Koeweg 1a en 1b 't Harde_bijlagen bij toelichting_Bijlage 7 quickscan flora en fauna
Tekst van het document
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING KOEWEG 1A ’T HARDE
QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING KOEWEG 1A ’T HARDE Kenmerk: Versie: Datum: Aangepast op:
20220671/rap01 2 6-9-2022 18-9-2023
Auteur versie 1: Auteur versie 2: Projectleider: Veldwerk: Kwaliteitscontrole: Opdrachtgever:
L. (Lucas) Doef Timo den Ouden B. (Bastiaan) van der Wetering L. (Lucas) Doef B. (Bastiaan) van der Wetering Dhr. L van Schoten Koeweg 1A 8084PN ’t Harde Dhr. L van Schoten
Contactpersoon:
Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.
© ATKB voor natuur en leefomgeving. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Foto's: ATKB, Lucas Doef
INHOUD Inleiding Aanleiding Wet natuurbescherming Overige gebiedenbescherming Doel Kwaliteitsborging Leeswijzer
1 1 1 3 3 4 4
Plangebied: huidige en toekomstige situatie Beschrijving huidige situatie Werkzaamheden en toekomstige situatie
5 5 6
Methode quickscan Opzet onderzoek Literatuuronderzoek Veldonderzoek
7 7 7 7
Resultaten literatuur- en veldonderzoek Flora Broedvogels cat. 1 t/m 4 (nesten jaarrond beschermd) Broedvogels cat. 5 Algemene broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en overige ongewervelden Samenvatting resultaten
10 10 10 12 12 12 13 13 14 14 14 14
Effectenanalyse en maatregelen Inleiding Broedvogels cat. 1 t/m 4 Broedvogels cat. 5 Algemene broedvogels Vleermuizen Grondgebonden zoogdieren Reptielen Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht)
16 16 16 16 17 17 18 19 19
Gebiedenbescherming Natura 2000 Planologische gebiedenbescherming
20 20 21
Conclusies en aanbevelingen Soortenbescherming Gebiedenbescherming Verwijzingen
22 22 23 24
INLEIDING AANLEIDING Dhr. L. van Schoten heeft het voornemen een schuur en weiland in te richten voor recreatief gebruik. De locatie is momenteel in gebruik voor in- en verkoop van auto’s. Deze activiteiten zullen bedrijfsmatig worden beëindigd. De bedrijfsruimte wordt inpandig verbouwd ten behoeve van 4 appartementen. De bedrijfsbestemming wordt omgevormd naar de functie ‘wonen’. Daarnaast zullen op een ander terreindeel, wat nu weiland is, campers gestald gaan worden. Het is mogelijk dat bij de geplande werkzaamheden effecten op beschermde natuurwaarden optreden. Vanuit de Omgevingsdienst Noord-Veluwe is het advies opgesteld om een quickscan Wet natuurbescherming en AERIUS-berekening (stikstof) uit te laten voeren. Een uitgebreide toetsing ten aanzien van Natura 2000 is niet aan de orde. In deze quickscan is een AERIUSberekening niet opgenomen, omdat dit buiten de scope van de opdracht ligt. In januari 2023 is deze quickscan opgeleverd, in september 2023 is een aanvullend veldbezoek uitgevoerd en zijn enkele aanpassingen aan het rapport gemaakt wegens een dakraam wat in het dak van de schuur geplaatst wordt.
WET NATUURBESCHERMING 1.2.1 SOORTENBESCHERMING
Algemeen Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1. Vrijstelling binnen provincie Gelderland Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van de provincie Gelderland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld:
1 In artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a.
opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Wet natuurbescherming omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Flora- en faunawet) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
1 van 24
bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker, aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, en woelrat (bron: Wijziging Omgevingsverordening Gelderland vanwege vaststelling Natuurparagraaf, d.d. 01 maart 2019). Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding). Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Gelderland).
De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: • Voldoet het planvoornemen aan één van de in de wet genoemde belangen? • Is een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? • Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.2 BESCHERMING NATURA 2000-GEBIEDEN
Via de Wnb is tevens de bescherming van Natura 2000-gebieden vastgelegd. De Wnb stelt dat het verboden is om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor projecten die een significant negatief effect kunnen hebben op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast plannen in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten tot gevolg hebben: •
Plannen kunnen (ook op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden) nadelige effecten hebben door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr vraagt om een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen.
•
Plannen kunnen een negatief effect hebben op (leefgebied van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor nadelige effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit kan het geval zijn wanneer het foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen het plangebied ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied (bijvoorbeeld bij bruine kiekendief, kleine zwanen, ganzen).
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
2 van 24
1.2.3 BESCHERMING HOUTOPSTANDEN
Volgens artikel 4.2 Wnb is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag. Bovendien geldt een herplantplicht. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of is een rijbeplanting van meer dan 20 bomen en moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor een aantal gevallen geldt een uitzondering, bijvoorbeeld voor houtopstanden op erven, fruitbomen voor productie of grienden en hakhout (zie voor de volledige lijst art. 4.1 van de Wnb). Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Wnb niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waarbinnen de projectlocatie gelegen is. De kap van houtopstanden is binnen het huidige project niet aan de orde, waardoor toetsing aan de Wnb of het gemeentelijk beleid niet aan de orde is.
