3.19 Bijlagen bij toelichting Techn achtergrrapp oppvlaktewatermodel
Tekst van het document
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
33
Projectgerelateerd
Figuur 6-3 Waterstanden in de buffervakken van VKA met conservering.
Waterinlaat Uit de berekeningen volgt dat het bergen van water uit het Bargerveen in de buffervakken 1, 2 en 3 niet in alle jaren voldoende is om vak 4 in de zomer op peil te brengen en te houden. Hiervoor is gemiddeld circa 64.000 m3 water waterinlaat vanuit het Dommerskanaal in de zomer nodig. Gemiddeld is de waterinlaat in de zomer nu 310.000 m3 minder t.o.v. het VKA. De benodigde waterinlaat voor vak 4 in de zomer (183 dagen) staat in figuur 6-4. Uit de figuur is af te leiden dat dit varieert van minimaal 0 m3 en maximaal 230.000 m3.
Figuur 6-4 Waterinlaat van het geoptimaliseerde VKA (oranje) in de zomer van vak 4. De waterinlaat van het VKA is te zien in blauw.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
34
Projectgerelateerd
6.3
Resultaten variant Hoge peilen oostelijk deel buffer
Waterstandsverloop Uit de berekening blijkt dat de piekwaterstanden in het vak 1/2/3 beneden de 17,5 mNAP blijven (Figuur 6-5). Het waterstandsverloop in het vak is tussen de 16,8 mNAP en 17,45 mNAP. De waterstand zakt niet echt weg en er is nog enige ruimte om het peil nog verder te verhogen. Ten opzichte van het geoptimaliseerde VKA, en dan vooral vak 2 en 3, blijven de peilen in de zomer respectievelijk 0,6 tot 0,75 m hoger. Met deze hogere peilen wordt een positief effect op het tegengaan van de laterale afstroming beoogd. Vak 4 wordt in de winter op peil 15,5 mNAP gehouden en op 16,5 mNAP in de zomer.
Figuur 6-5 Waterstanden in de buffervakken van variant hoge peilen oostelijk deel buffer.
Waterinlaat In deze variant wordt het water in vakken 1, 2 en 3 vastgehouden om zo hoog mogelijke peilen ten behoeve van de ecologisch doelstellingen te bewerkstelligen. Dit betekent dat er geen water wordt benut vanuit deze vakken om vak 4 in de zomer op peil te brengen en te houden. In de zomer is in deze variant altijd wateraanvoer nodig. Hiervoor is gemiddeld circa 1.048.000 m 3 waterinlaat vanuit het Dommerskanaal in de zomer nodig. Gemiddeld is dit 674.000 m3 meer ten opzichte van het VKA. De benodigde waterinlaat voor vak 4 in de zomer (183 dagen) staat in Figuur 6-6. Uit de figuur is af te leiden dat dit varieert van minimaal 638.500 m3 tot maximaal 1.339.000 m3. Ten opzichte van VKA ligt de toename van de waterinlaat in de zomer tussen de 814.00 en 1.194.000 m3.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
35
Projectgerelateerd
Figuur 6-6 Waterinlaat in de zomer van vak 4 van het VKA, de geoptimaliseerde VKA en de variant met hoge peilen in het oostelijk deel van de buffer
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
36
Projectgerelateerd
6.4
Resultaten variant Ecologisch minimum peilen
waterstandsverloop In Figuur 6-7 is het waterstandverloop in de 4 vakken weergegeven. Het verloop van de waterstanden toont sterke overeenkomsten met het geoptimaliseerde VKA. Het verschil zit in de drogere zomers. Waar in de geoptimaliseerde VKA de waterstanden in vak 1 en 2 nog wegzakte tot 16,50, wordt in deze variant water aangevoerd naar deze vakken om een minimaal peil van 16,80 (vak 1) en 16,65 (vak 2) te handhaven. Vak 3 wordt gehandhaafd op een minimum peil van 16,50 mNAP
Figuur 6-7 Waterstanden in de buffervakken van variant minimum ecologische peilen
