4. Bijlage advies SodM WP Schoonebeek-Gas
Tekst van het document
14
nieuwe scheuren kunnen groeien. In het WMP zegt de NAM toe om bij het begin van de waterinjectie met injectiviteitstesten vast te stellen in hoeverre injectie plaatsvindt via het scheurnetwerk, en of er sprake is van injectie onder ‘fracturing condities’. Het openen en groeien van scheuren in het reservoirgesteente vormt op zichzelf geen risico zolang de afsluitende lagen daarmee niet worden aangetast. Wel kan geïnjecteerd water makkelijker breuken bereiken als het via een netwerk van scheuren door het reservoir stroomt. De onderstaande beoordeling over injectiedruk speelt daarom ook een rol in de beoordeling van het effect van waterinjectie op breuken (volgens mechanismen IV en V in Hfst 2.1 van bijlage O.2). De belangrijkste aanleidingen voor aantasting van de afsluitende laag door scheurgroei en voor lekkage uit het reservoir: a. Als de gemiddelde reservoirdruk in het reservoir te hoog wordt; b. Als de vloeistofdruk lokaal in en rond de injectieputten te hoog wordt; c. Als door injectie van relatief koud water het gesteente in het reservoir en rond de put te sterk afkoelt dat zich krimpscheuren vormen. Het is goed om op te merken dat van nature in het reservoirgesteente van het Schoonebeekgasveld reeds scheuren aanwezig zijn. Gedurende de lange geologische geschiedenis hebben zich in de kalksteenlagen van het reservoir een netwerk van scheuren gevormd.
Dit komt veel voor in dit soort kalksteen reservoirs. Wanneer die bestaande natuurlijke scheuren open staan of open wordt gedrukt door de waterinjectie, dan kan het water makkelijker door een netwerk van open scheuren het reservoir in stromen. Scheuren in het reservoir is geen risico zolang de scheuren niet in en door de afsluitende laag heen groeien. In het bovenliggende steenzout zijn scheuren van nature zeer ongebruikelijk doordat met het vloeigedrag van het zout scheurgroei wordt tegengegaan. Met de waterinjectie mag de druk niet zodanig hoog worden dat alsnog scheurgroei in afsluitende gesteentelagen zou kunnen optreden. In het onderstaande geeft SodM de beoordeling van dit risico en de risicobeheersing door begrenzing van de injectie- en reservoirdruk. 5.2 Drukbegrenzing ter voorkoming van lekkage via scheuren door de afsluitende laag In hfst. 6 van de uitwerking op basis van het waterinjectie protocol24 geeft de NAM achtereenvolgens een onderbouwing van de injectiedrukken in vergelijking tot de druk waarop de afsluitende lagen kunnen scheuren (hfst. 6.1.1. m.b.t. de sterkte van de afsluitende laag). De NAM geeft verder een inschatting van het totale volume dat de NAM verwacht veilig te kunnen injecteren (de injectiecapaciteit) op basis van het totaal geproduceerde hoeveelheid gas. De NAM geeft een inschatting (hfst.
6.3.) van de ‘wateropslagvolumes’ voor verschillende compartimenten van het gasveld en komt tot een totale volume van 43,5 miljoen m3 voor de verschillende compartimenten samengenomen (de injectiecapaciteit). De NAM maakt bij de inschatting onderscheid tussen een Noordelijk en Zuidelijk compartiment, waarbij in het noordelijk compartiment het reservoir verder wordt opgedeeld in een westelijk en oostelijk compartiment. Uit de gaswinning blijkt dat er enige mate van drukcommunicatie is tussen de noordelijke compartimenten en het zuidelijke compartiment. Het zuidelijk compartiment van het veld verwacht de NAM te vullen via waterinjectieputten vanaf de SCH-447 locatie. De noordelijke compartimenten deels via de nieuw aan te vragen waterinjectie vanaf de SCH-313 locatie, eveneens voor water afkomstig uit het Schoonebeek-olieveld. Daarnaast heeft er zowel in de noordelijke als zuidelijke compartimenten waterinjectie plaatsgevonden van de vergunde injectie van water uit gasvelden. De NAM geeft aan in totaal 33 miljoen m3 volume in het reservoir te injecteren, uitgesplitst in een 12,9 miljoen m3 vanaf locatie SCH-447 en 20,1 miljoen m3 vanaf de locatie SCH-313.25 Bovendien zegt de NAM toe dat met de waterinjectie wordt gestopt zodra de reservoirdruk het niveau van de hydrostatische druk van 318 bar op referentiediepte van 3000 meter (TVDSS26) heeft bereikt.
