TB14_Aanmeldnotitie Besluit m.e.r
Tekst van het document
Aanmeldnotitie Besluit m.e.r. Bestemmingsplan ‘Veldbloemenlaan 25, Elburg’
Status: definitief Datum: 15 april 2024
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................ 3
1.1
Aanleiding en doel ............................................................................................................................ 3
1.2
Procedure ......................................................................................................................................... 3
1.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling ............................................................................................................ 4
1.4
Opzet van de aanmeldingsnotitie ..................................................................................................... 4
2
Kenmerken van het project ......................................................................................................... 6
2.1
Inleiding ............................................................................................................................................ 6
2.2
Omvang van het project ................................................................................................................... 6
2.3
Cumulatie met andere projecten .................................................................................................... 11
2.4
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen ............................................................................................. 11
2.5
Productie van afvalstoffen .............................................................................................................. 12
2.6
Verontreiniging en hinder ............................................................................................................... 12
2.7
Risico van ongevallen .................................................................................................................... 12
2.8
Risico’s voor de menselijke gezondheid ........................................................................................ 12
3
Plaats van het project ................................................................................................................ 13
3.1
Inleiding .......................................................................................................................................... 13
3.2
Ligging van de locatie..................................................................................................................... 13
3.3
Geldende bestemmingsplannen .................................................................................................... 14
3.4
Bijzondere waarden in het projectgebied en omgeving ................................................................. 15
4
Kenmerken van het potentiële effect ....................................................................................... 16
4.1
Inleiding .......................................................................................................................................... 16
4.2
Waarschijnlijk belangrijke gevolgen voor het milieu....................................................................... 16
4.3
Effectkenmerken ............................................................................................................................ 28
5
Conclusie ................................................................................................................................... 30
Bijlagen Bijlage 1: Onderzoek industrielawaai Bijlage 2: Digitale Watertoets en aanvraag Bijlage 3: Tekening waterbergingsmaatregelen Bijlage 4: Quickscan flora en fauna Bijlage 5: Stikstofrapportage Bijlage 6: Aanvullend vleermuizenonderzoek Bijlage 7: Ontvangstbevestiging Ontheffing Wnb beschermde soorten Bijlage 8: Archeologisch adviesdocument regioarcheoloog Noord Veluwe Bijlage 9: Windonderzoek molenbiotoop
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel
Zorgverlening Het Baken (hierna initiatiefnemer) is een zelfstandige zorgorganisatie in Noord-West Veluwe. De organisatie biedt zorg en dienstverlening aan mensen die door ziekte of beperking niet meer thuis kunnen wonen. Initiatiefnemer beheert vier zorginstellingen waaronder locatie De Voord aan de Veldbloemenlaan 25 in Elburg. De zorg op deze locatie is gericht op doelgroepen met een complexe zorgvraag, kortdurend verblijf en eerstelijnbehandelingszorg gericht op herstel, crisis en/of behandeling (revalidatie). De locatie biedt ruimte aan 145 onzelfstandige zorgeenheden, waarvan 130 in het hoofdgebouw uit 1996 en 15 in het in 2007 gerealiseerde gebouw ten westen van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw is verouderd en voldoet bouw- en woontechnisch niet meer aan de huidige vraag vanuit de zorgsector. Initiatiefnemer wil de capaciteit op deze locatie behouden en is voornemens om het bestaande hoofdgebouw uit 1996 te slopen en vervangende nieuwbouw te realiseren welke aansluit op de huidige wensen en behoeften van de doelgroep. Het ten westen van het hoofdgebouw gelegen gebouw uit 2007 blijft behouden. De vervangende nieuwbouw zal ruimte bieden aan de bestaande 130 onzelfstandige zorgeenheden met bijbehorende voorzieningen en ondersteunende horeca van categorie 1.
Aanvullend worden 24 appartementen toegevoegd welke zowel als zorgwoning als voor reguliere bewoning in gebruik mogen zijn. Inclusief de 15 onzelfstandige zorgeenheden van het te behouden gebouw uit 2007 ten westen van het hoofdgebouw, biedt de locatie in de toekomstige situatie ruimte aan 169 verblijfplaatsen. Om de huidige bewoners gedurende de ontwikkeling zo veel mogelijk te ontzien en tijdelijke huisvesting op andere locaties te voorkomen, is ervoor gekozen om de ontwikkeling gefaseerd te realiseren. Op deze manier kunnen de bewoners gedurende de totale gefaseerde ontwikkeling op locatie De Voord blijven wonen. De voorgenomen ontwikkeling past op onderdelen niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Elburg en Oostendorp', zoals vastgesteld op 22 april 2013. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is het vaststellen van een nieuw bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied noodzakelijk. Op dergelijke besluiten is het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) van toepassing. Deze aanmeldnotitie is de eerste stap in de procedure voor het uitvoeren van een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. De wijziging van het Besluit m.e.r. volgt uit de implementatie van artikel 1, vierde lid, onder a en b, van Richtlijn 2014/52/EU van de Europese Unie.
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm) zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing, waarbij het niet uitmaakt of het een activiteit betreft boven of onder de D-drempel.
1.2
Procedure
In de gewijzigde Besluit m.e.r. is de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, dienen de volgende stappen genomen te worden. 1. De initiatiefnemer stelt een aanmeldnotitie op. 2. Het bevoegd gezag neemt binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden.
3. De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag (Artikel 7.28 Wet milieubeheer). Deze aanmeldnotitie dient voor het starten van de hierboven beschreven procedure.
1.3
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Het besluit tot het vaststellen van een bestemmingsplan heeft betrekking op activiteiten die voorkomen op de D-lijst (D11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen) uit het Besluit m.e.r. Voor deze activiteit zijn drempelwaarden opgenomen voor de omvang het stedelijke ontwikkelingsproject. Deze drempelwaarden betreffen stedelijke ontwikkelingsprojecten met een omvang van: • • •
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied dat 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
Conclusie De concrete omstandigheden in dit geval betreft het slopen van het bestaande hoofdgebouw van de zorginstelling en realisatie van vervangende nieuwbouw met bijbehorende voorzieningen. Het plangebied ligt in bestaand stedelijk gebied. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2 hectare en blijft hiermee onder de drempelwaarde van 100 hectare. De voorgenomen ontwikkeling maakt 130 onzelfstandige zorgeenheden en 24 appartementen mogelijk. Per saldo worden uitsluitend de 24 appartementen toegevoegd omdat de 130 onzelfstandige zorgeenheden reeds aanwezig zijn in het bestaande te slopen hoofdgebouw van de zorginstelling. De ontwikkeling blijft daarmee onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Omdat de ontwikkeling niet voorziet in bedrijfsmatige activiteiten wordt de drempelwaarde voor bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² niet overschreden. Het project is kleinschalig van karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. en de locatie ligt niet in of bij beschermde natuurgebieden. Ten aanzien van de overige relevante milieu- en omgevingsaspecten is er als gevolg van het project geen sprake van nadelige effecten op de leefomgeving. Om deze redenen kan worden volstaan met deze vormvrije m.e.r.-beoordeling.
