Nota van Wijzigingen Doelgroepenbeleid.pdf
Tekst van het document
Nota van Wijzigingen Doelgroepenbeleid 1) Ruimtelijke onderbouwing om doelgroepen niet te mengen op dezelfde locatie of in elkaars nabijheid Op pagina 20, paragraaf 4.3. wordt de tweede bullet als volgt gewijzigd: “ In verband met het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, in de eerste plaats voor de
doelgroepen zelf, is het een voorwaarde dat de doelgroepen niet op dezelfde locatie gemengd worden gehuisvest en evenmin in de nabijheid van elkaar. Arbeidsmigranten, mensen met onbegrepen gedrag en spoedzoekers hebben vaak een ander levensritme en geven over het algemeen een andere invulling aan een dag. Zij stellen over het algemeen ook wat andere eisen aan woonomstandigheden. Zeker daar waar onder deze doelgroepen personen gehuisvest moeten worden die op dat moment (psychisch (zeer)) kwetsbaar zijn, is gemengde huisvesting van verschillende doelgroepen niet wenselijk in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Anders gezegd, voorkomen moet worden dat daar waar woon- en leefsituaties van elkaar afwijken, er over en weer fricties en/of overlastsituaties ontstaan, die afbreuk doen aan het woon- en leefklimaat. Ook voor omwonenden dan wel omliggende bedrijven is het van belang dat de verschillende doelgroepen niet op dezelfde locatie worden gehuisvest. Voorkomen moet worden dat omwonenden/omliggende bedrijven worden geconfronteerd met verschillende woon- en leefsituaties van verschillende doelgroepen. Het risico op fricties, overlast en/of een gevoel van sociale onveiligheid wordt beperkt indien de verschillende doelgroepen niet op één en dezelfde locatie worden gehuisvest.
Daarmee kan ook voor omwonenden/omliggende bedrijven een aanvaardbaar woon- en leefklimaat/vestigingsklimaat worden geborgd. Met “niet in elkaars nabijheid” wordt bedoeld een minimale afstand tussen de locaties van ten minste 500 meter. Waarbij met “locatie” het te bewonen object wordt bedoeld.” (Huidig beleid luidt: Mensen uit de drie verschillende doelgroepen (EU-arbeidsmigranten, mensen met onbegrepen gedrag en spoedzoekers) worden op geen enkele huisvestingslocatie met elkaar gemengd of in elkaars nabijheid gehuisvest. Eén locatie is een ruimtelijk en geografische eenheid.)
2) Toepasselijkheid van de SNF-normen Op pagina 21 paragraaf 4.3 wordt de vijfde bullet als volgt gewijzigd: “Er moet voldaan worden aan de minimale eisen zoals gesteld door de Stichting Normering Flexwonen (SNF, zie kader).” (Huidig beleid luidt: Overweeg het van toepassing verklaren van het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen (SNF, zie kader).)
3) Tijdige kennisgeving nieuwe initiatieven aan de gemeenteraad Op pagina 21, paragraaf 4.3 wordt de zevende bullet als volgt gewijzigd: “Bestaande en toekomstige initiatieven voor locaties waar meer dan 9 personen behorende tot de doelgroep spoedzoekers, arbeidsmigranten en personen met onbegrepen gedrag (gaan) verblijven of gehuisvest zijn/worden, worden in een vroegtijdig stadium ter kennisgeving aan de gemeenteraad voorgelegd.” (Huidig beleid luidt: Bestaande en toekomstige initiatieven voor locaties waar meer dan 9 personen behorende tot het doelgroepenbeleid (gaan) verblijven of gehuisvest zijn/worden, worden in een vroegtijdig stadium voor kennisgeving aan de gemeenteraad voorgelegd. De raad neemt hier kennis van voordat het initiatief aan de omwonenden kenbaar wordt gemaakt.)
