CConstaterende datEmmen
Koppel je AI →
Document · PDF

3.16 regels De Gemeente Emmen in het perspectief van het landschap

Commissie Wonen en Ruimte 12 april 2023, gemeente EmmenBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Nieuw-Schoonebeek, waterschap Vechtstromen’ (voorstel: bespreken in combinatie met agendapunt 7B) (81906-2023)25.210 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

kleinschalige veenontginningen gerekend. Het betreft hier de gebieden 18 en 19, Klazienaveen-zuid en Nieuw-Amsterdam De oudste kleinschalige veenontginningen zijn al vanaf de 11e eeuw ontstaan, eerst langs de rand van het veen en later ook op het veen. De zogenaamde randveen-, en de latere boekweit- en bovenveenontginningen worden hiertoe gerekend. Het gebied bij Schoonebeek/Weiteveen (Gebied 13) en bij Roswinkel/Munstersche Veld (Gebied 14) zijn dergelijke randveenontginningen. Karakteristiek voor deze oude randveenontginningen

is dat men in eerste instantie vanaf de randen van het veen over ging tot het gebruik van het veen voor agrarische doeleinden en kleinschalige winning van turf voor eigen gebruik. Daar waar het veen voldoende afwaterde werden weidegronden ingericht. Bij het Valtherdiep en de Runde waren dergelijke deze weidegronden te vinden. Gegeven de geringere omvang wordt het overgebleven deel van het Valtherdiep bij de Hondsrug zone (gebied 15) gerekend. Het veen werd stap voor stap in smalle stroken verveend, waarna het in agrarisch gebruik werd genomen. Karakteristiek voor het patroon van deze ontginningen is de smalle strokenverkaveling en de (lange) lintbebouwing evenwijdig aan de rand van het veen. Het dorp Roswinkel ligt op zandgrond aan de rand van het veen. Bij Schoonebeek lagen oosterse bos, Middendorp en Westerse Bos van oorsprong op zandkoppen. De breedte van het erf diende als uitgangspunt voor de verdere ontginning. Loodrecht op de ontginningsas werden de grenzen van de kavels getrokken en de zwetsloten gegraven. Het basisprincipe hierbij was het recht van opstrek: de eigenaar van het erf mocht binnen de grenzen van het erf (opstrek) het veen ontginnen.

Afb. 3 Smalle strookverkaveling en micro reliëf bij Weiteveen en omgeving 75

Afb. 4 Topografische kaart ca. 1910

Afb. 5 Projectie kleinschalige veenontginningen 1900 Nog kleinschalig in 2010 Niet meer kleinschalig in 2010 Beekdalen 1900 (deels verdwenen) Roswinkeler esch 1900 Voormalig Zwarte meer Loop Runde 1900

76

Vanaf de late Middeleeuwen wordt het veen in toenemende mate gebruikt voor de boekweitcultuur. Hiertoe werd de bovenste veenlaag ontwaterd en afgebrand, waarna de aslaag diende als zaaibed voor de boekweit. Na ongeveer zes tot acht jaar was echter de grond zo uitgeput dat nieuwe stukken veen in cultuur moest worden gebracht. De oude stukken moesten tien tot vijfentwintig jaar blijven rusten. Deze boekweitcultuur werd in eerste instantie vooral in Duitsland toegepast. Echter, doodat er steeds nieuwe veengronden in gebruik moesten worden genomen vestigden zich vanaf het begin van de 19e eeuw zich steeds meer Duitse boeren aan de Nederlandse zijde

van de grens. Zij kochten of pachtten de veengrond van de Drentse boeren. Nieuw Schoonebeek en Weiteveen zijn dergelijke dorpen met van oorsprong veel Duitse kolonisten. De jonge kleinschalige veenontginningen zijn veelal ontstaan in de 19e eeuw, na de verdeling van de eerdere gemeenschappelijke gronden van de markes. De Hondsrugzone (gebied 15), NieuwDordrecht (gebied 16) en Barger-erfscheidenveen en omgeving (Gebied 17) worden hiertoe gerekend. Sommige delen van de Hondsrugzone, bijvoorbeeld

bij Weerdinge, waren al voor de 19e eeuw kleinschalig in ontginning. Later heeft hier een schaalvergroting plaatsgevonden (samenvoegen kavels). Jonge kleinschalige ontginningen zijn over het algemeen wat rationeler van karakter. Dit wordt bijvoorbeeld weerspiegeld in een bredere en regelmatiger verkaveling. Rond 1900 was het areaal veen dat kleinschalig in ontginning was aanzienlijk groter dan wat nu tot de kleinschalige veenontginningen wordt beschouwd. Op de kaart van 2005 zijn ook die gebieden geprojecteerd die rond 1900 kleinschalig in ontginning waren en de kaart laat zien hoe groot het gebied in de Gemeente Emmen was met deze kleinschalige landbouwgronden (zie afb. 5 op pagina 76) . Het merendeel van deze kleinschalige veenontginningen zijn echter verdwenen nadat ze in een later stadium door middel van de grootschalige veenkoloniale ontginningen verder zijn verveend. Deze gebieden hebben vooral de kenmerken van een grootschalige ontginning heeft gekregen en worden dan ook daartoe gerekend. Het gebied bij Nieuwe Schutting, het Barger Oosterveen en het het Rundeveen zijn hier voorbeelden van. Hier zijn de kleinschalige kenmerken geheel of vrijwel geheel verdwenen.

Afb. 6 Jonge kleinschalige veenontginning bij Nieuw-Dordrecht 77

Afb. 7 Kleinschalige ontginningen Schoonebeek e.o.

Afb. 8 Schoonebeek e.o. ; buitengebied

Bruin = zandkoppen Code AVo = veen in ontginning Afb. 9 Bodemkaart 78

Dikke zwarte lijn = grens veenkoloniale gebied

5.1 Gebied 13 Schoonebeek en omgeving Over de stichting en ontwikkeling van Schoonebeek in de Middeleeuwen is weinig bekend. Wel wordt Schoonebeek in verschillende oorkonden genoemd. Vast staat dat Schoonebeek in 1435 functioneerde als autonome bestuurlijke en rechtelijke eenheid (Bron; Gerding e.a.; Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe). Historische reconstructie heeft uitgewezen dat er een veenweg van Oud Schoonebeek naar Zuid- Barge heeft gelopen. ook zijn in het gebied archeologische voondsten gedaan.

afzonderlijke bebouwingslinten (Westeinde, Kerkeinde, Middendorp en Oosteinde) die op deze zandruggen gevestigd. De oudste percelen rondom de boerderijen waren blokvormig en de boerderijen lagen min of meer willekeurig naast elkaar op de zandrug. De erfbeplanting was beeldbepalend. Vanaf de doorgaande weg (Europaweg) liepen paden richting de boerderijen.