24
NAM rapport EP202303201029, april 2023, Uitwerking Waterinjectie Protocol - Injectie van het Schoonebeek oliewater in het Schoonebeek gasveld, bijlage M7 bij de WABO-aanvraag wijziging inrichting Schoonebeek-447. 25 33 miljoen m3 wordt genoemd in hfst. 6.4 van het winningsplan Schoonebeek-gas, versie 2.0, juli 2023. 26 TVDSS staat voor ‘True Vertical Depth below Sea Level’, de verticale diepte gemeten vanaf zeeniveau.
15
SodM oordeelt dat de drukbegrenzing, meer dan de begrenzing van het totale volume, van belang is voor de veilige uitvoering van de waterinjectie met oog op de integriteit van het reservoir en de afsluitende lagen. SodM beoordeelt deze drukbegrenzing van 318 bar als bovengrens voor de gemiddelde reservoirdruk in gasveld een veilige drukbegrenzing om de volgende redenen. De hydrostatische druk is de vloeistofdruk als wordt uitgegaan van het gewicht van de waterkolom vanaf een referentiediepte tot aan zeeniveau. Op een referentie diepte van 3000 meter (TVDSS) in het reservoir bedraagt deze druk 318 bar, uitgaande van hydrostatische gradiënt van 0,106 bar/m voor het formatiewater in de gesteentelagen boven het reservoir. De initiële reservoirdruk in het Schoonebeek gasveld was 358 bar op deze referentiediepte van 3000 m (TVDSS). Dat betekent dat de gasdruk voor aanvang van de gaswinning in het Schoonebeek gasveld hoger was dan de tegendruk van een volledige waterkolom op die diepte. Deze gasdruk werd gedurende de lange geologische tijd tegengehouden door de afsluitende zoutlagen die opwaartse stroming van het aardgas uit het reservoir verhinderde. De afsluitende zoutlaag vormt daarmee een barrière die stroming verhindert ook wanneer vloeistofdruk hoger is dan de hydrostatische druk. Op basis van berekeningen van de sterkte van de afsluitende laag (hfst.
6.1.1) komt de NAM tot de inschatting dat de maximum toelaatbare vloeistofdruk die de afsluitende zoutlaag aan kan voordat het gaat scheuren. Aan de hand van berekeningen van de formatiesterkte die bepaald wordt door de horizontale gesteentespanning in de afsluitende halietlaag (het steenzout) komt de NAM tot een inschatting van 638 bar. Dit is op basis van een verwachte reele gradiënt van de minimum horizontale spanning van 0,22 bar/m en berekend voor een diepte van 2900 meter in de afsluitende laag. De NAM vraagt aan om bovenaan de injectieputten een druklimiet van 250 bar te mogen hanteren (de Flowing Tubing Head Pressure, FTHP). Onderin de injectieputten komt de injectiedruk daarmee uit op een maximum druk van 549 bar (de Flowing Bottomhole Pressure, FBHP) Deze FBHP is de optelsom van de FTHP en het gewicht van een 2900 meter waterkolom van het injectiewater, gerekend met een hydrostatische gradiënt voor het injectiewater van 0,103 bar/m. Doordat de wrijvingsverliezen als gevolg van stroming langs de binnenbuis bij deze FBHP niet zijn meegenomen, zal de daadwerkelijk maximum druk onderin de injectieputten iets lager zijn. De injectiedruk bovenin de put als FTHP te begrenzen, overeenkomstig de aanvraag van de NAM, heeft als voordeel dat die druk makkelijker handhaafbaar is doordat de FTHP direct gemeten kan worden bovenaan de injectieputten.
