CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Landsweg 28

Raadsvergadering 5 februari 2024, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Bestemmingsplan Doornspijk, Rode Landsweg 2811.439 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

5.3.3 Conclusie Het aspect ‘milieueffectbeoordeling’ vormt geen belemmering voor het initiatief. Er hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld.

5.4 Bodem 5.4.1 Noodzaak onderzoek De bodem wordt op vele manieren gebruikt, bijvoorbeeld voor woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit nu en in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Doordat mensen al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft zij overal sporen achtergelaten.

20

Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

5.4.2 Resultaten onderzoek Door Tauw bv uit Deventer is onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek Rode Landsweg Ong. te Doornspijk’, d.d. 23 augustus 2022, projectnummer 1286968. Dit rapport is als bijlage 5 bijgevoegd.

5.4.3 Conclusie Er zijn visueel geen verontreinigingen waargenomen. Analytisch zijn er geen verontreinigingen in de grond en in het grondwater gemeten. Op basis van de resultaten is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de herziening van het bestemmingsplan. Voor de realisatie nieuwbouw BenB kan nog aanvullend bodemonderzoek nodig zijn.

5.5 Geluid 5.5.1 Toetsingskader Ter beperking van geluidshinder zijn in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) geluidszones gedefinieerd rondom belangrijke geluidsbronnen (gezoneerde industrieterreinen, verkeerswegen en spoorwegen). Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied, waarvoor in geval van een ruimtelijk plan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd, indien het ruimtelijk plan een geluidgevoelig object in dit gebied mogelijk maakt. De Wgh verstaat onder geluidgevoelige objecten woningen, een ander geluidsgevoelig gebouw, zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven, en geluidsgevoelige terreinen, zoals woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor schepen.

5.5.2 Resultaten onderzoek Het initiatief betreft onder andere het realiseren van geluidgevoelige objecten. Om die reden is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de notitie van 14 februari 2023, kenmerk 2022-3069-0-b4202/2328. Deze notitie is als bijlage 6 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh wordt voldaan.

5.5.3 Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Toetsingskader In het kader van ruimtelijke planvorming moet aandacht besteed worden aan de luchtkwaliteit. Hierbij moet worden beoordeeld of het initiatief hierop een (negatief) effect heeft. In de Wm zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Op grond van artikel 5.16 van deze wet kan het initiatief doorgang vinden als aannemelijk is gemaakt dat: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of

21

▪ ▪

een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' en de op dit besluit gebaseerde ministeriële regeling zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen'. Dit is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde.

5.6.2 Resultaten onderzoek Het beëindigen van het recreatiebedrijf leidt tot een forse afname van verkeersbewegingen. Hiervoor in de plaats treedt extra verkeersbewegingen vanwege twee extra wooneenheden. Per saldo zal echter sprake zijn van een afname van verkeersbewegingen, zodat voor een verslechtering van de luchtkwaliteit niet hoeft te worden gevreesd. Daarnaast moet ook worden beoordeeld of de luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor het gebruik van het plangebied ten behoeve van wonen. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCNkaarten) van het RIVM. Op deze kaarten wordt de achtergrondconcentratie inzichtelijk gemaakt welke het gevolg is van de infrastructurele en bedrijvige omstandigheden ter plaatse. Uit de GCN-kaarten (voor 2025, gegevens 2022) volgt dat in het plangebied voor wat betreft PM10 (fijnstof) sprake is van een achtergrondconcentratie van circa 13 µg/m 3. Voor NO2 (stikstofdioxide) is de achtergrondconcentratie circa10 µg/m 3. Voor PM10 en NO2 geldt voor de jaargemiddelde concentratie een grenswaarde van 40 µg/m3. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de in de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden. In het plangebied is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake luchtkwaliteit.

5.6.3 Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.7 Bedrijven en milieuzonering 5.7.1 Toetsingskader Om het initiatief te kunnen toetsen op milieuhygiënische aspecten wordt het instrument milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds hindergevoelige functies, zoals woningen. Algemeen wordt hiervoor de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gebruikt. Hierin zijn aan bedrijven milieucategorieën toegekend. Per bedrijf is aangegeven wat de gewenste afstand is tot een hindergevoelige functie. Deze afstand kan als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De feitelijke emissies (geluid, geur, stof et cetera) van een bedrijf kunnen aanleiding zijn om een andere afstand aan te houden. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

22

Het plangebied is te typeren als ‘rustige woonwijk’. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door hoofdzakelijk de functie wonen.

