BSP Doornspijk - Uitbreiding Waterlanden II_vastgesteld_2_Bijlagen toelichting = nieuw
Tekst van het document
bestemmingsplan
Doornspijk - Uitbreiding Waterlanden II Elburg
DATUM IMRO IDN
11 december 2023 NL.IMRO.0230.BPWATERLANDENII-VST1
PROJECT PROJECTLEIDER
Bestemmingsplan Doornspijk - Uitbreiding Waterlanden II C. Leenstra
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
gemeente Elburg 20201611
AUTEUR STATUS
T. Gerritsma vastgesteld
Inhoudsopgave
Bijlagen toelichting
5
Bijlage 1
Beeldkwaliteitplan Waterlanden II - 2023
7
Bijlage 2
Akoestiek
37
Bijlage 3
Verkennend milieukundig bodemonderzoek
39
Bijlage 4
Plan voor de waterhuishouding en riolering
113
Bijlage 5
Quickscan Wet natuurbescherming
137
Bijlage 6
Stikstofdepositieberekening
171
Bijlage 7
Soortgericht onderzoek
235
Bijlage 8
Bureauonderzoek Archeologie en cultuurhistorie
253
Bijlage 9
Archeologisch vooronderzoek: inventariserend veldonderzoek
305
Bijlage 10
Archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek
341
Bijlage 11
Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
365
Bijlage 12
Inspraaknota Waterlanden II
723
Bijlage 13
Nota vooroverleg
739
Bijlage 14
Nota van Beantwoording zienswijzen
745
3/756
4/756
Bijlagen toelichting
5/756
6/756
Bijlage 1
7/756
Beeldkwaliteitplan Waterlanden II - 2023
ontwerp
BEELDKWALITEITSPLAN WATERLANDEN II 2023 DOORNSPIJK 11 december 2023 Versie 3.4
ontwerp
Titel
Beeldkwaliteitsplan Waterlanden II 2023 Doornspijk
Opdrachtgever
Gemeente Elburg
Status
Versie 3.4
Datum
11 december 2023
Projectnummer
228.01
Uitgegeven door
kienontwerp
Het auteursrecht op alle in dit rapport opgenomen foto’s, tekeningen en teksten berust
bij kienontwerp. De opdrachtgever heeft het gebruiksrecht op de gehele inhoud van dit rapport. Voor iedereen behalve de opdrachtgever geldt dat niets uit dit rapport mag worden overgenomen zonder schriftelijke toestemming van kienontwerp.
ontwerp
Zuidsingel 8a 3811 HA Amersfoort 0334328243 info@kienontwerp.nl www.kienontwerp.nl bank NL60RABO0309334012 KvK 57997721 BTW NL852827556B01
BEELDKWALITEITSPLAN WATERLANDEN II 2023 DOORNSPIJK
Zicht op plangebied en achtertuinen woningen Beekenkampweg
INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding
7
2. Stedenbouwkundig plan
9
3. Beeldkwaliteitsplan
17
5
Locatie in Doornspijk
N W
O Z
6
1. INLEIDING Aansluitend op de Omgevingsvisie Elburg 2018 heeft de gemeente Elburg het voornemen om aan de noordzijde van Doornspijk woningbouw te plegen. Daarmee komt er ruimte voor starters, doorstromers in de huur- en koopsector en vrije kavels. De ontwikkeling vormt een vervolg op de woningbouwontwikkeling Waterlanden I rond de Beekenkampweg en de Hoeckelsweg. In Doornspijk is er een grote behoefte aan woningen. Die behoefte wordt op basis van de gemeentelijke Woonvisie ingevuld met een mix van woningen. De ontwikkelingslocatie is ongeveer 1,75 hectare groot en vormt als woningbouwlocatie een, voor een dorp met de omvang van Doornspijk, flinke uitbreiding. Het stedenbouwkundig plan is in participatiebijeenkomsten besproken met de direct omwonenden en de bewoners van Doornspijk. In voorliggend plan is zo veel mogelijk rekening gehouden met de uitkomsten van de bijeenkomsten.
Plangebied
7
Historische kaart van Doornspijk omstreeks 1900
Oude structuurlijnen zijn in de huidige situatie nog steeds herkenbaar (blauw = verkaveling, magenta = wegen)
8
2. STEDENBOUWKUNDIG PLAN De locatie De ontwikkeling op de locatie is een vervolg op de uitbreiding Waterlanden I in Doornspijk. De locatie ligt ten noorden van de woningen aan de Beekenkampweg tussen de Dokter Bruinsweg en de Kerkdijk. De locatie bevat een tweetal percelen, waarvan er in de huidige situatie één als agrarisch perceel in gebruik is en het andere gebruikt wordt voor tuinen. Het perceel dat direct grenst aan de woningen aan de Beekenkampweg is, ongeveer vanaf de realisatie van die woningen, in huur aangeboden aan de bewoners. Alle bewoners hebben daar gebruik van gemaakt, waarbij sommige bewoners hun tuin hebben verlengd en een andere bewoners het gebruiken voor het houden van dieren. De noordelijke kavel bestaat uit grasland. Beide percelen vallen onder het Bestemmingsplan buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018, vastgesteld op 28-02-2019. De percelen hebben de bestemming Agrarisch met waarden en een dubbelbestemming Archeologie hoge verwachtingswaarde en de functieaanduiding Openheid. Een deel van de noordelijke kavel heeft ook de functieaanduiding Specifieke vorm van agrarisch met waarden – weidevogelgebied. Tevens heeft het noordelijke perceel de dubbelbestemming Waarde – Archeologie middelhoge verwachtingswaarde.
Voor het realiseren van woningen, de bijbehorende ontsluiting en groen op deze percelen zal het bestemmingsplan voor deze percelen moeten worden gewijzigd. Historie Het plangebied maakt deel uit van het landelijk gebied ten noorden van Doornspijk. Doornspijk werd al omstreeks het jaar 800 als ‘Villa Thornspic’ aangeduid. Oorspronkelijk lag het centrum van de plaats ten noorden van de huidige plaats, nabij de Sint-Ludgeruskerk aan de Zuiderzeedijk. Nadat de kerk in 1825 door overstroming en blikseminslag verloren was gegaan, werd er een nieuwe kerk gebouwd op grotere afstand van de Zuiderzee, tegenover het Erf Klarenbeek. Het centrum van het dorp kwam rond deze nieuwgebouwde kerk te liggen. In het midden van de 19e eeuw is door het huidige dorp de Zuiderzeestraatweg aangelegd. De Kerkdijk van het huidige dorp naar de plaats waar de oude kerk heeft gestaan, vormde oorspronkelijk De Sint-Ludgeruskerk tijdens de overstroming van 4 februari 1825 de verbinding tussen het achterland en de oude kern aan de Zuiderzee. Doornspijk is tot 1950 langzaam gegroeid. Daarna is de groei van het dorp meer planmatig opgepakt. De meest recente planmatige ontwikkelingen hebben zich vooral aan de noordzijde van het dorp afgespeeld. Op de kaart van 1900 is de landschappelijke verkaveling en wegenstructuur rondom het dorp goed Huis Klarenbeek
9
N W
O Z
Hoofdopzet stedenbouwkundig plan
10
herkenbaar. Veel van deze structuurlijnen zijn in de huidige opzet van het dorp nog herkenbaar en bepalen voor een groot deel ook de verkavelingsrichting van de nieuw gerealiseerde woonbuurten. Omgeving van het plangebied Het plangebied ligt op de rand van de wijk Waterlanden I en grenst aan de noordzijde aan het open landelijk gebied en aan de oostzijde aan de kavels aan de Kerkdijk. Aan de zuidzijde staan vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen aan de Beekenkampweg. Zoals eerder beschreven zijn de gehuurde delen van de achtertuinen onderdeel van het plangebied. Tussen de woningen door is de openheid van het weidegebied beleefbaar. Aan de zuidwestzijde ligt de Dokter Bruinsweg, die aansluit op de Beekenkampweg. Langs het deel haaks op de Beekenkampweg loopt er een watergang langs de weg. Deze watergang loopt door in het open weidegebied. De Dokter Bruinsweg maakt ter hoogte van het plangebied een haakse knik. Vanaf deze knik is er een weids zicht over de weilanden. Aan de noordzijde van de Dokter Bruinsweg grenzen twee-onder-een-kapwoningen met achtertuinen aan het open weidelandschap. Op de hoek van de Beekenkampweg en de Kerkdijk liggen nu een speelplek, een speelveld en een halfpipe (skatebaan).