OVERIGE GEBIEDENBESCHERMING Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS) geldt het ‘Nee, tenzij’-beschermingsregime. Significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (per saldo) is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn onder andere bodemkenmerken, landschappelijke waarden en natuurwaarden. Eventuele schade moet worden gemitigeerd, of (indien mitigatie niet mogelijk is) worden gecompenseerd. Naast de bescherming van het NNN zijn in sommige provincies tevens weidevogelgebieden (ook wel belangrijke weidevogelgebieden, weidevogelleefgebieden en weidevogelkerngebieden genoemd) aangewezen. Binnen dergelijke gebieden geldt doorgaans (evenals het geval is voor het NNN) het Nee, tenzij-regime.
DOEL De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wnb (soortenbescherming en bescherming Natura 2000-gebieden) of planologische gebiedenbescherming optreedt. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen: Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk2? S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen?
2 In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een quickscan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige
beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn. Als met de quickscan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
3 van 24
Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied, binnen het NNN of binnen belangrijke weidevogelgebieden? G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming (voortoets, passende beoordeling en/of Nee, tenzijtoets) noodzakelijk?
KWALITEITSBORGING De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wnb. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus.
LEESWIJZER In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. In hoofdstuk 3 wordt de methode, waarop een quickscan soortenbescherming wordt uitgevoerd, beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt kort beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.4) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
4 van 24
PLANGEBIED: HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE Het plangebied is gelegen aan zuidzijde van de Koeweg (1a) in de gemeente Elburg, in de provincie Gelderland (zie figuur 1). De schuur binnen het plangebied is aan de noord- en oostzijde omringd door een verharde oprit. Daarnaast staat er twee woonhuizen aan de noord- en oostzijde van de schuur. De schuur zelf is voorzien opgebouwd uit houten balken en is voorzien van dakpannen. Tussen de balken, dakpannen en waterafvoer zijn diverse kieren en gaten aanwezig. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een grasland met voornamelijk raaigras, paardenbloemen en brandnetels. Soorten die het grasland kenmerken als voedselrijk grasland. Aan de zuid- en westzijde van het plangebied is een bosschage aanwezig, met diverse grote bomen en grondbegroeiing (klimop) aan de westzijde. Op twee van deze bomen (eiken) hangen mezenkasten tegen de eikenprocessierups. Langs de randen van het plangebied bevinden zich diverse rommelhoeken met o.a. stapels hout. Het aantal externe lichtbronnen binnen het plangebied is zeer beperkt. Watergangen- of partijen zijn niet in of nabij het plangebied aanwezig. Figuur 2 geeft een foto-impressie weer van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.
Figuur 1.
Globale ligging plangebied (rood omlijnd). Bron ondergrond: Google Maps
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
5 van 24
WERKZAAMHEDEN EN TOEKOMSTIGE SITUATIE Dhr. L. van Schoten heeft het voornemen een schuur en weiland in te richten voor recreatief gebruik. De huidige schuur wordt omgebouwd tot appartementencomplex (4 appartementen) en het grasland wordt in gebruik genomen als staplaats voor campers. De binnenzijde van de schuur wordt verbouwd. Aan de zuidzijde van het plangebied worden groenstructuren aangeplant. Een beplantingsplan hiervoor is bekend bij de Gemeente Elburg. Een meer gedetailleerdere beschrijving van de werkzaamheden en bijhorende planning is op het moment van schrijven bij ATKB niet bekend. Addendum 18 sep 2023, naar aanleiding van opmerkingen bevoegd gezag: In september 2023 is er duidelijkheid gekomen over de werkzaamheden aan de schuur. Hieruit is gebleken dat er aan de achterzijde van de schuur een dakraam wordt geplaatst. Dit betekent dat er plaatselijk ook aan de buitenkant van de schuur werkzaamheden plaats zullen vinden.
Figuur 2.
Huidige situatie van het plangebied. Vanaf linksboven met de klok mee: de schuur met bestrating, vooraanzicht van de schuur, kieren en gaten in de schuur, rommelhoeken, de bosschage aan de westzijde van het plangebied en het (voedselrijke) grasland binnen het plangebied.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
6 van 24
METHODE QUICKSCAN OPZET ONDERZOEK Een quickscan Wet natuurbescherming (onderdeel soortenbescherming) is een eenmalige beoordeling van het plangebied, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiertoe worden een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. Er wordt tijdens de quickscan een volledige beoordeling van het plangebied als leefgebied voor beschermde soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een ontheffing op de Wet natuurbescherming. Indien uit de quickscan echter blijkt dat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een ontheffing, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming zijn 5 jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er ander biotoop is ontstaan. Een (nader) onderzoek naar beschermde soorten uit de Habitatrichtlijn is 3 jaar geldig.
