CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing 230622_EH_RO

Raadsvergadering 14 november 2023, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijzigen gebruik van bedrijfswoning naar plattelandswoning3.650 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Elburg T.a.v. het college Postbus 70 8080 AB Elburg

Uw kenmerk Ons kenmerk Inzake Betreft

: : EH/Visch/26820 : Grevensweg 15A te Doornspijk : Toelichting op aanvraag omgevingsvergunning

Lunteren, 22 mei 2023 1

Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling Namens initiatiefnemer, de heer J. Visch, wordt een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bestemmen van de bestaande bedrijfswoning als plattelandswoning. Een bedrijfswoning mag namelijk niet worden bewoond door een huishouden zonder binding met het bedrijf. Hiervoor is de aanduiding ‘plattelandswoning’ noodzakelijk en dient buitenplans van het bestemmingsplan te worden afgeweken middels toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder c Wabo. Bij de aanvraag dient een ruimtelijke onderbouwing te worden aangeleverd. Hier wordt middels voorliggende brief in voorzien. 1.2 Begrenzing plangebied Het perceel aan de Grevensweg 15A te Doornspijk is kadastraal bekend gemeente Doornspijk, sectie D, nrs. 3612 & 4066 . Het plangebied is gesitueerd in het buitengebied van de gemeente Elburg, ten zuiden van de kern Doorspijk. Het plangebied is gelijk aan het bedrijfsbestemmingsvlak welke zich ter plaatse van deze twee kadastrale percelen bevindt.

Figuur 1: luchtfoto plangebied en omgeving

2

Bestemmingsplan

2.1 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt onder het regime van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018’, zoals vastgesteld op 28 januari 2019 door de gemeente Elburg. De gronden hebben de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch hulpbedrijf’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde’ en ‘Waarde – Waardevol landschap’. Het bestemmingsvlak is middels een koppelteken verbonden met het bedrijfsbestemmingsvlak aan de overzijde van de weg. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn ter plaatse van de aanduidingen ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch hulpbedrijf’ voor een agrarisch hulpbedrijf. Een dergelijk bedrijf wordt gedefinieerd als: een bedrijf dat is gericht op het leveren van dieren, diensten en goederen aan een agrarisch bedrijf of gericht is op het verwerken of opslaan van goederen, dieren en diensten die afkomstig zijn van agrarische bedrijven; Tevens zijn de gronden bestemd voor het wonen in maximaal één berijfswoning per bedrijf, dan wel het grotere bestaande aantal. Een bedrijfswoning wordt hierbij gedefinieerd als: een complex van ruimten in

2

of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor de huisvesting van één huishouden, dan wel twee huishoudens in geval dat inwoning is toegestaan, welk huishouden(s) gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

Figuur 2: Uitsnede plankaart geldende bestemmingsplannen

2.2 Bestaande situatie & planologische toetsing Op de locatie aan de Grevensweg 15A zijn een bedrijfswoning en een aantal bijgebouwen aanwezig. Initiatiefnemer woont in de bedrijfswoning, maar heeft geen binding met het bedrijf ter plaatse. De huisvesting is derhalve gelet op de bestemming niet noodzakelijk. Doordat de twee bestemmingsvlakken verschillende eigenaren kennen, is het ook niet mogelijk een binding met het bedrijf te krijgen. Het bestemmingsplan kent de term plattelandswoning: een bedrijfswoning behorende tot of voorheen behorende tot een landbouwinrichting, die door een derde bewoond mag worden als bedoeld in artikel 1.1a van de Wabo.De bedrijfswoning is in de huidige situatie echter niet aangeduid als plattelandswoning.

3

3

Wet plattelandswoningen

3.1 Beleidskader De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft op 14 november 2011 een wijziging doorgevoerd van de Wabo op de positie van agrarische bedrijfswoningen aan te kunnen laten passen en deze te kunnen bestemmen als plattelandswoningen. De Wet plattelandswoningen maakt omzetting van een voormalige agrarische bedrijfswoning naar een plattelandswoning mogelijk, zonder dat het agrarische bedrijf waar de woning toe behoorde, wordt belemmerd in de bedrijfsvoering. Een plattelandswoning wordt in de wet gedefinieerd als een bedrijfswoning behorende tot of voorheen behorende tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden. Een plattelandswoning is geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wabo en het Activiteitenbesluit. Tevens is het geen geurgevoelig object in het kader van de Wet geurhinder en veehouderij en het Activiteitenbesluit. Bij de afweging of een plattelandswoning wenselijk is, moet beoordeeld worden of ter plaatse van de woning sprake is van een aanvaadbaar woon- en leefklimaat. Voor geur en geluid van het ‘eigen’ (agrarische) bedrijf gelden geen wettelijke eisen bij de beoordeling.