1.4
Opzet van de aanmeldingsnotitie
De inhoudelijke vereisten voor het toetsen of sprake is van mogelijke belangrijke nadelige milieueffecten staan benoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r., zie tabel 1.1. Tabel 1.1: Overzicht criteria ‘belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu’
Criteria Kenmerken van het project
Beoordelingscriterium Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - de omvang van het project; - de cumulatie met andere projecten; - gebruik van natuurlijke hulpbronnen; - de productie van afvalstoffen; - verontreiniging en hinder; - het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering; - risico's voor de menselijke gezondheid.
Plaats van het project
Kenmerken van het potentiële effect
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project/de projecten van invloed kunnen zijn, moet in het bijzonder in overweging worden genomen: - het bestaande grondgebruik; - relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; - het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: • wetlands; • kustgebieden; • berg- en bosgebieden; • reservaten en natuurparken; • gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn; • gebieden waar de milieukwaliteitsnormen al niet worden nagekomen; • gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; • landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.
Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); - de aard van het effect; - het grensoverschrijdend karakter van het effect; - de intensiteit en de complexiteit van het effect; - de waarschijnlijkheid van het effect; - de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; - de cumulatie van effecten met de effecten van andere projecten; - de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
Conform tabel 1.1 wordt na dit inleidende hoofdstuk in hoofdstuk 2 ingegaan op de kenmerken van het project. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van de plaats van het project en in hoofdstuk 4 worden de waarschijnlijke gevolgen van het project voor het milieu en de effectkenmerken beschreven. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de conclusie van de notitie.
2 Kenmerken van het project 2.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de voorgenomen activiteit. In artikel 7.16, tweede lid, onder a Wm is opgenomen dat de beschrijving moet ingaan op de fysieke kenmerken van de gehele activiteit en, voor zover relevant, van sloopwerkzaamheden. Daarnaast dient een beschrijving gegeven te worden van de locatie van de activiteit met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de activiteit van invloed kan zijn.
2.2
Omvang van het project
Woonprogramma Het hoofdgebouw uit 1996 huisvest in de bestaande situatie 130 onzelfstandige zorgeenheden. Dit gebouw wordt gesloopt en ter plaatse wordt vervangende nieuwbouw gerealiseerd. De nieuwbouw zal ruimte bieden aan de 130 bestaande onzelfstandige zorgeenheden en aanvullend worden 24 appartementen toegevoegd welke zowel als zorgwoning en als reguliere woning (wonen zonder zorgvraag) in gebruik mogen zijn. Inclusief de 15 onzelfstandige zorgeenheden van het te behouden gebouw uit 2007 ten westen van het hoofdgebouw, biedt de locatie in de toekomstige situatie ruimte aan 169 verblijfplaatsen. De 24 appartementen zijn bedoeld als zelfstandige zorgeenheden voor ouderen met een lichte tot zware zorgen of/ ondersteuningsvraag. Hierbij kan gedacht worden aan ouderen met of zonder een WMO of WLZ indicatie tot zware verpleeghuiszorg. Zorginstelling Het Baken levert hierbij de zorg en Uwoon draagt zorg voor de verhuur op basis van voordracht van Het Baken. De appartementen zijn ruimer dan de onzelfstandige zorgeenheden waardoor deze ook geschikt zijn voor (echt)paren. Zoals hierboven reeds aangegeven, kunnen de appartementen ook voor bewoning zonder zorgvraag in gebruik worden genomen waarbij het voor de hand ligt dat dit eveneens plaatsvindt door ouderen zodat eventueel gebruik kan worden gemaakt van de ondersteunende voorzieningen van de zorginstelling.
Bouwplan Het bouwplan voorziet in een driehoekig gebouw met ronde vormen bestaande uit drie vleugels en een centraal gedeelte welke de vleugels onderling verbindt. Ter plaatse van de vleugels krijgt het gebouw drie bouwlagen, het centrale gedeelte bestaat uit één bouwlaag. Ook de koppen van de naar de weg gekeerde vleugel (voorgevel) bestaan uit één bouwlaag. De vleugels krijgen hiermee een hoogte van maximaal 11,25 meter en plaatselijk 12,24 meter door realisatie van technische installaties/ruimten en trappenhuizen. Het centrale gedeelte en de koppen ter plaatse van de voorgevel krijgen een hoogte van ca. 3,5 meter. Op de begane grond bevinden zich in de twee noordelijke vleugels en een gedeelte van het centrale deel in totaal 50 onzelfstandige zorgeenheden. De voorste vleugel en de overige ruimte van het centrale gedeelte worden in gebruik genomen voor o.a. behandel- en therapie doeleinden, berging- en techniekruimten, werkplekken, woonkamers en ondersteunende horeca in de vorm van een restaurant. Op de eerste verdieping komen 60 onzelfstandige zorgeenheden welke evenredig verdeeld zijn over de drie vleugels. Ter plaatse van de tweede verdieping van de voorste vleugel zijn 20 onzelfstandige zorgeenheden voorzien. De 24 appartementen worden evenredig verdeeld over de tweede verdieping van de twee noordelijke vleugels.
In de eindsituatie voorziet het bouwplan hiermee in 130 onzelfstandige zorgeenheden en 24 appartementen. Inclusief het te handhaven gebouw uit 2007 ten westen van het hoofdgebouw zijn er in de eindsituatie 145 onzelfstandige zorgeenheden en 24 appartementen binnen het plangebied aanwezig. Onderstaande afbeeldingen verbeelden het bovenaanzicht van de beoogde situatie inclusief verdeling van het woonprogramma, de gevelaanzichten en impressies van de vervangende nieuwbouw.
Bovenaanzicht beoogde situatie, versie oktober 2023 (bron: adviesbureau Haver Droeze)
Invulling beoogde vervangende nieuwbouw en te handhaven gebouw ten westen van nieuwbouw, versie september 2023 (bron: Mondria-advies)
Voorgevel vervangende nieuwbouw, versie mei 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
Linker zijgevel vervangende nieuwbouw, versie mei 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
Rechter zijgevel vervangende nieuwbouw, versie mei 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
Achtergevel vervangende nieuwbouw, versie mei 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
Impressie hoofdentree, versie mei 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
Impressie gevel hoofdentree, versie mei 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
Impressie voorzijde plangebied, versie mei 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
Impressie straatbeeld vanaf Velbloemenlaan richting plangebied, versie mei 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
Impressie daktuinen, versie februari 2023 (bron: Van den Berg Architecten) Fasering Om de huidige bewoners gedurende de ontwikkeling zo veel mogelijk te ontzien en tijdelijke huisvesting op andere locaties te voorkomen, is ervoor gekozen om de ontwikkeling gefaseerd te realiseren. Om dit mogelijk te maken, dient achtereenvolgend een deel van de nieuwbouw te worden gerealiseerd, bewoners te worden verhuisd naar de nieuwbouw waarna een deel van het bestaande hoofdgebouw kan worden gesloopt. Omdat het bestaande hoofdgebouw in de eerste fase in takt dient te blijven, is er voor gekozen
om de voorste vleugel voor het bestaande gebouw te plaatsen. Onderstaande afbeelding verbeeldt de gefaseerde ontwikkeling.