De ontginning van het gebied bij Schoonebeek is een menging van oude (middeleeuwse) en jongere (17e en 18e eeuw) en jongste (19e en 20e eeuw) ontginningen. Het dorp grensde aan de zuidelijke rand van het Bourtanger veen. Tussen het veen en het beekdal van het Schoonebeekerdiep lag een overgangsgebied met oost-west gerichte zandruggen (bruin op de bodemkaart). De oudste ontginningen lagen bij het huidige Schoonebeek (zie Hottingeratlas). Er waren vier

Afb. 11 Detail Westeinde in 1904 Dankzij kadastrale kaarten is duidelijkheid over het grondgebruik en de ontginningswijze vanaf de 17e eeuw. De boerderijen van de oude bewoningslinten lagen toen op langgerekte kavelstroken, ‘opstrekk’nde ploats’n’ genoemd, die noordwaarts het veen in liepen en zuidwaarts tot het Schoonebeekerdiep. Door het recht van opstrek, het recht van de grondeigenaar op de onontgonnen gronden voor en achter zijn in cultuur gebrachte grond, is deze bijzondere strokenverkaveling ontstaan. Afb. 10 Oud Schoonebeek eo; Hottingeratlas 1773 - 1794

De smalle opstrekkende plaatsen stonden loodrecht op de zandruggen, waardoor iedere

boer verzekerd was van een evenredig deel in de verschillende gronden ten noorden en ten zuiden van de zandrug. De Hottingeratlas van 1773 – 1794 geeft de verschillende richtingen van de opstrekkende verkaveling ten oosten en ten westen van de Bargerbeek goed weer. Deze smalle strookverkaveling is tot op de dag van vandaag nog uitzonderlijk gaaf aanwezig. Het bodemgebruik was oorspronkelijk vergelijkbaar met de gemengde bedrijfsvorm van de esdorpen. De vochtige hooilanden lagen langs het Schoonebeekerdiep en iets hoger lagen de weilanden. De boerderij lag op een ruim erf met aansluitend de tuinakkertjes (goorns) en (hakhout)bosjes. Verder naar het noorden strekten de bouwlanden zich uit op het veen. Karakteristiek voor de bedrijfsvoering ten oosten van de Ellenbeek is de vetweiderij, te weten de opfok van slachtossen. Hier lagen de zogenaamde booën, ver van de nederzetting verwijderde ossenstallen die verbonden waren aan één of meerdere moederbedrijven in Schoonebeek. Na 1700 was sprake van specialisatie in de vetweiderij bij Schoonebeek met een intensivering van de rundveehouderij als gevolg. Men ging over van de opfok van magere ossen naar de duurdere stalossen. Karakteristiek voor Schoonebeek is een intensivering naar twee richtingen. Enerzijds naar de vetweiderij langs het brede beekdal van het Schoonebeekerdiep.

Anderzijds meer aandacht voor permanente boekweit- en roggebouw op de veenakkers. Dit in tegenstelling tot de zandgebieden waar door de schrale veldgronden en gebrek aan goede hooilanden de specialisatie naar de duurdere stalossen niet mogelijk was. Begin 19e eeuw zijn de booën om verschillende redenen, zoals de opkomst van de boekweitteelt en modernisering landbouw, afgeschaft. Ook de sterke scheiding van het agrarische gebruik van de gronden ten noorden en ten zuiden van het dorp is verdwenen. Tegenwoordig vindt ook akkerbouw plaats in het voormalige beekdal. 79

Afb. 14 Waaiervorm bij Schoonebeek

Afb. 12 kaart 1850

(Bron: W. Visscher; Uitwaaieren langs het diep

Afb. 13 kaart 1904

80

In de loop van de 18e eeuw, begin 19e eeuw vestigden steeds meer boeren uit Duitsland zich in dit gebied. In 1805 ontstond dan ook NieuwSchoonebeek door de verkoop van gronden aldaar aan Duitse boeren. In Nieuw Schoonebeek bestond het recht van opstrek alleen richting veen waardoor richting het Schoonebeeker diep sprake is van een onregelmatige verkaveling. Dat is tot op de dag van vandaag nog steeds het geval. Bijzonder is de waaiervormige percelering die volgens W. Visscher wijst op een in de Middeleeuwen gebruikelijke wijze van landmeting. (Bron: W. Visscher; Uitwaaieren langs het diep). eze waaiervormige Schoonebeeker percelen komen samen in een punt, een zandhoogte Ubbenbergh genaamd, op de Nederlands-Duitse grens even ten oosten van Emmer-Compascuum. Overig liepen de

Afb. 15 Nieuw Schoonebeek; Hottingeratlas 1773 - 1794

percelen niet door tot de punt. Dat zou niet praktisch zijn. Aan de basis waren de percelen circa 90m breed. De Hottingeratlas van 1773 – 1794 geeft de strookvormige verkaveling ten oosten van de Ellenbeek weer. In die tijd lagen overigens alleen enkele gebouwen, waarschijnlijk booën, langs de beek. Dit betekent dat de Duitse boekweitboeren zich vooral eind 18e begin 19e eeuw in het gebied hebben gevestigd. In 1850 had zich een bebouwingslint langs de doorgaande weg, de huidige Europaweg, gevormd. In de loop van de 19e eeuw nam de boekweitteelt en bovenveencultuur sterk toe en vestigden zich boekweitboeren uit o.a. Duitsland op het veen. Na 1850 ontstond er dan ook een nederzetting (het latere Weiteveen) ten noorden van het Nieuw-