Hoofdopzet stedenbouwkundig plan De hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan volgt de oorspronkelijke verkavelingsstructuur van het landschap en sluit aan op de structuur van de wijk Waterlanden I. Een belangrijke functionele ingreep is het aansluiten van de Dokter Bruinsweg op de Kerkdijk via het plangebied. De ontsluiting takt circa 40 meter ten noorden van de Beekenkampweg aan op de Kerkdijk. Hierdoor blijft de relatie tussen de speelplek en het speelveld behouden. De huidige ontsluiting langs de watergang aan de westzijde van het plangebied wordt daarbij weggehaald voor autoverkeer, maar blijft wel behouden voor fietsers en voetgangers. Voor een beleving van het weidse landschap ten noorden van Doornspijk voor alle bewoners van Waterlanden en Doornspijk is ervoor gekozen de ontsluitingsweg aan de rand van het plangebied te leggen. Hierdoor krijgt de wijk een gezicht naar het landschap, is de ruimtelijke invloed van de bebouwing op het landschap minimaal en het maakt de weidsheid van het landschap voor alle nieuwe bewoners onderdeel van het wonen. Om de beleving van de openheid van het weidegebied voor de huidige bewoners aan de Beekenkampweg zo goed mogelijk te bewaren is er gekozen voor een meer open bebouwingsstructuur aan de zijde van het landschap, met in het middengebied een bebouwingsstructuur haaks daarop. Deze rijen staan aan doodlopende woonhofjes.
Als overgang tussen de bestaande en de nieuwe woningen wordt een zone van circa negen meter vrijgehouden. De bewoners aan de Beekenkampweg kunnen van deze zone een deel van vierenhalve meter dat achter hun tuin ligt kopen om hun tuin te verlengen. Bij de verdere invulling van het stedenbouwkundig plan hebben het groen, de bomen en de parkeerplekken een plek gekregen.
11
N W
O Z
Verkavelingsplan
12
Verkavelingsplan Het stedenbouwkundig plan is uitgewerkt in een concreet en gedetailleerd verkavelingsplan. Dit verkavelingsplan laat de mogelijke uitwerking van het stedenbouwkundig plan zien voor de openbare ruimte en de positie van de woningen. Bij de uitwerking in een inrichtingsplan en architectonische plannen kan het verkavelingsplan binnen de kaders van het bestemmingsplan nog wijzigen. Aan de zijde van het open weidelandschap staan twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen met de voorzijde naar het landschap gericht. Dit geeft de bebouwingsrand een meer transparant karakter. Vanuit het middengebied is ‘tussen de woningen door’ de openheid van het weidegebied beleefbaar. Aan de oostzijde staan twee vrijstaande woningen verder naar achter geplaatst in verband met een hindercontour. Aan de Dokter Bruinsweg staat een rij woningen. Deze rij begeleidt de watergang en het zicht naar het open landschap. De uitwerking van de massa van deze rij moet vooral de hoofdrijrichting op een logische wijze ondersteunen door bijvoorbeeld een bebouwingsaccent op de noordelijke kop van de rij. Rond het meest westelijke woonhofje zijn rijen woningen getekend. Deze kunnen ingevuld worden met het sociale programma. Het oostelijke woonhofje bevat aan de westzijde rijwoningen en aan de oostzijde twee-onder-een-kapwoningen.
Aan de noordoostzijde en oostzijde van het plangebied vormen vrijstaande woningen de overgang naar de beplanting aan de Kerkdijk. Ontsluiting en parkeren Komend vanuit de Dokter Bruinsweg knikt de ontsluitingsweg haaks naar links en vervolgens weer naar rechts. Je rijdt hier langs het open weidelandschap. Om het verkeer af te remmen zijn ter hoogte van de woonhofjes twee kleine knikken in de weg aangebracht. Aan de oostzijde van het plangebied knikt de weg vervolgens naar rechts richting de Beekenkampweg en bij het speelveld weer naar links richting de Kerkdijk. Langs de weg zijn op verschillende plekken langsparkeerplekken geprojecteerd. Voor de twee-onder-een-kapwoningen en de vrijstaande woningen geldt dat bij elke woning twee parkeerplekken op eigen terrein gerealiseerd moeten worden. Deze parkeerplekken mogen niet achter elkaar gepositioneerd worden. Bij de twee kavels op de hoeken van de doorgaande woonstraat is het, in afstemming op de inrichting van de openbare ruimte, ook mogelijk in de achtertuin parkeerplaatsen te realiseren. Bij de rijwoningen wordt in het openbaar gebied geparkeerd. De parkeerplekken zijn vooral in de woonhofjes opgenomen, dicht bij de woningen. Voor het aantal te realiseren parkeerplekken wordt verwezen naar het gemeentelijke parkeerbeleid. Groen, spelen en water Aan de zijde van het open weidelandschap komt een watergang.
Tussen deze watergang en de ontsluitingsweg komt, aansluitend op de rij bomen achter de woningen aan de Dokter Bruinsweg, een rij met knotwilgen die een zichtbare groene rand van de wijk vormt zonder het uitzicht op het open landschap te hinderen. De watergang versterkt het landelijke karak-
13
Vogelperspectief mogelijke verkaveling
Mogelijk toekomstbeeld komend vanaf de Dokter Bruinsweg
14
ter van de buurt en zorgt ervoor dat er geen mensen of dieren de weides inlopen. In de onbebouwde zone tussen de nieuwbouw en de bestaande woningen aan de Beekenkampweg is naast de verkoop van een stuk extra tuin aan de bewoners ruimte voor een waterbuffer. Door de directe aantakking van de ontsluitingsweg op de Kerkdijk blijven de speelplek en het speelveld aan elkaar grenzen. De halfpipe voor het skaten komt hiermee wel te vervallen. De skateplek wordt weinig gebruikt. De bestaande speelplek blijft gehandhaafd en is voor kinderen veilig vanuit de nieuwbouw bereikbaar. Het speelveld krijgt door de nieuwe ontsluiting en het verdwijnen van de halfpipe een langgerektere vorm. Het speelveld wordt met een dichte groenstrook of een hekwerk van de ontsluitingsweg afgeschermd. Programma woningen In het verkavelingsplan zijn 11 sociale rijwoningen in de huur en 6 rijwoningen in de sociale koop opgenomen. Daarnaast is er ruimte voor 5 rijwoningen in de vrije sector, 10 twee-onder–een-kapwoningen en 5 vrijstaande woningen. In totaal bevat het plan 37 woningen, waarvan 46 procent in de sociale sector. Duurzaamheid De uitdagingen op het gebied van duurzaamheid en milieu die op ons afkomen, zorgen voor veranderingen. De effecten van die veranderingen zijn complex en onzeker.
Dit vraagt om een nieuwe manier van denken en doen ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling, inrichting, gebruik en beheer van de leefomgeving. De rol van water daarbinnen noemen wij het nieuwe waterdenken. Dit zorgt niet alleen voor droge voeten en schoon water. Het nieuwe waterdenken verbindt water aan klimaatverandering, energietransitie en circulaire economie. De waterbuffer tussen het plan en de bestaande woningen aan de Beekenkampweg speelt hierbij een belangrijke rol. Natuurinclusief bouwen Een groene en aantrekkelijke leefomgeving is goed voor mensen en (beschermde) dieren en planten. Dit kan bereikt worden door meer natuurlijk groen aan plannen toe te voegen. Voor Waterlanden II is deze ambitie vertaald in een plan waar in het woongebied ook ruimte is voor een doorgaande groenstructuur. Ook de woningen en tuinen kunnen natuurvriendelijker gemaakt worden. Naast de aanleg van het openbare groen, is er eveneens de ambitie om de woningen en de tuinen natuurvriendelijk in te richten. Dit heet ook wel ‘natuurinclusief bouwen’. Bij natuurinclusief bouwen houden bouwers rekening met beschermde dier- en plantsoorten en de hoeveelheid groen op, aan en rondom gebouwen. Natuurinclusief bouwen hoeft niet ingewikkeld te zijn. Relatief simpele en goedkope ingrepen kunnen ertoe leiden dat gebouwen een betekenisvolle bijdrage leveren aan het ecosysteem.
