Toelichting bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a.pdf
Tekst van het document
Anders kan er namelijk niet langer voldaan worden aan de voorkeursgrenswaarde en zal er een procedure hogere waarde gevolgd moeten worden. Omdat de bewuste woning op de planklaart vastgelegd is door middel van een bouwvlak kan deze woning in de praktijk niet dichter op de Huisdijk gebouwd worden, waardoor er geen gevaar bestaat voor overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Conclusie Het aspect geluid leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Bedrijven en milieuzonering
Uit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening moet bij nieuwe ontwikkelingen worden nagegaan welke bronnen in of nabij het plangebied een belemmering kunnen vormen voor gevoelige functies als wonen. Daarnaast dient te worden bezien of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat (de 'omgekeerde werking'). Het is gebruikelijk om voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid aansluiting te zoeken bij de afstanden uit de publicatie Bedrijven en milieuzonering (VNG-uitgeverij, 2009). Andersom kan deze publicatie worden gebruikt voor het op verantwoorde wijze inpassen van bedrijvigheid in de fysieke omgeving. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.
De VNG-handreiking geeft op systematische wijze informatie over de milieukenmerken van vrijwel alle voorkomende bedrijfstypen. Het biedt daarmee een hulpmiddel om ruimtelijke ordening en milieu op gemeentelijk niveau op elkaar af te stemmen. In de publicatie zijn richtafstanden gegeven. Hierbij wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De afstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd, dan kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). In de VNG-publicatie zijn voor het bepalen van de richtafstanden de volgende uitgangpunten gehanteerd: het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’ en ‘rustig buitengebied’. Bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ kan worden uitgegaan van kortere afstanden (verlaging met één afstandsstap); de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten; bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. De richtafstanden lopen op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere milieucategorie. Zoals bij de uitgangspunten voor de richtafstanden is gesteld, kan bij het type gemengd gebied de richtafstand zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat met één afstandsstap worden verlaagd (dus van bijvoorbeeld 50 naar 30 meter voor milieucategorie 3.1). Verdere reducties zijn blijkens de toelichting in de VNG-publicatie niet te verantwoorden, omdat in algemene zin niet aannemelijk kan worden gemaakt dat het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast en het functioneren van bedrijven niet in gevaar wordt gebracht.
De richtafstand wordt gemeten vanaf de grens van het bedrijfsperceel tot de gevel van het gevoelige object. Navolgende tabel geeft aan wat de richtafstanden zijn voor de verschillende milieucategorieën, zowel voor ‘rustige woonwijken’ of ‘rustige buitengebieden’ als voor ‘gemengde gebieden’.
Richtafstanden en omgevingstype (bron: VNG, 2009) Binnen een straal van 500 meter van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende activiteiten die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling van het plan. Conclusie: Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.
4.8
Geur
Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet is het beoordelingskader voor geurhinder van agrarische bedrijven bij milieuvergunningen en bestemmingsplannen. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf bevindt zich aan de Huisdijk op nr. 30. Dit bedrijf bevindt zich op 350 meter van het plangebied. Op een zodanige afstand zullen de nieuwe woningen in het plangebied geen hinder ondervinden. Conclusie Het aspect geur leidt niet tot belemmeringen van de voorgenomen ontwikkeling.
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a
4.9
Externe veiligheid
In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) zijn regels gesteld. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Onderzoek Gasleiding In de oostelijke berm van de Vaarbekerweg is een ondergrondse gasleiding aanwezig. Het betreft hier aardgasleiding A-570-01. Deze gasleiding is door middel van een dubbelbestemming 'Leiding - Gas' op de plankaart van het vigerende bestemmingsplan opgenomen. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. In het kader van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 zijn berekeningen uitgevoerd van het groepsrisico .Uit deze berekeningen blijkt dat er geen sprake is van overschrijdingen van de normen ten opzichte van de bestaande gevoelige objecten.