Schoonebeekerveld enwel in het Amsterdamsche Veld. Eigenaar van het Amsterdamsche veld was Drentse Landontginnings Maatschappij (DLM), die door een groep kapitaalkrachtige Amsterdammers in 1850 was opgericht. Hoewel deze maatschappij wel enige ontginningsactiviteiten ondernam, werd het Amsterdamsche Veld vooral als jachtgebied, dus ontspanning, gebruikt. De inkomsten kwamen vooral uit de pacht van boerderijen en verkoop van zwarte turf. De kaart van 1900 laat dan ook de vele boerenbehuizingen zien op de plaats waar nu Weiteveen ligt. Deze waren gevestigd aan de noordzijde van de huidige Zuidersloot en bij de Middensloot en lagen dus niet op de gronden van de toenmalige Gemeente Schoonebeek. In 1909 verkocht de DLM het Amsterdamsche Veld aan Van Griendtsveen, een bedrijf dat gespecialiseerd was in turfstrooisel. Griendtsveen verkocht de onrendabele boerderijen en/of beëindigde de verpachting, zo ook bij Weiteveen. De kaart van 1935 geeft goed weer dat de bebouwing in het Amsterdamsche Veld ten noorden van de Zuidersloot vrijwel is verdwenen en is verplaatst naar de zuidkant in het Schoonebeeker Veld. Na WOII is het dorp weer noordwaarts uitgebreid en ligt nu weer grotendeels in het voormalige Amsterdamsche Veld. Nadat de boeren zich in het Schoonebeker veld hadden gevestigd werd het gebied dus ook vanuit het noorden in gebruik genomen.

De topografische kaart van 1955 laat goed zien dat het Schoonebeker veld zowel vanuit het zuiden als het noorden in ontginning was. Belangrijk is dat de ontginning vanuit Weiteveen wel binnen de smalle kavelstructuur (recht van opstrek) lag. Al met al is het Schoonebeker Veld grotendeels kleinschalig en gedeeltelijk niet of deels ontgonnen. Dit betekent dat er her en der nog veenlagen aanwezig die in hoogte verschillen door inklinking, vertering bij veenbranden, al dan niet opbrengen van 81

Afb. 16 Kaart 1904; Het huidige Weiteveen ligt ten noorden Zuidersloot in het Amsterdamsche Veld

Zuidersloot

Afb. 17 Kaart 1935; De bebouwing ligt ten zuiden Zuidersloot in het Schoonebeeker veld. Amsterdamsche Veld heeft alleen nog houtopstanden c.q. -opslag

Afb. 18 Kaart 1955; Schoonebeeker veld is zowel vanuit het noorden als zuiden in ontginning. Nog steeds geen bebouwing ten noorden Zuidersloot.

82

mest en het afsteken van turf(strooisel) voor eigen gebruik. Dit gecombineerd met de bos(stroken) en elzensingels zorgt voor het unieke kleinschalige coulissen landschap. Het Schoonebeekerdiep is in 1929 rechtgetrokken en de meanderende beek is dan ook lange tijd niet meer aanwezig geweest. In het kader van het project Herinrichting Schoonebekerdiep zal in de komende jaren een traject van 16km worden heringericht. Doel is het Schoonebekerdiep natuurlijker te maken, water meer de ruimte te geven, rekening houdend met de omliggende functies.

Door de herprofilering van de Europaweg in de 20e eeuw, is het oorspronkelijke karakter van deze weg verdwenen. Daarentegen zijn de paden richting de boerderijen nog steeds herkenbaar. In 1943 werd een olieveld ondekt door de toenmalige Bataafse Petroleum Maatdchappij. Dit veld is geëxploiteerd door middel van jaknikkers door de NAM (Nederlandse Aardolie Maatschappij). De productie is in 1996 stopgezet omdat deze te onrendabel was. In verband met de hoge olieprijs is weer gestart met de oliewinning (dmv stoominjectie). De uitzonderlijk gaaf gebleven oorspronkelijke

buurtschappen, Westeinde, Middendorp en Oosteinde, met hun specifieke boerderijen en erfbeplanting, de paden richting de boerderijen, de nog steeds herkenbare smalle strokenverkaveling ten noorden van het lint, het aanwezige reliëf en de opgaande bosjes en singels zorgen voor een kleinschalig coulisselandschap. In dit gebied liggen de oudste (bij Schoonebeek), jongere (bij Nieuw Schoonebeek) en jongste (bij Weiteveen) kleinschalige veenontginningen dicht bij elkaar. Het is vooral de optelsom van de nog herkenbare cultuurhistorische karakteristieken die dit gebied zo bijzonder maakt.

Afb. 19 Kaart 2005 83

Afb. 20 Roswinkel & Munsterscheveld

Afb. 22 Bodemkaart Dikke zwarte lijn = grens veenkoloniale gebied

roze c.q. paars = venige gronden c.q. voormalig veen Bruin c.q. code Hn... = zandgronden (veldpodzolgronden) Groen = beekdalgronden Runde

Afb. 21 Buitengebied

84

Blauw gearceerde rondjes = dobbes

5.2 Gebied 14 Roswinkel en Munsterscheveld Roswinkel lag op een zandrug aan de rand van het voormalige grote veengebied. Deze zandrug was een uitloper van het Westerwoldse gebied. Roswinkel was dan ook meer op het Westerwoldse gebied gericht en waren zelfs tot 1905 de verbindingen met Emmen erg slecht. De dekzandvlakte rond het dorp werd gekenmerkt door geleidelijke overgangen en er zijn dan ook geen grote hoogteverschillen op korte afstand van elkaar aanwezig. Roswinkel is een dubbellint dat op een wat hogere zandrug (bruin op de bodemkaart) ligt aan de rand van het voormalige hoogveen. Het noordoostelijke lint (Boetseweg) is het oudste. Het Munstersche Veld kent vooral venige gronden (roze c.q. paars op bodemkaart), waarvan het zuidelijke deel tot het veenkoloniale dek behoren. In de periode waarin het veen vooral als militaire verdedigingslinie diende, heeft bij Roswinkel de Roswinkeler schans gestaan. Op de plaats van de voormalige schans is tegenwoordig een kunstwerk aanwezig. Afb. 23 Archeologische reconstructie