SodM vindt het van belang dat de druk in het reservoir wordt begrensd, zowel als een gemiddelde reservoirdruk over het hele gasveld, als ook de lokale druk in en nabij de injectieputten. Lokaal mag de injectiedruk hoger zijn dan de gemiddelde reservoirdruk, als dat veilig kan. En zolang de gemiddelde reservoirdruk begrensd blijft tot de hydrostatische druk. SodM stelt vast dat de NAM voor de gemiddelde reservoirdruk kiest voor een veilige marge door het reservoir te vullen tot de hydrostatische druk en niet tot de hogere initiële reservoirdruk. Daarmee blijft de NAM met de aangegeven gemiddelde reservoirdruk van 318 bar op referentiediepte van 3000 meter (TVDSS) ruim onder de veilige marge van de vloeistofdruk. Het reservoir en de afsluitende gesteentelagen hebben laten zien gedurende een lange geologische geschiedenis hogere vloeistofdrukken aan te kunnen. Ook de door de NAM voorgestelde injectiedruk blijft ruim onder de druk waarop scheurgroei in de afsluitende haliet zoutlaag kan optreden. Echter, de omstandigheid van injectie van koud water (20 °C) in een relatief warm reservoir (~120 °C) vereist een ruime marge27. SodM adviseert om die injectiedrukken vast te leggen bovenaan de put volgens de door de NAM aangevraagde FTHP.
Echter, als uit de boringen van de nieuwe injectieputten blijkt dat het haliet daar afwezig is of zeer dun is, zal de begrenzing van de lokale injectiedruk daaraan moeten worden aangepast om een ruime veiligheidsmarge te kunnen handhaven. De berekening van de FBHP is immers gebaseerd op het uitgangspunt dat er voldoende haliet aanwezig is om een horizontale gesteentespanning te hebben waar de NAM in de aanvraag rekening mee houdt. Als verwachtingswaarde gaat de NAM in de aanvraag uit van 0,22 bar/m; SodM gaat uit van een minimale gradiënt van 0,21 bar/m om bij
27
1 bar/°C geeft een grove inschatting van de verandering in de gesteentespanning door afkoeling, wat overeenkomt met 50 bar (∆S) als minimale marge voor een temperatuurverschil van 100 °C.
16
een FTHP van 250 bar een voldoende veiligheidsmarge te behouden28. Om deze reden adviseert SodM om in het voorschrift over de begrenzing van de injectiedruk de nadere bepaling toe te voegen dat die drukken enkel gelden mits ondersteund door de in de injectieputten aangetoonde gesteentes en daaruit volgende horizontale gesteentespanning. SodM doet in het kader van de Mijnbouwwet reeds toetsing van de eindrapporten van de boringen. SodM adviseert om een voorschrift op te nemen voor een onderbouwing van de sterkte van de aangetroffen afsluitende gesteentelagen op basis van de resultaten (in het eindrapport) van de boringen. 5.3 Beheersing van de reservoir permeabiliteit en de effecten van put- of reservoirstimulatie In hfst. 8.2 van de uitwerking op basis van het waterinjectie protocol29 beschrijft de NAM de wijze waarop ze van plan is om permeabiliteit (doorstroming van het injectiewater) rond de injectieputten te behouden of te verbeteren. Hoeveel debiet (m3 water per dag) kan worden geïnjecteerd hangt sterk af van de doorlaatbaarheid van het gesteente, direct rond de injectieputten. Dit kan worden verbeterd door het bevorderen van de permeabiliteit van het reservoirgesteente in de directe omgeving van de waterinjectieput. De NAM beschrijft de mogelijkheid putstimulatie met zuur om de doorlaatbaarheid te verbeteren.
Ook benoemt de NAM dat de waterinjectie mogelijk onder ‘fracturing condities’ kan plaatsvinden. Dit is beschrijving van hydraulische stimulatie ook wel ‘fracking’ genoemd. Daar is met de voorliggende aanvraag en met de nadere toelichting geen sprake van. De NAM zegt in het Waterinjectie Management Plan toe dat bij aanvang van de waterinjectie via ‘fall-off’ metingen zal worden bepaald of de injectie onder ‘fracturing condities’ plaatsvindt. SodM vindt het van belang op de omstandigheden van de waterinjectie te begrijpen en deze test kan daarbij helpen. De NAM blijft ook in geval van injectie onder ‘fracturing condities’ binnen de bovengenoemde 250 bar THP. En ook SodM heeft in bovenstaande beoordeling van deze injectiedruk rekening gehouden met injectie onder ‘fracturing condities’. SodM adviseert met oog op de beheersing van de integriteit van het reservoir en afsluitende laag om twee voorschriften op te nemen waarin de gemiddelde reservoirdruk en de FTHP als limieten worden vastgelegd: De gemiddelde reservoirdruk in het Schoonebeek gasveld, en in de individuele compartimenten, zal de hydrostatische druk van 318 bar op referentiediepte van 3000 m (TVDSS) niet overstijgen.