Omdat de geprojecteerde woningen niet dichter op de gasleiding zijn geprojecteerd bestaat er geen aanleiding voor een nieuwe berekening van het groepsrisico. Daarbij kan opgemerkt worden, dat het aantal personen door de nieuwbouw van 2 extra woningen met maximaal 4,8 zal toenemen. Hierdoor blijft de personendichtheid laag (minder dan 10), waardoor er geen sprake is van een groepsrisico. Stationaire bronnen In de nabijheid van de planlocatie zijn geen (geprojecteerde) stationaire risicobronnen aanwezig. Mobiele risicobronnen, plaatsgebonden risico Nabij de planlocatie is de spoorlijn Zwolle Amersfoort gelegen. Het plangebied ligt buiten het plasbrandaandachtsgebied en de 200 meter zone van de spoorlijn. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de planontwikkeling. Mobiele risicobronnen, groepsrisico Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied groepsrisico van de spoorlijn Zwolle – Amersfoort, op een afstand van ongeveer 3850 meter. Het invloedsgebied van een toxisch scenario bedraagt 4.000 meter. Hier ligt het plangebied dus net binnen. Gezien de ligging van de spoorlijn op meer dan 200 meter van het plangebied volstaat een ‘beperkte’ verantwoording van het groepsrisico. Verantwoording groepsrisico spoorlijn Zwolle – Amersfoort
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a
Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te kunnen brengen over de mogelijkheden van de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Uit de notitie ‘VGR voor standaard externe veiligheidssituaties' blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter zone van een transportroute ligt en het besluit geen objecten toestaat voor verminderd zelfredzame personen, er sprake is van een standaard externe veiligheidssituatie. Voor deze situaties wordt de onderstaande verantwoording van het groepsrisico gehanteerd. Maatgevende scenario’s De maatgevende scenario´s voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en toxische vloeistoffen/gassen ligt is een wolkbrandexplosie en een toxische wolk.
Onderstaand is vanuit deze scenario’s ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Bij een wolkbrandexplosie scenario is het advies om te vluchten van de risicobron af. Advies VNOG Het bestemmingsplan is ter advisering voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland (VNOG). Bij brief van 22 december 2021 heeft de VNOG een reactie gegeven.
Deze reactie is als Bijlage 6 opgenomen in deze toelichting. De VNOG concludeert, dat er geen zaken zijn die een significante wijziging op het gebied van (externe) veiligheid veroorzaken. Verder adviseert de VNOG te denken aan de volgende niet ruimtelijk relevante maatregelen: 1. Voor de in het plangebied aanwezige (specifieke) objecten zorg te dragen dat het ventilatiesysteem goed functioneert. Om te kunnen schuilen voor een toxisch scenario, is het noodzakelijk dat bewoners in zo'n situatie naar binnen gaan, ramen en deuren sluiten en dat de eventueel aanwezige mechanische ventilatie handmatig door de gebruikers kan worden uitgezet. Deze maatregel kunt u borgen in de vergunningverleningsprocedures van diverse objecten; 2. Voor de in het plangebied aanwezige (specifieke) objecten waar noodplannen voor opgesteld dienen te worden, deze mede op basis van de genoemde externe veiligheidsrisico's op te stellen. Het team Omgevingsveiligheid van Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland kan daarbij eventueel ondersteuning geven. Deze maatregel kunt u borgen in de vergunningverleningsprocedures van diverse objecten; 3. Zorg te dragen voor een goede informatievoorziening aan de aanwezige personen, opdat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit. U kunt hierbij denken aan publieke voorlichtingscampagnes als 'Denk vooruit'/ 'Wees Voorbereid'; 4.