Waterinlaat Het op minimumpeil houden van de vakken 1, 2 en 3 heeft gevolgen voor de benodigde hoeveelheid waterinlaat. In Figuur 6-8 is de benodigde aanvoer in de zomer voor de variant met ecologisch minimum peilen weergegeven. Deze aanvoerhoeveelheid is de totale aanvoer die nodig is voor zowel vak 4, als vakken 1, 2 en 3. Met de minimum peilen is er gemiddeld 128,000 m3 aan aanvoerwater nodig. dit is 64,000 m3 meer dan de benodigde aanvoer in het geoptimaliseerde VKA. De maximale aanvoer is 448,000 m3, deze is 218,000 m3 meer dan is het geoptimaliseerde VKA.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
37
Projectgerelateerd
Figuur 6-8 Waterinlaat in de zomer van het VKA, het geoptimaliseerde VKA, de variant met hoge peilen in het oostelijk deel van de buffer en de ecologisch minimum peilen
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
38
Projectgerelateerd
6.5
Resultaten variant Ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3 (VKA+)
Waterstandsverloop In Figuur 6-9 is het waterstandsverloop te zien voor de variant met ecologisch minimum peilen met een hoog peil in vak 3. In de winter lopen de peilen van vak 2 en vak 3 gelijk. In de zomer zakt vak 3 weg, maar wordt op een minimum peil van 16.50 mNAP gehouden. Het waterstandsverloop voor vak 2 en vak 1 is vergelijkbaar met het waterstandsverloop van de deze vakken in de variant met ecologisch minimum peilen. Doordat er voor vak 1 nu geen aanvoer mogelijk is, zakt deze een enkele keer onder de 16,80, tot minimaal 16,70 mNAP.
Figuur 6-9 Waterstanden in de buffervakken van variant ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3
Waterinlaat Het op minimumpeil houden van de vakken 2 en 3 heeft gevolgen voor de benodigde hoeveelheid waterinlaat. In Figuur 6-10 is de benodigde aanvoer in de zomer voor de variant met ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3 weergegeven. Deze aanvoerhoeveelheid is de totale aanvoer die nodig is voor zowel vak 4, als vakken 1, 2 en 3. Er is gemiddeld 61.000 m3 aan aanvoerwater nodig. dit is 3.000 m3 minder dan de benodigde aanvoer in het geoptimaliseerde VKA. De maximale aanvoer is 332.000 m 3, deze is 112.000 m3 meer dan in het geoptimaliseerde VKA.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
39
Projectgerelateerd
Figuur 6-10 Waterinlaat in de zomer van het VKA, het geoptimaliseerde VKA, de variant met hoge peilen in het oostelijk deel van de buffer, de ecologisch minimum peilen en de ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3
6.6
Conclusies
Om vak 4 op peil te houden in de zomer is gemiddeld 370.000 m 3 nodig voor het VKA. Verkend is of de wateraanvoer kan worden verminderd door het conserveren van water in de buiffervakken, waarbij voldoende bergingsruimte is voor het opvangen van pieken. Door water aan het eind van de winter in de buffer te conserveren neemt de gemiddelde aanvoer in de zomer af met circa 306.000 m 3. Aanvullend is beoordeeld op welke wijze de peilen in de buffer zo hoog mogelijk kunnen worden gehouden om een extra bijdrage te leveren in het tegengaan van laterale afstroming. Uit de berekeningen volgt dat om de hogere peilen ook in de zomer te kunnen bereiken aanvullende wateraanvoer in de zomer nodig is. Dit is enerzijds nodig omdat er in de varianten minder water wordt benut om het vak 4 op peil te houden en anderzijds om in de zomer de vakken 2 en 3 op de gewenste peilen te houden. Bij het instellen van de ecologische minimum peilen inclusief het conserveren aan het eind van de winter is de benodigde extra waterinlaat in de zomer ten opzichte van het geoptimaliseerde VKA 64.000 m 3. Dit is nog steeds 242.000 m3 minder dan het oorspronkelijke VKA. Indien ook een peilstijging in vak 3 wordt toegestaan tot 17,50 mNAP in plaast van 16,70 mNAP kan meer water worden opgeslagen. Dit resulteert een een vergelijkbare wateraanvoer behoefte als het geoptimaliseerde VKA.