Gefaseerde ontwikkeling, versie februari 2023 (bron: Van den Berg Architecten)
2.3
Cumulatie met andere projecten
In de periode dat de aanlegfase wordt uitgevoerd, is er geen sprake van cumulatie met andere projecten die naar aard vergelijkbaar zijn. Over het algemeen kan gesteld worden dat de werkzaamheden om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken (sloop bestaand hoofdgebouw, verwijderen beplanting, aanleggen kabels en leidingen, aanbrengen bouw/straatzand, egaliseren en aanleggen verharding, bouwen vervangende nieuwbouw) lokaal en van tijdelijke aard zijn.
2.4
Gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Voor de realisatie van het project worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal, zoals beton, hout, staal en grond. Een andere locatie zal niet leiden tot minder gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
2.5
Productie van afvalstoffen
Het voorgenomen gebruik zorgt voor de productie van afvalstoffen, zoals huishoudelijk afval en afvalwater. Deze stoffen worden volgens de normen van de gemeente ingezameld en verwerkt. De vervangende nieuwbouw wordt, evenals in de bestaande situatie het geval is, op de gemeentelijke riolering aangesloten. Hierbij wordt er op voorhand van uitgegaan dat het hoofdrioleringsnetwerk voldoende capaciteit heeft om het afvalwater te kunnen verwerken.
2.6
Verontreiniging en hinder
Door de aanlegwerkzaamheden is, conform regelgeving, sprake van emissies ten aanzien van geluid, licht en lucht. Bij de effectbeschrijving wordt hierop nader ingegaan.
2.7
Risico van ongevallen
In het kader van de aanlegwerkzaamheden is geen sprake van specifieke risico’s voor zware ongevallen of rampen binnen of in de directe omgeving van het plangebied.
2.8
Risico’s voor de menselijke gezondheid
Er is geen sprake van specifieke risico’s voor de volksgezondheid.
3 Plaats van het project 3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk bevat een beschrijving van de ligging van de locatie, het vigerende grondgebruik en toelichting op de al dan niet aanwezigheid van bijzondere waarden in het projectgebied en/of omgeving.
3.2
Ligging van de locatie
Het plangebied ligt aan de oostzijde van Elburg ten noorden van de Veldbloemenlaan en het Klaverplein. Aan de west,- noord,- en oostzijde grenst het plangebied aan het gebied behorende tot landschapspark de Oosthoek vijvers. De Veldbloemenlaan vormt de zuidelijke begrenzing van het plangebied. Het plangebied is kadastraal bekend als voormalige gemeente Doornspijk, sectie C, nummers 3841, 3842, 4075 (gedeeltelijk), 4131, 4136, 4137, 4141 en 4283 en heeft een oppervlakte van circa 2 hectare. Onderstaande afbeeldingen geven de ligging van het plangebied in de directe omgeving weer.
Globale ligging van het plangebied in het oostelijke deel van Elburg (bron: www.atlasleefomgeving.nl)
Gedetailleerde ligging van het plangebied in het oostelijke deel van Elburg (bron: www.atlasleefomgeving.nl)
3.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Elburg en Oostendorp' van de gemeente Elburg, zoals vastgesteld op 22 april 2013. Het plangebied is volledig bestemd als 'Wonen - Bijzondere woonvorm' en grotendeels voorzien van een bouwvlak. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd tot een bouwhoogte van maximaal 8 meter. Binnen het plangebied liggen twee archeologische dubbelbestemmingen. Centraal door het plangebied betreft dit 'Waarde - Archeologie 2', voor het overige gedeelte geldt 'Waarde Archeologie 3'. Daarnaast ligt het plangebied binnen gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' en ligt de zuidelijke helft van het plangebied binnen gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - straalpad'.
Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Elburg en Oostendorp' (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) De geldende bestemming 'Wonen - Bijzondere woonvorm' staat de vervangende nieuwbouw in beginsel toe. Echter valt de voorgevel van de beoogde nieuwbouw gedeeltelijk buiten het bestaande bouwvlak en overschrijdt de nieuwbouw de maximaal toegestane bouwhoogte. Daarnaast past het toekomstige gebruik (combinatie van zorgwonen en wonen zonder zorgvraag) volgens recente uitspraken van de Raad van State niet binnen de bestemming ‘Wonen – Bijzondere woonvorm’. Om het toekomstige gebruik en de bestemming in overeenstemming te brengen wordt de bestemming gewijzigd in ‘Gemengd – zorg en wonen’. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is een partiele herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk.
3.4
Bijzondere waarden in het projectgebied en omgeving
Natura 2000-gebied en Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet in Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de Veluwerandmeren en ligt op een afstand van ca. 2 km ten westen van het plangebied. Het plangebied ligt ook niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het NNN ligt ten zuidwesten van het plangebied op een kortste afstand van ca. 850 meter. Archeologie en cultuurhistorie Het centrale deel van het plangebied is aangeduid als ‘Waarde – Archeologie 2’ en het overige gedeelte als ‘Waarde – Archeologie 3’. Daarnaast ligt het plangebied binnen de molenbiotoop van molen De Tijd aan de Zuiderzeestraatweg Oost 18. Een nadere toelichting aangaande waardevolle gebieden, archeologie en cultuurhistorie is opgenomen in paragraaf 4.2.
4 Kenmerken van het potentiële effect 4.1
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van het potentiële effect op het milieu als gevolg van de voorgenomen activiteit. In artikel 7.16, tweede lid, onder b en c Wm is opgenomen dat de beschrijving moet ingaan op waarschijnlijk belangrijke gevolgen die de activiteit kan hebben voor het milieu en de waarschijnlijk belangrijke gevolgen voor het milieu als gevolg van de verwachte residuen, emissies, productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. In deze beschrijving worden de mogelijke maatregelen, om de waarschijnlijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te vermijden, beschreven. Om de waarschijnlijk belangrijke gevolgen voor het milieu te kunnen beschrijven, wordt een onderscheid gemaakt in de aanlegfase en de gebruiksfase.
4.2
Waarschijnlijk belangrijke gevolgen voor het milieu
4.2.1
Kenmerken aanlegfase
In de aanlegfase is tijdelijk sprake van een beperkte toename van vrachtverkeer (geluid en luchtkwaliteit) en bouwactiviteiten (licht, geluid en trillingen). Na afronding van de bouwwerkzaamheden verdwijnen deze effecten. Gezien het tijdelijke karakter van de werkzaamheden (en daarmee de emissies), worden de effecten niet relevant (verwaarloosbaar) geacht. Derhalve wordt geconcludeerd dat het voornemen niet tot belangrijke nadelige milieueffecten leidt. Op het aspect stikstof wordt nader ingegaan in paragraaf 4.2.2.6.