Denk aan nestkasten voor vogels of vleermuizen, insectenhotels, het natuurinclusief inrichten van tuinen, weinig verharding te gebruiken, gebruik van hagen (voor vogels) en het aanplanten van bloem- en kruidenrijke graslanden. Het beste (en fraaiste) resultaat wordt geboekt door maatregelen ten aanzien van natuurinclusief bouwen onderdeel uit te laten maken van het ontwerpproces van de woning en/of tuin. Op de website https://www.checklistgroenbouwen.nl/ staan aansprekende voorbeelden.
15
Verkavelingsopzet en woonhofjes
Oriëntatie woningen en bebouwingsaccent
Bouwgrens, rooilijnen en bouwvlak
16
3. BEELDKWALITEITSPLAN Inleiding Om de ruimtelijke kwaliteit van de toekomstige ontwikkeling van Waterlanden II zo goed mogelijk richting te geven is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. In dit beeldkwaliteitsplan worden handvatten gegeven voor de uitwerking van het verkavelingsplan in concrete bouwplannen en plannen voor de inrichting van de openbare ruimte. In aanvulling op de Welstandsnota bevat dit beeldkwaliteitsplan aanvullende en specifieke welstandseisen voor Waterlanden II. Voor Waterlanden I is destijds ook een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Dit beeldkwaliteitsplan heeft per abuis de naam bkp Doornspijk waterlanden II gekregen. Om verwarring te voorkomen wordt aan de titel van dit beeldkwaliteitsplan het jaartal 2023 toegevoegd. Bij specifieke eisen voor de woningen wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de rijwoningen en de twee-onder-een-kapwoningen en anderzijds de vrijstaande woningen. De eisen voor de vrijstaande woningen worden gebundeld in een aparte paragraaf. Waar niet specifiek verwezen wordt naar de verschillende typen woningen gelden de hieronder beschreven eisen voor alle woningen. Algemene sfeerbeschrijving Qua uitstraling dient de nieuwe ontwikkeling in Waterlanden II logisch en vanzelfsprekend aan te sluiten op de wijk Waterlanden I. Waterlanden I heeft een sterke dorpse uitstraling met in de recente ontwikkelingen een meer landelijke sfeer.
Deze dorpse en landelijke uitstraling van de gebouwen geldt ook in Waterlanden II als basis voor de uitwerking van het verkavelingsplan in bouwplannen. Beeldkwaliteitseisen alle woningen Oriëntatie woningen en accenten De verkaveling kent een klassieke opzet waarbij de voorzijden van de woningen naar de openbare ruimte zijn gericht en de achterkanten van de woningen en achtertuinen naar andere zij- of achtertuinen van andere woningen. Tussen aan elkaar grenzende achtertuinen kan mogelijk een openbaar toegankelijk pad lopen om de achtertuinen te bereiken. De verkaveling vormt zo drie halfopen bouwblokken. Tussen de drie bouwblokken liggen twee woonhofjes. Bij de oriëntatie van de woningen is er sprake van een duidelijke keuze in hiërarchie. Zo heeft het landschap in de oriëntatie de hoogste plek in de hiërarchie. De woningen in het plan die aan de zijde van het landschap zijn gesitueerd, zijn met de voorzijde van de woning op het landschap gericht. Waar woningen op een hoek van de verkaveling liggen, hebben de woningen een dubbele oriëntatie. Dit betekent dat de woningen aan beide zijden een gevel hebben met een representatieve uitstraling en dat beide zijden zijn vormgegeven als voorgevel met daarbij passende gevelopeningen, entree in de zijgevel of erker. De tweede plek in de hiërarchie is de Dokter Bruinsweg.
In het verkavelingsplan grenst een rij woningen aan de Dokter Bruinsweg en de daaraan parallel lopende watergang. Halverwege de rij woningen maakt de Dokter Bruinsweg in het verkavelingsplan een haakse knik. Komend vanuit het zuidwesten over de Dokter Bruinsweg is er een bebouwingsaccent in de massa van de rij woningen gewenst die de hoofdrichting van de ontsluiting benadrukt. Rondom de woonhofjes zijn de woningen vooral georiënteerd op de leefhofjes. De rijwoningen en de twee-onder-een-kapwoningen staan met de zijkanten gericht naar de achtertuinen van de bestaande woningen aan de Beekenkampweg. In verband met de privacy van de
17
Rij woningen met zadeldak en aan zijde Beekenkampweg een schildkap
Rij woningen met schildkap en bebouwingsaccent (suggestie)
Rij woningen in hofje met één bouwlaag en kap
Twee-onder-een-kapwoningen individueel herkenbaar
Twee-onder-een-kapwoningen met gezamenlijk zadeldak
18
Twee-onder-een-kapwoningen eenvoudig samengestelde kap
bewoners van die woningen en de beleving van ruimte zijn op de verdiepingen geen gevelopeningen toegestaan. Op de kop van de rij wordt geen kopgevel gemaakt, maar een schuine kap. Bouwgrenzen en rooilijnen Voor een groene uitstraling van de ontwikkeling in de wijk spelen tuinen een belangrijke rol. Om voldoende voortuinen in het plan te krijgen, worden bouwgrenzen en rooilijnen voorgesteld. Aan de zijde van het landschap ligt deze bouwgrens op 3 meter vanaf de voorste erfgrens. Er wordt daarbij geen vaste rooilijn beschreven. De woningen mogen in de rooilijn verspringen. Bij de overige woningen in het plan ligt deze bouwgrens aan de voorzijde van de woningen op 4 meter. Voor de rij woningen aan de Dokter Bruinsweg is deze bouwgrens tevens een vaste rooilijn. De bebouwing dient in deze rooilijn gebouwd te worden. Beeldkwaliteitseisen rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen Bouwmassa’s Qua bouwmassa wordt aangesloten op de behoefte aan type woningen en de in de wijk aanwezige bouwmassa’s. Voor de rijwoningen en twee-onder-een-kapwoningen aan de buitenrand van de ontwikkeling wordt een bouwmassa van twee bouwlagen met kap als uitgangspunt benoemd. Hierbij hoort een goothoogte van maximaal 6,5 meter en een maximale bouwhoogte van 10,5 meter. Rond de woonhofjes is het goed voorstelbaar dat er een kleinschaligere sfeer ontstaat.
Op deze plekken is het zowel voorstelbaar dat er woningen met één laag en een kap worden gebouwd of woningen met twee lagen en een kap. Voor de twee-onder-een-kapwoningen in het oostelijke hofje die grenzen aan de vrijstaande woningen geldt een maximale goothoogte van 4,5 meter. Bijgebouwen Vrijstaande bijgebouwen zoals bergingen staan bij voorkeur op de achtererfgrens. Bijgebouwen die grenzen aan of binnen 1 meter staan van het openbaar gebied worden uitgevoerd in steen. Bijgebouwen hebben een maximale goothoogte van 3 meter. Kapvorm Aansluitend op de ontwikkeling van Waterlanden I, wordt hier ook gewerkt met zadeldaken, schilddaken en mansardedaken. Bij de twee-onder-een-kapwoningen is het mogelijk dat beide woningen een zadeldak krijgen met de nokrichting haaks op de voorgevel. Hierdoor worden beide woning meer zelfstandig herkenbaar. De woningen mogen ook met een zadeldak of schilddak met de nokrichting parallel aan de voorgevel worden afgedekt. Beide woningen kunnen ook elk een eigen dakvorm hebben waardoor er een eenvoudig samengestelde kap ontstaan. De dakhelling heeft een hoek tussen de 35 en 55 graden. De rijwoningen worden met een zadeldak of mansardedak afgedekt. De koppen van de bouwblokken met de rijwoningen aan de zijde van de Beekenkampweg worden bij voorkeur afgedekt met een schilddak of mansardedak.