Heeren- of Leidijk

Bron; Archeologisch Bureauonderzoek Emmen

De ontginning van het gebied bij Roswinkel is een menging van oude (13e eeuw) en jonge (19e en 20e eeuw) ontginningen. Bepaalde kenmerken van het esdorp, de randveenontginningen en grootschalige ontginningen liggen hier dicht bij elkaar. Het dorp wordt voor het eerst in 1327 vermeld en het bezat toen al een kerk. Over de herkomst van de eerste inwoners is weinig bekend. Veldnamen als ‘dresschen’ (tijdelijk bouwland), ‘wisschen’ (half natuurlijke weiden) en ‘vennen’ verwijzen naar Groningse en Oostfriese invloeden (Bron; Gerding e.a. Geschiedenis van Emmen en Zuidoost Drenthe). De marke van Roswinkel dateert uit 1516, toen er een scheiding met de marke van Weerdinge plaatsvond. Het was hiermee een relatief jonge marke. Ook na de afscheiding bleef Roswinkel nog meer dan honderd jaar procederen met Weerdinge over de gebruiksrechten van de natte- broek- en hooilanden ten noordoosten van het dorp. Dit gebied, nog geen 500 ha groot, behoorde toe aan de gemene marke. Deze gemeenschappelijke gronden waren relatief klein, de beweidingsdruk hoog en daarmee de geschillen over grensoverschrijdingen met Weerdinge groot. Dit gebied in het noordoosten heeft in de loop van de 2e helft van de 20ste eeuw een zodanig grootschalig karakter gekregen dat het tot de grootschalige ontginningen wordt beschouwd (zie beschrijving gebied 39).

Bij Roswinkel lagen niet alleen de (oude) bouwlanden, de ‘Dresschen en de Roswinkeler esch, in het recht van de opstrek. Ook de weilanden, de ‘Vennen’, en de hooilanden ‘De Maten’ lagen in de opstrek achter de oude bouwlanden. De kaart van Hottingeratlas van 1973 – 1794 geeft deze opstrekkende verkaveling al goed weer. Tot op de dag van vandaag is deze strookverkaveling nog goed herkenbaar. Omdat sprake was van het recht van opstrek kreeg Roswinkel ook de zo karakteristieke complementaire bebouwingstructuur. Nieuwe boerderijen aan het jongere, zuidwestelijke, lint

(Roswinkelerstraat) konden allen gebouwd worden op die plaatsen waar aan het parallelle oude lint geen boerderijen stonden. De groenlanden, de ‘Vennen’ genoemd, strekten zich ten oosten uit werden in de loop der tijd beplant met elzensingels waardoor hier een kleinschalig landschap ontstond. Tezamen met de erfbeplanting moet het dorp een boom- en bloemrijk geheel zijn geweest. Tussen de Moersloot en de Runde in het noordoosten lagen de hooilanden, de ‘Maten’ genoemd. Het gebied van het beekje de Runde tussen Roswinkel en Munsterscheveld is gedeeltelijk in smalle stroken en gedeeltelijk in onregelmatige blokken verkaveld (zie kaart 1900 volgende pagina).

Afb. 24 Roswinkel en gemeenschappelijke gronden ten noordoosten dorp; Hottingeratlas 1773 - 1794 85

Afb. 25 Kaart 1902 inclusief Duitsland 86

De beplantingstructuur is met name bij de Vennen veranderd. De elzensingels en houtopstanden bij de Vennen zijn al in de 1e helft van de vorige eeuw grotendeels geheel verdwenen. Dat geldt ook voor veel eiken die aan de kant van de es stonden. Veel kavels op de (voormalige) es zijn verbreedt door samenvoeging. De kavels van het weidegebied ten oosten van het dorp, de Vennen, zijn eveneens voor het merendeel verbreedt. Door intensivering van de ontwatering zijn de weidegronden verdwenen en verandert in bouwland. Ten (zuid)westen van de het dorp, op de overgang naar het veen, lag de Roswinkeler Esch met zijn bouwgronden. Ook hier gold het recht van opstrek en tot op de dag van vandaag is de strookverkaveling nog redelijk herkenbaar, zij het dat natuurlijk veel kavels zijn samengevoegd.

Afb. 26 Munsterscheveld; bebouwing op veenrestant

Waarschijnlijk zijn omstreeks 1650 de eerste boekweitakkers op het veen aangelegd (Bron: gerding e.a.). Daarnaast waren ook keuters actief op het veen. Via een koop- of pachtovereenkomst hadden zij toegang tot stukken veen die gedurende enkele jaren werden bewerkt. Karakteristiek voor de boekweitteelt is dat na ongeveer zes tot tien jaar boekweitteelt het veen volledig is uitgeput en vervolgens circa 20 jaar braak moet liggen voordat het weer kan worden ingezaaid. De marke van Roswinkel was dan ook al gauw te klein voor deze expansieve boekweitcultuur. Het veen ten zuiden en ten oosten van de Runde, het huidige Munsterscheveld, werd dan met boekweit ingezaaid op de zo karakteristieke smalle langgerekte kavels. Deze ontginningen in het Munsterscheveld zijn een bron van veel (eigendom)conflicten geweest tussen Munster en Drenthe. Deze boekweitconflicten en

conflicten over de weiderechten leidde tot politieke onrust tot op het hoogste niveau (Bron: Gerding ea). Om aan de conflicten een einde te maken werd in 1764 een grensconventie gesloten tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en het keurvorstendom Keulen. De grens werd vastgesteld door grenspalen en er werd overeenstemming bereikt over de gemeenschappelijke weidegronden (compascuum) in gebieden die nog niet onder de rechthebbenden waren verdeeld. De nieuwe staatsgrens liep echter dwars door de grenzen van de marken. Zo hoorde het gebied van het huidige Munsterscheveld vanouds bij de ‘gemeinheiten’ van Altharen en Over- en Nederlangen. Vanaf 1764 hoorden ze dus bij de Republiek. De conflicten bleven dan ook voortduren. Pas in 1786 kwam er een eind aan de conflicten na de definitieve grensafbakening en vaststelling van de eigendomsrechten.

