opgenomen in het financiële overzicht c.q.
de balans) dient als een buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar. Dat de overschotten niet onbeperkt ‘gehouden’ kunnen worden, blijkt uit de omstandigheid dat het college hier een grens van 20% stelt. Bedraagt het overschot meer dan 20% van de verleende subsidie, dan wordt de subsidie voor het meerdere boven die 20% alsnog lager vastgesteld en eventueel teruggevorderd. Deze regeling is bedoeld om een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden te waarborgen. Daarnaast dient het als stimulans voor de subsidieontvanger om efficiënt met het subsidiegeld om te gaan. Tweede lid Op de 20%-regeling uit het eerste lid bestaat een uitzondering. Het kan zijn dat een subsidieontvanger, met het oog op de continuïteit van de gesubsidieerde activiteiten in de toekomst, investeringen moet doen in roerende of onroerende zaken, voor welke bestemming hij een reserve wil vormen (bestemmingsreserve). Hierbij kan het voorkomen dat een reservering van 20% van het per jaar verleende subsidiebedrag onvoldoende is om de verwachte kosten van de investeringen te dekken. Het college wil hiertoe de mogelijkheid bieden, maar stelt daaraan wel een aantal voorwaarden.
Zo moet van tevoren worden aangegeven voor welke bestemming de reserve zal worden gebruikt en moet de reserve ook boekhoudkundig correct worden verantwoord en benoemd binnen het subsidieproces. Derde lid Een van de voorwaarden uit het vorige lid is de uitdrukkelijke toestemming van het college voor het vormen van een bestemmingsreserve (zie ook artikel 12 lid 8 van deze verordening). Deze kan zowel vóór als na de verlening van de subsidie verkregen worden door daartoe een verzoek bij het college in te dienen. Bij het voorgaande dient te worden aangetekend dat toestemming van het college slechts noodzakelijk is voor zover de reserve gevormd wordt uit subsidiemiddelen of er subsidiemiddelen worden toegevoegd aan een reeds bestaande reserve. Subsidieontvangers zijn immers te allen tijde vrij om vanuit zelfstandig verkregen middelen reserves te vormen. De verhouding tussen deze reserves en de verstrekte subsidiegelden dient in een dergelijk geval duidelijk te blijken uit de tijdens het subsidieproces ingediende financiële documenten. Hierbij kan gedacht worden aan de begroting bij de subsidieaanvraag of de financiële stukken behorende bij de verantwoording. Vierde lid Het kan niet de bedoeling zijn dat deze reserve oneindig groot wordt. Het college kan dan ook
23
in subsidieregelingen uitwerken wat de totale maximale omvang van de reserve mag bedragen of binnen welke tijd deze moet worden ingezet. Vijfde lid De reservevorming dient telkens duidelijk te blijken uit de door de subsidieontvanger ingediende verantwoording, zodat het college hierbij met de vaststelling van de subsidie rekening kan houden. Zesde lid Wanneer een subsidieontvanger reeds een reserve heeft gevormd en hieraan subsidiegelden wil toevoegen, dan is dit mogelijk. De vorming van deze reserve dient vanzelfsprekend wel in overeenstemming zijn met de voorwaarden uit artikel 17 en 18 die anders op de reservevorming van toepassing zouden zijn geweest. Deze regeling is niet bedoeld om reeds gevormde reserves achteraf maar onbeperkt te legitimeren. Derhalve kan dit lid ook slechts beperkt worden opgevat als een afwijkingsmogelijkheid van lid 3 van dit artikel. Voorop staat dat een subsidieontvanger slechts een bestemmingsreserve kan vormen, wanneer het college hier vooraf toestemming voor gegeven heeft. De regeling in lid 5 kan dan ook slechts worden gebruikt voor zover de subsidieontvanger reeds een reserve in het leven geroepen heeft vóór de inwerkingtreding van deze verordening (zie artikel 22) of wanneer de subsidieontvanger voor het eerst subsidie ontvangt en in het verleden reeds een reserve gevormd heeft. Artikel 18.
Vereisten toestemming vorming bestemmingsreserve Eerste lid Het verzoek wordt getoetst aan de voorwaarden, zoals opgenomen in artikel 17 en 18, en afhankelijk van de uitkomst van deze toetsing, gehonoreerd dan wel afgewezen. Tweede lid Omdat het bij de vorming van bestemmingsreserve kan gaan om aanzienlijke bedragen (er wordt immers vaak een maatregel getroffen voor aanzienlijke kosten), dient aan een aantal waarborgen te zijn voldaan, wil het college toestemming geven voor de vorming van een bestemmingsreserve. Deze waarborgen zijn als voorwaarden voor de toestemming van het college in het onderhavige lid opgenomen. Om te voorkomen dat de subsidiemiddelen in enig privévermogen vloeien, dient de subsidieontvanger die een bestemmingsreserve wil vormen, rechtspersoonlijkheid te bezitten. Daarnaast dient duidelijk te zijn dat de subsidieontvanger redelijkerwijs niet anders dan door reservevorming in de te verwachten kosten kan voorzien. Tot slot dient er een relatie te zijn tussen het doel en de activiteiten van de subsidieontvanger en de bestemming waarvoor de reserve gevormd wordt.