In verband met de privacy van de tuinen van de woningen aan de Beekenkampweg is aan deze zijde geen dakkapel of dakopening toegestaan. Bij het gebruik van een mansardedak is het alleen in het onderste deel van het dak toegestaan een dakkapel te realiseren. De hellingshoek van het onderste deel van het mansardedak is minimaal 80 graden. 19
Beeldreferenties bebouwing
Recent gerealiseerde woningen in Waterlanden I als referentie voor de opbouw van de gevels: roodbruine baksteen als basis, antracietgrijze pannen, witte kozijnen, ramen op verdieping uitgelijnd met ramen begane grond, visuele verlaging bouwvolume door verticale opsplitsing in (maximaal 2) materialen
Rijwoningen met bijzondere beëindiging bouwblok
Rijwoningen met een meer landelijke stijl
20
Rijwoningen met bebouwingsaccent en verlaging bouwvolume door verticale geleding
Rijwoningen met een meer landelijke stijl
In het algemeen worden bij de rijwoningen samengestelde kappen als niet passend gezien. Wolfseinden worden binnen de dorpse context als niet passend gezien. In het algemeen geldt dat dakkapellen met de woningen worden meeontworpen. Ook wanneer de bewoner later een dakkapel wil toevoegen aan zijn woning dient te worden vastgelegd dat deze overeenkomt met de reeds ontworpen dakkapellen. Hierdoor ontstaat er een eenduidiger en rustig straatbeeld. Gevelopbouw De indeling van de gevels van de woningen moet passen bij het dorpse en landelijke karakter van de woningen in de wijk. Hierbij past een rustige gevelindeling waarbij de gevelopeningen op de verdieping in enige mate zijn uitgelijnd op de gevelopeningen op de begane grond. Het fysiek koppelen van gevelopening op de verdieping met gevelopening op de begane grond door bijvoorbeeld een doorlopend kozijn of door een afwijkend materiaal of afwijkend metselverband is niet toegestaan. Voor een schaalverkleining in de gevel kan gewerkt worden met verschillende materialen op de begane grond en op de verdieping. Dit dient wel onderdeel te zijn van de gekozen architectuurstijl (zie verder bij paragraaf over materiaalgebruik). Massa/plastiek/plasticiteit De woningen dienen een duidelijke en herkenbare opbouw te hebben waarbij de verschillenden onderdelen van de woning duidelijk herkenbaar zijn.
Bij de architectonische uitwerking dient de buitenzijde van de woning voldoende plasticiteit te hebben, waarmee de gevels een levendige uitstraling krijgen. Dit krijgt vorm door gebruik te maken van natuurlijke materialen, handgevormde bakstenen, een goede detaillering, diepe neggen, ruime overstekken en klassieke oud-Hollandse dakpannen. Kleur, materiaalgebruik en detaillering Elke bouwmassa (een blok rijwoningen, een blokje met twee-onder-een-kapwoningen of een vrijstaande woning) krijgt een eenduidige uitstraling. De individuele woning is ondergeschikt aan het totale bouwvolume. De bouwvolumes met de rijwoningen van het meest westelijke hofje zijn qua architectonische uitstraling duidelijk familie van elkaar en hebben naast dezelfde ruimtelijke opbouw ook hetzelfde materiaalgebruik. • Gevels De gevels van de woningen worden opgebouwd uit metselwerk in een roodbruine of bruinrode tint (zie ook referentiebeelden). Boven kozijnen en bij overgangen van kleur of materiaal wordt gewerkt met rollagen. Bij gebruik van lichtere bakstenen kan een donkere plint worden toegepast. Woningen zijn terughoudend gedetailleerd. Details in de gevel dienen alleen ter versterking van de gekozen architectuurstijl en het dorpse of landelijke karakter. Ter versterking van het landelijke karakter van de woningen is het wenselijk de gevels van de
21
Beeldreferenties bebouwing
Rijwoningen met mansardekap
Rijwoningen met één laag en een kap
Twee-onder-een-kapwoningen met samengestelde kap en een meer landelijke uitstraling
rijwoningen een horizontale geleding te geven. Deze geleding bestaat uit een stevig basement van metselwerk van ten minste de begane grond. Het bovenste deel kan bestaan uit (zwarte) gepotdekselde houten delen of qua kleur contrasterend metselwerk. Verbijzonderingen in de voorgevel geven de bouwblokken met rijwoningen een dorpse maat en schaal. • Kozijnen Kozijnen zijn wit. Voordeuren en andere houten delen zoals luiken krijgen een klassieke landelijke kleur. Hierbij kan gedacht worden aan donkerblauw, donkerrood of donkergroen. Per bouwmassa is één accentkleur toegestaan. • Dak Alle daken worden afgedekt met een oud-Hollandse keramische dakpan. De woningen die grenzen aan het landschap krijgen dakpannen in een roodoranje kleur en de overige daken worden gedekt met antracietgrijze of zwarte dakpannen. Bij de daken wordt gewerkt met ruime overstekken, bakgoten en daklijsten. Hierbij is het schilderwerk wit (aansluitend op de kozijnen). Natuurinclusief bouwen De bouwers van de woningen worden uitgedaagd om invulling te gegeven aan het natuurinclusief bouwen zoals beschreven in hoofdstuk 2. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen of inbouwen van nestkasten.
22
Beeldkwaliteitseisen vrijstaande woningen Voor Waterlanden II is er de ambitie om er qua architectonische uitstraling een samenhangende buurt van de te maken. Bij de individuele ontwikkeling van de vrijstaande woningen is het belangrijk om de architectonische expressie af te stemmen op die van de projectmatige woningen. Veel van de beeldkwaliteitsregels voor de vrijstaande woningen komen daarom ook overeen met die voor de rijwoningen en de twee-onder-een-kapwoningen. Bouwmassa De vijf vrijstaande woningen krijgen een opbouw van één laag met een hoge kap. Hierbij hoort een maximale goothoogte van 4,5 meter en een maximale bouwhoogte van 10,5 meter. Bijgebouwen Vrijstaande bijgebouwen zoals bergingen staan bij voorkeur op de achtererfgrens. Bijgebouwen die grenzen aan of binnen 1 meter staan van het openbaar gebied worden uitgevoerd in steen. Bijge- Vrijstaande woning met zadeldak bouwen hebben een maximale goothoogte van 3 meter. Kapvorm De vrijstaande woningen krijgen een zadeldak. Eventuele dakkapellen zijn sterk ondergeschikt aan het dakvlak. De dakhelling ligt tussen de 45 en 65 graden. In het algemeen worden bij de vrijstaande woningen samengestelde kappen als niet passend gezien. Wolfseinden worden binnen de dorpse context als niet passend gezien. In het algemeen geldt dat dakkapellen met de woningen worden meeontworpen.
Ook wanneer de bewoner later een dakkapel wil toevoegen aan zijn woning dient te worden vastgelegd dat deze overeenkomt met de reeds ontworpen dakkapellen. Hierdoor ontstaat er een eenduidiger en rustig straatbeeld. Gevelopbouw De indeling van de gevels van de woningen moet passen bij het dorpse en landelijke karakter van de woningen in de wijk. Hierbij past een rustige gevelindeling waarbij de gevelopeningen op de verdieping in enige mate zijn uitgelijnd op de gevelopeningen op de begane grond. Het fysiek koppelen van gevelopening op de verdieping met gevelopening op de begane grond door bijvoorbeeld een doorlopend kozijn of door een afwijkend materiaal of afwijkend metselverband is niet toegestaan. Voor een schaalverkleining in de gevel kan gewerkt worden met verschillende materialen op de begane grond en op de verdieping. Dit dient wel onderdeel te zijn van de gekozen architectuurstijl (zie verder bij paragraaf over materiaalgebruik). Massa/plastiek/plasticiteit De woningen dienen een duidelijke en herkenbare opbouw te hebben waarbij de verschillenden onderdelen van de woning duidelijk herkenbaar zijn.
23
Beeldreferenties bebouwing
Referentiebeelden van vrijstaande woningen met meer landelijke uitstraling
24
Bij de architectonische uitwerking dient de buitenzijde van de woning voldoende plasticiteit te hebben, waarmee de gevels een levendige uitstraling krijgen. Dit krijgt vorm door gebruik te maken van natuurlijke materialen, handgevormde bakstenen, een goede detaillering, diepe neggen, ruime overstekken en klassieke oud-Hollandse dakpannen. Kleur, materiaalgebruik en detaillering Elke vrijstaande woning krijgt een eenduidige en uitgesproken uitstraling. Gevels De gevels van de woningen worden opgebouwd uit metselwerk in een roodbruine of bruinrode tint. Boven kozijnen en bij overgangen van kleur of materiaal wordt gewerkt met rollagen. Bij gebruik van lichtere bakstenen kan een donkere plint worden toegepast. Woningen zijn terughoudend gedetailleerd. Details in de gevel dienen alleen ter versterking van de gekozen architectuurstijl en het dorpse of landelijke karakter. Ter versterking van het landelijke karakter van de woningen is het wenselijk de gevels van de rijwoningen een horizontale geleding te geven. Deze geleding bestaat uit een stevig basement van metselwerk van ten minste de begane grond. Het bovenste deel kan bestaan uit (zwarte) gepotdekselde houten delen of qua kleur contrasterend metselwerk. Kozijnen Kozijnen zijn wit. Voordeuren en andere houten delen zoals luiken krijgen een klassieke landelijke kleur.