Afb. 27 Munsterscheveld; bosjes zorgen voor kleinschalig beeld 87

88

Afb. 28 Kaart 1930

Afb. 29 Kaart 1959

Afb. 30 Kaart 1985

Afb. 31 Kaart 2005

De gerichtheid op Duitsland is nog lang gebleven en wordt weerspiegeld in het landschap. De kaart van 1900 laat bijvoorbeeld zien dat de smalle strookverkaveling in het Munsterscheveld gedeeltelijk aansloot bij de kavels in Duitland. Ook liepen er vanaf het Duitse grondgebied veel weggetjes richting het Munsterscheveld. Tot op de dag van vandaag zijn er nog enkele (restanten van) weggetjes herkenbaar. Ook de smalle strokenverkaveling is in het Munstersche Veld tot op de dag van vandaag nog goed herkenbaar. Bovendien zorgen opgaande bosjes, al dan niet aan Duitse zijde, en huizen op veenrestanten voor het zo karakteristieke kleinschalige landschap in dit gebied.

Vanaf circa 1906 is het Roswinkelerveen verveend door middel van het enkel kanaal systeem (zie tekst bij grootschalige verveningen). Loodrecht op de Roswinkelerstraat bij het Stad werd het Roswinkelerkanaal gegraven. Langs het kopeind van het kanaal ontstond bebouwing zodat het dorp meer een kruisvorm heeft gekregen in vergelijking met de oorspronkelijke H-vorm. Ook is vooral het zuidwestelijke lint, de Roswinkelerstraat, verdicht en is het historische complementaire bebouwingstructuur grotendeels verdwenen. De bebouwing langs de Boetseweg is geleidelijk afgenomen ten gunste van de Roswinkelerstraat. Langs het Soerd is bebouwing ontstaan en sportvelden aangelegd.

Begin 19e eeuw kende het dorp twee bebouwingslinten met twee dwarsstraten, Het Stad en het Soerd

Het smalle verkavelingspatroon is tussen de Boetseweg en de Roswinkelerstraat relatief intact gebleven, hoewel ook hier kavels zijn

Afb. 32 Roswinkel; groen lint in het landschap

samengevoegd. Ook zijn hier nog enkele houtwallen c.q. bomenrijen aanwezig. De inplant van twee bosstroken wordt de kruisvorm van het dorp versterkt ten koste van de oorspronkelijke H-vorm. In het dorp is het Roswinkelerkanaal gedempt. Al met al is de oude ontginningsstructuur van Roswinkel is nog redelijk goed te herkennen, ondanks dat het aan afleesbaarheid heeft ingeboet. Vooral het gebied tussen de Roswinkelerstraat en Boetseweg kent deels nog de historische smalle strokenverkaveling. Zowel de overgebleven als nieuwe aanplant van bomen(rijen) gecombineerd met het privégroen zorgen voor een contrast tussen de beslotenheid van Roswinkel in een overig open landschap van de Monden. De Roswinkeler esch is in visueel opzicht bij de grootschalige open ruimte van de Monden gaan horen

Afb. 33 Houtwalrestanten tussen Boetseweg en Roswinkelerstraat 89

Afb. 36 Archeologische reconstructie

Afb. 34 Buitengebied kleinschalige veenontginingen Hondsrug 90

Afb. 35 Hondsrug Bron: Veenatlas, Ruimtelijke Waardenkaart

Bron; Archeologisch Bureauonderzoek, Emmen

5.3 Gebied 15 Hondsrugzone De kleinschalige veenontginningen die tot gebied 15 horen liggen allen op de overgang van de Hondsrug naar het veen. Sommige gebiedjes liggen feitelijk op het zand, zoals bijvoorbeeld bij BargerOosterveld en een klein gebiedje bij Weerdinge, andere liggen geheel op het veen. Echter bij allen is sprake van kleinschalige ontginning en de overgang van Hondsrug naar veen. Om praktische redenen is een ‘scherpe’ grens getrokken tussen klein- en grootschalig c.q. esdorpenlandschap. In de praktijk zijn de grenzen natuurlijk geleidelijker.

Afb. 37 Detail Hottingeratlas 1773 - 1794; Hondsrug ter hoogte van Angelslo

Met uitzondering van het gebied ten zuidoosten van Barger-Oosterveld (Oosterbos) is vanaf de Hondrug goed zicht op lager gelegen voormalige venen. De steilrand is hier nog zeer gaaf.

Afb. 38 Kaart 1850

Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen dat vanaf de Hondsrug meerdere veendijken en –wegen richting het veen hebben gelopen. Ook, de gerestaureerde, Emmer Schans stamt uit de periode dat het veen vooral als militaire verdedigingslinie werd gewaardeerd. Het beekdal van de (Ruiten/ Mussel) Aa bij Weerdinge was al voor 1850 in gebruik als hooi- en weilanden. Een groot deel van dit gebied is na 1900 grootschalig verveend (zie gebied 30). Het restant bij Vledders is niet grootschalig verveend en wordt dan ook tot de kleinschalige veenontginningen van de Hondsrug gerekend. Vooral de relatief smalle strookverkaveling is hier nog herkenbaar aanwezig. Een gedeelte van het gebied maakt deel momenteel deel uit van de PEHS Al vanaf de Middeleeuwen is het veen vanaf de randen zoals de Hondsrug in gebruik genomen voor agrarische doeleinden en kleinschalige winning van turf voor eigen gebruik. De Hottingeratlas uit 1773 – 1794 geeft enkele ontginningsactiviteiten weer. Echter, waarschijnlijk waren de gebieden te klein om weer te geven op latere topografische kaarten. De kaart van 1850 geeft voor de Hondrugzone, met uitzondering van de eerder genoemde beekdalgronden van de Weerdinger landen, geen ontginningsactiviteiten weer. In 1900 was het gebied volop in ontginning. Hierbij valt vooral het grote verschil in verkavelingpatronen op.

Ten noorden van de huidige BargerOosterveld is sprake van een zeer smalle strookverkaveling vanaf de Hondsrug richting veen. Het betreft hier voornamelijk gebieden, zoals het (delen van) Weerdinger Erfscheidenveen en Emmer-Erfscheidenveen die al eerder van de marke gescheiden waren. Zo is Weerdinger Erfscheidenveen al in 1774 van de marke 91

Afb. 39 rond 1900 - 1910

92

Afb. 40 kaart 1955

Afb. 41 kaart 2005

afgescheiden, terwijl het plan van de verdeling van de overige delen van de marke van Weerdinge in 1849 door Gedeputeerde Staten zijn goedgekeurd (Bron: Historische Vereniging Emmen). Een deel van deze gebieden is in een later stadium grootschalig verveend en wordt dan ook niet meer tot de kleinschalige ontginningen gerekend. Al in 1900 liepen er langs delen van de rand van de Hondrug onverharde paden. In 1925 is gestart met de aanleg van een klinkerweg vanaf Valthe via Weerdinge tot Barger Oosterveld. Deze was in 1933 gereed.