4.2.2
Kenmerken gebruiksfase
4.2.2.1 Algemeen In de directe omgeving zijn geen projecten die in combinatie met de voorgenomen activiteiten leiden tot extra effecten.
4.2.2.2 Bodem Het toekomstige gebruik (wonen) heeft geen nadelig effect op de milieuhygiënische bodemkwaliteit.
4.2.2.3 Geluid Omdat de vervangende nieuwbouw dichter op de Veldbloemenlaan komt te liggen, vallen enkele woningen aan de Veldbloemenlaan binnen de richtafstand als gevolg van geluid behorende bij de zorginstelling. In dit kader is onderzoek gedaan naar de geluidsbelasting van de zorginstelling op genoemde woningen. Het rapport van het industrielawaai onderzoek is als bijlage 1 bij deze aanmeldnotitie opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat De richtwaarden uit stap 3 van de publicatie in de dag- en nachtperiode worden overschreden. De grenswaarde uit het Activiteitenbesluit wordt alleen in de nachtperiode overschreden. Omdat de maximale geluidniveaus in de huidige situatie reeds voorkomen en in de toekomstige situatie geen sprake is van een verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat worden de overschrijdingen acceptabel geacht. Hierbij wordt gemotiveerd dat het woon- en leefklimaat in de woning (binnenniveau) als gevolg van de maximale geluidniveaus, bij aansluiting op de grenswaarden voor aanpandige gevoelige gebouwen van 55 dB(A) etmaalwaarde, bij een geluidwering van de gevels van minimaal 20 dB gegarandeerd. De nieuwe zorginstelling wordt derhalve akoestisch inpasbaar geacht.
Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd industrieterrein of de richtafstand voor geluid afkomstig van een bedrijf, inrichting en/of terrein. Het aspect ‘industrielawaai’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.2.4 Luchtkwaliteit Een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen kan tevens leiden tot een beperkte verslechtering van de luchtkwaliteit. De voorgenomen activiteit valt echter binnen de regeling Niet In Betekenende Mate (NIBM), waardoor de verwachte toename zeer gering is.
4.2.2.5 Waterhuishouding In het kader van onderhavige ontwikkeling is de digitale watertoets doorlopen. De watertoets is op 3 november 2023 doorlopen en aanvullend is het aanvraagformulier bij het waterschap ingediend. Het aanvraagformulier, waarin de resultaten van de watertoets zijn beschreven, is als bijlage 2 bij deze aanmeldnotitie opgenomen. Uit de watertoets blijkt dat een smalle strook aan de noordzijde van het plangebied binnen de onderhoudsstrook van 5 meter breed behorende tot een A-watergang van het legger watersysteem van het waterschap ligt. Het gaat om het oppervlaktewaterlichaam bekend als de Oosthoek vijvers (code OWL-34327). Het plan raakt hiermee een waterbelang waardoor de normale procedure van toepassing is. Naar aanleiding van de watertoets is er contact geweest met het waterschap. Het waterschap is op de hoogte gesteld dat er geen activiteiten plaatsvinden binnen genoemde onderhoudsstrook. Het belang van het waterschap is hiermee niet in het geding. Voor de verdere uitwerking en concretisering van de beoogde ontwikkeling, geeft het waterschap in de resultaten van de digitale watertoets aan dat rekening gehouden moet worden met een aantal algemene en gebiedsspecifieke aandachtspunten voor water. De aandachtspunten zijn in deze paragraaf verwerkt.
Beleid waterschap Vallei en Veluwe Blauw omgevingsprogramma 2022-2027 Op 22 november 2021 is het nieuwe waterbeheerprogramma van Waterschap Vallei en Veluwe, het Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027 (BOP) officieel vastgesteld door het algemeen bestuur. Het BOP is een gebiedsgericht programma dat door een uitgebreide participatieaanpak is ontwikkeld en vormgegeven en vormt de uitwerking van de Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI2050). In het BOP is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Dit is uitgewerkt in een aantal programma’s: • • • • •
Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap onder andere op kwaliteit van het water en de verbinding met andere instellingen. Wonen en zuiveren: In het programma ‘Wonen en zuiveren’ speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol. Verder vormt een waterinclusieve bebouwde omgeving een speerpunt. Circulaire economie: Afvalvermindering, slim hergebruik en optimalisatie van de verschillende installaties zijn voorbeelden van opgaven. Energietransitie: Het waterschap wil een proactieve rol innemen in de energietransitie. Dat vraagt om een duurzame opwekking van de energie of het tegengaan van verspilling in de processen.
Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het BOP naar concrete doelstellingen. Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Beleid gemeente Elburg Het waterbeleid van de gemeente Elburg is verwoord in het Programma van Eisen (PvE) voor de inrichting van de openbare ruimte. Ten aanzien van hemelwaterberging is het beleid dat 60 mm van het nieuw verhard oppervlak binnen het plangebied moet worden opgevangen. Tuinen op particuliere percelen worden voor 50% toegerekend aan verhard oppervlak. Vegetatiedaken worden niet aangemerkt als verhard oppervlak (mits voldoende opvangcapaciteit). Effect planvoornemen Onderstaande afbeelding verbeeldt de verharding in de bestaande en toekomstige situatie.
Verharding bestaande en beoogde situatie, versie oktober 2023 (bron: Van den Berg Architecten en adviesbureau Haver Droeze) In onderstaande tabellen is het verhard oppervlak voor de huidige en de toekomstige situatie voor het totale plangebied berekend. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 2 hectare. Tabel 4.1 verhard oppervlak bestaande situatie Onderdeel Opp. in m² Hoofdgebouw 1996 5.250 Gebouw 2007 585 Bijgebouwen 100 Erfverharding 8.050 Totaal verharding
% verhard 100 100 100 100
Verhard opp. in m² 5.250 585 100 8.050 13.985
Tabel 4.2 verhard oppervlak toekomstige situatie Onderdeel Opp. in m² Hoofdgebouw verhard 3.944 Daktuin/ sedumdak 2.137 Gebouw 2007 585 Bijgebouw, sedum 164 Erfverharding dicht 6.070 Erfverharding halfopen 450 Totaal verharding
% verhard 100 0 100 0 100 50
Verhard opp. in m² 3.944 0 585 0 6.070 225 10.824
Verschil verhard oppervlak bestaande en toekomstige situatie Geconcludeerd wordt dat het verhard oppervlak in de toekomstige situatie, door verwijderen van erfverharding en gedeeltelijke toepassing van daktuinen/ sedumdaken en halfopen verharding met ca. 3.161 m² afneemt. Conform het waterschapsbeleid geldt voor de voorgenomen ontwikkeling geen watercompensatie opgave omdat hiervan uitsluitend sprake is bij een toename van verharding van 1.500 m² of meer. Door afname van het verhard oppervlak wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling een positief effect heeft op de waterhuishouding binnen het plangebied. Vasthouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een aanzienlijk deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiveringsinstallatie beter functioneert, verdroging wordt tegengegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater wordt voorkomen. Conform het gemeentelijk beleid dient per m² verhard oppervlak 60 mm hemelwater binnen het plangebied te worden opgevangen. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt of er ten opzichte van de bestaande situatie sprake is van een afname aan verhard oppervlak. In het plan worden diverse maatregelen getroffen om zoveel mogelijk water te bergen.