5.8 Resultaten onderzoek Algemeen Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin het initiatief wordt gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving (externe werking), en 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe (interne werking). Externe werking Bij externe werking gaat het met name om de vraag of het initiatief leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het initiatief leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door percelen met een woonfunctie. De ten behoeve van het initiatief toe te kennen bestemming ‘Wonen’ is niet (milieu)belastend voor de omgeving, waardoor geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Aan de noordwestzijde van het plangebied is een agrarisch bestemd perceel met bouwvlak gelegen. De afstand van dit perceel tot het plangebied bedraagt meer dan 200 meter. Percelen met een bedrijfsbestemming zijn op grotere afstand dan 500 meter van het plangebied gelegen. Gezien deze afstanden vormt het initiatief geen belemmering voor de aldaar gevestigde bedrijven.

Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of het initiatief hinder ondervindt van bestaande functies in de directe omgeving. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door percelen met een woonfunctie. Deze functie hindert de aan het initiatief toe te kennen bestemming ‘Wonen’ niet. Aan de noordwestzijde van het plangebied is een agrarisch bestemd perceel met bouwvlak gelegen. De afstand van dit perceel tot het plangebied bedraagt meer dan 200 meter. Percelen met een bedrijfsbestemming zijn op grotere afstand dan 500 meter van het plangebied gelegen. Gezien deze afstanden kan worden gesteld dat wonen in het plangebied voldoet aan de kwalificatie ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’.

5.8.1 Conclusie Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.9 Externe veiligheid 5.9.1 Toetsingskader Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpgvulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers. Dit is respectievelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

23

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (10 -6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10 -6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel wordt geacht, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, Stb.

250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. De gemeente Elburg heeft de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid van de gemeenten in de regio Noord-Veluwe (Projectnr. 249182, januari 2015, revisie 1.3) vastgesteld. Deze visie maakt duidelijk op welke wijze het aspect externe veiligheid in het kader van ruimtelijke besluiten wordt beoordeeld.

5.9.2 Onderzoek Het juridisch uitgangspunt is als volgt: realisatie van diverse gebouwen afwegen in het kader van externe veiligheid. Op grond van artikel 1 van het Bevi zijn de te realiseren woningen aan te merken als kwetsbare objecten in verband met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. De vier gebouwen ten behoeve van bed & breakfast betreffen beperkt kwetsbare objecten. Om in beeld te brengen of er in het plangebied, of in de nabijheid daarvan, risicobronnen (productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen) aanwezig zijn, is de risicokaart (www.risicokaart.nl) geraadpleegd. Uit deze raadpleging blijkt dat zich in en nabij het plangebied een transportroute bevindt die relevant is in het kader van externe veiligheid. Deze route betreft de spoorlijn Amersfoort – Zwolle, gelegen op een afstand van zo’n 2.500 meter ten zuidoosten van het plangebied. Dit spoor heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 1 meter. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van het spoor bedraagt 30 meter. Het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico bedraagt en 460 meter voor brand & explosie. Voor toxisch is dit 4.000 meter. Dit laatste betekent dat het groepsrisico beperkt moet worden verantwoord. Bereikbaarheid Het plangebied is vanaf de Rode Landsweg via een verharde weg goed bereikbaar voor hulpdiensten.

Zelfredzaamheid De rijksoverheid heeft voor het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten een nagenoeg landelijk dekkend netwerk van WAS-palen neergezet. Dit Waarschuwings- en Alarmeringsstelsel (WAS) wordt maandelijks getest (1e maandag van de maand). Waarschuwen bij een dreigende ramp is op die manier voldoende geborgd. Logischerwijs staan de WAS-palen opgesteld in gebieden die de meeste personen herbergen. De zelfredzaamheid van de aanwezige mensen binnen het bestemmingsplan kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Burgers zullen dan zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: http://www.crisis.nl/nl-alert). De zelfredzaamheid van bewoners in het plangebied kan verder worden vergroot door hen te attenderen op deelname aan ‘Stan the CPR network’ [voorheen Hartveilig

24

Wonen]. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan ‘Stan the CPR network’ kan levens redden.