LITERATUURONDERZOEK Het literatuuronderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige Wnb-beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. Ten aanzien van flora is een zoekgebied van circa 10 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. Voor fauna is een zoekgebied van circa 5 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. De NDFF is geraadpleegd op 30 augustus 2022. Hierbij zijn waarnemingen tot 5 jaar terug ingezien. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van informatie uit overige beschikbare vakliteratuur en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement).
VELDONDERZOEK Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in het plangebied (kunnen) voorkomen. Op 31 augustus 2022 is het veldbezoek uitgevoerd. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen). De bepaling van de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten is op onderstaande manier uitgevoerd:
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
7 van 24
Flora Het plangebied wordt beoordeeld op geschiktheid als habitat voor beschermde plantensoorten. Tevens wordt gelet op eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten (deze zijn echter niet jaarrond zichtbaar). Broedvogels categorie 1 t/m 4 De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Jaarrond beschermde nesten kunnen aanwezig zijn in bomen (bijv. roofvogelhorsten) of gebouwen (bijv. gierzwaluw en huismus). Tijdens het veldbezoek bepalen we of in het plangebied vaste nesten aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast wordt gezocht naar sporen van jaarrond beschermde nesten, bijvoorbeeld braakballen van uilen en roofvogels, uitwerpselen op de grond/muren en territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tenslotte wordt beoordeeld of het plangebied mogelijk essentieel rust- en foerageergebied voor vogels van categorie 1 t/m 4 vormt. Broedvogels categorie 5 Categorie 5-broedvogels betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt.
Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de lokale populatie van een soort. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of in het plangebied nesten van categorie 5 aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast zoeken we ook naar sporen van deze nesten, bijvoorbeeld braakballen, uitwerpselen op de grond of muren, territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Algemene broedvogels Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of binnen het plangebied broedgelegenheid is voor algemene broedvogels zoals winterkoning, heggenmus en vink. Tevens letten we op aanwijzingen voor broedgevallen, zoals territoriale en/of zingende vogels, oude nesten en uitwerpselen. Vleermuizen Van alle van nature in Nederland voorkomende vleermuizen worden zowel de verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageerroutes beschermd. Voor vleermuizen wordt bepaald of gebouwen en/of bomen in het plangebied geschikt (kunnen) zijn als vleermuisverblijfplaats: - Gebouwbewonende vleermuizen (o.a.
gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) gebruiken vaak spouwruimten als verblijfplaats, welke zij bijvoorbeeld via een open stootvoeg of via kieren in de buitenmuur kunnen bereiken. Ook gebruiken ze regelmatig ruimtes achter daklijsten of betimmeringen als verblijfplaats. De geschiktheid van gebouwen wordt beoordeeld op basis van de aanwezigheid van dergelijke structuren. Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen zelf niet betreden, maar van buiten geïnspecteerd;
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
8 van 24
-
Boombewonende vleermuizen (o.a. ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) verblijven in holtes, spleten of onder loshangend schors van bomen. Bomen worden met een verrekijker vanaf de grond beoordeeld op aanwezigheid van dergelijke kenmerken.
Tevens wordt tijdens het veldonderzoek bepaald of sprake is van lijnvormige landschapsstructuren die van belang kunnen zijn als vliegroute. Hierbij wordt bepaald of sprake is van doorgaande watergangen en aaneengesloten bomenrijen. Tevens wordt (om de essentie van de vliegroute te bepalen) gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren. Tenslotte wordt bepaald of sprake is van landschapsstructuren (bijvoorbeeld opgaand groen) die van belang kunnen zijn als foerageergebied. Om de essentie van het foerageergebied te bepalen, wordt tijdens het veldbezoek gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren. Grondgebonden zoogdieren Het gebied wordt beoordeeld op geschiktheid als leefgebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren (o.a. eekhoorn, das, kleine marterachtigen), waarbij wordt gelet op sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen, wissels, looppaadjes) en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen. Tevens worden eventuele zichtwaarnemingen genoteerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt voortplantingshabitat, zomerhabitat en/of overwinteringsplekken voor beschermde amfibieën biedt.
Bij aanwezigheid van een potentieel geschikt voortplantingswater voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Bij aanwezigheid van potentieel geschikt landhabitat wordt direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van beschermde amfibieën tussen de vegetatie en op donkere, vochtige plekken (onder stukken hout e.d.). Reptielen Tijdens het veldbezoek wordt gelet op de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat voor reptielen, zoals zanderige, structuurrijke plekken en schuilmogelijkheden. Indien sprake is van geschikt habitat wordt (bij uitvoering van het veldbezoek in de geschikte periode) direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op eventueel aanwezige individuen (onder takkenhopen e.d.). Vissen Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of oppervlaktewater (indien aanwezig) geschikt is voor beschermde vissoorten. Hierbij wordt gelet op o.a. bodemsubstraat, helderheid, voedselrijkdom en de aanwezigheid van onderwater- en oevervegetatie. Bij ogenschijnlijke geschiktheid van de watergang voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Vlinders, libellen en overige ongewervelden Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt is als habitat voor beschermde soorten vlinders, libellen en overige ongewervelden (o.a. kevers en tweekleppigen).