In de praktijk worden de normen soepeler gehanteerd dan bij een burgerwoning het geval is. Wel dient te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteiseisen.De versoepelde normen gelden niet voor omliggende bedrijven. Hierbij wordt onder een landbouwinrichting verstaan: inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten, zijnde het telen of kweken van landbouwgewassen of het fokken, mesten, houden of verhandelen van landbouwhuisdieren, dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. In relatie tot de plattelandswoning is het Activiteitenbesluit milieubeheer op 1 maart 2014 als volgt gewijzigd: Artikel 1.1, eerste lid Aan de begripsomschrijving van ‘agrarische activiteiten’ wordt voor de puntkomma aan het slot toegevoegd: , daaronder mede begrepen agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening. Volgens de Toelichting, onderdeel A1 worden hieronder ook loonbedrijven, grondverzetbedrijven, bedrijven die gewassen opslaan of bewerken, plantsoendiensten en hoveniersbedrijven begrepen. Door de begripsomschrijving van agrarische activiteiten aan te vullen wordt duidelijk dat inrichtingen die deel uitmaken van een bedrijf waar agrarisch gemechaniseerd loonwerk wordt verricht, evenals

4

inrichtingen die deel uitmaken van een akkerbouwbedrijf of veehouderijbedrijf, behoren tot de inrichtingen die bedoeld zijn in artikel 2.17, vijfde lid. Artikel 1.3c Een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden worden verricht, die op grond van het bestemmingsplan, de beheersverordening of, indien met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wabo van het bestemmingsplan of de beheersverordening is afgeweken, de omgevingsvergunning door een derde bewoond mag worden, wordt met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van het bij of krachtens dit besluit bepaalde beschouwd als onderdeel van die inrichting. Volgens de toelichting, onderdeel D van het Activiteitenbesluit wordt nu ook, in aansluiting op de wettelijke voorziening van de Wet plattelandswoningen die op 1 januari 2013 in werking is getreden, voor inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit vallen geregeld dat een voormalige agrarische bedrijfswoning die bij de inrichting hoorde kan worden bestemd tot plattelandswoning. 3.2 Toetsing beleidskader De gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch hulpbedrijf’. Op de locatie is conform de bestemming een agrarisch loonbedrijf gevestigd.

Deze activiteit valt onder de begripsomschrijving van agrarische activiteiten en daarmee onder een landbouwinrichting. Derhalve kan gebruik gemaakt worden van de mogelijkheid tot omzetten van de bedrijfswoning naar plattelandswoning. In hoofdstuk 5 is aangetoond dat ter plaatse van de plattelandswoning kan worden voorzien in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Derhalve is het plan niet in strijd met de Wet plattelandswoningen. 4 Afwijkingsbevoegdheid bestemmingsplan Zoals in hoofdstuk 3 aangetoond is het mogelijk om ook bedrijfswoningen bij agrarisch-verwante bedrijven aan te duiden als plattelandswoning. Deze mogelijkheid is echter niet overgenomen in het bestemmingsplan. In het bestemmingsplan is wel een algemene afwijkingsregel opgenomen voor plattelandswoningen, maar dan enkel binnen de bestemming ‘Agrarisch’ of ‘Agrarisch met waarden’. Al hoewel geen direct gebruik kan worden gemaakt van dit artikel, biedt het artikel wel aanknopingspunten om medewerking te verlenen aan het plan. Onderstaand wordt daarom het artikel weergegeven en getoetst voor onderhavig plan. Artikel 42.3 Plattelandswoning Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het plan ten behoeve van het gebruik van een bedrijfswoning als plattelandswoning, met dien verstande, dat a. Er sprake is van een legale agrarische bedrijfswoning binnen de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Agrarisch met waarden’; b.

Er een daadwerkelijk functionerend agrarisch bedrijf aanwezig is binnen hetzelfde agrarisch bouwvlak hetzij als zelfstandig bedrijf hetzij als onderdeel van een ander agrarisch bedrijf;

5

c. d.

e. f. g. h. i.