De injectiedruk gemeten aan het maaiveld (de Flowing Tubing Head Pressure, FTHP) bedraagt maximaal 250 bar, mits de afsluitende laag rond de injectieputten een minimum horizontale gesteentespanning ondersteunt die overeenkomt met een gradiënt van minimaal 0,21 bar/m. SodM adviseert om een voorschrift op te nemen voor een onderbouwing van de sterkte van de aangetroffen afsluitende gesteentelagen op basis van de resultaten in het eindrapport van de boringen van de injectieputten: De NAM dient binnen 6 weken na het eindrapport van de boringen van injectieputten bij de Inspecteur-generaal der mijnen een onderbouwing in die laat zien dat de in de aanvraag toegezegde integriteit en sterkte van de afsluitende gesteentelagen aanwezig is. SodM adviseert om voorschriften op te nemen over het monitoren en rapporteren van beide drukken conform de methodiek en rapportagefrequenties zoals beschreven in het Waterinjectie Managementplan.
Injectie vindt alleen plaats conform een goedgekeurd waterinjectie management plan.
Voor wijziging van het Waterinjectie Management Plan is goedkeuring vereist van de Inspecteur Generaal der mijnen.
28
marge van 60 bar, ook in het scenario dat koud injectiewater de afsluitende laag afkoelt. NAM rapport EP202303201029, april 2023, Uitwerking Waterinjectie Protocol - Injectie van het Schoonebeek oliewater in het Schoonebeek gasveld, ingediend als bijlage M7 bij de WABO-aanvraag wijziging inrichting Schoonebeek-447. 29
17
Bijlage O.6 Beoordeling van de integriteit van de injectieputten 6.1 Inleiding De NAM heeft een risicoanalyse uitgevoerd op de integriteit van injectieputten. Voor deze beoordeling van de integriteit van injectieputten heeft SodM de volgende documenten gebruikt: - Uitwerking Waterinjectie Protocol Injectie van het Schoonebeek oliewater in het Schoonebeek gasveld, Bijlage M7 bij de WABO aanvraag voor wijziging SCH447. - Rapport “Overkoepelende Analyse Ondergrondse Risico’s waterinjectie Schoonebeek Zechstein” als
onderdeel van bijlagenpakket milieu SCH447, appendix F bij bijlage M7. - het Waterinjectie Management Plan 2023 Waterinjectie Schoonebeek-Zechstein, EP202303201027, Bijlage M8 bij de WABO aanvraag voor wijziging SCH447. De basis van de risicoanalyse bestaat uit een bow-tie analyse die begint met een identificatie van de mogelijke ongewenste gebeurtenissen (putlekkage) en de identificatie van aanleidingen voor lekkage (de dreigingen). In het geval van putintegriteit zijn de vastgestelde ongewenste gebeurtenissen een putlekkage en zoutoplossing. De beoordeling van het risico van zoutoplossing geeft SodM in bijlage O.4. In deze bijlage O.6 geeft SodM beoordeling van het risico van putlekkage vanuit de put in verband met de waterinjectie. De NAM geeft in de Overkoepelende Analyse een beschrijving van de dreigingen die de integriteit van injectieputten kunnen aantasten waardoor put lekkage kan ontstaan, en de mogelijke effecten van een dergelijke lekkage. De NAM heeft vervolgens barrières geïdentificeerd die aantasting van de integriteit voorkomen, en mitigerende maatregelen die de effecten van uitstroom buiten de afsluiting van putten (en reservoir) mitigeren.