Hierbij wordt o.a. gelet op de aanwezigheid van waardplanten (voor vlinders), water met geschikte ei-afzetplaatsen (voor libellen) en helder water met een rijke waterbeplanting (voor platte schijfhoren). Tijdens het veldbezoek wordt direct gelet op aanwijzingen van gebruik van het plangebied door beschermde ongewervelden (o.a. poppen, vervellingshuidjes, larven, nimfen). Bij aanwezigheid van potentieel geschikte watergang/poel (voor beschermde libellen, waterkevers en platte schijfhoren) wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
9 van 24
RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK FLORA Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde flora voor kan komen: dennenorchis en wilde ridderspoor. Het grasland binnen het plangebied heeft een voedselrijk karakter. Hierdoor zijn typische soorten van voedselarme (kalkrijke) gras- en akkerlanden (wilde ridderspoor) en humusrijke bosbodems (dennenorchis) op voorhand uit te sluiten. Groeiplaatsen van andere beschermde flora zijn niet waargenomen en kunnen daarom op voorhand uitgesloten.
BROEDVOGELS CAT. 1 T/M 4 (NESTEN JAARROND BESCHERMD) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen: huismus, gierzwaluw, buizerd, boomvalk, havik, roek, sperwer, kerkuil, ooievaar en kerkuil. Tijdens het veldbezoek zijn geen categorie 4 soorten aangetroffen. De schuur is door de aanwezigheid van dakpannen en overige geschikte invliegopeningen geschikt als nestlocatie voor de (in kolonies broedende) huismus. Tijdens het veldbezoek zijn daarnaast diverse nestlocaties (zeer vermoedelijk van huismus) waargenomen (zie figuur 3). Daarnaast biedt een opening in de nok van de schuur ruimte voor een nestplaats van gierzwaluw. Aan de oostkant van de schuur is een opening aanwezig met sporen van uitwerpselen. In de houten dakafwerking aan de kopgevels zijn spleten aanwezig. Echter is het hout recent geschilderd, waardoor het voor gierzwaluw te glad is om aan vast te houden. In de bomen binnen het plangebied zijn geen grote nesten waargenomen welke mogelijk geschikt zijn voor buizerd, havik, sperwer, ooievaar en ransuil. Deze soorten zijn daarom op voorhand uit te sluiten. Roek broedt in kolonieverband in bomen. Een dergelijke kolonie is niet in het plangebied aanwezig.
Onderstaande alinea is opgesteld ter verduidelijking van de opmerking van de gemeente Elburg (jan, 2023) De openingen van de nestlocaties (zie figuur 3) zijn door hun kleine formaat ongeschikt voor kerkuil en steenuil. Daarnaast bevinden de nestlocaties zich in een schuur waar regelmatig bewoningsactiviteiten plaatsvinden, waardoor de nestlocaties in enige mate aan verstoring worden blootgesteld. Kerkuil broedt in Nederland voornamelijk in speciale nestkasten in halfopen schuren of holle bomen (SOVON, 2023). Dergelijke nestlocaties ontbreken binnen het plangebied. Steenuil broedt in Nederland vooral in boomholten (zoals wilgen) of speciale nestkasten (SOVON, 2023). Deze ontbreken binnen het plangebied. Broedplaatsen van kerkuil en steenuil worden daarom binnen het plangebied uitgesloten.
Figuur 3.
Nestplaatsen voor (zeer waarschijnlijk huismus)
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
10 van 24
Addendum 15 september 2023, naar aanleiding van opmerkingen bevoegd gezag: Op 13 september 2023 is een aanvullende inspectie van het dak uitgevoerd. Het grootste gedeelte van de dakrand is afgedicht met vogelschroot. Echter zijn ter hoogte van de gevelpannen van de schuur openingen aanwezig. De gevelpannen liggen hier gedeeltelijk op de dakgoot waardoor er een invliegopening is. Nabij deze openingen (onder de gevelpannen) zijn aan de achterzijde van de schuur nesten van huismus waargenomen (zie figuur 4). In figuur 5 zijn deze nestlocaties, evenals het te plaatsen dakraam in kaart gebracht. Het dichtstbijzijnde nest bevindt zich op ca. 6 meter afstand van het toekomstige dakraam.
Figuur 4.
Nest van huismus onder dakpannen schuur.
Figuur 4.
Nestlocaties van huismus (groen) ten opzichte van het te plaatsen dakraam (blauw) Bron: Google Maps
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
11 van 24
BROEDVOGELS CAT. 5 Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied onder andere volgende categorie 5-broedvogels voor (kunnen) komen: boomkruiper, boomklever, bosuil, ekster, gaai, grauwe vliegenvanger, spechten, koolmees, pimpelmees, zwarte roodstaart en zwarte kraai. Tijdens het veldbezoek zijn koolmees en ekster waargenomen. In de kieren en openingen in de schuur kunnen soorten als koolmees, pimpelmees, spreeuw, grauwe vliegenvanger en zwarte roodstaart geschikte nestplaatsen vinden. In een van de bomen is een middelgroot nest aangetroffen, welke mogelijk geschikt is als nestplaats voor ekster, gaai of zwarte kraai. Door het ontbreken van holten in bomen kunnen bosuil, ekster, bosuil, boomkruiper, boomklever, gaai, spechten, op voorhand worden uitgesloten. Het plangebied is voor de (mogelijk) aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden in tuinen en bos in omgeving. De te verwachten soorten zijn daarnaast algemeen in Nederland. Daarom zijn ze niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van deze categorie 5-broedvogels (net als nesten van algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen.