De benodigde ontsluitingswegen en/of bluswatervoorzieningen in overleg met uw accounthouder van
48
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a de Veiligheidsregio Noord- en Oost-Gelderland te realiseren. Hierbij wordt vooral gekeken naar de voorzieningen binnen het plangebied, maar waar nodig ook bij de risicobron. Tenslotte geeft de VNOG aan, dat zij geconstateerd hebben dat er een buisleiding ligt nabij het plangebied. Zij benadrukken dat incidenten met buisleidingen (grotendeels) voorkomen kunnen worden door de leidingen ongestoord te laten liggen. Hierop is de Grondroerdersregeling van toepassing. Conclusie Op basis van de hierboven genoemde overwegingen kan worden geconcludeerd dat er voldoende mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid zijn. Dit betekent dat er geen nadere eisen aan het plan worden gesteld in het kader van het milieuaspect externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid hoeft niet nader onderzocht te worden en vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Verkeer en parkeren
Op dit moment staat er een woonboerderij op het perceel, waar dubbele bewoning plaatsvindt. Na de transformatie zullen er in totaal 3 woningen aanwezig zijn. Dat wil zeggen, dat er per saldo 1 woning bijkomt. De verkeersproductie, die dat tot gevolg heeft (ongeveer 8 verkeersbewegingen per dag extra) kan moeiteloos opgenomen worden op de Huisdijk en/of de Vaarbekerweg. Daarnaast worden er 3 ruime woonpercelen gerealiseerd, waar per perceel zonder problemen 2 of meer auto's op eigen erf geparkeerd kunnen worden. Voor de goede orde wordt hier verwezen naar het inrichtingsplan (op schaal 1:500 en 1: 1.000), waarop te zien is op welke manier de parkeerplaatsen op eigen erf gerealiseerd kunnen worden. Dit inrichtingsplan is opgenomen als Bijlage 1 Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen beletsel voor de ontwikkeling op het perceel.
4.11
Kabels en leidingen
In of nabij het plangebied liggen geen bovengrondse en/of ondergrondse leidingen die ruimtelijk relevant zijn op bestemmingsplanniveau. Conclusie Vanuit het aspect kabels en leidingen zijn er geen beperkingen voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.12
M.e.r.-beoordeling
De procedure van een milieueffectrapportage (m.e.r.-procedure) is bedoeld om het milieubelangvolwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming in te brengen. Een m.e.r.-procedure is altijd gekoppeld aan een plan of besluit, bijvoorbeeld een structuurvisie, bestemmingsplan of vergunning. De wettelijke eisen ten aanzien van de m.e.r.-procedure zijn vastgelegd in de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit milieu-effectrapportage (hierna Besluit). In de Wm en in het Besluit wordt een onderscheid gemaakt in activiteiten die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde onderdeel C-activiteiten) en activiteiten die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde onderdeel D-activiteiten). Voor onderhavig initiatief is activiteit D11.2 uit onderdeel D van de Bijlage van het Besluit m.e.r. van toepassing: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer Hieronder wordt beschreven of de onder 1 tot en met 3 genoemde drempelwaarden al dan niet worden overschreden. Ad 1: De oppervlakte van het initiatief bedraagt aanzienlijk minder dan 100 hectare. Aldus geldt dat de
Toelichting (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a
drempelwaarde niet wordt overschreven. Ad 2: Het initiatief heeft geen betrekking op het bouwen van 2000 of meer woningen. Deze drempelwaarde is daarom niet relevant en wordt dus niet overschreden. Ad 3: Het initiatief voorziet niet in de realisatie van 200.000 m2 of meer aan bedrijfsvloeroppervlakte. Nu de drempelwaarde(n) niet worden overschreden geldt dat sprake is van een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde Besluit m.e.r. per 7 juli 2017 is er procedureel geen verschil meer tussen een vormvrije-m.e.r.-beoordeling en een (gewone) m.e.r.-beoordeling. In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect: Kenmerken van het project Het bestemmingsplan voorziet in een zeer beperkte uitbreiding van het aantal woningen: van 2 naar 3. In paragraaf 2.2 wordt nader ingegaan op de gewenste nieuwe situatie. Kortheidshalve wordt hiernaar verwezen. Plaats van het project De locatie is gelegen in het buitengebied. Een voormalig agrarisch erf wordt getransformeerd in een woonperceel.
In de directe nabijheid van het nieuwe woongebied zijn geen beschermde natuurgebieden aanwezig. Kenmerken van het potentiële effect Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan gesteld worden, dat de nieuwe ontwikkelingen geen nadelige invloed hebben op bestaande natuur- en/of landschapswaarden. Ook worden geen cultuur-historische en/of archeologische waarden aangetast. Door de nieuwe ontwikkelingen worden bestaande bedrijven in de omgeving niet in hun mogelijkheden beperkt. Bodem en grondwater zijn geschikt voor de beoogde functie. Voorts kan opgemerkt worden, dat het geluid van het wegverkeer op de Huisdijk en de Vaarbekerweg niet tot gevolg heeft, dat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden. Conclusie De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.