4) Het informeren van de gemeenteraad wanneer een besluit wordt genomen vallende onder de ‘kruimelgevallenregeling’. Op pagina 21, paragraaf 4.3 wordt de achtste bullet als volgt gewijzigd: “Voordat een besluit wordt genomen op een vergunningaanvraag voor het huisvesten van bovengenoemde doelgroepen vallende onder de zogenaamde kruimelgevallenregeling zal de raad daarover worden geïnformeerd. Gelet op de wettelijke beslistermijnen van maximaal 8 weken van de Wabo, dient de raad z.s.m. geïnformeerd te worden. Bij een vergunningaanvraag welke behandeld wordt met de uitgebreide procedure (zogenaamde projectafwijkingsbesluit) wordt de raad op grond van de Wabo gevraagd om een verklaring van geen bedenkingen af te geven. Dit gebeurt binnen de daarvoor geldende termijnen.” (huidig beleid luidt: “Bij gebruik van de zogenaamde kruimelgevallenregeling voor bovengenoemde gevallen, voor (on)bepaalde tijd of bij gebruik van een buitenplanse vrijstelling, in wat voor vorm dan ook, bespreekt het college de aanvraag met de raadscommissie alvorens een besluit te nemen.”)
5) Het vervallen van de eis dat een meerderheid van de buurt vóór een initiatief moet zijn Op pagina 21, zal de negende bullet van paragraaf 4.3 komen te vervallen (Onderdeel van burgerparticipatie, zie hieronder bij 7) 6) Het (scherper) formuleren van regels omtrent tijdelijke bewoning Op pagina 21, paragraaf 4.4.1 wordt de achtste bullet als volgt gewijzigd: “We staan huisvesting (niet zijnde huisvesting op een recreatiepark) toe voor een periode van maximaal 15 jaar (via verlenen omgevingsvergunning). Dit is zowel van toepassing op tijdelijke bewoning van een permanent gebouw als op tijdelijke (al dan niet verplaatsbare) gebouwen. Op huisvesting op een recreatiepark is het Beleidsplan Vitale Vakantieparken van toepassing". (Huidig beleid luidt: “We staan huisvesting toe voor een periode van maximaal 15 jaar (via verlenen omgevingsvergunning Wro). Dit is zowel van toepassing op tijdelijke bewoning van een permanent gebouw als op tijdelijke (al dan niet verplaatsbare) gebouwen.”)
7) Het toetsen van initiatieven aan het proces van burgerparticipatie Pagina 21 “uitgangspunten proces en uitvoering” wordt als volgt gewijzigd: “Binnen de gemeente wordt de burgerparticipatie nader uitgewerkt. Hiervoor zijn speciale schema Klantreizen opgesteld. Deze reizen hebben betrekking op drie fasen: Verkennen initiatief, Vergunningen en Toezicht & Handhaving. Elke reis wordt apart beschreven. De ingediende initiatieven dienen aan de hand van deze Klantreizen en de burgerparticipatie doorlopen en getoetst te worden. Bij initiatieven in het kader van dit doelgroepenbeleid is de initiatiefnemer verplicht het burgerparticipatietraject, zoals omschreven in de klantreizen, te doorlopen. Indien de initiatiefnemer niet kan aantonen dat hij op adequate wijze invulling heeft gegeven aan deze stappen, dan kan dit een reden zijn om planologische medewerking te ontzeggen.” Huidig beleid luidt: “Uitgangspunten proces en uitvoering • In alle gevallen van toevoeging van huisvestingsvoorzieningen voor arbeidsmigranten zal op initiatief van de aanvrager een omgevingsdialoog worden gehouden. Het is wel van belang dat de initiatiefnemer eerst met de gemeente in overleg gaat over de haalbaarheid van het plan. Het is niet wenselijk dat allerlei plannen met de omgeving worden gecommuniceerd, die bijvoorbeeld niet voldoen aan het nieuwe beleid dan wel aan de voorwaarden.
Indien ingeschat wordt dat een principeverzoek kans van slagen heeft, kan de omgevingsdialoog worden georganiseerd. • Initiatiefnemers gaan eerst met de gemeente Elburg in overleg alvorens zij een officiële vergunningaanvraag indienen. • Alle initiatieven die door partijen worden aangedragen voor het huisvesten van arbeidsmigranten worden aan de in deze notitie genoemde uitgangspunten en afwegingskader getoetst (prétoets).
• Als een locatie positief getoetst wordt op basis van de uitgangspunten en afwegingskader, dan wordt deze in de gemeente voorgelegd voor een eerste integrale toets vanuit alle relevante disciplines. • Bij een positief oordeel wordt deze locatie als kansrijk aan het college voorgelegd. Het college bepaalt of de locatie verder kan worden opgepakt. • Bij een verdeeld oordeel (op aspecten positief, op andere negatief maar repareerbaar) wordt deze locatie met voor en tegens aan het college voorgelegd. Het college bepaalt of de locatie verder kan worden opgepakt en onder welke voorwaarden. • Bij een positief besluit van het college over de pré-toets is de initiatiefnemer verplicht om met de omgeving in gesprek te gaan en hen nader te informeren over de gewenste ontwikkelingen om voor begrip en draagvlak te zorgen. In de aanvraag (principeverzoek) is het resultaat van de omgevingsdialoog opgenomen. Deze dient dus te hebben plaatsgevonden voordat de officiële vergunningaanvraag of aanvraag bestemmingsplanwijziging wordt ingediend. • Vervolgens kan de officiële vergunningaanvraag of aanvraag bestemmingsplanwijziging in gang worden gezet. In dit traject worden afspraken gemaakt over het verdere planologische proces dat doorlopen moet worden.