ALGEMENE BROEDVOGELS Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: winterkoning, roodborst en merel. Uit het veldonderzoek blijkt dat binnen het plangebied zeer geschikt broedbiotoop aanwezig is voor algemene broedvogels. Soorten zoals winterkoning, roodborst en merel kunnen door de aanwezigheid omvangrijke groenstructuren zoals struiken, bomen, puin- en takkenhopen geschikte nestplaatsen vinden. Daarnaast bieden de openingen in de schuur mogelijk geschikte nestplaatsen voor bijvoorbeeld witte kwikstaart en kauw.
VLEERMUIZEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: baardvleermuis, bosvleermuis, gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en rosse vleermuis. 4.5.1 VERBLIJFPLAATSEN
De schuur in het plangebied is niet voorzien van een spouw, waardoor deze ongeschikt is als verblijfplaats voor meervleermuis. Wel zijn kieren en spleten aanwezig in de houten balken en onder gevelpannen (zie figuur 5). Het plangebied is daarmee geschikt als zomerverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, baardvleermuis en laatvlieger. Er zijn geen holten in bomen aangetroffen, waardoor verblijfplaatsen van boombewonende soorten als rosse vleermuis, bosvleermuis en ruige dwergvleermuis op voorhand zijn uit te sluiten.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
12 van 24
Figuur 5.
Opening onder de gevelpan aan de noordwestkant van de schuur (foto: 12-9-2023).
4.5.2 VLIEGROUTES
De groenstructuren in, en parallel aan, het plangebied vormen lijnvormige elementen in het landschap, waardoor een functie als vliegroute niet op voorhand is uit te sluiten. 4.5.3 FOERAGEERGEBIED
Door de aanwezigheid van bomen en groenstructuren is het plangebied geschikt als foerageergebied voor vleermuizen.
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen: boommarter, steenmarter, wezel en eekhoorn. Van steenmarter en wezel is bekend dat zij in vervallen gebouwen, schuurtjes en rommelhoeken verblijfplaatsen kunnen te hebben. Ze komen relatief veel voor in bebouwde gebieden en cultuurlandschap, en maken gebruik van groenstructuren als bosschages, ruigtes en graslanden om in te foerageren. De rommelhopen binnen het plangebied en openingen in de schuur zijn zeer geschikt als verblijfplaats voor steenmarter en wezel. Verblijfplaatsen van boommarter en eekhoorn zijn op voorhand uit te sluiten door het ontbreken van eekhoornnesten en holten in bomen. De bosschages en grasvelden binnen het plangebied zijn zeer geschikt leefgebied voor steenmarter, boommarter, eekhoorn en wezel. Vanwege het relatief kleine oppervlak van het plangebied en het ruime aanbod geschikt leefgebied in de omgeving van het plangebied (zie figuur 6) maakt het plangebied geen onderdeel uit van essentieel leefgebied steenmarter, boommarter, wezel en eekhoorn.
AMFIBIEËN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat het plangebied buiten het verspreidingsgebied van beschermde amfibieën valt. Daarnaast ontbreekt het binnen en nabij het plangebied aan enige vorm van water. Negatieve effecten op beschermde amfibieën worden op voorhand worden uitgesloten.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
13 van 24
REPTIELEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde reptielen voor kunnen komen: hazelworm, levendbarende hagedis en zandhagedis. Onder de bosschage aan de westkant van het plangebied bevindt zich een strooisellaag, welke geschikt biotoop biedt voor hazelworm. Door de afwezigheid van (vochtige) heide-, hoogveen-, en duingebieden met open zandige plekken en vegetatie zoals heidestruiken en struwelen, ontbreekt het binnen of nabij het plangebied aan geschikt leef- en voortplantingsbiotoop voor levendbarende hagedis en zandhagedis, welke beide op circa 1,5 kilometer ten zuiden en ten oosten van het plangebied voorkomen.
VISSEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat het plangebied buiten het verspreidingsgebied van beschermde vissoorten valt. Daarnaast ontbreekt het binnen en nabij het plangebied aan enige vorm van water. Negatieve effecten op beschermde vissoorten worden op voorhand worden uitgesloten.
VLINDERS, LIBELLEN EN OVERIGE ONGEWERVELDEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied grote vos voor kan komen. De grote vos is een dagvlinder die grote afstanden kan afleggen. De grote vos wordt verspreidt door het land en vooral bij bosrijke gebieden gevonden. De vlinders zijn vooral te vinden op warme, vochtige, zonnige, open maar beschutte plaatsen. De soort overwintert in stapels hout, puin of holten in bomen. Daarnaast heeft de soort zoete kers, iep of wilgen nodig (waardplanten). Door de afwezigheid van waardplanten zijn voorplantingsplaatsen van grote vos op voorhand uit te sluiten. Door het ontbreken van geschikt habitat kunnen andere beschermde libellen en vlinders op voorhand worden uitgesloten.
