Omgevingsvergunning Glindeweg 3A fase 1.rtf
Tekst van het document
Aanvraagnummer: 2019-0816
Ontwerp Omgevingsvergunning 1ste fase Besluit Op 3 oktober 2019 hebben wij van Agrifirm Exlan namens de heer H. Polinder, Glindeweg 3, 8085 SN Doornspijk een aanvraag omgevingsvergunning eerste fase voor de activiteit `planologisch strijdig gebruik’ ontvangen.
Wij hebben op … besloten een omgevingsvergunning te verlenen ten behoeve van
het perceel Glindeweg 3A te Doornspijk, kadastraal bekend gemeente Doornspijk, sectie D, nummers 5275 en 5278.
Voor de activiteiten: Planologisch strijdig gebruik (Handelen in strijd met regel RO). Voorwaarden 1. Tenminste twee dagen voor het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden dienen wij hiervan in kennis te worden gesteld. Dit kan worden gedaan door een mail te sturen naar bouwtoezicht@elburg.nl. 2.
Ten behoeve van het project is een landschapsplan opgesteld. Dit plan is opgenomen als Bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing, welke een deel uitmaakt van deze vergunning. De landschappelijke inpassing van het project dient dan ook binnen 1 jaar na het gereedkomen van het project overeenkomstig dit landschapsplan uitgevoerd te worden en daarna in stand gehouden te worden.
Van de vergunning onderdeel uitmakende gewaarmerkte documenten en bijlagen 1. RO - Bijlage 5 - toelichting – aangepast 2. RO_Bijl.5_Brk. gebruiksfase_aangepast 3. RO - Bijlage 6 – aangepast 4. Ruimtelijke onderbouwing – aangepast 5. RO - Bijlage 4 6. Tekening B0 nieuwe situatie 7. Brief vermelding activiteiten project 8. Tekening B1 nieuwe situatie 9. RO - Bijlage 5 - Berekening bouwfase 10. RO - Bijlage 1 - toelichting – aangepast 11. RO - Bijlage 1 - tekening – aangepast 12. RO - Bijlage 3 13. RO - Bijlage 2 14. Aanvraag nieuwbouw kleine woning naast Glindeweg 3 15. Tekening situatie bestaand Voorbereidingsprocedure De besluitvormingsprocedure is uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde in § 3.1 en § 3.3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waarbij het de zogenaamde uitgebreide voorbereidingsprocedure betrof. Op grond van het bepaalde in artikel 2.5, lid 2 van de Wabo wordt een besluit met betrekking tot de eerste of tweede fase voorbereid volgens de procedure die zou gelden als de omgevingsvergunning niet gefaseerd zou worden aangevraagd. Dit betekent dat de
omgevingsvergunning eerste fase en de omgevingsvergunning tweede fase op basis van dezelfde uitgebreide procedure voorbereid zullen worden. De beschikking met betrekking tot de tweede fase wordt niet eerder voorbereid dan de beschikking met betrekking tot de eerste fase. In dit geval zijn de aanvragen voor de eerste en de tweede fase kort na elkaar ingediend. Om te voorkomen dat de beslistermijn voor de omgevingsvergunning tweede fase zou worden overschreden worden beide vergunningen gelijktijdig verleend. Artikel 2.5, lid 8 van de Wabo geeft aan dat de beschikkingen waarbij positief is beslist op de aanvragen met betrekking tot de eerste en tweede fase worden, als deze in werking zijn getreden, tezamen aangemerkt als een omgevingsvergunning. Wij hebben de aanvraag omgevingsvergunning 1 ste fase verder ook getoetst aan de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor). Gebleken is dat de aanvraag niet voldeed aan de vereisten van de Mor. Wij hebben u daarom op 19 november 2019 in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. Hierbij hebben wij de beslistermijn op grond van het bepaalde in artikel 4:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met 42 dagen opgeschort. Wij hebben de aanvullende gegevens op 18 december 2019 ontvangen.