In onderstaande tabel is aangegeven hoe hier invulling aan wordt gegeven. Als bijlage 3 bij deze aanmeldnotitie is een tekening opgenomen waarop deze maatregelen in beeld zijn gebracht. Tabel 4.3 opgave en invulling waterberging Onderdeel Opp. in % verhard m² Hoofdgebouw verhard 3.944 100 Daktuin/ sedumdak 2.137 0 Gebouw 2007 585 100 Bijgebouw, sedum 164 0 Erfverharding op riool 3.806 100 Erfverharding halfopen 450 50 op riool Erfverharding op aanlig- 2.264 100 gend groen Capaciteit wadi’s Totaal waterberging
opgave waterberging in m³ 237 0 0 0 228,5 13,5
invulling waterberging in m³
136
136
615
340 476
Uit bovenstaande berekening blijkt dat het grootste deel van de wateropgave is ingevuld, waarbij geprobeerd is dit water ten goede te laten komen aan het groen. Er rest nog een opgave van 139 m³. Als aanvullende maatregel wordt het regenwaterriool dat het water van de verhardingen en gebouwen naar de wadi’s en aangrenzende watergang brengt uitgevoerd als infiltratieriool. Daarbij wordt het riool dusdanig gedimensioneerd dat bij een hoosbui tijdelijk water op de parkeervelden blijft staan (zogenaamde piekberging) en vertraagd wordt afgevoerd. Op deze wijze wordt de resterende opgave van 139 m³ ingevuld. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat aspecten zoals ontwateringsdiepte en infiltratie van hemelwater, beschouwd worden ten opzichte van de GHG. Het structureel onttrekken/drainen van grondwater is geen duurzame oplossing en moet worden voorkomen. Het waterschap adviseert dan ook om voorafgaande aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden en GHG. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
Schoonhouden - scheiden - schoonmaken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eisen of randvoorwaarden te stellen aan bijvoorbeeld de toegepaste (bouw)materialen. Hemelwater In de bestaande situatie wordt het hemelwater wat op de erfverharding en de daken valt afgevoerd naar het direct ten noorden van het plangebied gelegen oppervlaktewater, ook wel bekend als de Oosthoek vijvers. Beoogd wordt om dit in de toekomstige situatie te handhaven voor het te behouden gebouw uit 2007 ten westen van de vervangende nieuwbouw. Voor de nieuwbouw en erfverharding geldt dat water zoveel mogelijk in groenvakken en wadi’s wordt geborgen met een overstort op de bestaande uitstroompunten in de oever van de Oosthoek vijvers. Uit de boorprofielen van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de bodemopbouw in ieder geval tot de maximale boordiepte van 3,5 m-mv bestaat uit matig tot zeer fijn zand. Tijdens het eind november uitgevoerde veldwerk werd de grondwaterstand aangetroffen op een diepte van 1,7 m-mv. Gezien de periode van het jaar zal dit redelijk overeenkomen met de gemiddelde grondwaterstand binnen het plangebied. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat aflopend hemelwater ter plaatse kan infiltreren.
Nader onderzoek (Kwaarde bepaling) is nodig om de snelheid in te kunnen schatten waarmee het water infiltreert. Op basis van de uitkomsten van dit onderzoek zal de definitieve opbouw van de wadi’s worden bepaald. Afvalwater Evenals in de bestaande situatie het geval is, wordt het afvalwater aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering zoals aanwezig onder de Veldbloemenlaan. Waterkwaliteit Ten behoeve van de waterkwaliteit zal de voorgestelde ontwikkeling, indien van toepassing, gebruik maken van milieuvriendelijke bouwmaterialen en worden uitloogbare materialen, zoals lood, koper, zink en zacht OVC niet gebruikt, waardoor de uitspoeling van vervuilende stoffen via de bodem naar het oppervlaktewater voorkomen wordt. Klimaatbestendig en waterrobuust ontwikkelen Hittestress Door de ligging van het plangebied tegen het groene gebied van de Oosthoek vijvers en de groene inrichting van het plangebied met beperkte toepassing van erfverharding, speelt hittestress geen grote rol. Door (gedeeltelijke) toepassing van sedumdaken wordt de isolatiewaarde van de daken verbeterd. Hierdoor heeft warm weer minder effect op het binnenklimaat van het gebouw. Daarnaast betreft het een ruim opgezet plangebied waarbij bestaande bomen zoveel mogelijk worden gehandhaafd en het plangebied zo groen mogelijk wordt ingepast.
De schaduwwerking van bomen en de groene inpassing van het plangebied dragen bij aan het voorkomen van hittestress. Wateroverlast In voorgaande paragraaf is reeds aangegeven hoe wateroverlast wordt voorkomen. Daarnaast worden (gedeeltelijk) groendaken gerealiseerd. Door de bufferende functie wordt hiermee een positief effect geleverd bij extreme neerslag. Droogte Door het hemelwater lokaal te infiltreren, (gedeeltelijke) toepassing van groendaken, het beperken van erfverharding tot het hoognodige en het behoud en realisatie van zoveel mogelijk groen, wordt droogte zoveel mogelijk voorkomen.
Overstromingen Het plangebied ligt op een gemiddelde hoogte van circa 2 meter + NAP. Conform de informatie op www.atlasleefomgeving.nl is de kans op overstroming van het plangebied zeer klein. Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.2.6 Natuur en ecologie Om de eventuele aanwezigheid van wettelijk beschermde plant- en diersoorten in en direct rondom het plangebied en de gevolgen van de voorgenomen ontwikkelingen ten aanzien van beschermde natuurgebieden inzichtelijk te maken heeft Gras Advies een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Op basis van deze soortenen gebiedsinformatie worden uitspraken gedaan over eventuele noodzakelijke vervolgonderzoeken. De quickscan is als bijlage 4 bij deze aanmeldnotitie opgenomen. Beschermde gebieden Natura 2000 Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is Veluwerandmeren op ca. 2 km afstand van het plangebied. Omdat het plangebied zich ruim buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied bevindt, kan verstoring van Natura 2000-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Eventuele effecten van de stikstofemissie op Natura 2000-gebieden als gevolg van de werkzaamheden en het toekomstig kunnen niet op voorhand worden uitgesloten en dient doormiddel van AERIUS-berekeningen te worden onderzocht. AERIUS-berekeningen Om de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te kunnen bepalen, zijn door Gras Advies AERIUS-berekeningen voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd. De resultaten zijn verwerkt in een stikstofrapportage welke als bijlage 5 bij deze aanmeldnotitie is opgenomen.