Hierbij kan gedacht worden aan donkerblauw, donkerrood of donkergroen. Per bouwmassa is één accentkleur toegestaan. Dak Alle daken worden afgedekt met een oud-Hollandse keramische dakpan. De woningen die grenzen aan het landschap krijgen dakpannen in een roodoranje kleur en de overige daken worden gedekt met antracietgrijze of zwarte dakpannen. Bij de daken wordt gewerkt met ruime overstekken, bakgoten en daklijsten. Hierbij is het schilderwerk wit (aansluitend op de kozijnen). Natuurinclusief bouwen De bouwers van de woningen worden uitgedaagd om invulling te gegeven aan het natuurinclusief bouwen zoals beschreven in hoofdstuk 2. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen of inbouwen van nestkasten.
25
Bloemrijke inrichting openbaar groen met mogelijkheid voor sociale ontmoeting
Zichtbare afvoer van regenwater en tevens speelaanleiding voor kleine kinderen
Voorbeeld van een lage beukenhaag als erfgrens aan voorzijde woning
Voorbeeld van een begroeid hekwerk als erfafscheiding aan achterzijde woning
Beukenhaag 0,8 meter hoog Groene erfafscheiding of begroeid transparant stalen hekwerk max. 2 meter hoog Beplanting erfgrenzen
26
Openbare ruimte Overgang openbaar gebied – privégebied Rust en eenheid zijn belangrijk voor een goede uitstraling van de woonomgeving. De overgang van het privéterrein naar het openbaar gebied speelt daarin een belangrijke rol. Voor Waterlanden II worden de erfafscheiding standaard voorgeschreven. Aan de voorzijde en aan de zijkant van de kavel die grenst aan het openbaar gebied wordt de overgang tussen het openbaar gebied en de kavel op de kavel voorzien van een 0,8 meter hoge beukenhaag (groen). Waar de zijkanten en achterkanten van de kavels grenzen aan openbaar gebied wordt vanaf de achtergevel van de woningen de overgang tussen openbaar gebied en de kavel vormgegeven door een begroeid, 2 meter hoog, zwart stalen hekwerk. Bij de uit te geven strook voor de bewoners aan de Beekenkampweg wordt voor een rustige beleving een eenduidige erfafscheiding voorgeschreven. De strook grond aansluitend op de erfafscheidingen, tussen de waterbuffer en de nieuwe eigendomsgrens van de woningen aan de Beekenkampweg, wordt door de gemeente ingeplant met bijvoorbeeld camouflerende beplanting. Bestrating Qua inrichting van het openbaar gebied wordt aangesloten op de bestaande inrichting. Hierbij worden vooral dezelfde materialen en detaillering gebruikt. Hierdoor wordt de nieuwe ontwikkeling een wezenlijk onderdeel van de wijk.
Vanuit milieuoogpunt wordt waar mogelijk meer groen toegepast om het regenwater zo veel mogelijk op de locatie te laten infiltreren. Groen Het groen in het plan ligt vooral in de woonhofjes en tussen de ontwikkeling en de bestaande woningen aan de Beekenkampweg. Het groen is hoofdzakelijk functioneel groen met in de woonhofjes ruimte voor spelen voor de jongste kinderen. Het groen mag geen belemmering vormen voor de beleving van de openheid van het open weidelandschap ten noorden van de locatie. Waar mogelijk draagt het groen bij aan het aantrekken van vlinders en bijen.
27
ontwerp
36/756
Bijlage 2
37/756
Akoestiek
AKOESTIEK
1.1 Doel van het onderzoek Het plan bestaat uit het realiseren van 35 woningen aan de rand van de bestaande woonwijk, Waterlanden fase 2 te Doornspijk. Alle wegen in de bestaande woonwijk hebben een maximumsnelheid van 30 km/Wegen met een maximumsnelheid van 30 km/h hebben geen wettelijke geluidzone. De nieuwe woningen liggen ook niet in de wettelijk geluidzone van andere wegen of spoorwegen. Dit betekent dat er geen geluidbronnen aanwezig zijn waarvan de geluidsbelasting bij de nieuwe woningen getoetst moet worden aan de normen van de Wet geluidhinder. Een onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer is daarom niet nodig. Aanvullend is de verwachte verkeersintensiteit in het plangebied ±273 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van deze intensiteit kan worden geconcludeerd dat de verwachte grenswaarde van 48 dB in het plangebied niet zal worden overschreden. Er is in het plangebied sprake van een aanvaardbaar akoestische kwaliteit.
Arcadis Nederland B.V., Lübeckplein 34, 8017 JS Zwolle
T +31 (0)88 4261 261
www.arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504
Bijlage 3
39/756
Verkennend milieukundig bodemonderzoek
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK Waterlanden fase II Gemeente Elburg
19 AUGUSTUS 2021
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
Contactpersoon LAURA VREDENBORGSLOOT Specialist Bodem
M +31 614382245 E laura.vredenborg@arcadis.com
Onze referentie: D10023330 40
Arcadis Nederland B.V. Postbus 137 8000 AC Zwolle Nederland
2 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
INHOUDSOPGAVE 1
2
3
4
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Doel
5
1.3
Aanpak
5
1.4
Werkzaamheden
6
1.5
Leeswijzer
6
VOORONDERZOEK
7
2.1
Situatie en gebruik
7
2.1.1
Historisch gebruik
7
2.1.2
Huidig gebruik
8
2.2
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit
8
2.2.1
Uitgevoerde bodemonderzoeken
8
2.2.2
Asbest
8
2.2.3
PFAS
9
2.2.4
Bodemkwaliteitskaart
9
2.2.5
Bodemopbouw en geohydrologie
9
2.3
Conclusies vooronderzoek
10
OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
11
3.1
Hypothese en onderzoeksopzet
11
3.2
Uitvoering veldwerk
11
3.3
Uitvoering laboratoriumonderzoek
12
3.4
Kwaliteitsborging
12
RESULTATEN
13
4.1
Bodemopbouw en grondwater
13
4.2
Veldwaarnemingen
13
4.2.1
Grond
13
4.2.2
Grondwater
13
4.3
Laboratoriumonderzoek en toetsing analyseresultaten
14
Onze referentie: D10023330 40
3 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
5
4.3.1
Grond
14
4.3.2
Grondwater
15
4.4
Interpretatie
15
4.4.1
Grond
15
4.4.2
Grondwater
15
4.5
Toetsing hypothese
15
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
16
5.1
Aanleiding en doel
16
5.2
Conclusies
16
5.3
Aanbevelingen
16
BIJLAGEN BIJLAGE A HISTORISCH KAARTMATERIAAL
17
BIJLAGE B BOORPROFIELEN
18
BIJLAGE C ANALYSECERTIFICATEN
19
BIJLAGE D TOETSING VAN DE ANALYSERESULTATEN
20
BIJLAGE E TOELICHTING OP HET TOETSINGSKADER
21
BIJLAGE F VERKLARING ONAFHANKELIJKHEID
22
BIJLAGE G TEKENINGEN
23
COLOFON
24
Onze referentie: D10023330 40
4 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
1
INLEIDING
In opdracht van de gemeente Elburg heeft Arcadis Nederland B.V. een verkennend milieukundig bodemonderzoek verricht op het terrein ten noorden van de Beekmanstraat te Doornspijk. De kadastrale aanduiding van de betreffende percelen is gemeente Doornspijk, sectie D nummers 1885 en 4789. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek, NEN, 2016). Het onderzochte terrein (de onderzoekslocatie) heeft een oppervlakte van circa 1,7 ha. Op de locatie zijn geen verhardingen aanwezig (zie tekening in Bijlage G).