Procedure Op grond van artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wabo is het verboden om zonder omgevingsvergunning voor de activiteit `planologisch strijdig gebruik’ gronden of bouwwerken in strijd is met de bepalingen van het bestemmingsplan te gebruiken. Overwegingen Planologisch Op het perceel waarop de bouwactiviteit zal worden uitgevoerd is het bestemmingsplan “Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018” van toepassing. Volgens dit bestemmingsplan rusten op het perceel de bestemmingen “Wonen’ en ‘Wonen – Kleine woning’, met de dubbelbestemmingen `Waarde-archeologie lage verwachtingswaarde’ en `Waarde-waardevol landschap’. Op grond van het bepaalde in artikel 25.1 onder a van de planregels van het bestemmingsplan zijn de gronden met de bestemming ‘Wonen’ bestemd voor onder andere wonen in één woning per bestemmingsvlak. Op grond van het bepaalde in artikel 27.1 van de planregels van het bestemmingsplan zijn de gronden met de bestemming `Wonen – Kleine woning’ bestemd voor wonen in kleine woningen met bijbehorende bijgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en tuinen en erven. Artikel 27.2.1 onder e.
van de planregels van dit bestemmingsplan bepaalt dat de oppervlakte van het hoofdgebouw maximaal 80 m2, mag bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ de oppervlakte van het gebouw waarin het aangegeven aantal woningen is toegestaan maximaal 160 m2 mag bedragen. Onderdeel f. van dit artikel geeft verder aan dat de inhoud van het hoofdgebouw maximaal 375 m 3 mag bedragen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ de inhoud van het gebouw waarin het aangegeven aantal woningen is toegestaan maximaal 750 m3 dan wel de ter plaatse van de aanduiding ‘maximum volume (m3)’ aangegeven inhoud mag bedragen. De maximale goothoogte mag 3 m bedragen daar waar geen specifieke bouwaanduiding is (artikel 27.2.1 onder c, onder 1). De maximale bouwhoogte mag 7 m bedragen daar waar geen specifieke bouwaanduiding is aangegeven (artikel 27.2.1 onder d). Verder geldt op grond van artikel 27.2.5 van de planregels van het bestemmingsplan dat herbouw van een woning alleen is toegestaan op de bestaande locatie binnen het bestemmingsvlak met inachtneming van het bepaalde in artikel 27.2.1. 2
Gevraagd wordt het herbouwen van een kleine woning met een inhoud van 375 m 3 op een andere plek dan de bestaande locatie. De kleine woning wordt ook gedeeltelijk buiten het bestemmingsvlak ‘Wonen – Kleine woning’ herbouwd en dus voor een deel binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen’, waar reeds al één bestaande reguliere woning aanwezig is. Het bouwplan is dus in strijd met het bepaalde in artikel 25.1 en artikel 27.2.5 van de planregels van het bestemmingsplan. Het project voldoet (gedeeltelijk) ook niet aan de maximale goot- en bouwhoogte die volgens art. 27.2.1 onder c en d van de planregels zijn toegestaan bij een kleine woning. De goothoogte van het voorste gedeelte van de rechterzijgevel van het hoofdgebouw bedraagt over een lengte van ± 3,6 m net geen 3,3 m en de bouwhoogte van het hele hoofdgebouw bedraagt 7,6 m. In geval van strijd met het bestemmingsplan dient te worden beoordeeld of een omgevingsvergunning kan worden verleend op grond van artikel 2.1, lid 1, onder c, van de Wabo. Dit artikel stelt dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd met een bestemmingsplan. Dit verbod kan echter op grond van artikel 2.12, lid 1, onder a, van de Wabo op de volgende wijzen worden opgeheven: 1. 2. 3.
met toepassing van de in het bestemmingsplan of beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking; in de bij algemene maatregel van bestuur (= Bor) aangewezen gevallen, of indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.