Uit de berekening volgens de AERIUS Calculator voor de realisatie- en gebruiksfase is gebleken dat er geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol N/ha/jaar op Natura 2000-gebieden (stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden). Hiermee is een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden uitgesloten. Voor de voorgenomen ontwikkeling is er daarom m.b.t. stikstofdepositie geen vergunning Wet natuurbescherming onderdeel Gebiedsbescherming benodigd. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde gebied behorende tot het NNN ligt op ca. 850 meter afstand. Omdat het plangebied zich buiten de begrenzing van het NNN-gebied bevindt, kan verstoring van NNN-gebieden op voorhand worden uitgesloten. Houtopstanden Omdat het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt, is het onderdeel ‘Houtopstanden’ van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Beschermde soorten Flora Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde plantensoorten in het plangebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde vegetatie en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig.
Zoogdieren Er worden enkel sporadisch bezoekende zoogdieren verwacht binnen het plangebied. Een nader onderzoek naar beschermde zoogdieren en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Vleermuizen De aanwezigheid van verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes kan niet op voorhand worden uitgesloten. Een nader onderzoek naar beschermde vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag is benodigd. Vogels Er zijn geen beschermde vogelsoorten, jaarrond beschermde nesten of geschikte broedlocaties voor vogels waargenomen binnen het plangebied. Het plangebied is (onderdeel van) het leefgebied voor o.a. zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages in het plangebied als broedlocatie gaan gebruiken. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen, globaal tussen 15 maart en 15 juli, uit te voeren. Een nader onderzoek naar vogels en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig, mits werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. Wanneer werkzaamheden toch binnen het broedseizoen vallen, dienen de aanwezige bosschages niet verstoort te worden. Ook is het mogelijk vlak voor de werkzaamheden het onderzoeksgebied door een deskundig ecoloog te laten controleren op de aanwezigheid van broedende vogels. Reptielen Er zijn geen beschermde reptielen, of daarvoor geschikte habitats, waargenomen binnen het plangebied.
Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde reptielen binnen het plangebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde reptielen en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn er geen (sporen van) beschermde amfibieën waargenomen. Aangezien er binnen het plangebied geen geschikte voortplantingsbiotopen voor beschermde soorten uit deze soortgroep voorkomen, kan de aanwezigheid van beschermde amfibieën redelijkerwijs worden uitgesloten. Een nader onderzoek/ontheffingsaanvraag voor beschermde amfibieën is niet nodig. Vissen Aan de rand van het plangebied is een watergang aanwezig. Deze zal behouden blijven. Negatieve effecten op beschermde vissen als gevolg van de werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten. Een nader onderzoek/ontheffingsaanvraag voor beschermde vissen is niet nodig. Ongewervelden Er zijn geen beschermde ongewervelden, of daarvoor geschikte habitats, waargenomen binnen het plangebied. Er kan redelijkerwijs geconcludeerd worden dat er geen beschermde insecten in het projectgebied voorkomen. Een nader onderzoek naar beschermde ongewervelden en/of een ontheffingsaanvraag is niet nodig. Aanvullend vleermuizenonderzoek Op basis van de onderzoeksresultaten van de quickscan flora en fauna heeft Gras Advies aanvullend vleermuizenonderzoek verricht.
Het aanvullend onderzoek is als bijlage 6 bij deze aanmeldnotitie opgenomen. Hieronder zijn de belangrijkste onderzoeksresultaten opgenomen.
Onderzoeksresultaten Op basis van de resultaten van het aanvullend soortenonderzoek kan redelijkerwijs worden geconcludeerd dat verblijfplaatsen van onderstaande soorten aanwezig zijn. Negatieve effecten op essentiële habitatfuncties van deze soorten als gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling, zijn niet uit te sluiten. Met betrekking tot de beoogde ontwikkeling geldt voor deze soorten daarom een ontheffingsplicht. • •
Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Tabel 4.4 geeft per soort aan welke essentiële habitatfuncties worden aangetast, het aantal, areaal en/of lengte dat het betreft en wat het gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling op de desbetreffende habitatfunctie is. Tabel 4.4 Negatieve effecten op aanwezige essentiële habitatfuncties per soort(groep) Soort Habitatfunctie Aantal Negatief effect Gewone dwergvleermuis Zomerverblijfplaats 4 Vernieling Gewone dwergvleermuis Paarverblijfplaats 2 Vernieling Gewone dwergvleermuis Zomer en paar verblijf 1 Vernieling Ruige dwergvleermuis Paarverblijfplaats 1 Vernieling Scholekster Op het dak van het pand is een (vermoedelijk) broedende scholekster waargenomen. Broedende scholeksters mogen niet verstoord te worden. Broedvogels (in het bijzonder scholekster) Nesten van broedvogels mogen niet verstoord worden. Verstoring wordt voorkomen door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren, maatregelen te nemen zodat nesten geen hinder ondervinden, of een broedvogelinspectie en vrijgave te laten plaatsvinden vóór aanvang van desbetreffende werkzaamheden. Er dient in het bijzonder rekening gehouden te worden met de scholekster. Ecologische begeleiding is noodzakelijk om verstoring van broedende scholeksters te voorkomen. Advies Gras advies adviseert de resultaten en conclusies voor te leggen aan het bevoegd gezag, de provincie Gelderland.
Daarnaast wordt het aanvragen van een ontheffing voor de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis geadviseerd. Conclusie Het vleermuisonderzoek is ondertussen beoordeeld en akkoord bevonden en de aanvraag ontheffing Wet Natuurbescherming voor de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis is ingediend. De ontvangstbevestiging van de ontheffingsaanvraag is als bijlage 7 bij deze aanmeldnotitie opgenomen. Bij de ontheffingsaanvraag voor genoemde vleermuissoorten is een projectplan bijgevoegd waarin onder andere de mitigerende en compenserende maatregelen zijn beschreven. In het projectplan staan alle benodigde zaken vermeld zoals de achtergrond van de onderzoeken, de te nemen maatregelen, de beschrijving van de gunstige staat van instandhouding, de alternatieven afwegen en het wettelijk belang. Bij zowel de mitigerende als compenserende maatregelen is rekening gehouden met de ecologie van beide soorten. Het realiseren van de maatregelen wordt gedaan in meerdere windrichtingen en op meerdere locaties verspreid over het plangebied. Deze manier van werken nadert zo goed mogelijk de huidige situatie. Er is ook sprake van boven wettige maatregelen bij dit plan. Bovenop de in de protocollen en kennisdocumenten beschreven aantallen, wordt een aantal extra maatregelen gerealiseerd. Bij de werkzaamheden is bovendien sprake
van ecologische begeleiding en wordt er rekening gehouden met gewenningsperiodes en kwetsbare periodes van vleermuizen. Verstoring van vleermuizen zal op deze manier minimaal zijn. Het projectplan beschrijft daarnaast ook of de gunstige staat van instandhouding van de ruige dwergvleermuis en de gewone dwergvleermuis in het geding komen. De conclusie is dat dit niet het geval is. Als laatste is er sprake van een duidelijk wettelijk belang; huisvesting van zorgbehoevenden, dit is ook beschreven in het projectplan. De combinatie van mitigatie, compensatie, ecologische begeleiding, werken buiten kwetsbare periodes en het wettelijk belang geeft zicht op verlening van de ontheffing. Hiermee is de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling voor wat betreft het aspect ‘ecologie’ in voldoende mate aangetoond.