1.1
Aanleiding
Het onderzoek is uitgevoerd in verband met de geplande realisatie van 35 woningen aan de rand van de bestaande woonwijk, Waterlanden fase II te Doornspijk. Ten behoeve van de bouw van deze woningen dient de kwaliteit van de bodem te worden bepaald om te bepalen of aanvullende veiligheids- of saneringsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd. De regionale ligging van de onderzochte locatie is weergeven in het kleine kaartvak van tekening 1 in Bijlage G. Het bodemonderzoek zal alleen worden uitgevoerd ter plaatse van de te plaatsen woningen. Het deel ten oosten van de bestaande woningen wordt niet bebouwd en is derhalve niet onderzocht.
1.2
Doel
Het doel van het verkennend bodemonderzoek is met een relatief geringe onderzoeksinspanning aan te tonen dat op de locatie redelijkerwijs gesproken geen verontreinigende stoffen aanwezig zijn in de grond of in het freatisch grondwater in gehalten boven de achtergrondwaarde of streefwaarde, of te bevestigen dat (bepaalde delen van) de locatie verontreinigd zijn met de verwachte stoffen (Bron: NEN 5740+A1). Het bodemonderzoek is niet gericht op het vaststellen van de mogelijkheden voor hergebruik van (eventueel) in een later stadium af te voeren grond. Op hergebruik van grond is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Voor bodemonderzoek dat in het kader van grondverzet wordt uitgevoerd gelden andere onderzoeksprotocollen. Wel zijn de onderzoeksresultaten indicatief getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit. Het doel daarvan is om een indicatie te krijgen over de mogelijkheden om eventueel vrijkomende grond te hergebruiken. Hierbij is geen rekening gehouden met aanwezigheid van PFAS omdat wordt voorzien dat er geen afvoer van grond buiten de locatie zal plaatsvinden.
1.3
Aanpak
Het verkennend milieukundig bodemonderzoek wordt vooraf gegaan door een vooronderzoek volgens NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, NEN, 2017). Op basis van de resultaten uit het vooronderzoek wordt een onderzoekshypothese geformuleerd. Afhankelijk van eventuele aanwijzingen over de aanwezigheid van een bodemverontreiniging wordt een locatie geclassificeerd als ‘verdacht’ of ‘onverdacht’. Op basis van deze classificatie wordt een hypothese geformuleerd, welke vervolgens aan de hand van de onderzoeksresultaten wordt getoetst. Bij een onderzoek op een ‘onverdachte’ locatie wordt de hypothese getoetst dat er geen verontreiniging aanwezig is, bij een onderzoek van een verdachte locatie wordt de hypothese getoetst dat wel een (specifieke) verontreiniging aanwezig is.
Onze referentie: D10023330 40
5 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
1.4
Werkzaamheden
In het kader van het verkennend bodemonderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • • • •
vooronderzoek conform NEN 5725; veldonderzoek; laboratoriumonderzoek; toetsing en interpretatie van de analyseresultaten; toetsing van de onderzoekshypothese; rapportage inclusief formuleren van conclusies en eventuele aanbevelingen.
Disclaimer Hoewel het bodemonderzoek op zorgvuldige wijze is voorbereid en uitgevoerd, kan niet worden uitgesloten dat er in werkelijkheid afwijkingen optreden ten opzichte van de in dit rapport gepresenteerde resultaten. Immers, elk bodemonderzoek is gebaseerd op het nemen van een aantal steekproeven, welke representatief worden geacht voor het onderzochte gebied, maar waarbij (lokale) afwijkingen niet volledig kunnen worden uitgesloten.
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 beschrijft de resultaten van het vooronderzoek. De opzet van het veld- en laboratoriumonderzoek volgen in hoofdstuk 3. De resultaten van het onderzoek staan beschreven in hoofdstuk 4. Tenslotte volgen in hoofdstuk 5 een samenvatting, de conclusies en eventuele aanbevelingen. In de bijlagen zijn onder meer boorprofielen, analysecertificaten en kaartmateriaal opgenomen.
Onze referentie: D10023330 40
6 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
2
VOORONDERZOEK
Voor de bepaling van de onderzoeksstrategie is een vooronderzoek uitgevoerd gebaseerd op het onderzoeksprotocol NEN 5725 (Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). Hierbij zijn o.a. de in het verleden op de locatie uitgevoerde activiteiten en de resultaten van in het verleden (in de omgeving) uitgevoerde bodemonderzoeken geïnventariseerd. De resultaten van dit vooronderzoek zijn weergegeven in dit hoofdstuk. Geraadpleegde bronnen: • • • • • • • •
Terreinverkenning in combinatie met het veldwerk; de opdrachtgever; de website www.bodemloket.nl; de website www.topotijdreis.nl; de website https://report.dotkadata.com/#!search; de website Kaarten | Atlas Leefomgeving de website https://streetsmart.cyclomedia.com informatie van de gemeente, provincie en/of de omgevingsdienst (archieven bodem, milieuvergunningen etc.) de website http://pdokviewer.pdok.nl/
Voor informatie over de bodemopbouw en geohydrologische informatie is gebruik gemaakt van: • • • •
de gegevens van grondwatertools Grondwatertools-viewer | Grondwatertools de gegevens uit het DINO loket www.dinoloket.nl; De klimaateffectatlas Viewer - Klimaateffectatlas boorstaten en sonderingen verkregen bij het vooronderzoek.
Leidend in het vooronderzoek is de aanleiding. De aanleiding van dit verkennend bodemonderzoek sluit aan bij één of meerdere aanleidingen die het onderzoeksprotocol voorschrijft. Het vooronderzoek is uitgevoerd met als aanleiding A: Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek.
2.1
Situatie en gebruik
2.1.1
Historisch gebruik
In Bijlage A is het historisch kaartmateriaal weergegeven. Onderzoekslocatie Op de locatie zijn al vroeg (1871) agrarische percelen te onderscheiden. In 1933 is te zien dat aan de oostzijde van de locatie een vermoedelijke weg of pad ligt, maar in 1957 is deze niet meer te onderscheiden. Op huidig kaartmateriaal bevindt het pad zich op dezelfde locatie. Vanaf 1957 tot 1974 is op het kaartmateriaal een doorlopende perceelsgrens midden over het terrein (van west naar oost) weergegeven. In 1975 lopen de perceelsgrenzen iets anders, en dit is het geval tot 1995. Vanaf 1996 is de huidige sloot die tussen het perceel van de gemeente en het agrarisch perceel ligt reeds te onderscheiden. Omgeving Uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat Doornspijk nog volop in ontwikkeling is. In 1871 zijn de huidige N310 en Kerkdijk reeds te onderscheiden met weinig bebouwing langs deze straten. Vanaf 1957 ontwikkelt het dorp Doornspijk zich en in 1996 zijn de woningen aan de Beekenkampweg waar de onderzoekslocatie aan grenst voor het eerst te onderscheiden. Sindsdien is er ten zuidwesten van de locatie nog bebouwing bij gekomen.
Onze referentie: D10023330 40
7 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
2.1.2
Huidig gebruik
De onderzoekslocatie bevindt zich in een nieuwbouwgedeelte van Doornspijk. De locatie is niet bebouwd. Agrarisch en tuinen Het noordelijke deel van het perceel is in gebruik als grasland. Het zuidelijk deel is in eigendom van de gemeente. Dat deel is met toestemming van de gemeente in gebruik als achtertuinen van de woningen aan de Beekenkampweg. Sloot Het agrarische perceel en de achtertuinen worden voor een groot deel gescheiden door een sloot. Deze wordt echter bij de ontwikkeling van de locatie behouden en hoeft dan ook niet onderzocht te worden. Kavelpad In het verlengde van de sloot is een kavelpad aanwezig dat wordt gebruikt om de achterliggende agrarische percelen te bereiken. Waarschijnlijk betreft dit hetzelfde pad dat op de historische kaarten vanaf 1933 is te zien (zie Figuur 1). In combinatie met het veldwerk is een visuele terreinverkenning uitgevoerd. Het pad is onverhard. In de rijsporen is slechts grind waargenomen dat ook elders op de onderzoekslocatie in de bodem wordt waargenomen.
Figuur 1 kavelpad tussen agrarisch perceel en perceel van gemeente (bron: google Streetview)
Verder zijn vanuit de locatie inspectie geen bijzonderheden in het gebruik van de locatie waargenomen met het oog op mogelijke bodemverontreiniging.