Hier is sprake van een onder 3 genoemde situatie. Hoewel artikel 27.3.1 van de planregels van het bestemmingsplan “Buitengebied Elburg – Actualisatie 2018” een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid biedt voor het verplaatsen van een bestaande kleine woning naar een andere plek dan de bestaande locatie, zijn hier een aantal voorwaarden aan gebonden. Het project voldoet niet aan de gestelde voorwaarden, omdat: -
de kleine woning wordt volgens het plan herbouwd op ± 19 m van de bestaande locatie. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorwaarde volgens art. 27.3.1 onder a van de planregels, waarin is bepaald, dat de woning op maximaal 10 m van de locatie van de bestaande woning wordt gebouwd;
-
met het plan worden de volgens art. 27.2.1 van de planregels toegestane maximale gooten bouwhoogte (gedeeltelijk) overschreden. Daarmee voldoet het plan ook niet aan de voorwaarde uit art. 27.3.1 onder g dat voor het overige wordt voldaan aan het bepaalde in art. 27.2.1.
Het project kan verder ook niet gerealiseerd worden door middel van een buitenplanse afwijking (een zogenaamd `kruimelgeval’). Het project kan derhalve slechts gerealiseerd worden als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat als bedoeld in artikel 2.12, lid 1, onder a, onder 3° van de Wabo. Voor de betreffende activiteit is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld, welke is opgenomen als bijlage bij dit besluit en een integraal deel uitmaakt van dit besluit. Conclusie ruimtelijke onderbouwing De belangrijkste conclusie van deze ruimtelijke onderbouwing is dat het project in overeenstemming is met de relevante beleidsuitgangspunten op zowel landelijk, provinciaal als gemeentelijk niveau. Het project veroorzaakt verder geen conflicten met de sectorale wet- en regelgeving.
3
Het project is door de Omgevingsdienst Noord Veluwe (ODNV) getoetst op de milieutechnische aspecten, zoals geluid, lucht, etc.. Door de ODNV is geconcludeerd dat er vanuit milieu geen beletselen bestaan om medewerking aan dit project te verlenen. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. De Veiligheidsregio heeft geadviseerd dat er vanuit externe veiligheid ook geen beletselen bestaan. Door middel van een Quick scan soortenbescherming is aangetoond dat het project geen significante gevolgen voor de in het gebied aanwezige fauna zal hebben. Quick scan soortenbescherming is als bijlage 6 bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Onderhavig ruimtelijk plan maakt mogelijk dat een bestaande en bestemde kleine woning op een andere plek herbouwd kan worden dan de bestaande locatie van de woning, maar maakt planologisch en feitelijk gezien geen extra woning mogelijk. Het plan heeft ook geen extra ruimtebeslag ten dienste van het wonen tot gevolg. Gezien de afstand van het plangebied tot aan de Natura 2000-gebieden Veluwe en Randmeren 1,4 kilometer resp. meer dan 2 kilometer is en de woning maar ±19 m verplaatst wordt, kan gesteld worden dat het wat aspecten als licht, trillingen en geluid betreft uitgesloten is dat het plan significante effecten heeft op deze Natura 2000-gebieden.
Stikstof Voor dit project is een voortoets stikstofdepositie opgesteld en zijn AERIUS berekeningen uitgevoerd. Uit deze documenten blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van het project in de bouwfase en in de gebruiksfase onder 0,00 ml/ha/jr blijft. Er zullen dan ook geen significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden, de Veluwe en de Veluwerandmeren, optreden. Dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie lage verwachtingswaarde’ en Waarde – Waardevol landschap’ Volgens de bestemmingsomschrijving van artikel 32.1 van de planregels zijn de voor 'Waarde Archeologie lage verwachtingswaarde' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van archeologische waarden in de bodem. Ingevolge artikel 32.2.1 onder a van de planregels van het bestemmingsplan dient een aanvrager bij een aanvraag omgevingsvergunning voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 2500 m2 een rapport over te leggen, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Dit geldt niet indien sprake is van de in artikel 32.2.3 van de planregels genoemde gevallen.
Op grond van artikel 2.1, lid 1, aanhef en onder b, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald. Artikel 32.4.1, aanhef en onder b, van de planregels van het bestemmingsplan bepaalt verder dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning (als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder b van de Wabo) de volgende andere werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: (…) b. grondwerkzaamheden dieper dan 0,3 m onder het maaiveld over een oppervlakte van meer dan 2500 m2, waartoe worden gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren en het aanleggen van drainage en/of oppervlakteverhardingen; (…).