Echter met deze hogere peilen worden de ecologische doelstellingen beter bediend. Er is tevens een variant onderzocht waarbij water in de buffervakken 1, 2 en 3 wordt vastgehouden voor hoge peilen jaarrond. Het water is dan niet beschikbaar te stellen voor het op peil houden van Vak 4. Om Vak 4 dan op peil te houden is bijna 1.048.000 m3 nodig wat 678.000 m3 meer is dan bij het VKA . Tabel 6-1 geeft een samenvattend overzicht.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
40
Projectgerelateerd
Tabel 6-1 Wateraanvoer zomer varianten
Variant
Gemiddelde wateraanvoer
Verschil ten opzichte van VKA
VKA
370.000 m3
-
VKA geoptimaliseerd
64.000 m3
306.000 m3 minder
Ecologisch gewenste peilen
1.048.000 m3
678.000 m3 meer
Ecologisch minimumpeil
128.000 m3
242.000 m3 minder
Ecologisch minimumpeil hoog peil vak 3
61.000 m3
309.000 m3 minder
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
41
Projectgerelateerd
7
Gevoeligheidsanalyse modellering Buffer Zuid
In dit hoofdstuk wordt de gevoeligheidsanalyse besproken die is uitgevoerd voor de modellering van Buffer Zuid. In de 1e paragraaf wordt besproken welke gevoeligheden zijn onderzocht. In de 2 e en 3e paragraaf worden de resultaten van de gevoeligheidsanalyse besproken. Er wordt afgesloten met een korte conclusie.
7.1
Beschouwde gevoeligheden: afvoer Bargerveen en wegzijging Buffer Zuid
Het functioneren van Buffer Zuid is in hoofdstuk 6 voornamelijk weergeven aan de hand van waterstanden en de benodigde aanvoer om buffervak 4 op peil te houden. Om een beeld te krijgen van de gevoeligheid van het functioneren van Buffer Zuid zijn er dan ook parameters aangepast die invloed hebben op de benodigde aanvoer en de waterstanden. Hiervoor zijn twee belangrijke parameters aangepast: • Wegzijging Buffer Zuid • Afvoer Bargerveen De gevoeligheidsanalyse wordt alleen uitgevoerd de variant Ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3. Wegzijging Buffer Zuid De wegzijging in Buffer Zuid is hoog, vooral in vak 4. Naar verwachting heeft deze wegzijging een grote invloed op de hoeveelheid water die in de zomer moet worden ingelaten. Deze wegzijging is berekend aan de hand van het grondwatermodel en opgelegd aan het oppervlaktewatermodel. Voor vak 4 is onderscheidt gemaakt tussen zomer en winter, voor de andere vakken is een vaste waarde gekozen. Om de invloed van de wegzijging op de waterstand en de benodigde aanvoer te onderzoeken is de waarde van de wegzijging in een berekening verhoogd met 25 % en in een andere berekening verlaagd met 25 %. In Tabel 7-1 zijn de gehanteerde waardes voor de wegzijging weergegeven. Tabel 7-1 Gehanteerde waardes voor wegzijging voor de gevoeligheidsanalyse
Buffervak
Wegzijging [mm/dag]
Wegzijging + 25% [mm/dag]
Wegzijging - 25% [mm/dag]
Vak 1
Winter: 0,4 Zomer: 0,4
Winter: 0,5 Zomer: 0,5
Winter: 0,3 Zomer: 0,3
Vak 2
Winter: 0,6 Zomer: 0,6
Winter: 0,7 Zomer: 0,7
Winter: 0,4 Zomer: 0,4
Vak 3
Winter: 1,3 Zomer: 1,3
Winter: 1,6 Zomer: 1,6
Winter: 1,0 Zomer: 1,0
Vak 4
Winter: 3,4 Zomer: 6,7
Winter: 4,2 Zomer: 8,4
Winter: 2,5 Zomer: 5,1
Afvoer Bargerveen Om de afvoer van het Bargerveen te bepalen richting Buffer Zuid is een neerslag-afvoer model opgesteld van de toekomstige situatie van het Bargerveen. Op dit moment staat het nog niet geheel vast hoe het Bargerveen in de toekomst daadwerkelijk zal afstromen en er zijn geen meetgegevens beschikbaar van de huidige afvoeren. Kortom, er zit onzekerheid in de berekende afvoer vanuit het Bargerveen. Om een inschatting te krijgen van de gevolgen van deze onzekerheid zijn er twee extra berekeningen uitgevoerd. In de eerste berekening is de afvoer vanuit het Bargerveen verhoogd met 25 %, In de tweede berekening is de afvoer verminderd met 25 %. 23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
42
Projectgerelateerd
7.2