Voor een illustratie van het onderscheid tussen het doel en de activiteiten van de subsidieontvanger is hieronder een voorbeeld opgenomen: Een organisatie die welzijnsactiviteiten op allerlei terreinen verricht, ontvangt een subsidie voor activiteiten ten behoeve van de bevordering van zelfredzaamheid van ouderen. Deze organisatie verzorgt echter ook buitenschoolse opvang en wil een reserve vormen om onderhoud te kunnen plegen aan de accommodaties waarin deze buitenschoolse opvang plaatsvindt. Hoewel deze activiteiten naar alle waarschijnlijkheid wel conform de statutaire doelstellingen van deze organisatie zijn, zal het college in dit geval toch haar toestemming voor het vormen van een bestemmingsreserve uit de verstrekte subsidiemiddelen weigeren. De bestemming (onderhoud buitenschoolse opvanglocaties) wijkt immers af van de activiteiten waarvoor de subsidie is verstrekt (bevorderen zelfredzaamheid ouderen).
24
Hoofdstuk VI Slotbepalingen Artikel 19. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling vastgelegd dienen te worden. De aanvrager zal daarmee dan bij zijn aanvraag rekening moeten houden. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader. Een veel gebruikte methode voor de bepaling van de omvang van het subsidiebedrag is de berekening van de (gedeeltelijke) bijdrage aan de werkelijke kosten van subsidiabele activiteiten. Hierbij is een belangrijke basis voor de financiering/subsidie (kostengrondslag) de inzet van personeel. De subsidieontvanger moet zich verantwoorden over het aantal subsidiabele uren en de totstandkoming van de uurtarieven. Bij het bepalen van de standaardberekeningswijzen voor de berekening van uurtarieven kan het college aansluiten bij de berekeningswijzen, zoals die in het Rijksbrede subsidiekader worden gehanteerd: a. berekening op basis van integrale kosten; b. berekening op basis van kosten per kostendrager, vermeerderd met een forfaitair vastgestelde opslag voor indirecte kosten of c.
een forfaitair vastgesteld uurtarief. Artikel 2o. BTW Ter verduidelijking is opgenomen dat voor BTW die compensabel of verrekenbaar is, geen subsidie wordt verleend. Ook kan in een enkel geval blijken dat na afloop van de activiteiten de subsidieontvanger BTW verschuldigd is over diverse kosten. Met die BTW-kosten is dan bij de subsidieverlening geen rekening gehouden. Verzoeken om de BTW-kosten alsnog te compenseren met een subsidie, worden afgewezen. Subsidiebedragen zijn inclusief eventueel verschuldigde BTW (lid2). Artikel 21. Evaluatieverslag In artikel 4:24 Awb, is bepaald dat om de 5 jaar een evaluatieverslag moet worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. Hier kan van afgeweken worden als dit bij wettelijk voorschrift (verordening) is bepaald. Met dit artikel wordt het aan het college overgelaten of, en hoe vaak een dergelijk verslag wordt gepubliceerd. Overigens wordt door het college jaarlijks een overzicht van de verstrekte subsidies opgemaakt. Daarnaast wordt aan de subsidieontvanger al de verplichting opgelegd om bij de aanvraag tot subsidievaststelling een inhoudelijk verslag met betrekking tot de verleende subsidie in te leveren zodat ook beoordeeld kan worden in hoeverre de verleende subsidie effectief is besteed. Artikel 22.
Hardheidsclausule Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan bepalingen in de ASV (eerste lid) of de toepasselijke subsidieregeling (tweede lid) wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen. Het college kan dan van deze bepalingen afwijken. Een te treffen voorziening, die niet in de verordening of subsidieregeling is voorzien, dient altijd binnen de doelstellingen van de subsidie te passen. Artikel 23. Inwerkingtreding en overgangsbepaling In het tweede lid is het overgangsrecht geregeld. Aanvragen die zijn ingediend voor de datum van inwerkingtreden van de nieuwe verordening, worden beoordeeld op grond van de Algemene subsidieverordening gemeente Emmen 2017. Indien voor deze aanvragen ook een
25
aanvraag tot vaststelling van de subsidie moeten worden ingediend, dan worden deze aanvragen ook beoordeeld op grond van de Asv Emmen 2017.
26