4
Het project bestaat uit het bouwen van een kleine woning met een oppervlakte van 72,3 m2, zodat het overleggen van een archeologisch rapport niet nodig is. Ook is geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, zoals bedoeld in artikel 32.4.1 onder b van de planregels nodig. Dubbelbestemming “Waarde – Waardevol landschap” Volgens de bestemmingsomschrijving van artikel 36.1 van de planregels zijn de voor 'Waarde – Waardevol landschap’ aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het ontwikkelen en in stand houden van de kernkwaliteiten van het landschap. Ten behoeve van het project is een landschapsplan opgesteld. Dit plan is als bijlage 1 bij de ruimtelijke onderbouwing opgenomen. Het landschapsplan is opgesteld aan de hand van het Landschapsontwikkelingsplan Elburg. Het plan komt tegemoet aan de kernkwaliteiten van het landschap, zoals opgenomen in het Landschapsontwikkelingsplan en de Omgevingsverordening Gelderland. Het landschapsplan is verder goedgekeurd door onze landschapsadviseur. Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat het project in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 32.1 en in artikel 36.1 van de planregels van het bestemmingsplan.
De archeologische waarden van het gebied en de kernkwaliteiten van het landschap zullen door het project niet aangetast worden. Conclusie Op basis van de ruimtelijke onderbouwing en de bijbehorende bijlagen komen wij tot de conclusie dat het verlenen van een omgevingsvergunning voor `planologisch strijd gebruik’ niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Wij zijn dan ook bereid om medewerking te verlenen aan het project en gebruik te maken van het projectafwijkingsbesluit. Belangenafweging Bij het bepalen van de keuze om wel of geen medewerking te verlenen aan een verzoek om een omgevingsvergunning voor de activiteit `planologisch strijdig gebruik’ hebben wij een ruime beleidsvrijheid om te beoordelen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende maatvoeringen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening acceptabel is. Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij ons bestaan over de wenselijk geachte planologische ontwikkelingen in het betrokken gebied. Bepaalde beoordelingsmarges mogen echter niet worden overschreden en het recht mag ook niet onjuist worden toegepast. Tevens dienen de in het geding zijnde (individuele) belangen op een zorgvuldige wijze te zijn afgewogen Instemmen met het project levert in onze optiek een planologische situatie op, welke wij vanuit een ruimtelijk oogpunt aanvaardbaar achten.
Het overschrijden van het vastomlijnde planologisch toetsingskader achten wij in dit specifieke geval dan ook aanvaardbaar. Daarbij hebben wij tevens de belangen van de omwonenden in ogenschouw genomen. Het realiseren van dit project levert geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van de naaste omwonenden op. Verklaring van geen bedenkingen Op grond van artikel 2.27, lid lid van de Wabo in combinatie met artikel 6.5, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn wij verplicht om een aanvraag welke betrekking heeft op de activiteit `planologisch strijdig gebruik’ ex artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wabo en waarvoor een omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, lid 1 onder 3° van de Wabo wordt verleend, voor te leggen aan de gemeenteraad. De gemeenteraad dient aan te geven of deze wel of geen bedenkingen tegen het project heeft.
5
Op grond van artikel 6.5, lid 3 van het Bor kan de gemeenteraad categorieën gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet vereist is. De raad van de gemeente Elburg heeft in zijn vergadering van 28 november 2011, met toepassing van artikel 6.5, lid 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor), besloten tot het aanwijzen van categorieën van gevallen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet vereist is. Het onderhavige project behoort niet tot een dergelijk aangewezen categorie: een woning in landelijk gebied staat niet als project in de lijst genoemd. Er is dus een verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig is. De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 29 juni 2020 besloten om een voorlopige verklaring van geen bedenkingen voor het onderhavig project af te geven. Zienswijze Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om omgevingsvergunning eerste fase, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op een activiteit `planologisch strijdig gebruik’ (artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wabo). Aangezien de omgevingsvergunning tweede fase op dezelfde wijze voorbereid wordt als de omgevingsvergunning eerste fase, worden beide ontwerpbeschikkingen van de vergunningen gelijktijdig ter inzage gelegd.