4.2.2.7 Archeologie en cultuurhistorie Archeologie Op onderstaande uitsnede van de gemeentelijke archeologische beleidskaart is te zien dat het centrale gedeelte van het plangebied is aangeduid als 'Waarde - archeologie 2' en de overige gronden als 'Waarde Archeologie 3'. Deze waarden zijn vertaald naar dubbelbestemmingen in het geldende bestemmingsplan 'Elburg en Oostendorp'. In de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat binnen de gronden met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' onderzoeksplicht geldt bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m-mv en een oppervlakte >120 m². Voor de gronden met dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' geldt onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m-mv en een oppervlakte > 500 m².
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Elburg (plangebied geel omlijnd) Advies regioarcheoloog Noord-Veluwe Omdat de voorgenomen ontwikkeling vervangende nieuwbouw betreft welke grotendeels op dezelfde plek als de bestaande bebouwing wordt gerealiseerd, is bij aanvang van de ontwikkeling advies ingewonnen bij de regioarcheoloog Noord-Veluwe over de nut en noodzaak van archeologisch onderzoek. De regioarcheoloog heeft een archeologisch adviesdocument opgesteld welke als bijlage 8 bij deze aanmeldnotitie is opgenomen. Uit het advies blijkt dat door het historisch gebruik van het plangebied als landbouw grond en de realisatie van het bestaande hoofdgebouw, aanleg van kabels en leidingen en parkeerplaatsen de bodem binnen het
plangebied zodanig geroerd is dat archeologische waarden niet meer worden verwacht. Hiertoe hoeft geen onderzoek te worden verricht en kunnen de archeologische dubbelbestemmingen komen te vervallen. De archeologische dubbelbestemmingen zijn daarom niet overgenomen op de verbeelding van dit nieuwe bestemmingsplan. Cultuurhistorie Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Wel ligt het plangebied binnen de molenbiotoop van molen De Tijd aan de Zuiderzeestraatweg Oost 18. De kortste afstand tussen de vervangende nieuwbouw en de molen bedraagt 347 meter. In artikel 2.64 van de Omgevingsverordening Gelderland is ter bescherming van de windvang van molens opgenomen dat bestemmingsplannen voor gronden binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk mogen maken als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. Hiervoor geldt dat binnen een straal van 400 meter gerekend vanaf het middelpunt van de molen hoogtebeperkingen moeten worden gesteld aan het oprichten van bebouwing en beplanting. Verder dient rekening te worden gehouden met de belevingswaarde en het historisch karakter.
Om invulling te geven aan het gestelde in de provinciale Omgevingsverordening is op de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ (de 400 meter straal gerekend vanaf het middelpunt van de molen) opgenomen. In artikel 6.1 van de regels van het bestemmingsplan is de provinciale molenbiotoop formule opgenomen waarmee hoogtebeperkingen worden gesteld aan bebouwing en beplanting. De provinciale molenbiotoopformule luidt: Hx = X/n + c*z Waarin: Hx = toelaatbare bouw- en beplantingshoogte in meters (gemeten vanaf het peil (maaiveld) ter plaatse van de molen). Het maaiveld ter plaatse van de molen bedraagt 2,80 m + NAP. X = de afstand in meters vanaf het gebouw of de beplanting tot aan de wieken van de molen. n = 50 (ruwheidscoëfficient voor het stedelijk gebied) c = 0,2 (windreductiecoëfficiënt, constante bij 5%) Z = askophoogte in meters = 15,30 meter (helft van het gevlucht + molenstellinghoogte, ofwel 22,80/2 + 3,90 = 15,30 meter) Voorbeeld Hx op 347 meter van de molen (kortste afstand tussen plangebied en molen) Hx = (347/50) + (0,2 x 15,30) Hx = 10,00 meter De maaiveldhoogte van de molen en het plangebied bedragen respectievelijk 2,70 m en 1,95 m + NAP. Gezien het verschil in maaiveld hoogte (plangebied ligt 0,75 m lager) is op een afstand van 347 m een maximale hoogte van 10,75 m toegestaan.
Bebouwing Voorliggend bestemmingsplan maakt ter plaatse van het bouwvlak bebouwing met een maximale bouwhoogte van 11,25 m mogelijk. Het beoogde bouwplan is over het algemeen ca. 11,2 m hoog met plaatselijk 12,24 m ten behoeve van een luchtbehandelingsinstallatie en de daaromheen geplaatste akoestische wand. In artikel 6.1.2 van de regels van dit bestemmingsplan is geregeld dat afwijken van de hoogtebeperkingen voor gebouwen uitsluitend is toegestaan als vooraf advies wordt ingewonnen van een onafhankelijke ter zake deskundige waaruit blijkt dat de bebouwing niet zal leiden tot een (extra) beperking van de windvang.
Hiertoe heeft SIMstudio onderzoek verricht naar het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de windvang van molen De Tijd. Het windonderzoek is als bijlage 9 bij deze aanmeldnotitie opgenomen. Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat gezien de geringe overschrijding van de maximale bebouwingshoogte, de herstelafstand van het windprofiel en de reeds aanwezige (hoge) bebouwing en bomen tussen het plangebied en molen De Tijd er als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen (extra) beperking van de windvang optreedt. Beplanting Voor de aanleg van beplanting (planten, heesters, bomen en andere opgaande beplanting) geldt dat deze in volwassen staat niet hoger mogen zijn de hoogtebeperkingen die op basis van de molenbiotoopformule worden gesteld. Aanleg van beplanting is conform artikel 6.1.4 van de regels van het bestemmingsplan vergunningsplichtig gesteld. Hierbij geldt dat de vergunning kan worden verleend als uit een beplantingsplan met hoogten van beplanting in volwassen staat blijkt dat de maximale beplantingshoogten niet worden overschreden.