Er wordt aangetoond, dat het gebruik van de agrarische bedrijfswoning ten behoeve van de bedrijfsvoering van het bijbehorende bedrijf niet meer nodig is; Alle betrokken partijen zijn geïnformeerd over het voornemen tot aanwijzing van de plattelandswoning, blijkende uit een door betrokken partijen ondertekende verklaring of een aan deze partijen gerichte kennisgeving van de aanvrager, die als bijlage bij het verzoek en de onderbouwing wordt gevoegd; Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, passend bij de plattelandswoning Geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het landschappelijk erfbebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de milieusituatie, voorzover niet vallende onder het bepaalde in sub e; Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden; Geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden Er gebruik wordt gemaakt van de bestaande inritten tenzij de noodzaak bestaat om de plattelandswoning apart te ontsluiten, waarbij een afweging plaats vindt van de belangen van de verkeersveiligheid en van een goed woon- en leefklimaat.

Op deze voorwaarden kan voor onderhavig plan als volgt worden gereageerd: Ad a. Ad b. Ad c. Ad d.

Ad e. Ad f. Ad g. Ad h.

Ad i

De bedrijfswoning is legaal aanwezig. Zoals aangegeven betreft het in dit geval de bestemming ‘Bedrijf’ en dient daarom buitenplans van het bestemmingsplan te worden afgeweken; Er is een daadwerkelijk functionerend agrarisch loonbedrijf aanwezig. Deze is middels een koppelteken verbonden aan het bestemmingsvlak van de Grevensweg 15A; Het bedrijf is gelegen aan de overzijde van de weg. Hier is binnen het bestemmingsvlak ook een bedrijfswoning aanwezig. Vanuit deze woning is er voldoende toezicht op het bedrijf. Alle betrokken partijen zijn geïnformeerd over het voornemen tot aanwijzing van de plattelandswoning en hebben op 13 maart 2023 een verklaring ondertekend. Deze is opgenomen als bijlage bij de aanvraag; In hoofdstuk 5 is aangetoond dat er ter plaatse van de bedrijfswoning / plattelandswoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, passend bij een plattelandswoning; De inrichting van het perceel blijft onveranderd. Er vindt derhalve geen onevenredige afbreuk plaats van het landschappelijk erfbebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de milieusituatie; De inrichting van het perceel blijft onveranderd. Er vindt derhalve geen onevenredige afbreuk plaats van in de omgeving aanwezige functies en waarden. De woning wordt ten opzichte van omliggende bedrijven een gevoelig object.

In hoofdstuk 5 is echter aangetoond dat door de aanduiding plattelandswoning de belangen van deze bedrijven niet onevenredig worden aangetast. Er wordt gebruik gemaakt van de bestaande inrit.

Uit voorgaande blijkt dat kan worden voldaan aan alle voorwaarden die het bevoegd gezag stelt bij het toestaan van een plattelandswoning. Het plan sluit derhalve aan bij de mogelijkheden uit het bestemmingsplan.

6

5

Milieuaspecten

5.1 Milieuzonering In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het noodzakelijk dat bij ontwikkelingen kan worden aangetoond dat omliggende bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast en dat kan worden voorzien in een goed woon- en leefklimaat. Middels milieuzonering kan hierover een uitspraak worden gedaan. Voor het aspect zonering tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies wordt de VNG brochure “Bedrijven en milieuzonering” editie 2009 gebruikt. De brochure is bedoeld als hulpmiddel. Als gevolg van jurisprudentie heeft de publicatie bijna de status van “pseudowetgeving” gekregen waarvan slechts gemotiveerd kan worden afgeweken. Het uitgangspunt in de nieuwe versie is gemotiveerd toepassen, met als doel te komen tot maatwerk op lokaal niveau. De brochure is toe te passen voor plannen en voor het toetsen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De gewenste afstand tussen een bedrijfsactiviteit en woningen wordt mede bepaald door het type gebied waarin de gevoelige functie zich bevindt. Conform de VNG-publicatie worden daarbij omgevingstypen onderscheiden die zijn gebaseerd op functiescheiding: rustige woonwijk en gebieden die zijn gebaseerd op functiemenging: gemengd gebied. De afstanden genoemd in de VNG-publicatie zijn gebaseerd op het omgevingstype rustige woonwijk.