6.2 Identificatie van mogelijke aanleidingen voor aantasting putintegriteit De NAM heeft de belangrijkste aanleidingen voor aantasting van putintegriteit (dreigingen) geïdentificeerd en beschreven in de ‘Bow-tie voor putlekkage tijdens waterinjectie’.30 De barrières die NAM toepast zijn fysieke barrières in de vorm van putonderdelen, putverbuizing en cement, en operationele en organisatorische maatregelen zoals procedures voor monitoring en onderhoud, en opleiding en training van personeel. De NAM heeft de aantasting van de fysieke barrières van putonderdelen zoals de afsluiters, en van verbuizingen zoals injectiebuis en casing als dreigingen geïdentificeerd. Er zijn een aantal mechanismen die zulke aantasting kunnen veroorzaken zoals corrosie door blootstelling aan het injectiewater en scheuren van verbuizing onder druk en beweging van omliggende gesteentes. De geïdentificeerde aanleidingen voor aantasting putintegriteit zijn: -
corrosie van de verbuizingen door intrede van zuurstof corrosie van de verbuizingen door aanwezigheid van H2S corrosie van de verbuizingen door zout injectiewater mobiele zoutvloei en het indrukken van buitenbuis gesteentebeweging langs breukvlakken zoutoplossing van de afsluitende laag
SodM is van mening dat deze aanleidingen voor aantasting putintegriteit reëel zijn én van toepassing zijn voor waterinjectie in Schoonebeek. SodM kan zich daarmee vinden in de door de NAM geïdentificeerde dreiging als basis voor de risicoinschatting en risicobeheersing. 6.3 Voorgestelde wijze van risicobeheersing Met behulp van een aantal technische en operationele beheersmaatregelen zoals putontwerp, monitoring en onderhoud beschrijft de NAM hoe deze aantasting wordt voorkomen en in het 30
Appendix 3 in rapport Overkoepelende Analyse Ondergrondse Risico’s Waterinjectie Schoonebeek Zechstein, EP202303201028
18
slechtste geval, vroegtijdig wordt gesignaleerd als het toch plaatsvindt. De waterinjectieputten krijgen dubbele verbuizing vanaf het oppervlak tot onderaan de afsluitende laag. Deze dubbele verbuizing bestaat uit een binnen- en buitenbuis (de fysieke barrières) met daartussen een ruimte (de annulus) die continu gemonitord wordt op signalen van een beginnend lekpad. In het slechtste geval betekent vroegtijdige signalering dat één van de twee fysieke barrières faalt maar dat de tweede barrière verhindert dat injectiewater kan wegstromen naar buiten de put en naar ondiepere gesteentelagen. In de door de NAM voorgestelde technische en operationele risicobeheersing tegen de geïdentificeerde dreigingen zijn ook de laatste inzichten meegenomen die een rol speelden bij eerdere waterinjectie elders. In de regio Schoonebeek speelden bij de put SCH-447 dat de putverbuizing niet voldoende bestand was tegen zoutvloei en daardoor werd ingedrukt. Bij waterinjectieput ROW-2 in de regio Twente speelde een gescheurde buitenverbuizing als gevolg van gesteentebeweging. In beide gevallen was er geen sprake van lekkage van injectiewater uit de put omdat de putintegriteit geborgd werd door de aanwezigheid van meerdere barrières. De NAM heeft hieruit wel lessen geleerd en verwerkt in de technische en operationele beheersmaatregelen die hieronder genoemd worden.
Dit betreft onder andere de verbeterde annulusmonitoring, de aandacht voor het puttraject van nieuwe putten die breuken in gesteentelagen vermijden, en het gebruik van extra dikke verbuizing in zoutlagen. Op basis van deze geïdentificeerde dreigingen en vereiste barrières heeft de NAM een nieuw putontwerp uitgewerkt. Tijdens het gebruik van de putten wordt de putintegriteit geborgd door operationele beheersmaatregelen. Naast een gedegen inrichting van de injectieputten vormen monitoring voor signalering en corrigerende maatregelen beheersmaatregelen om de integriteit van de injectieputten te borgen. Monitoring van de vloeistof (druk en niveau) in de annulaire ruimtes tussen de binnen- en buitenbuis laat zien dat barrières adequaat functioneren en om afwijkingen te kunnen signaleren. Dit betreft vroegtijdige signalering nog voordat zich een continu lekpad kan hebben gevormd, zodanig dat er dus nog geen sprake is van uitstroom van stoffen naar buiten de afsluiting van putten en afsluitende laag van het reservoir. SodM geeft hieronder toelichting op de beoordeling van de voorgestelde beheersmaatregelen: -
de implementatie van voorgestelde putontwerp; de beheersing van de integriteit in de operationele fase met behulp van het Well (put) Integriteits Management Systeem (WIMS) en het Waterinjectie Management Plan (WMP).