Mede hierdoor ontstond langs deze weg (Emmerhoutstraat en Schansweg) een bebouwinglint met kleine verveners en boeren. Dit lint is tot op de dag van vandaag nog aanwezig, zij het dat het door de aanleg van de ringweg N391 aan herkenbaarheid heeft ingeboet. Vanaf de weg zijn het en der de lager gelegen voormalige veengronden nog zichtbaar. Vooral direct ten noorden van het huidige Barger-Oosterveld is de smalle strookverkaveling tot op de dag van vandaag nog aanwezig. Ter hoogte van het Oosterbos is het landschap sterk verdicht. Voordat het gebied bij Barger Oosterveld werd ontgonnen was het gedeeltelijk (natte) heide dat

zowel oost- als westwaarts overging in veen. Vooral op het zandgedeelte (heide) was her en der sprake van een zeer geaccidenteerd terrein. Dit was met name het geval in het gebied waar nu de bebouwing is geconcentreerd en langs de huidige Klazienaveense Straat. Het Barger-Oosterveld is vanaf circa 1870 bewoond, eerst door oorspronkelijke bewoners van de zandgronden later ook de kleine zelfstandige (Duitse) boeren uit het veen bij Barger-Compascuum. Het vermelden waard is de bebouwing die rond 1900 aanwezig was langs de huidige N862 richting Klazienaveen. Het betrof hier bebouwing van kleine verveners. Hier was het veenpakket voldoende dik om het wat systematischer te vervenen. Dit gebiedje hoort dan ook tot het veenkoloniale gebied. Omdat het op de overgang van zand naar veen lag is het niet door middel van wijken verveend. Ook de verkaveling is kleinschalig van karakter. Zoals gebruikelijk zijn deze behuizingen na de vervening verdwenen. Tegelijkertijd ontstond een lint, op het zand, langs de Klazienaveense Straat. Vanaf deze ontginningsas zijn de overige gronden door middel van relatief smalle stroken ontgonnen. Vanaf de Klazienaveense Straat liepen er zandpaden richting het veld. Deze zijn na 1985 vrijwel geheel verdwenen.

Tot op de dag van vandaag is het kleinschalige karakter nog goed herkenbaar dankzij de relatief smalle en onregelmatige verkaveling, de bebouwingslinten met een mengeling van oud en nieuw en de bochtige wegen.

Afb. 42 Kadastrale grenzen c.q. smalle strookverkaveling ten noorden Barger-Oosterveld 93

Afb. 43 Nieuw-Dordrecht

Afb. 45 Bodemkaart Keileemrug

Bruin = zandgronden

Dikke zwarte lijn = grens veenkoloniale gebied

Veldweg = grens met Barger-Oosterveld Afb. 46 Kaart 1850

Rood kader = Oosterveen

Grens Oosterveen = nu N362

Beoogd maar nooit aangelegd traject kanaal

Afb. 44 Buitengebied Nieuw-Dordrecht 94

5.4 Gebied 16 Nieuw-Dordrecht Nieuw-Dordrecht ligt op de zuidoostelijke uitloper van de Hondsrug (zie bodemkaart). Deze zandrug (o.a. Code Hn) was oorspronkelijk aan de oost-, zuid- en westzijde omgeven door veen (Code V). Ten oosten van Vastenow en de Klazienaveensestraat ligt een voedselrijke keileemrug waarvan de (dikke) leemlaag tussen de 40cm en 120cm diep ligt. De keileemrug en de overgang van de rug richting voormalig veen is tot op de dag van vandaag nog zichtbaar. Vanaf de Veldweg is in noordoostelijke richting het hoogteverschil van rond de 2 meter goed te zien. Bijzonder detail is dat ten zuiden van de sportvelden nog een restant van één van de twee dobbes aanwezig is. Op de bodemkaart zijn deze kleine ronde of ovale terreindepressies als blauw gearceerde rondjes weergegeven.

Al in de Steentijd was sprake van menselijke activiteit in de omgeving waar nu Nieuw-Dordrecht ligt. Het meest opvallend is de houten weg die in het veen tussen de huidige Veldweg en de Heerenstreek tot aan het Karrepad (het verlengde van de Heerenstreek) is aangetroffen. Deze weg van ongeveer één kilometer dateert uit omstreeks 2600 v. Chr. en is daarmee de oudste (houten) weg van Nederland. Hoewel al in de Steentijd sprake was van menselijk ingrijpen in het gebied, is voor het ontstaan van het huidige Nieuw-Dordrecht vooral ontwikkelingen van het omringende veen cruciaal geweest. Oorpronkelijk behoorde Nieuw-Dordrecht en het veen zowel ten oosten als ten westen van het dorp toe aan de markegenoten van Noord- en Zuid-Barge. Eind 1853 kocht de in Dordrecht opgerichte maatschappij De Drentsche Veen- en Middenkanaal Maatschappij (DVMKM) zowel het veencomplex aan de westzijde, het ‘Oosterveen’, als een complex aan de oostzijde van het dorp, het ‘Smeulveen’ van de markegenoten. In 1852 hadden de initiatiefnemers van de DVMKM al een concessie gekregen tot het graven van een kanaal, bij de opening Oranjekanaal gedoopt. Het was de bedoeling dat het Oranjekanaal langs het Oosterveen zou lopen, terwijl vanuit het kanaal, via Nieuw Dordrecht, een zijtak naar het Smeulveen zou worden gegraven.

Als vergoeding voor het graven van het kanaal en de aanleg van een weg stonden de markegenoten een strook grond ter breedte van 40m af aan de DVMKM, vroeger de kanaallinie genoemd, alsmede een strook grond van 400m breed.

Afb. 47 Veenweg, Bron: J.J. Brands; Waar eens de boeweit bloeide.