Aan de overzijde van het plangebied, op de locatie Grevensweg 20, is een agrarisch bouwvlak aanwezig. Dit agrarisch bouwvlak is niet gekoppeld met het plangebied, waardoor wel aan de richtafstanden voor deze activiteit dient te worden getoetst. Voor de locatie is op 29 mei 2019 een Natuurbeschermingswetvergunning afgegeven (kenmerk 2015-006269) voor het houden van 197 zoogkoeien en 80 stuks vrouwelijk jongvee. Voor het fokken en houden van rundvee gelden de volgende richtafstanden:

SBI-code 0141, 0142

Omschrijving Fokken en houden van rundvee

Geur 100

Afstanden in meters Stof Geluid 30 30

Gevaar 0

Categorie 3.2

De grootste richtafstand bedraagt hierbij 100 meter voor het aspect geur. Het plangebied is gesitueerd in een omgeving waar zich verschillende functies bevinden, waaronder agrarische bedrijvigheid, nietagrarische bedrijvigheid en burgerwoningen. Derhalve kan de omgeving worden aangemerkt als gemengd gebied. De grootste richtafstand mag hierdoor met één trede worden verlaagd. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Acitiviteitenbesluit, namelijk 25 meter van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de dichtstbijzijnde buitenzijde van een geurgevoelig object en 50 meter van het emissiepunt van het dierenverblijf tot het geurgevoelig object dat buiten de bebouwde kom is gelegen. De beoogde plattelandswoning is gelegen

7

op een afstand van circa 48 mater van de geval van de stal en circa 60 meter van het dichtstbijzijnde emissiepunt. Aan de vaste afstanden kan derhalve worden voldaan. Voor stof en geluid geldt in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter. Aan deze richtafstanden kan tevens worden voldaan. Een plattelandswoning behoeft niet beschermd te worden tegen geur en geluid van het eigen bedrijf (Grevensweg 18 & 22). Het voorliggend plan maakt geen nieuw milieugevoelig object of functie mogelijk. De (dienst)woning blijft op dezelfde plek (de afstand tot het bedrijventerrein blijft gelijk) en de woonfunctie blijft gehandhaafd. De situatie rondom het plangebied veranderd daarmee niet, het voorliggend plan leidt niet tot extra belemmeringen voor de agrarische bestemming op Grevensweg 20 en de bedrijven op het bedrijventerrein. Het aspect milieuzonering vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 5.2

Ecologie

5.2.1 Inleiding Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wet natuurbescherming. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatige beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van de waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan de Ecologische hoofdstructuur (EHS) / het Natuur Netwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap.

5.2.2 Soortenbescherming In het kader van onderhavig plan vindt geen sloop van bebouwing of verwijdering van landschapselementen plaats. Een quick scan flora en fauna in het kader van soortenbescherming hoeft dan ook niet te worden uitgevoerd. 5.2.3 Gebiedsbescherming Met betrekking tot de gebiedsbescherming gaat het om de bescherming van gebieden die zijn opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland voorheen bekend als Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het

8

meest nabijgelegen Natura2000 gebied ligt op een afstand van circa 400 meter ten zuiden van het plangebied. Het gaat hier om de Veluwe.

Figuur 9: Uitsnede kaart met ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied

Er dient te worden aangetoond dat het plan geen significante negatieve effecten heeft op dit natuurgebied. Aangezien het aantal verkeersbewegingen en de activiteiten ongewijzigd blijven, kan dit in onderhavig geval worden geborgd en hoeft geen AERIUS-berekening te worden aangeleverd. 5.3 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. In onderhavig geval wordt er geen nieuw gevoelige functie op locatie toegekend. Immers heeft de woning reeds een woonfunctie. Derhalve is geen verkennend bodemonderzoek benodigd. 5.4

Archeologie

9

De voor ‘Waarde – Archeologie hoge verwachtingswaarde’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden van de gronden. Op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gerealiseerd met een oppervlakte groter dan 120 m2 en een bouwdiepte van meer dan 0,3 meter. Ten behoeve van onderhavig plan worden geen gebouwen opgericht en vinden tevens geen grondwerkzaamheden plaats. Derhalve hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 5.5 Landschap Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen dient een goed landschappelijk inpassingsplan op gesteld te worden. Dit zodat de ontwikkeling in de omgeving past en niet passende ontwikkelingen worden geweerd. Het opstellen van een nieuw landschappelijk inpassingsplan is in dit geval echter niet noodzakelijk omdat het hier niet gaat om een aanpassing in de ruimtelijke ordening. De aanpassing is enkel planologisch en veranderd niets aan de feitelijke situatie. 5.6 Water Vanwege het grote belang van het water in de ruimtelijke ordening, wordt van waterschappen een vroege en intensieve betrokkenheid bij het opstellen van ruimtelijke plannen verwacht. Bovendien is de watertoets een verplicht onderdeel in de ruimtelijke procedure geworden. Omdat in onderhavige situatie echter geen wijzigingen plaatsvinden aan watergangen en de waterafvoer, is het doorlopen van de watertoets niet nodig.