SAMENVATTING RESULTATEN In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuuren veldonderzoek (mogelijk) aanwezig zijn binnen het plangebied. Tabel 1
Mogelijk aanwezige beschermde soorten.
Soortgroep
(Kans op) aanwezigheid beschermde soorten? Ja Flora
x
Broedvogels categorie 1 t/m 4
x
Broedvogels categorie 5
x
Algemene broedvogels
x
Vleermuizen
x
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
Nee
14 van 24
Zoogdieren (grondgebonden)
x
Amfibieën Reptielen
x x
Vissen
x
Vlinders, libellen en overige ongewervelden
x
Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 4-1, soorten uit kolom ‘ja’). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Gelderland) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. vos en egel) en overige in het wild levende flora en fauna. Doordat reeds duidelijk is dat de beschermde soorten uit de soortgroepen flora, amfibieën, vissen en vlinders, libellen en andere ongewervelden niet aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze in het vervolg van voorliggende rapportage verder niet behandeld.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
15 van 24
EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN INLEIDING De onderstaande effectenanalyse en de beschrijving van de maatregelen richten zich op de verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (Wnb-artikelen, 3.1, 3.5 en 3.10) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen het plangebied en de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (Wnb-artikel 1.11) die mogelijk binnen het plangebied voorkomen. In paragrafen 5.2 t/m 5.7 worden per (mogelijk) aanwezige soortgroep (zie paragraaf 4.11) de mogelijke effecten op beschermde soorten en benodigde maatregelen besproken. In paragraaf 5.8 worden enkele aanvullende maatregelen (ten aanzien van de zorgplicht én het voorkomen van tussentijdse vestiging van beschermde soorten) beschreven.
BROEDVOGELS CAT. 1 T/M 4 5.2.1 EFFECTEN
Het plangebied biedt geschikt broedbiotoop voor huismus en gierzwaluw, en bevat bestaande nestlocaties van huismus. Tijdens de werkzaamheden wordt het dak, wat mogelijk geschikte nestplaatsen voor huismus en gierzwaluw biedt, op de locaties waar het dakraam komt verbouwd. De locatie van dit dakraam bevindt zich op ca. 6 meter van de nestlocaties van de huismus. Ook de potentiële nestlocaties van gierzwaluw zijn enkele meters verwijderd van het te plaatsen dakraam, waardoor vernietiging van nestplaatsen van categorie 1 t/m 4 broedvogels (overtreding van de Wnb (artikel 3.1, tweede lid) op voorhand is uitgesloten. Wel kunnen de werkzaamheden een verstorend effect hebben op de nesten. Dit is een overtreding van de Wnb. 5.2.2 MAATREGELEN
Om verstoring van nesten van huismus en gierzwaluw te voorkomen dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de genoemde aanwezige categorie 1 t/m 4 soorten plaats te vinden. Dit betekent dat de werkzaamheden aan de schuur geen doorgang kunnen vinden tussen 1 maart (start broedseizoen huismus) en 31 augustus (eind broedseizoen huismus). Verder worden de nesten door huismus gebruikt als rustplaats tijdens koude dagen, hierom mag het dakraam niet geplaatst worden indien de dagtemperatuur onder de 0 graden is.
BROEDVOGELS CAT. 5 5.3.1 EFFECTEN
Het plangebied is geschikt voor onder andere koolmees, pimpelmees, spreeuw, grauwe vliegenvanger en zwarte roodstaart. Het plangebied is voor de aanwezige categorie 5-vogels niet van ecologisch hoog belang, omdat het hooguit om enkele broedparen gaat. Bovendien zijn in de omgeving voldoende alternatieve nestlocaties te vinden de omgeving. De soorten zijn daarnaast algemeen in dit deel van Nederland. Als gevolg hiervan zijn de nesten van categorie 5-broedvogels binnen het plangebied niet jaarrond beschermd. Wel zijn nesten van de genoemde categorie-5 soorten (net als het geval is voor algemene broedvogels) beschermd tijdens het broedseizoen. De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5broedvogels worden derhalve (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.4.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
16 van 24
ALGEMENE BROEDVOGELS 5.4.1 EFFECTEN
Binnen het plangebied is zeer geschikt broedbiotoop aanwezig is voor algemene broedvogels. Soorten zoals winterkoning, roodborst en merel kunnen door de aanwezigheid omvangrijke groenstructuren zoals, bomen, puin- en takkenhopen geschikte nestplaatsen vinden. Daarnaast bieden de openingen in de schuur mogelijk geschikte nestplaatsen voor bijvoorbeeld witte kwikstaart en kauw. Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van algemene broedvogels soorten verstoord en/of vernield. De verstoring die als gevolg van de werkzaamheden kan optreden, is niet van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding. Dit aangezien de te verwachten soorten algemeen in Nederland voorkomen en de verstoring slechts van tijdelijke aard is. Verstoring van nesten veroorzaakt derhalve geen overtreding van de Wnb. Door vernieling van nesten wordt de Wnb echter wel overtreden. 5.4.2 MAATREGELEN
Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wnb (als gevolg van vernieling van vogelnesten) worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: -
Werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 30 augustus) uitvoeren. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode 15 maart t/m 30 augustus (dit wordt wel gezien als het reguliere broedseizoen). Het is mede afhankelijk van weersomstandigheden of ook buiten deze periode wordt gebroed door vogels. Derhalve dient men voorafgaande aan het werk contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen.