In 1858 was de aanleg van het kanaal gevorderd tot het huidige Oranjedorp. Het bleek echter dat alleen het Oosterveen geschikt was om op het kanaal te draineren. Het Smeulveen had namelijk een veel lagere ondergrond dan verwacht en dat vereiste dus ook een veel lager kanaalpeil. Dit zou betekenen dat er of een dieper en dus nog kostbaarder kanaal

moest worden gegraven of dat er op een afstand van 5km maar liefst 3 sluizen moesten worden gebouwd. De DVMKM was daartoe niet bereid en besloot tot een goedkopere oplossing namelijk een sluis bij Westenesch. Het Smeulveen kon dan via een ‘omweg’ vanuit het zuiden worden bereikt. Het kanaal door Nieuw-Dordrecht is dus niet aangelegd. De 400m brede strook ten noorden van de kanaallinie (=strook tussen Herenstreek en Veldweg) werd door de DVMKM in opstrekkende plaatsjes verdeeld waarop woningen voor de arbeiders en kleine boeren werden gebouwd. De bewoners van de huizen van de maatschappij waren werkzaam voor deze onderneming of bewerkten veenpercelen die de maatschappij verhuurde ten behoeve van de boekweitteelt. De maatschappij handelde namelijk ook in boekweit. Zo ontwikkelde zich langs de linie, de verbindingsstrook tussen het Oosterveen en het Smeulveen, de nederzetting Nieuw-Dordrecht, ook wel Heeren Dordt genoemd. Hoewel het kanaal nooit is gegraven is tot op de dag van vandaag het profiel van de Oranjedorpstraat en de Herenstreek zo breed dat het lijkt alsof er in het verleden een kanaal heeft gelegen. Naast de verkoop van de strook Heeren Dordt aan DVMKM werd ook een noordwest – zuidoost gelegen strook onder de markegenoten verdeeld. Op 27 augustus 1856 werd de strook die op een zandrug tussen het Oosterveen en Smeulveen lag onder de Barger boeren in plaatsjes verdeeld.

Het betrof een zand- en veengebied van ongeveer 225ha groot dat door zijn geringe dikte niet voor grootschalige vervening in aanmerking kwam (Bron; J.J. Brands, Waar eens de boekweit bloeide). Dit was het officiële begin van Vastenow, ook wel Boeren Dordt genoemd. Al voor de verdeling liep er een pad door het gebied dat slingerde door het landschap. Bij de verdeling werd Vastenow rechtgetrokken en kwam de weg loodrecht op Heeren Dordt te staan. Echter, al vòòr de verdeling hadden enkele inwoners al een kleine 95

96

Afb. 48 Kaart 1912

Afb. 49 Kaart 1930

Afb. 50 Kaart 1955

Afb. 51 Kaart 1965

Afb. 52 Kaart 1975

Afb. 53 Kaart 2005

woning gebouwd langs het slingerende pad. Dit is de reden dat er tot op de dag van vandaag nog enkele woningen ver van de straat af staan. De eerste bewoners langs Vastenow waren vaak knechten van de Barger boeren die de verdeelde plaatsen huurden en er boekweit en later aardappelen, rogge en zwarte haver op verbouwden. Her en der was de grond ook als weide in gebruik. In het veen achter hun percelen werd huisbrandturf gestoken. Doordat de kanalisatie en vervening bij Nieuw-Dordrecht niet plaatsvond, bleef het lang een nederzetting van kleine landbouwers. Oorspronkelijk was er dus een onderscheid tussen Nieuw-Dordrecht (Heeren Dordt) en Vastenow. Tot Vastenow rekende men het huidige Vastenow en alles wat in zuidoostelijke en zuidwestelijke richting lag. Onder Nieuw-Dordrecht verstond men de Oranjedorpstraat, de Heerenstraat aan beide zijden en alles wat daar ten oosten van lag. (Bron: J. Brands, Waar eens de boekweit bloeide). Ten noorden van de begraafplaats c.q. Veldweg lag het Oosterveld. Het Oosterveld kent dan ook een andere verkavelingsrichting als de toenmalige Heeren Dordt De smalle strookverkaveling van het voormalige Heeren Dordt is vooral na 1975 vrijwel geheel verdwenen. Daarentegen is de smalle

strookverkaveling langs de Vastenow, en dan met name in het zuidelijke deel, tot op de dag van vandaag nog goed herkenbaar. De historische bebouwingstructuur is in vergelijking met veel andere dorpen nog goed herkenbaar. In de eerste jaren ontwikkelde het dorp zich vrij snel. In 1856 had het dorp 150 inwoners. In 1859 was dit aantal meer dan verdubbeld tot 311. Deze ontwikkeling zette echter niet door en de bebouwing bestond lange tijd uit linten langs de huidige Oranjedorpstraat, Herenstreek, Vastenow en in mindere mate de Klazienaveensestraat. Vooral aan de zuidzijde van de Oranjedorpstraat vond verdichting van het lint plaats. Pas na WOII wordt de eerste dorpsuitbreiding achter de historische linten gerealiseerd. Tot op de dag van vandaag heeft er geen woningbouw plaatsgevonden achter de linten aan de oostzijde van zowel Vastenow als de Klazienaveensestraat. De beplanting was oorspronkelijk geconcentreerd langs de historische wegen Vastenow, Klazienaveensestraat, Herenstreek en Oranjedorpstraat. Tot 1935 kende ook een deel van de Herenstreek een brede groenstrook met twee wegen. Deze was vergelijkbaar met de huidige

groenstrook langs de Oranjedorpstraat. Alle linten hadden een groen karakter, niet alleen dankzij de wegbegeleidende bomenrij(en) maar ook door de erfbeplanting. In de periode 1965 – 1975 is ook het landschap ten oosten van het dorp sterk verdicht door de aanleg van het Oosterbos. In het kader van de Vaarverbinding Erica – Ter Apel is er een nieuwe, bevaarbare, waterweg vanaf het Oranjekanaal naar het Oosterbos (bij de ‘knik’) gepland. Deze nieuwe vaarweg zal de huidige kavelgrenzen volgen. Hoewel het landschap rondom Nieuw-Dordrecht in de loop der tijd is veranderd, is de karakteristieke ontginningsvorm en begrenzing behouden. In 1900 was het huidige Nieuw-Dordrecht een groen ‘eiland’ op de zandrug in een verder open veenlandschap. Hoewel door de aanleg van het Oosterbos de oostzijde van dit ‘eiland’ is verdicht, is de zo karakteristieke ontginningslijn, de ‘knik’, tot op de dag van vandaag nog goed herkenbaar. Ten westen van het dorp is het voormalige open veengebied, het Oosterveen, getransformeerd tot het bedrijventerrein Bargermeer en het in aanleg zijnde bedrijvenpark A37. Het zandpad op de voormalige oostgrens van het Oosterveen is nu de provinciale weg N862.