5.7 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke ontwikkelingen treden ook vaak wijzigingen op in het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte. Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een dergelijke ontwikkelingen op deze aspecten. Het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte bij een bedrijfswoning bedragen hetzelfde als bij een burgerwoning. Er zijn dan ook geen effecten te verwachten. 5.8 Externe veiligheid Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid (EV) naar verschillende aspecten te worden gekeken: -

Bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; Vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen.

Externe veiligheid heeft betrekking op de beheersing van de risico’s voor de burger, die verbonden zijn aan het gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen bij tal van industriële activiteiten. De aandacht richt zich vooral op veiligheidsaspecten in het kader van de ruimtelijke ordening in relatie tot de beheersing van de risico’s die samenhangen met het grootschalig gebruik van gevaarlijke stoffen. Het gaat daarbij alleen om de direct gevolgen die door het eenmalig vrijkomen van gevaarlijke stoffen kunnen ontstaan. De normen zijn uitgedrukt in een groepsrisico en een plaatsgebonden risico.

10

Aan de hand van de risicokaart is een inventarisatie uitgevoerd naar de aanwezigheid van EV relevante bronnen in de nabije omgeving van het plangebied. Het plangebied is niet gelegen binnen de contouren van deze bronnen. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Figuur 9: Uitsnede risicokaart

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1 Wet luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (N02) en zwevende deeltjes als PM10 (fijnstof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden voor luchtkwaliteit zijn veelal het gevolg van het aantal verkeersbewegingen in een gebied. Op grond van de algemene maatregel van bestuur ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) vormen luchtkwaliteitseisen geen belemmeringen voor projecten die niet in een betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een project komt hiervoor in aanmerking als het voor minder dan 3% van de grenswaarden voor NO2 en PM10 bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Pas bij een toename van 1.500 verkeersbewegingen per etmaal wordt hier niet aan voldaan.

11

Figuur 10: Uitsnede van de fijnstofconcentratie (PM10) ter hoogte plangebied. Bron: www.atlasleefomgeving.nl/kaarten

Figuur 11: Uitsnede van de stikstofconcentratie (NO2) ter hoogte plangebied. Bron: www.atlasleefomgeving.nl/kaarten

5.9.2 Toetsing Volgens de Grootschalige concentratie- en Depositiekaarten Nederland (2020) geldt in de directe omgeving van het plangebied een gemiddelde fijnstof concentratie (PM10) tussen de 13 en 14 µg/m3 en een gemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen de 8 en 10 µg/m3. De grenswaarde jaargemiddelde ligt voor beide stoffen op de 40 µg/m3 (jaargemiddelde concentratie 2019). De WHO advieswaarden liggen op 15 en 10 µg/m3. De luchtkwaliteit ter plaatse is dus goed. Tevens dient een toetsing plaats te vinden van de emissie van fijn stof van het eigen bedrijf. Middels het doorlopen van de NIBM-tool kan de bijdrage worden berekend van projecten aan de luchtkwaliteit. Voor het loonbedrijf is worst case uitgegaan van 60 bewegingen per dag waarvan 75% bestaat uit zwaarder verkeer (o.a. trekkers). In dat geval is er sprake van een NIBM-bijdrage. Een goed woon- en leefklimaat kan in dit kader derhalve worden gegarandeerd.

12

Figuur 12: NIBM tool ingevuld voor loonbedrijf

Tevens dient te worden getoetst aan de fijnstofemissie van het tegenover gelegen agrarisch bedrijf aan de Grevensweg 20. Om dit te toetsen is een ISL3A berekening uitgevoerd. De resultaten zijn onderstaand weergegeven. Uit de resultaten blijkt dat ruim binnen de norm van 40 microgram/m3 en het maximaal aantal overschrijdingsdagen van 40 wordt gebleven.

13

Figuur 13: ISL3A berekening ingevuld met gegevens agrarisch bedrijf Grevensweg 20.

Het plan voorziet verder niet in het mogelijk maken van nieuwe activiteiten die de luchtkwaliteit negatief beïnvloeden (NIBM-project). Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering om medewerking te verlenen aan het plan. 6 Afsluiting Namens cliënt, de heer J. Visch, verzoeken wij u om medewerking aan onderhavig plan. Ons inziens is het plan niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Er wordt voldaan aan de Wet plattelandswoningen, aangesloten bij een bestaande afwijkingsbevoegdheid uit het bestemmingsplan en er treden verder geen fysieke wijzigingen op. Hoogachtend, VANWESTREENEN BV

E.T. (Ester) Haalboom

14

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=546fb70a-a652-4470-956c-a129bd1535b2