6.4 Implementatie in putontwerp Een put bestaat volgens de mijnbouw wet- en regelgeving uit een boorgat, de inrichting en afwerking daarvan, en de beveiligingen. De NAM stelt qua putontwerp de volgende beheersmaatregelen voor: -
-
-
-
-
Gebruik van MUST casing (een extra-dikke buitenbuiswand) als barrière tegen beschadiging van verbuizing onder druk en beweging van omliggende gesteentes. De MUST casing wordt door de NAM voorgesteld als implementatie voor de buitenste verbuizing, voor intervallen waar de verbuizing zoutlagen doorkruist die kunnen bewegen. Dit is een gangbare praktijk voor putten die na 1995 zijn aangelegd; Het gebruik van L80 koolstofstaal in de buitenbuis dat bestand is tegen corrosie door H2S; Het gebruik van hoogwaardige corrosie-resistente legeringen in de binnen- en buitenbuis waar deze direct zijn blootgesteld aan de injectievloeistoffen, dat wil zeggen onder de packer voor de binnen- en buitenbuis, en boven de terugslagklep voor de binnenbuis; Het gebruik van glasvezel epoxy (GRE) bekleding aan de binnenkant van de koolstofstalen binnenbuis om corrosie van de binnenbuis door het daarin getransporteerde injectiewater te voorkomen; Een put traject (het neerwaartse pad van de put door de gesteentelagen) heeft een J-vorm dat de toegang voor meetgereedschappen mogelijk maakt en het risico van beschadiging van de opvoerserie reduceert; Een put traject dat breuken vermijdt, waardoor het risico op beschadiging van de verbuizing door eventuele gesteentebeweging tijdens de levensduur van de put gereduceerd wordt;
19
-
-
-
Cementatie van de buitenbuis in het ZeZ2 anhydriet om een goede afsluiting te verkrijgen van de zoutlagen boven het injectie reservoir, om gedurende de levensduur van de put zoutoplossing te helpen voorkomen; De plaatsing van een gecementeerde liner onderin de buitenbuis, om een goede afsluiting van het injectiereservoir te verkrijgen, om gedurende de levensduur van de put zoutoplossing te helpen voorkomen; Het gebruik van een terugslagklep (MCX valve) in de binnenbuis om zuurstof-intreding in de binnenbuis en corrosie te voorkomen, wanneer gestopt wordt met injecteren; Het gebruik van annulusvloeistof met een pH van 10 of hoger om het staal van de binnen- en buitenbuis te beschermen en corrosie te voorkomen.
SodM concludeert dat het voorgestelde putontwerp voldoet aan a) de vereiste technische beheersmaatregelen zoals door de risico evaluatie zijn vastgesteld, en b) de mijnbouw wet- en regelgeving. 6.5 Implementatie van de operationele fase in WIMS en WMP De NAM implementeert de voorgestelde beheersmaatregelen in het reguliere Well (put) Integriteits Management Systeem (WIMS) waar SodM toezicht op houdt. Een aantal van deze beheersmaatregelen licht de NAM nader toe in het Waterinjectie Management Plan (WMP) waarin de NAM een integrale beschrijving geeft van de monitoring en beheersmaatregelen zowel voor de put- als reservoirintegriteit. De WIMS vormt dus de gehele implementatie van de wijze waarop de NAM de putintegriteit in hun interne bedrijfszorgsysteem inregelt. Het WMP is een document waarin een aantal specifieke maatregelen nader zijn toegelicht, inclusief toezeggingen die zijn gedaan over het ontwerp en de beheersmaatregelen. In Hfst. 3 van het WMP gaat de NAM in op een aantal belangrijke put-gerelateerde aandachtspunten in het ontwerp, monitoring en corrigerende maatregelen. De NAM beschrijft in het WIMS en WMP voor de operationele fase de wijze van putmonitoring via continue monitoring van de A-annulus31 druk en door periodieke vloeistofmetingen in de A-annulus.
Met deze monitoring wordt de integriteit van de binnenbuis en buitenbuis gemonitord, en kunnen problemen vroegtijdig worden opgemerkt, nog voordat er lekkage van injectiewater kan optreden. Dit zijn belangrijke lessen die getrokken zijn naar aanleiding de gescheurde buitenverbuizing in de waterinjectieput ROW-2 in de regio Twente. Naast deze continue drukmonitoring van de A-annulus beschrijft de NAM in het WMP aanvullende metingen in de injectieputten in de vorm van ‘logging’ met behulp van meetinstrumenten die in de putten worden neergelaten en opgehaald. Het betreft metingen die alleen uitgevoerd worden indien dat strikt noodzakelijk is. Als reden voor de beperkte toepassing van ‘logging’ in het WMP geeft de NAM aan dat de kans op het beschadigen van de epoxy-beschermlaag (GRE) van de binnenbuis toeneemt als er vaker zou worden gemeten. Beschadiging van de beschermlaag zou dan kunnen optreden wanneer meetinstrumenten in de putten worden neergelaten en opgehaald. Als die epoxy-beschermlaag beschadig raakt zou het risico op mogelijke corrosie juist kunnen worden verhoogd. Van belang is daarom dat de combinatie van verschillende soorten monitoring voldoende is om afwijkingen op tijd te signaleren. De NAM geeft aan dat de mogelijkheid om met monitoring eventuele aantasting van putintegriteit vroegtijdig te kunnen signaleren niet wijzigt. SodM heeft het WMP beoordeeld.