2.2
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit
2.2.1
Uitgevoerde bodemonderzoeken
Nabij de onderzoekslocatie zijn op een afstand van circa 130 meter in het verleden bodemonderzoeken uitgevoerd. Het meest recente bodemonderzoek is uit november 2011 (Verkennend bodemonderzoek Veldweg 26 te Doornspijk, kenmerk 1147601A, PJ Milieu BV). Hierbij zijn in de grond geen verhoogde waarden aan verontreinigingen aangetoond. Alleen in het grondwater zijn licht verhoogde gehalten aan barium en zink aangetoond. Het is onduidelijk waar deze verontreinigingen van afkomstig zijn. Na navraag bij de gemeente Elburg blijkt dat dit vaker voorkomt in deze omgeving sprake is van verhoogde achtergrondgehalten.
2.2.2
Asbest
Voor zover bekend is de locatie voor het te onderzoeken gebied niet asbestverdacht. Wel dient rekening te worden gehouden met eventuele historische wegen en/of paden. De locatie van het pad dat aan de oostzijde Onze referentie: D10023330 40
8 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
van de locatie ligt dient daarom visueel geïnspecteerd te worden op de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal zoals puin. Bij het locatiebezoek voorafgaande ten tijde van het veldwerk is geen asbestverdacht materiaal zoals puin waargenomen aan het maaiveld.
2.2.3
PFAS
Sinds 8 juli 2019 is het verplicht om bij grondverzet rekening te houden met onderzoek naar PFAS. Er dient voorafgaand aan het bodemonderzoek te worden vastgesteld of de bodem verdacht is op het voorkomen van PFAS en bij afvoer van grond dient PFAS analyse te worden uitgevoerd. Volgens de website van de omgevingsdienst Noord-Veluwe worden in de gemeente Elburg de landelijke normen gehanteerd voor PFAS. Het uitgangspunt is dat er bij de ontwikkeling van het gebied en realisatie van de woningen geen sprake is van afvoer van grond (gesloten grondbalans) Er wordt dan ook geen PFAS onderzoek uitgevoerd.
2.2.4
Bodemkwaliteitskaart
De Omgevingsdienst Noord-Veluwe beschikt over een bodemkwaliteitskaart inclusief bodembeheerplan/bodembeheernota (auteur: Tauw, kenmerk R001-1206995LNH-baw-V02-NL, 21 januari 2014). De onderzoekslocatie bevindt zich op de grens van de bodemkwaliteitszones ‘wonen overig’ en ‘agrarisch buitengebied’, en lijkt net buiten arseengebied te liggen. De bodemkwaliteitskaart is niet gedetailleerd genoeg om de exacte grens te bepalen. In dit deelgebied worden de bovengrond (0,0-0,5 mmv) en ondergrond (>0,5 m–mv.) gekwalificeerd als ‘schoon’. In het arseengebied is bovendien een lokale maximale waarde vastgesteld van 76 mg/kg (standaardbodem). Specifieke regels met betrekking tot grondverzet in deze gebieden zijn opgenomen in de Nota Bodembeheer 2013-2018. Indien uit de analyses blijkt dat verhoogd arseen voorkomt, zal dit meegenomen worden genomen in interpretatie en aanbevelingen.
2.2.5
Bodemopbouw en geohydrologie
De globale bodemopbouw, samengesteld op basis van de bovengenoemde gegevens, is weergegeven in Tabel 1. Tabel 1 Schematisering bodemopbouw
Diepte (t.o.v. mv )
Samenstelling
Geohydrologische betekenis
Geologische formaties
0 – 11
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en fijn zand, met weinig zandige klei en grof zand en een spoor klei.
-
Formatie van Boxtel, tweede zandige eenheid
11-20
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden, grof en fijn zand.
watervoerende laag
Eem Formatie, eerste zandige eenheid
20-30
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit watervoerende laag grof en midden zand, met weinig zandige klei.
Formatie van Drenthe, eerste zandige eenheid
30-42
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig fijn zand en grind en een spoor klei.
Formatie van Urk, vierde zandige eenheid
42-80
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit watervoerende laag grof en midden zand, met weinig zandige klei.
Formatie van Appelscha, eerste zandige eenheid
80-100
Zandige eenheid, hoofdzakelijk bestaande uit midden en grof zand, met weinig zandige klei.
watervoerende laag
Formatie van Peize en Formatie van Waalre, tweede zandige eenheid
watervoerende laag
Het grondwater op de locatie bevindt zich naar verwachting op ca. 0,8 tot 1,0 m –mv. Onze referentie: D10023330 40
9 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
In het gebied is overwegend sprake van kwel. De regionale grondwaterstromingsrichting is richting het noordwesten gericht. De stroming van het oppervlakkige grondwater wordt beïnvloed door de aanwezigheid van sloten en drainage. De locatie ligt niet in een grondwater- of bodembeschermingsgebied.
2.3
Conclusies vooronderzoek
Op basis van de gegevens van het vooronderzoek wordt niet verwacht dat de gehele locatie verdacht is op het voorkomen van verontreinigingen. Wel dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van het (historisch) (puin)pad, waar antropogene bijmengingen kunnen voorkomen. Ook is het onduidelijk of de locatie binnen of buiten het gebied ligt waar arseen verhoogd voorkomt. Er is hier sprake is van verhoogde achtergrondgehalten.
Onze referentie: D10023330 40
10 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
3
OPZET EN UITVOERING VAN HET ONDERZOEK
3.1
Hypothese en onderzoeksopzet
In hoofdstuk 2 zijn de resultaten van het vooronderzoek samengevat. Op basis van deze resultaten is de onderzoekshypothese en de bijbehorende onderzoeksstrategie geformuleerd. In de NEN 5740+A1 zijn, afhankelijk van de onderzoeksstrategie, richtlijnen gegeven voor de aantallen te verrichten boringen en te analyseren grond‐ en grondwatermonsters als functie van de oppervlakte van de te onderzoeken locatie. In Tabel 2 is de onderzoeksopzet samengevat. Omdat de locatie niet verdacht is op het voorkomen van verontreinigingen, wordt de strategie Onverdacht – Niet Lijnvormig (ONV-NL) aangehouden. Aanvullend zijn ter plaatse van het huidige pad raaien geplaatst om te verifiëren dat het pad niet in de loop der jaren is verplaatst. Tabel 2 Samenvatting onderzoeksopzet
Deellocatie
Strategie
Geheel terrein
ONV-NL
Oppervlak (ha)
1,7
Aantal boringen
19 x 0,5 m-mv** 6 x tot grondwaterstand
Aantal peilbuizen
3
Aantal analyses* 4 x STP GR bovengrond 3 x STP GR ondergrond 3 x STP GW
(historisch) pad
-
-
2 raaien van 5 x 0,5 m-mv**
-
-
*: Toelichting zie §3.3 **: Na uitvoering van de eerste ronde veldwerk bleek dat onvoldoende boringen waren geplaatst. Deze boringen zijn in de volgende veldwerkronde meegenomen in combinatie met de te plaatsen raaien. In totaal zijn binnen de onderzoekslocatie 26 boringen tot 0,5 mmv geplaatst.
Omdat op de locatie geen aan- of afvoer van grond wordt voorzien, is geen onderzoek gedaan naar de eventuele aanwezigheid van PFAS in de bodem. In combinatie met het veldwerk (§ 3.2) is een terreininspectie uitgevoerd. De resultaten van de terreininspectie gaven geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksopzet.
3.2
Uitvoering veldwerk
Het veldwerk is uitgevoerd in op 2 februari 2021 (grondmonsters nemen en peilbuizen plaatsen) en 15 februari 2021 (peilbuizen bemonsteren en raaien plaatsen in de weg). In het veld is de vrijgekomen grond beoordeeld op de bodemkundige samenstelling. Hierbij zijn eveneens de percentages lutum en organische stof geschat. Daarnaast is gelet op het voorkomen van puin, slakken, kolengruis en dergelijke en op afwijkingen van geur en kleur, die kunnen duiden op de aanwezigheid van bodemverontreiniging. De grond uit de boringen is met behulp van de oliedetectiepan beoordeeld op de aanwezigheid van olieachtige en oppervlakte-actieve stoffen. De uitgeboorde grond van elke boring is per bodemlaag van maximaal 0,5 m bemonsterd. Afhankelijk van de bodemopbouw en de veldwaarnemingen is eventueel een kleiner monstertraject gekozen. Na een wachttijd van minimaal een week zijn grondwatermonsters van de geplaatste peilbuizen genomen. In deze periode heeft het evenwicht tussen de grond en het grondwater zich kunnen herstellen. Om een indruk te krijgen van de grondwaterkwaliteit zijn in het veld de zuurgraad (pH), het elektrische geleidingsvermogen (EC) en de troebelheid (NTU) bepaald. De resultaten van het veldwerk zijn opgenomen in hoofdstuk 4. De resultaten van het veldwerk gaven geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksopzet (§ 3.1).