97

Afb. 54 Barger-Erfscheidenveen e.o.

Afb. 55 Buitengebied

Afb. 56 Archeologische reconstructie

Bron: Archeologisch Bureauonderzoek Emmen

Dikke zwarte lijn net streepjes = grens veenkoloniale gebied Zandgronden

Boerdijk

Oude Gemeentegrens

Afb. 57 Bodemkaart 98

Afb. 58 Kaart 1850

5.5 Gebied 17 Barger-Erfscheidenveen en omgeving Al ver voor de veenontginningen was in het gebied sprake menselijke activiteit. Rond 1688 is de strategisch militaire dijk, de Heeren- of Leidijk, van Den Hool via Veenoord, Den Oever, Foxel naar uiteindelijk Bourtange aangelegd. Deze dijk werd tevens gebruikt als weg. In 1850 werd deze verdedigingslinie officieel opgeheven. De diagonaal lopende huidige weg Herendijk is nog een restant van deze dijk. Het is tegelijkertijd een deel van de zuidgrens van het gebied. De kaart van 1850 geeft eveneens de Boerdijk weer. Deze liep vanaf de Heerendijk, even voor de kruising van de toenmalige gemeentegrens Sleen – Emmen, in noordwestelijke richting naar Erm. Over de Boerdijk liep in 1904 de stoomtram van Nieuw-Amsterdam naar Sleen. Rond 1900 is ook de aansluiting op het spoorwegennet gerealiseerd.

voor 1850 hun gemeenschappelijke gronden verdeeld en de ontginning van het Ermerveen stamt al uit de periode voordat de grootschalige hoogveenontginningen aanvingen. Het Ermerveen is door de boereneigenaren verdeeld in lange smalle percelen, waarbij het veen vanuit het noorden door de boeren zelf is ontgonnen. Ten noorden van de latere Verlengde Hoogeveensche Vaart lagen madeveengronden, dit zijn (laag)veengronden in pleistocene beekdalen en behoren bodemkundig dus niet tot het veenkoloniale gebied (zie code aV.. op de bodemkaart). Voor turfwinning zijn deze gronden van matige kwaliteit. De boeren van Erm hebben een gedeelte van het Ermerveen vergraven door middel van natte vervening, waarbij langgerekte veenputten ontstonden, ook wel pet- of trekgaten

Hoewel de eerste kleinschalige ontginningen van dit gebied al aanvingen voor 1850, is het merendeel verveend na deze datum. De historische ontwikkelingen in het gebied is beïnvloed door de aardkundige ondergrond, de markeverdeling van het veengebied en daarmee de wijze waarop de verschillende markes het veen hebben ontgonnen c.q. verkocht. Hoewel het gehele gebied tot het veenkoloniale gebied behoort, ligt het merendeel op een zandrug (bruin op de bodemkaart). Dit verklaart mede dat het gebied zonder wijken is ontgonnen. Ook de naam ’t Zandheugtien bij Ermerveen verwijst naar deze ondergrond. Het gebied lag oorspronkelijk gedeeltelijk in de marke van Erm (Gemeente Sleen) en gedeeltelijk in de marke van Noord- en Zuid-Barge (Gemeente Emmen). De boeren van de marke van Erm hadden al

Afb. 59 Paarse lijn = voormalige marke- en gemeentegrens

genoemd. Het merendeel van deze petgaten lagen in de huidige Gemeente Coevorden. De kaart van 1900 laat in het meest westelijke gedeelte van Gebied 17 ook dergelijke petgaten zien. Hier lagen ook madeveengronden. Een gedeelte van dit gebied, De Kuilen genaamd, is met bos aangeplant. Het deel tussen de A37 en Verlengde Hoogeveensche vaart kent nog steeds de zo karakteristieke smalle strookverkaveling. Ten westen van de Boerdijk hebben tot in de jaren tachtig de vloeivelden van de van de in 1909 opgerichte aardappelmeelfabriek gelegen. Het gebiedje dat tussen de Boerdijk en de voormalige gemeentegrens lag is ontgonnen vanuit de Boerdijk. Vanaf de Boerdijk liepen er verschillende paden tot over de oude gemeentegrens. Bijzonder is het buurtje dat nu Ermerveen wordt genoemd (bij ’t Zandheugtien). Dit buurtschapje lag al in 1900 in twee gemeentes. Dit buurtschapje heeft tot op de dag van vandaag nog steeds de losse bebouwingstructuur die zo karakteristiek is voor een zanddorp. Datzelfde geldt min of meer ook voor de structuur van het buurtschapje direct ten noorden van de huidige A37 en ten westen van de huidige Wilhelmsweg. De oost – west gerichte verkaveling vanaf de Boerdijk tot Ermerveen is nog herkenbaar. Direct ten noorden van het buurtschap Wilhelmsoord c.q. de weg Oude Willem ligt de grens van het veenkoloniale gebied (zie bodemkaart).

Het vormde in het verleden eveneens de noordgrens van het Barger Erfscheidenveen. Het BargerErfscheidenveen was door de boeren van Noord- en Zuid-Barge al in 1840 in smalle stroken verdeeld (zie kaart 1900). Dat gedeelte van het BargerErfscheidenveen dat op de zandrug lag, is verveend door middel smalle stroken zonder wijken. Het overige, zuidoostelijke gedeelte, is na de aanleg van de Verlengde Hoogeveensche Vaart verveend door middel van een bloksysteem met wijken. De huidige Bumawijk vormt hier de grens tussen het 99

100

Afb. 60 Kaart 1910

Afb. 61 Kaart 1930

Afb. 62 Kaart 1965

Afb. 63 Kaart 1985

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Emmen&id=9c65cd9d-6821-498c-beda-d335eaf588c5