SodM constateert dat de NAM meerdere beheersmaatregelen treft in het putontwerp om aantasting van de put te helpen voorkomen, zoals de bovengenoemde hoogwaardige staal en epoxie-beschermlaag. De NAM kan deze beheersmaatregelen via putontwerp doen doordat wordt gekozen voor nieuwe, speciaal voor de waterinjectie ontworpen putten. SodM kan zich vinden in de conclusie van de NAM dat de kans op aantasting van putverbuizing door waterinjectie hierdoor sterk wordt verminderd. SodM oordeelt dat de voorgestelde frequentie putmonitoring in de vorm van ‘logging’ voldoende is om nadelige veranderingen in de verbuizingen te signaleren en dat de voorgestelde frequentie geen significante toename van risico door beschadiging geeft. 31
De annulaire ruimte tussen de buiten- en de (eerste) binnenbuis. Deze ruimte scheidt ook de eerste en tweede barrière, en is gevuld met annulusvloeistof.
20
SodM concludeert dat met de door de NAM voorgesteld beheersmaatregelen in de operationele fase, zoals uitgewerkt in het WIMS en in het WMP, de integriteit van de injectieputten voldoende kunnen worden beheerst. 6.6 Conclusies beoordeling integriteit bij de inrichting en gebruik van waterinjectieputten SodM kan zich vinden in de conclusie van de NAM dat de kans op en de mate van aantasting van putverbuizing door waterinjectie door voorgestelde ontwerp van de injectieputten sterk wordt verminderd. SodM constateert dat de NAM meerdere beheersmaatregelen treft in het putontwerp om aantasting van de integriteit te helpen voorkomen, zoals het gebruik van hoogwaardig staal en de epoxy-beschermlaag. De NAM kan deze beheersmaatregelen via het putontwerp doen doordat wordt gekozen voor nieuwe, speciaal voor de waterinjectie ontworpen putten. SodM concludeert dat het voorgestelde putontwerp voldoet aan de vereiste technische beheersmaatregelen en aan de mijnbouw wet- en regelgeving. SodM concludeert verder dat de inzichten die zijn opgedaan uit de onderzoeken bij Twente voldoende zijn meegenomen in de voorgestelde inrichting van de nieuwe waterinjectieputten in het Schoonebeek-gasveld en in de wijze van monitoring en corrigerende maatregelen. SodM kan zich ook vinden in de door de NAM voorgestelde beheersmaatregelen in de operationele fase zoals uitgewerkt in de WIMS en in het WMP.
SodM oordeelt dat de voorgestelde frequentie putmonitoring in de vorm van ‘logging’ voldoende is om nadelige veranderingen in de verbuizingen te signaleren en dat de voorgestelde frequentie geen significante toename van risico door beschadiging geeft. SodM kan zich vinden in deze onderbouwing van NAM in het WMP. SodM merkt op dat hoewel de lessen die getrokken zijn uit waterinjectieput ROW-02 hetzelfde zijn voor waterinjectie in Twente en Drenthe, de implementatie van deze lessen verschillen. SodM vindt dit te rechtvaardigen omdat er in Twente sprake was van injectie in reeds bestaande gasputten die omgebouwd waren tot injectieputten. In Drenthe begint de NAM met putten die specifiek ontworpen zijn voor de injectie van water uit het Schoonebeek olieveld, gebruikmakend van alle operationele en wetenschappelijke inzichten, de geleerde lessen uit ROW-02, SCH-447, en de huidige stand van de techniek. En daarom zijn de in aanvraag beschreven beheersmaatregelen voor de waterinjectie in het Schoonebeek-gasveld anders dan de aangepaste beheersing voor de waterinjectie in Twente. SodM concludeert dat met de voorgestelde beheersmaatregelen in de ontwerp- en operationele fase de kans van lekkage van injectiewater vanuit de put verwaarloosbaar is. Daarbij is het wel van belang dat de WIMS en de in het WMP voorgestelde beheersing adequaat wordt uitgevoerd.