Onze referentie: D10023330 40
11 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
3.3
Uitvoering laboratoriumonderzoek
Voor de analyses van de vaste bodem zijn van zowel de bovengrond als de ondergrond in het laboratorium representatieve mengmonsters samengesteld. De samenstelling van de mengmonsters heeft plaats gevonden op basis van de zintuiglijke waarnemingen, de locaties van de boringen en/of het bodemtype. De monsters zijn geanalyseerd op de parameters van het standaard pakket. Het standaardpakket omvat: Landbodem en grond (STP GR): • Droge stofgehalte. • Bodemkenmerken: organisch stof en lutum. • Metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink. • Organische parameters: som-PCB's (polychloorbifenylen; 7), som-PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen; 10) en minerale olie. Grondwater (STP GW): • Metalen: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink. • Vluchtige aromatische koolwaterstoffen: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som-xylenen (som o, m, p), styreen, naftaleen. • Vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen: vinylchloride, 1,1-dichlooretheen, dichloormethaan, trans1,2-dichlooretheen, cis-1,2-dichlooretheen, som 1,2-dichlooretheen, 1,1-dichloorethaan, chloroform, 1,1,1-trichloorethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, 1,1dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, som dichloorpropanen, 1,1,2-trichloorethaan, tetrachlooretheen en bromoform. • Minerale olie.
De resultaten van het laboratoriumonderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 4. De resultaten van het laboratoriumonderzoek gaven geen aanleiding tot aanpassing van de onderzoeksopzet (§ 3.1).
3.4
Kwaliteitsborging
De genoemde werkzaamheden zijn uitgevoerd in overeenstemming met de regelgeving die bekend is onder de naam KWALIBO (dat staat voor kwaliteitsborging bij bodemintermediairs). Arcadis Nederland B.V., met hoofdvestiging in Arnhem en diverse kantoren verspreid in Nederland, en al dan niet ingezette onderaannemers zijn volgens het procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek gecertificeerd voor de uitvoering van het genoemde milieukundig veldwerk. Het veldwerk is uitgevoerd zoals genoemd in de BRL SIKB 2000 en onderliggende protocollen 2001 en 2002. Het milieukundig veldwerk zoals beschreven in deze rapportage is onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd door een of meerdere erkende medewerker(s) (zie verklaring in Bijlage F). Het laboratoriumonderzoek is uitgevoerd door een conform AS SIKB 3000 geaccrediteerd laboratorium. Een eventuele afwijking op een richtlijn of norm is benoemd in deze rapportage waarbij is beschreven wat hiervan de consequentie is voor de kwaliteit. Dit rapport draagt daarom het keurmerk ‘kwaliteitswaarborg bodembeheer SIKB’. In geval van BRL-gerelateerde klachten kan de opdrachtgever zich wenden tot de certificaathouder en, zo nodig, tot de certificerende instelling SGS Intron.
Onze referentie: D10023330 40
12 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
4
RESULTATEN
In dit hoofdstuk worden de resultaten van het veld- en laboratoriumonderzoek besproken.
4.1
Bodemopbouw en grondwater
De lokale bodemopbouw is afgeleid uit de uitgevoerde boringen en is in Tabel 3 geschematiseerd weergegeven. Plaatselijk wijkt deze opbouw af. In Bijlage B zijn de boorstaten opgenomen van de bij het onderzoek uitgevoerde boringen en geplaatste peilbuizen. De ligging van alle boringen en peilbuizen is weergegeven op tekening 1 (Bijlage G). Tabel 3 Lokale bodemopbouw
Diepte (m –mv.)
omschrijving
0 – ca. 0,5 m-mv
zand, zeer fijn, matig siltig, matig humeus
0,5 – ontgravingsdiepte
zand, zeer fijn, matig siltig
Het grondwater is tijdens het onderzoek aangetroffen tussen de 0,40 en 0,60 m-mv.
4.2
Veldwaarnemingen
4.2.1
Grond
De bij de boringen vrijkomende grond is in het veld onderzocht op (zintuiglijk) waarneembare kenmerken. In de boorstaten (Bijlage B) zijn deze waarnemingen per boring weergegeven. In Tabel 4 zijn de waarnemingen die kunnen wijzen op bodemverontreiniging samengevat. Hierin zijn alleen antropogene bijmeningen vermeld. Alleen in V08, één van de boringen die is gezet ter verificatie van de locatie van de historische weg, zijn sporen baksteen aangetroffen. Deze boring is direct ter plaatse van het pad genomen. Tabel 4 verdachte bijmengingen in de bodem
Boring
Diepte (m-mv)
Bijmengingen
Olie-waterreactie
V08
0,10 - 0,35
baksteen, sporen
-
Asbest Onderzoek naar asbest in de bodem maakt geen onderdeel uit van dit verkennend milieukundig bodemonderzoek. In geen van de verrichte boringen zijn tijdens de uitvoering van het onderzoek asbestverdachte puinbijmengingen. Op basis van deze veldwaarnemingen in combinatie met de uit het vooronderzoek verzamelde historisch informatie kan worden gesteld dat de bodem van de onderzochte locatie onverdacht is op het voorkomen van asbest. Verkennend dan wel nader asbestonderzoek conform NEN 5707 (Bodem – inspectie en monsterneming van asbest in grond en partijen grond) wordt voor de locatie niet noodzakelijk geacht.
4.2.2
Grondwater
In Tabel 5 zijn de resultaten van de veldmetingen weergegeven. Tabel 5 Veldmetingen grondwater
Peilbuis
Filterstelling BOPB (m-mv) (cm+mv)
Datum GWS monstername (m-mv)
pH (-)
EC (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
P01
2,0-3,0
15-2-2021 09:38:22
6,9
597
11,93
Onze referentie: D10023330 40
1,41
0,60
13 van 24
VERKENNEND MILIEUKUNDIG BODEMONDERZOEK TE DOORNSPIJK
Peilbuis
Filterstelling BOPB (m-mv) (cm+mv)
Datum GWS monstername (m-mv)
pH (-)
EC (µS/cm)
Troebelheid (NTU)
P02
1,7-2,7
15-2-2021 09:44:57
0,40
6,9
509
8,37
P03
2,0-3,0
15-2-2021 09:49:43
0,60
6,9
665
16,2
1,36
Het grondwater was troebel in de peilbuizen P01 en P03 (een watermonster met een waarde >10 NTU wordt als troebel beschouwd). Dit heeft mogelijk invloed op de analyseresultaten (zie paragraaf 4.3.2). De zuurgraad en het geleidingsvermogen van het grondwater zijn normaal te noemen voor dit type bodem. Afwijkende waarden kunnen een indicatie zijn voor bodemverontreiniging. De gemeten waarden geven geen aanleiding aan te nemen dat sprake is van een dergelijke situatie.
4.3
Laboratoriumonderzoek en toetsing analyseresultaten
De chemische analyses van de monsters geven informatie over de aanwezigheid en de gehalten van de onderzochte stoffen. De analysecertificaten van de onderzochte grond- en grondwatermonsters zijn opgenomen in Bijlage C. Toetsing van de analyseresultaten van grond- en grondwater heeft plaatsgevonden aan het toetsingskader zoals gedefinieerd in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en de Regeling bodemkwaliteit van 13 december 2007. De gemeten gehalten voor grond zijn gecorrigeerd naar een standaardbodem (25% lutum en 10% organische stof). De resultaten van toetsing van de analyses zijn, inclusief correctie naar een standaard bodem, opgenomen in Bijlage D. Om de mate van bodemverontreiniging aan te geven wordt in de voorliggende rapportage de volgende terminologie gebruikt: • • •
Niet verontreinigd: Index ≤ 0,0 (gehalte ≤ AW (achtergrondwaarde) / S (streefwaarde)). Licht verontreinigd: Index > 0,0 ≤ 1,0 (AW / S < gehalte ≤ I (interventiewaarde)). Sterk verontreinigd: Index > 1,0 (gehalte > I).