VLEERMUIZEN De bebouwing in het plangebied is geschikt als zomerverblijfplaats voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger, kleine dwergvleermuis, baardvleermuis en ruige dwergvleermuis. In de hoeken van de achterzijde van de schuur zijn invliegopeningen aanwezig waardoor de tussenruimte van het dak kan worden bereikt. Tevens kan het plangebied onderdeel uitmaken van een niet-essentiële vliegroute en niet-essentieel foerageergebied. 5.5.1 EFFECTEN
De voorgenomen werkzaamheden leiden niet tot vernietiging van verblijfplaatsen van vleermuizen, omdat de werkzaamheden aan het dak op minimaal 6 meter van de invliegopening worden uitgevoerd. Het is niet aannemelijk dat er op deze afstand van de invliegopening een verblijfplaats van vleermuizen aanwezig is. Daarnaast is het plaatmateriaal onder de dakpannen niet ideaal voor vleermuizen om over te bewegen. Door de combinatie van bovenstaande factoren is uit te sluiten dat er een verblijfplaats van vleermuizen aanwezig is op de locatie van het te plaatsen dakraam. Verstoring als gevolg van het aanbrengen van het dakraam is uitgesloten, omdat dit een relatief kleinschalige en lokale ingreep aan het dak betreft. Wel kunnen de werkzaamheden een verstorend effect hebben over vleermuizen, bijvoorbeeld wanneer extra verlichting wordt gebruikt. De groenstructuren in, en parallel aan, het plangebied vormen lijnvormige elementen in het landschap, waardoor een functie als vliegroute niet op voorhand is uit te sluiten. Echter, er zijn veel alternatieve lijnvormige elementen aanwezig in de half open en bosrijke omgeving van het plangebied, in de vorm van
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
17 van 24
bomenrijen en houtwallen (zie figuur 6). De mogelijke functie van het plangebied betreft daarom een nietessentiële functie. Door de aanwezigheid van bomen en groenstructuren is het plangebied geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. In de halfopen en bosrijke omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm van groenstructuren (zie figuur 6). Negatieve effecten op beschermd essentieel foerageergebied zijn uitgesloten. Hiermee is overtreding van de Wnb uitgesloten.
Figuur 6.
Alternatieve lijnvormige elementen (witte lijn) en foerageergebied (groenstructuren) ten opzichte van het plangebied (rood omlijnd). Bron ondergrond: Pdok Viewer.
5.5.2 MAATREGELEN
Voer de werkzaamheden in de vleermuis actieve periode (april t/m oktober) zoveel mogelijk overdag uit of ’s avonds zonder extra kunstmatige verlichting. Als dat niet mogelijk is, dient lichtuitstraling naar de omgeving te worden vermeden om verstoring van vleermuizen te voorkomen.
GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN 5.6.1 EFFECTEN
Het plangebied is geschikt als vaste rust- en verblijfplaats voor steenmarter en wezel. Tijdens de voorgenomen werkzaamheden blijven vaste rust- en verblijfplaatsen (zoals rommelhoeken in de bosschage) echter ongemoeid, waardoor vernietiging van vaste rust- en verblijfplaatsen niet aan de orde is. Verder is op het huidige terrein al sprake van een grote mate van verstoring door menselijk activiteit waardoor inpandige werkzaamheden en het in gebruik nemen van het grasveld als camperplaats geen negatief effect hebben eventuele verblijfplaatsen van marterachtigen.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
18 van 24
De werkzaamheden kunnen een verstorend effect hebben op het leefgebied van steenmarter, boommarter, wezel en eekhoorn welke zich in of nabij het plangebied bevinden tijdens de werkzaamheden. Er is echter voldoende geschikt leefgebied in de omgeving van het plangebied aanwezig waar dieren zich naar kunnen verplaatsen. Daarnaast zijn de werkzaamheden van kleine en tijdelijke aard. Er is daarom geen sprake van significante verstoring. 5.6.2 MAATREGELEN
De werkzaamheden van een kant af starten en rustig opbouwen om eventueel aanwezige grondgebonden zoogdieren de kans te geven om te ontsnappen. Bij aanwezigheid van een eekhoorn, deze de gelegenheid geven om uit zichzelf te ontsnappen en hierna de werkzaamheden te starten.