Resultaten gevoeligheidsanalyse: wegzijging
Effecten op benodigde inlaat In Figuur 7-1 zijn de effecten van de verhoogde en de verlaagde waarde voor de wegzijging in de buffervakken weergegeven. In blauw is de benodigde inlaat voor de variant Ecologisch minimum peil met hoog peil vak 3 weergegeven, in groen met een verhoogde wegzijging en in geel met een verlaagde wegzijging. De wijziging van de wegzijging heeft grote effecten op de benodigde inlaat. Met de verhoogde wegzijging is er in droge jaren tot 150.000 m3 meer inlaatwater benodigd om vak 4 op peil te houden. Met de verlaagde wegzijging is er juist tot 150.000 m3 minder inlaatwater benodigd. In Tabel 7-2 is de gemiddelde aanvoer weergegeven, waaruit ook een groot effect van de wegzijging op de benodigde inlaat blijkt. Effecten op waterstanden Naast een effect op de benodigde inlaat heeft de aanpassing van de wegzijging ook een effect op de optredende waterstanden in de buffervakken (welke zijn weergegeven in Figuur 7-2). Het effect op de waterstanden is minder groot dan het effect op de benodigde inlaat. Het effect op de piekwaterstanden is maximaal 5 cm (bij minder wegzijging tot 5 cm hoger, bij meer wegzijging tot 5 cm lager). Bij de verhoogde wegzijging is voor de zomer duidelijk te zien dat de waterstanden in vak 2 en 3 eerder in het jaar naar beneden gaan en ook verder uitzakken dan in de berekening met de originele wegzijging.
Figuur 7-1 Waterinlaat in de zomer van de ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3 (blauw), verhoogde wegzijging Buffer Zuid (groen) en verminderde wegzijging Buffer Zuid (geel)
Tabel 7-2 gemiddelde wateraanvoer in de zomer van de ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3, verhoogde wegzijging Buffer Zuid en verminderde wegzijging Buffer Zuid
Variant
Gemiddelde wateraanvoer
Verschil ten opzichte van Ecologisch minimumpeil hoog peil vak 3
Ecologisch minimumpeil hoog peil vak 3
61.000 m3
-
Wegzijging buffer +25%
117.000 m3
56.000 m3 meer
Wegzijging buffer -25%
21.000 m3
40.000 m3 minder
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
43
Projectgerelateerd
Figuur 7-2 Waterstandsverloop Buffer-Zuid. In de bovenste grafiek is het waterstandsverloop te zien van de Ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3, in de middelste grafiek die met een verhoogde wegzijging in Buffer Zuid en in de onderste grafiek met een verminderde wegzijging in Buffer Zuid.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
44
Projectgerelateerd
7.3
Resultaten gevoeligheidsanalyse: afvoer Bargerveen
Effecten op benodigde inlaat In Figuur 7-3 zijn de effecten van de verhoogde en de verlaagde waarde voor de afvoer van het Bargerveen weergegeven. In blauw is de benodigde inlaat voor de variant Ecologisch minimum peil met hoog peil vak 3 weergegeven, in oranje met een verhoogde afvoer en in geel met een verlaagde afvoer. De wijziging van de afvoer heeft weinig effect op de benodigde inlaat. Met de verhoogde afvoer is er in droge jaren tot 20.000 m3 minder inlaatwater benodigd om vak 4 op peil te houden. Met de verlaagde afvoer is er juist tot 30.000 m3 minder inlaatwater benodigd. In Tabel 7-3 is de gemiddelde aanvoer weergegeven, waaruit ook een klein effect van de aanpassing van de afvoer van het Bargerveen op de benodigde inlaat blijkt. Alleen voor 1990 is een groter effect te zien op de benodigde inlaat. Dit wordt veroorzaakt doordat er in de zomer van 1990 net wel of net geen inlaat nodig is. Als er dus net wat meer water beschikbaar is in de buffervakken door de verhoogde afvoer, heeft dit tot gevolg dat er minder aanvoer nodig is. Voor de andere jaren waarin aanvoer nodig is geldt dit minder, omdat deze volgen uit een langere periode van weinig afvoer van het Bargerveen, waarbij een verandering van +- 25% dus niet veel uitmaakt.