SodM adviseert met oog op de beheersing van de integriteit van de injectieputten om twee voorschriften op te nemen:
Injectie vindt alleen plaats via speciaal voor deze waterstroom ingerichte putten, conform de in de aanvraag toegezegde put-specificaties. Injectie vindt alleen plaats conform een goedgekeurd waterinjectie management plan. Voor wijziging van het Waterinjectie Management Plan is goedkeuring vereist van de Inspecteur Generaal der mijnen.
21
O.7 Voorschriften voor beheersing van de ondergrondse risico’s van de waterinjectie De conclusie is dat de door SodM beoordeelde risico’s van de door de NAM aangevraagde waterinjectie in Schoonebeek voor de veiligheid van mens en het milieu beperkt kunnen zijn, mits nadere maatregelen worden getroffen. SodM adviseert om in de daarvoor bestemde instemmingsbesluit en vergunning voorschriften op te nemen. a) De NAM zal binnen zes maanden na instemming met het voorliggende winningsplan een geactualiseerd en geïntegreerd Seismisch Risicobeheersplan indienen, met daarin een locatie-specifieke escalatiestructuur voor de seismische risicobeheersing in het Schoonebeek-gasveld en voor de waterinjectie. b) Waterinjectie vindt alleen plaats met een door de Inspecteur Generaal der mijnen goedgekeurd Seismisch Risicobeheersplan waarin de locatie-specifieke escalatiestructuur is beschreven voor de seismische risicobeheersing in het Schoonebeek-gasveld en voor de waterinjectie. c) Waterinjectie vindt alleen plaats in de aanwezigheid van een seismisch meetnetwerk die in de omgeving van het Schoonebeek gasveld bevingen vanaf een magnitude van 0,5 kan meten en lokaliseren (MoC). d) De gemiddelde reservoirdruk in het Schoonebeek gasveld, en in de individuele compartimenten, zal de hydrostatische druk van 318 bar op referentiediepte van 3000 m (TVDSS) niet overstijgen.
e) De injectiedruk gemeten aan het maaiveld (de Flowing Tubing Head Pressure, FTHP) bedraagt maximaal 250 bar, mits de afsluitende laag rond de injectieputten een minimum horizontale gesteentespanning ondersteunt die overeenkomt met een gradiënt van minimaal 0,21 bar/m.
In het instemmingsbesluit/vergunning(en) voor waterinjectie van de aangevraagde waterstroom dient onderscheid te komen twee waterstromen die beide in het gasveld Schoonebeek, op de injectielocatie SCH-447 geïnjecteerd worden. Namelijk: - de vergunde waterstroom-1: water dat meekomt bij de gaswinning uit dit Schoonebeek gasveld water, samen met water van andere nabijgelegen vergelijkbare gasvelden. - de nieuw te vergunnen waterstroom, hier aangeduid als waterstroom-2.
f)
Injectie van waterstroom-2 vindt alleen plaats conform een goedgekeurd waterinjectie management plan (WMP). g) Voor wijziging van het Waterinjectie Management Plan (WMP) is goedkeuring vereist van de Inspecteur Generaal der mijnen. h) Uiterlijk 12 weken voor aanvang van aanleg van de injectieputten dient de Nederlandse Aardolie Maatschappij B.V. bij de Inspecteur-generaal der mijnen een plan in waarin het putontwerp en de ondergrondse trajecten van de putten in relatie tot gesteentelagen en (breuk)strukturen zijn beschreven en waaruit blijkt hoe de voorgestelde risicobeheersmaatregelen in het putontwerp zijn geïmplementeerd. i) De NAM dient binnen 6 weken na het eindrapport van de boringen van injectieputten bij de Inspecteur-generaal der mijnen een onderbouwing in die laat zien dat de in de aanvraag toegezegde integriteit en sterkte van de afsluitende gesteentelagen aanwezig is. j) Injectie vindt alleen plaats via speciaal voor waterstroom-2 ingerichte putten, conform de in de aanvraag toegezegde put-specificaties.
22