REPTIELEN 5.7.1 EFFECTEN
De bosschage aan de westkant van het plangebied is mogelijk geschikt als leefgebied voor hazelworm. De bosschage blijft echter ongemoeid tijdens de werkzaamheden. De wijziging van gebruiksfunctie van het grasland leidt niet tot afname van leefgebied van de hazelworm. Doding van hazelwormen is op basis van het planvoornemen uitgesloten. Hierom zijn negatieve effecten op hazelworm op voorhand uitgesloten. 5.7.2 MAATREGELEN
Er zijn geen aanvullende maatregelen ten aanzien van hazelworm nodig.
AANVULLENDE MAATREGELEN (T.A.V. ZORGPLICHT) Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: 1.
De werkzaamheden dienen van één kant af te worden uitgevoerd om aanwezige soorten (zoals egel) de kans te geven om te ontsnappen.
Wanneer tijdens de werkzaamheden onverhoopt beschermde soorten worden aangetroffen, dient direct contact te worden opgenomen met de begeleidende ecoloog om te bespreken hoe gehandeld dient te worden.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
19 van 24
GEBIEDENBESCHERMING NATURA 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie figuur 7), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 0,8 kilometer) van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’ plaatsvindt worden daarnaast geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.
Figuur 7.
Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van Natura 2000-gebied ‘Veluwe’’ (groen gearceerd). Bron: Natura 2000 gebieden | natura 2000
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
20 van 24
Door het voornemen om nieuwbouw te realiseren is een toename van de stikstofdepositie in de gebruiksfase ten opzichte van het huidige gebruik van het plangebied aannemelijk. Derhalve is het aanbevolen om een stikstofberekening (bijvoorbeeld middels gebruik van AERIUS) uit te (laten) voeren.
PLANOLOGISCHE GEBIEDENBESCHERMING Het plangebied ligt niet in het NNN (zie figuur 8) en valt ook niet onder gebieden die zijn aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. Direct negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling daarnaast kleinschalig is en op enige afstand (circa 0,8 kilometer) van het dichtstbijzijnde NNN-gebied plaatsvindt, worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht. Op basis van bovenstaande is toetsing aan de planologische gebiedenbescherming van het NNN en/of weidevogelgebieden niet van toepassing.
Figuur 8.
Ligging plangebied (rood omlijnd) ten opzichte van het dichtstbijzijnde NNN en/of belangrijke weidevogelgebieden (groen gearceerd). Bron: Kaart Gelders Natuurnetwerk
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
21 van 24
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN SOORTENBESCHERMING Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Huismus, gierzwaluw, categorie 5 en algemene broedvogels, diverse gebouwbewonende vleermuizen, steenmarter, boommarter, wezel, eekhoorn en hazelworm. S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Het mogelijk verstoren van (nesten van) broedvogels, vleermuizen, steenmarter, boommarter, wezel en eekhoorn. S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Nee, niet zolang de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden. S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? In onderstaande tabel zijn de benodigde voorzorgsmaatregelen opgenomen. S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Nee, niet zolang de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden en de buitenschil van de bebouwing ongemoeid blijft. Tabel 2
Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen.
(Mogelijk) soort(groep)en
aanwezige
Benodigde voorzorgsmaatregelen t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 3.1, 3.5 en 3.10) -
Categorie 1 t/m 4 broedvogels Categorie 5 en algemene broedvogels Vleermuizen Steenmarter, boommarter, wezel en eekhoorn
-
Werkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van huismus en gierzwaluw (15 maart – 31 augustus) Dakraam plaatsen buiten het broedseizoen van huismus (1 maart – 31 augustus) en buiten dagen waarin de dagtemperatuur onder 0 graden is.
-
Werken buiten het globale broedseizoen (15 maart – 31 augustus)
-
Werk zoveel mogelijk overdag; Werk in de vleermuis actieve periode (april t/m oktober) zonder extra kunstmatige verlichting. De werkzaamheden dienen van één kant af te worden uitgevoerd om aanwezige grondgebonden zoogdieren de kans te geven om te ontsnappen.
-
Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten)
1. 2.
De werkzaamheden dienen van één kant af te worden uitgevoerd om aanwezige soorten de kans te geven om te ontsnappen. Ecoloog raadplegen indien onverhoopt beschermde soorten worden aangetroffen tijdens de werkzaamheden.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
22 van 24
GEBIEDENBESCHERMING Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming worden beantwoord: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied, binnen het NNN of binnen een belangrijk weidevogelgebied? Nee. G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Nee, aanvullende toetsing zoals een voortoets of NNN-toets zijn niet benodigd. Wel dient een stikstofberekening uit te wijzen of negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen optreden als gevolg van een toename van de stikstofdepositie. G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? Nee.
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
23 van 24
VERWIJZINGEN SOVON. (2023, 01 23). Opgehaald van www.sovon.nl: https://stats.sovon.nl/stats/soort/7350 SOVON. (2023, 01 23). Opgehaald van www.sovon.nl: https://stats.sovon.nl/stats/soort/7570
QuickScan Wet natuurbescherming Koeweg 1a ’t Harde | 2 | 20220671/rap01
24 van 24