Effecten op waterstanden Naast een effect op de benodigde inlaat heeft de aanpassing van de afvoer ook effect op de optredende waterstanden in de buffervakken (welke zijn weergegeven in Figuur 7-4). Het effect op de waterstanden is groter dan het effect op de benodigde inlaat. Het effect op de piekwaterstanden is maximaal 10 cm (bij meer afvoer tot 10 cm hoger, bij minder tot 10 cm lager). Hierbij moet worden aangetekend dat de uitstroomvoorzieningen van de buffer niet zijn aangepast in deze gevoeligheidsanalyse.
Figuur 7-3 Waterinlaat in de zomer van de ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3 (blauw), verhoogde afvoer Bargerveen (oranje) en verminderde afvoer Bargerveen (paars)
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
45
Projectgerelateerd
Tabel 7-3 gemiddelde wateraanvoer in de zomer van de ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3 (blauw), verhoogde afvoer Bargerveen (oranje) en verminderde afvoer Bargerveen (paars)
Variant
Gemiddelde wateraanvoer
Verschil ten opzichte van Ecologisch minimumpeil hoog peil vak 3
Ecologisch minimumpeil hoog peil vak 3
61.000 m3
-
Afvoer Bargerveen +25%
52.000 m3
9.000 m3 minder
Afvoer Bargerveen -25%
69.000 m3
8.000 m3 meer
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
46
Projectgerelateerd
Figuur 7-4 Waterstandsverloop Buffer-Zuid. In de bovenste grafiek is het waterstandsverloop te zien van de Ecologisch minimum peilen met hoog peil vak 3, in de middelste grafiek die met een verhoogde afvoer van het Bargerveen en in de onderste grafiek met een verminderde afvoer van het Bargerveen.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
47
Projectgerelateerd
7.4
Conclusies gevoeligheidsanalyse
De uitgevoerde gevoeligheidsanalyse heeft aangetoond dat de benodigde inlaat om vak 4 op peil te houden sterk wordt beïnvloedt door de wegzijging in de buffervakken. Deze wegzijging heeft minder effect op de optredende waterstanden. De afvoer van het Bargerveen heeft weinig effect op de benodigde inlaat, maar wel een groter effect op de optredende waterstanden in de buffervakken. De resultaten van de gevoeligheidsanalyse geven aan dat voornamelijk een verandering van de afvoer van het Bargerveen er voor kan zorgen dat de waterstand in de buffervakken oploopt tot boven de grens van 17,50 mNAP. In de verdere detaillering van de uitstroomvoorzieningen van Buffer Zuid moet dan ook rekening worden gehouden met de onzekerheid van de afvoer van het Bargerveen en de gevolgen daarvan op Buffer Zuid. Deze uitstroomvoorzieningen moeten dusdanig worden ontworpen dat er ingespeeld kan worden op een hogere of lagere afvoer van het Bargerveen dan gemodelleerd. De gevoeligheidsanalyse heeft ook aangetoond dat de benodigde inlaat sterk afhankelijk is van de optredende wegzijging in de buffervakken. Deze inzichten moeten daarom ook meegenomen worden in het bepalen van de dimensionering van de inlaatconstructie.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
48
Projectgerelateerd
8
Resultaten NBW toetsing
De Figuur 8-1 tot en met Figuur 8-5 laten respectievelijk de berekende waterstanden zien voor de huidige en toekomstige situatie bij de herhalingstijden T10, T25 en T100. De resultaten van de NBW-toetsing tonen aan dat het systeem bij de toekomstige inrichting voldoet aan de normering zoals in Figuur 5-4 weergegeven. Binnen het GGOR2021 gebied wordt ruimschoots voldaan aan de overstromingsnormen. Voor het gehele plangebied geldt dat er geen overstroming is bij de T100 situatie. De effecten op de waterstanden ten opzichte van de huidige situatie zijn niet overal te vergelijken omdat in het toekomstig watersysteem nieuwe watergangen worden aangelegd. In algemene zin geldt dat het nieuwe watersysteem ten noorden van de Europaweg leidt tot een verlaging van de piekwaterstanden bij de verschillende herhalingstijden. Voor het gebied ten zuiden van de Europaweg kan deze vergelijking wel worden gemaakt. Op het Schoonebekerdiep is in de toekomstige situatie de waterstand maximaal 5 centimeter hoger in een T=100 situatie, waardoor ook de peilen in de watergangen tussen het Schoonebeekerdiep en de Europaweg in de toekomstige situatie enkele centimeters hoger zijn. Er treden geen inundaties vanuit de waterlopen op als gevolg van deze verhoging.