De ontwerpbeschikkingen, waarin wij kenbaar hebben gemaakt om voornemens te zijn om de gevraagde vergunningen eerste en tweede fase te verlenen, zijn gepubliceerd in Huis-aan-huisblad Veluwe Koerier en de Staatscourant van 7 juli 2020. De ontwerpen hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode hebben wij één brief met zienswijzen ontvangen. In de zienswijze wordt als belangrijkste bezwaar genoemd dat door de verplaatsing van de locatie van de kleine woning het vrije uitzicht vanuit de woning van de indiener van de zienswijze wordt belemmerd. Dit leidt volgens de indiener van tot beknotting van zijn privacy. Door hem wordt voorgesteld om de locatie van de kleine woning (vanaf de weg gezien) één keer naar links te verplaatsen. Mondeling heeft de indiener van de zienswijze verder de suggestie gedaan om de kleine woning te bouwen op de locatie waar nu de schuur staat, meer rechts op het perceel. Wij hebben beoordeeld of de zienswijze tot andere inzichten heeft geleid over de ruimtelijke inpasbaarheid van het bouwplan. Wij onderkennen dat er iets verandert in het uitzicht voor omwonenden, maar het is de vraag of met de realisatie van het voorliggende bouwplan sprake is een onevenredige aantasting van het woongenot van de indiener van de zienswijze.
Tussen de woning van de indiener van de zienswijze en de te bouwen kleine woning is een afstand van ongeveer 30 meter. Naar ons oordeel geen onaanvaardbare afstand tussen woningen in Doornspijk. Daar komt bij dat er volgens vaste rechtspraak in de ruimtelijke ordening geen recht op blijvend vrij uitzicht bestaat. De aanvrager van het bouwplan zorgt voor een landschappelijke inpassing die zoveel mogelijk tegemoetkomt aan behoud van uitzicht en privacy van de indiener van de zienswijze. Wat betreft de door de indiener van de zienswijze voorgestelde alternatieve locaties op het perceel merken wij op, dat wij het bouwplan dienen te beoordelen zoals het bij ons is ingediend. Als een project op zichzelf voor ons college aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieve locaties volgens vaste rechtspraak slechts dan tot onthouding van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Wij hebben mede op basis van de ruimtelijke onderbouwing vastgesteld dat het project op zichzelf ruimtelijk aanvaardbaar is. Het plan voorziet in een landschappelijke inpassing, waarbij ook rekening is gehouden met het uitzicht van omwonenden. Verplaatsing van de woning naar links stuit op het bezwaar dat de kleine woning dan tegen de rand van het perceel komt te liggen.
Dat is ruimtelijk onaanvaardbaar. Normaal wordt een afstand van 5 meter uit de erfgrens aangehouden. 6
Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat dit alternatief een geringere invloed op het uitzicht en de privacy van omwonenden heeft dan het ingediende bouwplan. Verplaatsing naar rechts heeft een verdergaande ruimtelijke ingreep tot gevolg, waarbij niet aannemelijk is gemaakt dat het voor een geringere invloed op het uitzicht en de privacy van omwonenden leidt dan het ingediende bouwplan. Wij concluderen dat de ingediende zienswijze niet tot andere inzichten leidt over de ruimtelijke inpasbaarheid van het bouwplan. De gemeenteraad heeft in zijn vergadering van 27 januari 2021 een definitieve verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Wij hebben besloten de aangevraagde omgevingsvergunning te verlenen. Inwerkingtreding besluit Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na afloop van de termijn, bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, voor het indienen van een beroepschrift (artikel 6.1, lid 2 onder b van de Wabo). Elburg,
2021
Hoogachtend, Namens het college van burgemeester en wethouders,
R.J. Schipper Domeinmanager Dienstverlening
7