5.9.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.10 Water 5.10.1 Toetsingskader Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroom-gebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de NOVI, het zogeheten Bestuursakkoord Water en de Waterwet. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ staan de hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water. Deze zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Beleid waterschap Vallei & Veluwe De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van het waterschap Vallei & Veluwe. Met deze BOVI zet het waterschap op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt het waterschap integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening; 2. maximaal vast- en schoonhouden van water, en 3. partnerschap als watermerk.

Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van het waterschap Vallei & Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven-en ondergrond.

5.10.2 Onderzoek In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003

25

in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het waterschap Vallei & Veluwe is geïnformeerd over het initiatief door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen en de reactie van het waterschap hierop heeft geleid tot de ‘korte procedure’. De standaardwaterparagraaf behorende bij deze procedure is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Op basis van de watertoets vraagt het waterschap om bij de uitwerking van het initiatief met de volgende drie aandachtspunten rekening te houden: 1. vasthouden - bergen – afvoeren. Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater; 2. grondwaterneutraal bouwen.

Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen, en 3. schoon houden - scheiden - schoon maken. Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied of in een zone waar er kans bestaat op overstromingsrisico.

5.10.3 Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie 5.11.1 Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden.

5.11.2 Resultaten onderzoek Archeologie De archeologische verwachtingswaarde die geldt voor het plangebied is middelhoog. Dit betekent dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2.

26

Het initiatief ziet niet op het oprichten van een bouwwerk dat groter is dan 500 m 2. Uitvoering van het initiatief leidt dan ook niet tot een ingreep waarvoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Wel geldt er op grond van de Erfgoedwet een meldingsplicht als bij graafwerkzaamheden toch archeologische resten aan het licht komen. Cultuurhistorie Nabij het plangebied zijn op basis van de kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ van de provincie Gelderland objecten aanwezig die de status gemeentelijk monument hebben. Het betreft een schuur met een agrarische functie op het perceel Rode Landsweg 24 te Doornspijk en een boerderij met een agrarische functie op het perceel Rode Landsweg 30 te Doornspijk. Het initiatief heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden die deze gebouwen met zich brengen.

5.11.3 Conclusie De aspecten ‘archeologie en cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor het initiatief.

5.12 Ecologie 5.12.1 Toetsingskader Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wnb of het provinciaal natuurbeleid noodzakelijk is.

5.12.2 Resultaten onderzoek Soortenbescherming Door De Slijpkruik ecologisch adviesbureau is een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in de notitie ‘Ecologische quickscan Rode Landsweg 28c te Doornspijk’, d.d. 20-08-2022, projectcode 22ALF06. Deze notitie is als bijlage 8 bijgevoegd. Uit de quickscan blijkt het volgende. Plantensoorten In het plangebied zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Geschikte omstandigheden voor beschermde flora ontbreken. Negatieve effecten op beschermde planten zijn uitgesloten. Nader onderzoek is niet nodig. Broedvogels Er is een aantal nesten aangetroffen in het toiletgebouw, die mogelijk worden gebruikt door huismussen. Nesten van huismus zijn jaarrond beschermd. Omdat er sprake is van sloop, is aanvullend onderzoek naar de huismus noodzakelijk om aan- of afwezigheid van vaste nestplaatsen vast te stellen of uit te sluiten. Vleermuizen Een effect op verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen is uitgesloten, omdat geen geschikte, toegankelijke ruimtes aanwezig zijn in de te slopen bebouwing. Overige zoogdieren Het te slopen chalet is geschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats voor steenmarter, boommarter en bunzing. Er is een opening naar een holle ruimte aanwezig en er zijn krabsporen zichtbaar op de planken eronder.

Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen of het chalet een functie heeft voor marterachtigen. Reptielen en amfibieën De voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot negatieve effecten op reptielen en amfibieën.

27

Zorgplicht In het plangebied zijn veel potenties aanwezig waar het gaat om flora en fauna. De Wet natuurbescherming bevat een zorgplichtbepaling. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna tijdens uit te voeren werkzaamheden in het plangebied naar redelijkheid zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Denk hierbij aan: - verstoring, beschadiging of vernieling van bezette nesten; - kappen van bomen met holtes als mogelijke verblijfplaats voor vleermuizen, en - het beperken van lichtverstoring van foeragerende en passerende vleermuizen. Conclusie Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van nesten van huismussen en rust- of voortplantingsplaatsen van marterachtigen is noodzakelijk. Deze verplichting houdt verband met de sloop van bebouwing. Deze sloop staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg. Borging van het uitvoeren van vervolgonderzoek is in de planregels opgenomen. Vanwege de potenties die het plangebied heeft, is zorgplicht belangrijk. Deze zorgplicht is in de planregels opgenomen. Gebiedsbescherming In of grenzend aan het plangebied liggen geen natuurgebieden die vallen onder de Wnb (waaronder Natura 2000-gebieden). Voor wat betreft het aspect stikstof is het de verwachting dat er vanwege een afname van verkeersbewegingen geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt geheel buiten het NNN. Aantasting van kernkwaliteiten van deze natuur is volgens De Slijpkruik niet aan de orde.