Onderdeel van dit proces is dat er voor iedere locatie - met inachtneming van de hiervoor genoemde uitgangspunten - specifieke afspraken gemaakt worden met de eigenaar/beheerder. Hierin krijgen ook de resultaten vanuit de omgevingsdialoog een plek.”
8) Uitgangspunten huisvesting Pagina 22/23, “uitgangspunten huisvesting” wordt als volgt gewijzigd: Uitgangspunten huisvesting
Huisvesting is altijd onzelfstandig en op logiesbasis, behalve voor longstay arbeidsmigranten en eventueel gereguleerde kamergewijze verhuur. De gemeente maakt onderscheid in typen gebied: (monofunctionele) woonwijk, gemengde gebieden (gebieden met een gemengde bestemming) en bedrijventerreinen. De gemeente staat huisvesting van arbeidsmigranten niet toe op recreatieparken, tenzij hier in het kader van het project Vitale Vakantieparken expliciete afspraken over gemaakt worden. Kleinschalige huisvesting vindt bij voorkeur plaats in gemengde gebieden/bestemmingen. Grootschaliger huisvesting kan in gemengd gebied/bestemming of op (aan de rand van) bedrijventerreinen. De accommodatie dient in situering, schaal, vormgeving en (waar van toepassing) landschappelijke inpassing te passen binnen de karakteristiek van de omgeving. Op de locatie moet voldoende parkeergelegenheid zijn. Hierbij moet worden voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid. De huisvesting voldoet aan de voorwaarden van het Bouwbesluit voor tijdelijke panden. De normering van de stichting Normering Flexwonen (SNF) is de minimale norm voor huisvesting van arbeidsmigranten (zie bijlage 6). Op het terrein van de locatie moet binnen en buiten gelegenheid zijn voor samenkomst en ontspanning, aangeboden door de exploitant van het gebouw.
De gemeente reguleert kamergewijze huisvesting van arbeidsmigranten en andere doelgroepen in gewone woningen in (monofunctionele) woonwijken (zie bijlage 5 Voorbeeld beleidslijn kamergewijze verhuur) De arbeidsmigranten dienen te worden ingeschreven bij het BRP van de gemeente (bij een beoogd verblijf van 4 maanden of langer). Er wordt een nachtregister bijgehouden per locatie waarin minimaal wordt opgenomen: personalia en contactgegevens, datum aanvang huisvesting en datum beëindiging huisvesting. Het betrokken uitzendbureau of het bedrijf dat de exploitatie voor haar rekening neemt dient te beschikken over het keurmerk c.q. te zijn aangesloten bij ABU, NBBU, SNA1 of gelijkwaardig. Deze keurmerken vertegenwoordigen kwaliteitseisen, onder andere op het gebied van arbeidsvoorwaarden, afdracht van sociale premies, veiligheid op de werkvloer en gedragsregels. In het pand of op het terrein is voldoende ruimte voor het stallen van (brom- en snor-) fietsen en containers voor huishoudelijk afval ten behoeve van de bewoners van het pand.
Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de arbeidsmigranten zelf te borgen, overbewoning te voorkomen, en daarmee een risico op fricties, overlast en/of een gevoel van sociale onveiligheid onderling en naar omwonenden/omliggende bedrijven zo veel mogelijk te beperken, is het van belang dat een te huisvesten arbeidsmigrant de beschikking heeft over een minimale gebruiksoppervlakte. De normering van
de stichting Normering Flexwonen (SNF) is de minimale norm voor huisvesting van arbeidsmigranten (zoals opgenomen in bijlage 6). (huidig beleid luidt:
Uitgangspunten huisvesting • Huisvesting is altijd onzelfstandig en op logiesbasis, behalve voor longstay arbeidsmigranten en eventueel gereguleerde kamergewijze verhuur. Bestaand beleid • De gemeente maakt onderscheid in typen gebied: (monofunctionele) woonwijk, gemengde gebieden (gebieden met een gemengde bestemming) en bedrijventerreinen. • De gemeente staat huisvesting van arbeidsmigranten niet toe op recreatieparken, tenzij hier in het kader van het project Vitale Vakantieparken expliciete afspraken over gemaakt worden. • Kleinschalige huisvesting vindt bij voorkeur plaats in gemengde gebieden/bestemmingen. Grootschaliger huisvesting kan in gemengd gebied/bestemming of op (aan de rand van) bedrijventerreinen. • De accommodatie dient in situering, schaal, vormgeving en (waar van toepassing) landschappelijke inpassing te passen binnen de karakteristiek van de omgeving. • Voor de omvang van een locatie gaan we in eerste instantie uit van de benadering zoals die door SNF wordt gehanteerd (zie kader). Dat is vertrekpunt voor een nadere bepaling van schaal en omvang, die in nauw overleg met belanghebbenden tot stand komt. • Op de locatie moet voldoende parkeergelegenheid zijn. Hierbij moet worden voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid. • De huisvesting voldoet aan de voorwaarden van het Bouwbesluit voor tijdelijke panden.
De normering van de stichting Normering • Flexwonen (SNF) is de minimale norm voor huisvesting van arbeidsmigranten (zie bijlage 5). • Per kamer zijn maximaal 2 personen gehuisvest. • Op het terrein van de locatie moet binnen en buiten gelegenheid zijn voor samenkomst en ontspanning, aangeboden door de exploitant van het gebouw. Nieuw beleid • De gemeente reguleert kamergewijze huisvesting van arbeidsmigranten en andere doelgroepen in gewone woningen in (monofunctionele) woonwijken (zie bijlage 6 Voorbeeld beleidslijn kamergewijze verhuur) • De arbeidsmigranten dienen te worden ingeschreven bij het BRP van de gemeente (bij een beoogd verblijf van 4 maanden of langer). • Er wordt een nachtregister bijgehouden per locatie waarin minimaal wordt opgenomen: personalia en contactgegevens, datum aanvang huisvesting en datum beëindiging huisvesting. • Het betrokken uitzendbureau of het bedrijf dat de exploitatie voor haar rekening neemt dient te beschikken over het keurmerk c.q. te zijn aangesloten bij ABU, NBBU, SNA3 of gelijkwaardig. Deze keurmerken vertegenwoordigen kwaliteitseisen, onder andere op het gebied van arbeidsvoorwaarden, afdracht van sociale premies, veiligheid op de werkvloer en gedragsregels. • In het pand of op het terrein is voldoende ruimte voor het stallen van (brom- en snor-)fietsen en containers voor huishoudelijk afval ten behoeve van de bewoners van het pand.
• Meer specifiek geldt voor het uitgangspunt in de achtste bullet onder bestaand beleid dat per slaapvertrek maximaal 1 persoon gehuisvest mag worden, tenzij het gaat om 2 partners die in een duurzame verhouding leven (al dan niet gehuwd). Deze verblijfsruimte voor 1 persoon voorziet in 1 bed per slaapvertrek en 1 kast, beiden zoals aangegeven in de normering van SNF, 1 bureau of tafel en 1 of 2 stoelen.”
9) Geen menging van doelgroepen Pagina 25, paragraaf 4.4.2 onder 9 wordt als volgt gewijzigd: “Voorts geldt bij deze doelgroep nadrukkelijk dat huisvesting in de directe nabijheid van andere doelgroepen, zoals arbeidsmigranten en spoedzoekers, op een locatie niet mogelijk is.” (huidig beleid luidt: “Voorts moet met name bij deze doelgroep gewaakt worden voor menging met andere doelgroepen.”)
10) Geen menging van doelgroepen Pagina 25, paragraaf 4.4.3 , derde bullet wordt als volgt gewijzigd: “Voorts geldt bij deze doelgroep ook dat huisvesting in de directe nabijheid van de doelgroepen arbeidsmigranten en personen met onbegrepen gedrag niet wordt toegestaan” (Huidig beleid luidt: “Het is mogelijk om hierbij een mix met andere doelgroepen te realiseren, met name arbeidsmigranten. Een mix met maatwerkwoningen is niet wenselijk, tenzij een goede afscherming (beperking prikkels voor bewoners van maatwerkwoningen) kan worden gegarandeerd.” )