In het westelijk deel van het GGOR gebied en de omgeving van Nieuw-Schoonebeek leidt de nieuwe inrichting van het watersysteem tot een verlaging van de piekwaterstanden met circa 30-40 cm bij de verschillende herhalingstijden. Dit komt doordat de afvoerroute naar het Dommerskanaal in de toekomstige situatie voor minder opstuwing zorgt dan in de huidige situatie en rondom NieuwSchoonebeek de afvoer richting Schoonebeekerdiep verbetert. In Nieuw-Schoonebeek zelf waar de T100 norm van toepassing is, is de maximale waterstand 4 centimeter hoger dan in de huidige situatie. Dit komt omdat de waterstand in het Schoonebekerdiep hier 4 centimeter hoger is. Ook hier treden geen inundaties vanuit de waterlopen op als gevolg van deze verhoging. In de westzijde van het gebied is een verlaging van circa 15 cm te zien in de pieken bij de verschillende herhalingstijden. Dit komt door de nieuwe verbindingen in noord/zuid richting, waardoor er minder water via de bermsloot hoeft te worden afgevoerd en er dus minder opstuwing optreedt. In de watergangen tussen de Europaweg en het Schoonebekerdiep zijn er kleine verschillen in de waterstanden, welke deels worden veroorzaakt door een iets hogere waterstand op het Schoonebekerdiep en deels door een verandering van afvoer vanuit de GGOR2021 gebieden. Het Schoonebeekerdiep is een grenswatergang.
Hierdoor moet er ook rekening mee worden gehouden met de Duitse manier van toetsen van watersystemen. Op dit moment is er nog geen duidelijkheid over hoe om te gaan met de Duitse manier van toetsen van het watersysteem. Voor nu is dan ook alleen nog getoetst op de normen van het waterschap Vechtstromen en is in beeld gebracht of het Schoonebeekerdiep voldoet aan de Nederlandse T=100 normering. zoals hierboven beschreven is wordt hieraan voldaan.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
49
Projectgerelateerd
Figuur 8-1 Waterstand huidige situatie T10
Figuur 8-2 Waterstand toekomstige situatie T10. De groene cirkel geeft de W8 watergang weer, deze zal in de toekomstige situatie worden gedempt. In het SOBEK-model van de toekomstige situatie is deze wel gehandhaafd (omdat hier ook neerslag-afvoer op zat), maar is de verbinding met de zuidelijke watergangen verbroken. Het effect op de waterstanden op de andere watergangen is hiermee nihil. Deze toelichting voor de W8 geldt ook voor Figuur 8-4, Figuur 8-6 en Figuur 8-7.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
50
Projectgerelateerd
Figuur 8-3 Waterstand huidige situatie T25
Figuur 8-4 Waterstand toekomstige situatie T25
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
51
Projectgerelateerd
Figuur 8-5 Waterstand huidige situatie T100
Figuur 8-6 Waterstand toekomstige situatie T100
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
52
Projectgerelateerd
Om te toetsen of het systeem ook voldoet met klimaatverandering, is de toetsing zoals in de vorige paragraaf besproken ook uitgevoerd met een klimaatscenario. Het klimaatscenario dat het waterschap hiervoor gebruikt is de 2050WL. De nieuwe inrichting is doorgerekend met de neerslag en verdampingsreeks die is gecorrigeerd naar het klimaat 2050WL. Vervolgens zijn weer de waterstanden bij verschillende herhalingstijden bepaald. In Figuur 8-7 is de verhoging van de T100 waterstand weergegeven voor het klimaat 2050WL, ten opzichte van de T100 waterstanden met huidig klimaat. Het gaat hierbij in beide situaties om de toekomstige inrichting. De maximale waterstand in de T100 situatie is tot 6 centimeter hoger met klimaatverandering. Bij deze waterstanden is er, net als voor de toetsing met huidig klimaat, geen sprake van overstroming en blijft het water in de waterloop.
Figuur 8-7 Verhoging toekomstige waterstand T100 met klimaat 2050 WL t.o.v. huidig klimaat, in cm.
23 mei 2022
BE3102-RHD-ZZ-XX-RP-Z-0001
53