Behoud belevingswaarde en historisch karakter Gezien de geringe overschrijding van de maximale bebouwingshoogte, de kortste afstand van 347 meter tot het plangebied en de (hoge) bebouwing en bomen tussen het plangebied en molen De Tijd heeft de voorgenomen ontwikkeling geen nadelig effect op het behoud van de belevingswaarde en het historische karakter van de molen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling geen (extra) beperking van de windvang optreedt en de belevingswaarde en het historisch karakter niet nadelig worden beïnvloed. Op basis van de onderzoeksresultaten van het uitgevoerde onderzoek naar het effect op de windvang van molen De Tijd kan de omgevingsvergunning voor afwijken van de bouwregels (toestaan hogere bebouwingshoogte dan de maximale bouwhoogte conform molenbiotoopformule) worden verleend. Geconcludeerd wordt dat het aspect 'cultuurhistorie' geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2.2.8 Bedrijven en milieuzonering Voorgenomen ontwikkeling De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van vervangende nieuwbouw. De beoogde nieuwbouw betreft een gevoelige functie in het kader van bedrijven en milieuzonering. Hiertoe dient rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande bedrijven. Door toepassing van technische installaties op het dak van de nieuwbouw en gezien het feit dat de zorginstelling dagelijks bevoorraad wordt, waardoor sprake is van laden en lossen, dient eveneens rekening te worden gehouden met de afstand tot bestaande woningen. Bij de beoordeling van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot aanwezige bedrijven en woningen is aansluiting gezocht bij de richtafstanden behorend tot een verpleeghuis (SBI-2008-871) zoals genoemd in de VNG-publicatie. Hiervoor gelden richtafstanden van 30 meter als gevolg van geluid en 10 meter als gevolg van geur. Gebiedstype Het plangebied en omgeving bestaat voornamelijk uit verschillende woonbestemmingen met daarbij behorende verkeers- en groenstructuren. Met uitzondering van enkele maatschappelijke-, dienstverlening-, en bedrijfsvoorzieningen bestaat de woonwijk vooral uit woningen. De woonwijk is hierdoor aan te merken als gebiedstype 'rustige woonwijk'. Aanwezige bedrijven
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich aan het Klaverplein 2 de Hervormde Oosterkerk. Voor kerkgebouwen (SBI-2008-9491) geldt een grootste richtafstand van 30 meter voor geluid. Aan het Klaverplein 8 t/m 50 een appartementengebouw met op de begane grond voorzieningen ten behoeve van dienstverlening in de vorm van het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden (SBI-2008-9609). Voor dergelijke voorzieningen geldt een grootste richtafstand van 10 meter voor geluid. De kortste afstand tussen de meest nabijgelegen beoogde nieuwbouw binnen het plangebied en de bestemmingsgrens van de kerk aan het Klaverplein 2 en de voorzieningen ten behoeve van dienstverlening aan het Klaverplein 8 t/m 50 bedraagt respectievelijk ca. 42 en 38 meter. Hiertoe wordt geconcludeerd dat ruimschoots wordt voldaan aan de grootste richtafstanden van genoemde locaties en dat met de realisatie van onderhavige ontwikkeling geen bestaande bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering of een eventuele toekomstige uitbreiding. Daarnaast liggen de woningen aan o.a. de Veldbloemenlaan op kortere afstand tot genoemde bedrijfslocaties dan de beoogde vervangende nieuwbouw. Mochten deze bedrijven dan al worden belemmerd in hun bedrijfsvoering of een eventuele toekomstige uitbreiding dan zal dit komen door de bestaande woningen.
Gevoelige functies Zowel in de bestaande als de beoogde situatie bedraagt de kortste afstand tussen de bestemming van de zorginstelling en de woningen aan de Veldbloemenlaan ca. 23 meter. Vanwege de vormgeving van de vervangende nieuwbouw wordt het bouwvlak zodanig gewijzigd dat de afstand tussen het bouwvlak en de woningen aan de Veldbloemenlaan afneemt van ca. 32 meter naar ca. 25 meter. Hierdoor wordt niet voldaan aan de richtafstand van 30 meter als gevolg van geluid en dient onderzoek te worden gedaan naar industrielawaai. Geconcludeerd wordt dat er geen bestaande bedrijven worden belemmerd in hun bedrijfsvoering of een eventuele toekomstige uitbreiding. Wel neemt de afstand tussen een aantal woningen aan de Veldbloemenlaan en het bouwvlak van de beoogde vervangende nieuwbouw af waardoor onderzoek naar industrielawaai moet worden uitgevoerd. Het aspect 'industrielawaai' wordt behandeld in paragraaf 4.2.2.3 van deze aanmeldnotitie.
4.2.2.9 Externe veiligheid Middels onderstaande uitsnede van de risicokaart Nederland zijn de volgende aspecten van externe veiligheid onderzocht: • • •
risicovolle inrichtingen; transport over weg, water en spoor; hogedrukaardgastransportleidingen en K1-, K2- en K3 brandstofleidingen.
Uitsnede risicokaart (plangebied aangeduid met blauwe bolletje) bron: www.atlasleefomgeving.nl Hogedruk aardgasleidingen Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een hogedruk aardgasleiding. Risicovolle inrichtingen Aan de Vrijheidsstraat 20 ten westen van het plangebied is volgens de risicokaart een tankstation gesitueerd met LPG. Voor het LPG-vulpunt en -reservoir gelden een PR 10-6 risicoafstand van 25 meter en voor de LPGafleverinstallatie 15 meter. De daadwerkelijke afstand tot het plangebied bedraagt ca. 640 meter. Dit LPGstation is onlangs gesaneerd en vormt derhalve geen risico voor de voorgenomen ontwikkeling. Transport gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een weg, vaarweg of spoorlijn waar gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Effectkenmerken
Orde van grootte en het ruimtelijk bereik van het effect (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden) - Orde van grootte van het effect: zie paragraaf 4.2. - Bereik van het effect: de reikwijdte van het effect beperkt zich tot het plangebied. Er is geen sprake van een invloedsgebied. - Getroffen bevolking: niet van toepassing. Aard van het effect - Aard van de effecten: zie paragraaf 4.2.
Grensoverschrijdende karakter van het effect - Er is geen sprake van een grensoverschrijdend effect. Intensiteit en de complexiteit van het effect - De effecten van zowel de aanlegfase als de gebruiksfase zijn beperkt qua intensiteit en complexiteit (geen vervolgeffecten of indirecte effecten verwacht). Waarschijnlijkheid van het effect - Beperkte emissies geluid, lucht en licht zijn zeker. - Waarschijnlijkheid van effecten door calamiteiten is zeer gering (zie ook paragraaf 4.2). Verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect - Verwachte aanvang: na onherroepelijk bestemmingsplan (2e helft van 2023). - Duur en periode indicatief: de aanlegfase zal circa 1 jaar duren. - Frequentie: deze beoordeling betreft éénmalig de beschreven activiteiten. - Er is geen sprake van onomkeerbare effecten. Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Zoals beschreven in paragraaf 2.3 van onderhavige notitie zijn er geen andere projecten of ontwikkelingen in de omgeving bekend die gelijktijdig met de beschreven activiteiten worden uitgevoerd en kunnen leiden tot cumulatieve effecten. Omdat de verwachte effecten beperkt van omvang zijn, zal ook voor andere aspecten de cumulatie met effecten van andere ontwikkelingen niet tot noemenswaardige effecten leiden.