5.12.3 Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.13 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van parkeerkencijfers van het CROW (CROW publicatie ‘toekomstbestendig parkeren, december 2018’). Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het initiatief leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Extra parkeerplaatsen zijn dan ook niet nodig. Overigens biedt het plangebied voldoende ruimte voor parkeren op eigen terrein, zowel bij de woningen als bij de bed en breakfast voorzieningen (zie ook bijlage 3). Daarnaast blijft het plangebied (veilig) ontsloten via de bestaande in- en uitrit.

28

6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Op basis van de voorgaande hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat het initiatief, gelet op het planologisch beleid en de omgevingssituatie ter plaatse, uitvoerbaar kan worden geacht. In dit hoofdstuk wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief besproken.

6.2 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wro stelt dat de gemeente gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de gemeente verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid / participatie Initiatiefnemer heeft omwonenden tijdens de beoordeling van het principeverzoek geïnformeerd. Dit heeft ertoe geleid dat het initiatief is aangepast. Initiatiefnemer heeft omwonenden tijdens de beoordeling van ontwerp bestemmingsplan nogmaals geïnformeerd. Hiervan is een verslag gemaakt, zie bijlage 3. Het ontwerp van dit bestemmingsplan is voor een periode van zes weken ter inzage gelegd voor eenieder. Tegen het ontwerp zijn geen zienswijzen ingediend.

6.4 Inspraak en overleg 6.4.1 Het Rijk In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.4.2 Provincie Gelderland De provincie heeft als volgt gereageerd op het plan. Met het plan wordt een recreatieterrein met een aantal huisjes, glamping tenten en een plek voor mobiele kampeermiddelen omgevormd naar een woongebiedje. Ter compensatie worden drie woningen toegevoegd. Ook komt er één extra B&B. Het effect is dat er meer ruimte is voor natuur en landschappelijke inrichting. Het gebied ligt niet in GNN, GO of Waardevol Open Gebied. Wel in het Nationaal Landschap, maar er is geen sprake van aantasting van kernkwaliteiten. Er is dan ook geen strijd met de provinciale verordening of visie.

6.4.3 Waterschap Vallei en Veluwe In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets heeft het waterschap gereageerd, zie bijlage 5. Verder heeft het waterschap geen opmerkingen over het plan.

6.4.4 Zienswijzen Het ontwerp van dit bestemmingsplan is voor een periode van zes weken ter inzage gelegd voor eenieder. Tegen het ontwerp zijn geen zienswijzen ingediend.

29

7 Juridische aspecten 7.1 Algemeen Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

7.2 Verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen, waarbij voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het vigerend bestemmingsplan: -

enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Groen – Landschappelijke beplanting’; dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie middelhoge verwachtingswaarde’, en ‘Waarde – Waardevol landschap’; functieaanduiding ‘bed & breakfast’; bouwvlakken ‘Bouwvlak’, bouwaanduidingen ‘bijgebouw’, ‘specifieke bouwaanduiding – geschakelde woningen’, ‘twee-aaneen’ en ‘vrijstaand’.

7.3 Regels/voorwaardelijke verplichting De regels bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Hierbij is aangesloten bij de van toepassing zijnde artikelen uit het vigerend bestemmingsplan. Aanvullend is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen die waarborgt dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, alsmede de borging van vervolgonderzoek in het kader van flora en fauna.

30

8 Bijlagen Bijlage 1 Schets feitelijke situatie Bijlage 2 Schets beoogde situatie Bijlage 3 Verslag participatie Bijlage 4 Landschaps-, beeldkwaliteits- en landschapsplan Bijlage 5 Bodemonderzoek Bijlage 6 Onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7 Watertoets Bijlage 8 Ecologische QuickScan

31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=c9b2cb77-5091-483f-a7cd-fdfbd1ba1df2