50
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a
Hoofdstuk 5
Juridische planopzet
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel.
5.1
Opzet van de regels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Voor alle plannen die vanaf 1 juli 2013 in procedure gaan, is de RO Standaarden 2012 verplicht. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij het juridische systeem banm het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018". Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels. Bestemmingsregels. Algemene regels. Overgangs- en slotregels.
Inleidende regels Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen. In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten. Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Bestemmingsregels Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in onder andere: Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan. Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage, et cetera). Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn. Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming. In paragraaf 5.2 worden de bestemmingen nader toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. Algemene regels Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel. Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen.
Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan een
Toelichting (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels Hierin is een regeling opgenomen voor parkeren en laden en lossen. Algemene gebruiksregels. In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de bestemming. Dit brengt met zich mee dat de bestemmingsomschrijving van de te onderscheiden bestemming helder en duidelijk moet zijn. Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Overgangs- en slotbepalingen In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
5.2
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf wordt kort ingegaan op de verschillende bestemmingen. Wonen Deze bestemming is toegekend aan alle gronden binnen het plangebied. Voor de goede orde kan hier vermeld worden, dat deze gronden op basis van het vigerende bestemmingsplan ook al de bestemming 'Wonen' hebben. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn 3 bouwvlakken aangegeven. De hoofdgebouwen (zeg maar de woningen) dienen binnen deze bouwvlakken gebouwd te worden. Daarbij is voor de woning aan de Huisdijk een maximale inhoudsmaat opgenomen van 750 m3, terwijl de maximale inhoud van de beide andere woningen 600 m3 bedraagt. Voor alle woningen geldt een maximale goothoogte van 4 m en een maximale bouwhoogte van 8 m. Op de plankaart is aangegeven waar bijgebouwen opgericht mogen worden. In principe is dit uitsluitend achter (het verlengde van) de voorgevellijn. Omdat de 3 woningen tweezijdig georienteerd zijn, zijn verhoudingsgewijs veel gronden uitgesloten van bijgebouwen. Ook de ruimte, die in de toekomstige sitiuatie aanwezig is tussen de bestaande woning op nr. 16 en de geprojecteerde nieuwe woning aan de Huisdijk mag niet benut worden voor het oprichten van bijgebouwen. Dit om voldoende vrije ruimte te waarborgen tussen de beide hoofdgebouwen. De maximale gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen mag per perceel maximaal 100 m2 bedragen.
Voor het perceel aan de westzijde is een uitzondering gemaakt omdat er op dat perceel de nodige dierenverblijven gerealiseerd zullen worden. Hier is een maximum van 200 m2 voor bijgebouwen opgenomen in de regels. Waarde - Archeologie lage verwachtingswaarde Deze dubbelbestemming is overgenomen van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018 omdat er nog geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde Ook deze dubbelbestemming is overgenomen van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018 omdat er nog geen archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Waarde - Waardevol landschap Alle gronden in het plangebied zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Waardevol lanbdschap' Dit betekent, dat er in het gehele plangebied rekening gehouden dient te worden met de aanwezige landschappelijke waarden.
52
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Doornspijk, Huisdijk 18 en 18a
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient een onderzoek te worden verricht naar de uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente Elburg zal voordat het plan in procedure gaat met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten, zodat de economische uitvoerbaarheid 'anderszins verzekerd' is. De kosten voor de uitvoering van dit bestemmingsplan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren. Hiermee wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De bewoner van het belendende perceel (Huisdijk 16) is op de hoogte gesteld van de voorgenomen ontwikkelingen in het plangebied. Zij heeft aangegeven in te kunnen stemmen met deze plannen, maar heeft aangegeven niet zonder meer in te stemmen met de noodzakelijke sloop van de bebouwing op zeer korte afstand van haar woning. Hierover zullen daarom nadere afspraken gemaakt worden. Naar aanleiding van het invullen van de digitale watertoets is er overleg geweest met het Waterschap. Zie voor meer informatie 4.2. Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 26 april 2022 gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode heeft een ieder de gelegenheid gehad zienswijzen in te dienen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Toelichting (vastgesteld)
53