bp totaal zuiderzeestraatweg 129.pdf
Tekst van het document
Doordat de top van het dekzand grotendeels is verstoord, wordt geen intact sporenvlak of vondstenniveau wordt verwacht. Tevens zijn de geplande woningen gepositioneerd ter hoogte van de bestaande bebouwing binnen het plangebied. De aanwezigheid van archeologische vondsten kan echter nooit geheel worden uitgesloten. Wanneer tijdens de uitvoering van werkzaamheden een monument wordt gevonden moet dit op grond van de Erfgoedwet (artikel 5.10 en 5.11) verplicht worden gemeld aan de Minister van OCW en de gemeente Elburg. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.11
Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
13
Lycens (2021). Archeologisch inventariserend veldonderzoek (BO en IVO-O) Zuiderzeestraatweg West 129, Doornspijk. Projectnummer 2021-0145. 9 juli 2021. 27
Toetsing Na raadpleging van de interactieve kaart van Bezoek Elburg, geldt dat er binnen het plangebied geen monumentale en/of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing aanwezig is. Wel is in het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming Waardevol Landschap aan het gebied toegevoegd. Dit houdt in dat de kernkwaliteiten van het landschap gewaarborgd dienen te worden en dat bij een wijziging kan worden aangetoond dat er geen sprake is van een significante aantasting van wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied. Dit wordt in dit plan gedaan door de realisatie van een woningbouwlocatie met een passend landschappelijk karakter. Zo worden er karakteristieke heggen geplaatst op de erfgrenzen van het beoogde plangebied. Dit tezamen maakt dat voorliggende ontwikkeling geen cultuurhistorische waarden in en rondom het plangebied aantast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.12
Verkeer en parkeren Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW14 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van het plangebied worden de kencijfers voor het gebied ‘buitengebied’ gehanteerd. De gemeente Elburg wordt conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid gezien als een ‘weinig stedelijk’ gebied. Voor de toevoeging van twee vrijstaande koopwoningen volgt uit de kerncijfers de volgende verkeersgeneratie: Koop, huis, Vrijstaand (2) Minimaal
7,8 x 2 = 15,6
Maximaal
8,6 x 2 = 17,2
Gemiddeld gezien zullen 16,4 extra verkeersbewegingen per etmaal ontstaan als gevolg van de ontwikkeling. De verkeersgeneratie is zodanig laag dat er geen significant negatieve effecten worden verwacht. Parkeren De gemeente Elburg heeft eigen parkeerbeleid en hanteert voor functies in het buitengebied de maximale norm uit de CROW-publicatie 317 aan. Bij vrijstaande koopwoningen is het aandeel bezoekers van 0,3 inbegrepen bij de parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen. Dit betekent dat een parkeernorm van 2,5 per vrijstaande koopwoning Er is voldoende ruimte op de beoogde woonpercelen om in deze parkeerbehoef14
CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 28
te te kunnen voorzien. Daarbij komt dat in de regels van dit bestemmingsplan wordt het parkeerbeleid juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect ‘parkeren’ voldoende in dit plan is gewaarborgd. Conclusie De aspecten verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhevig plan.
29
5
Wijze van bestemmen
5.1
Algemeen
5.1.1
Wat is een bestemmingsplan? Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft, uit te oefenen. Dit houdt in dat: − de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en − de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (de overgangsbepalingen zijn hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van ‘werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden’ (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden ). Een bestemmingsplan regelt derhalve: − het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen); en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: − het bebouwen van de gronden; − het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden.
Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument. Andere ruimtelijke wetten en regels zoals bijvoorbeeld de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de Bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van ruimtelijk beleid.
5.1.2
Over bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1 Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen.
30
2 Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de regels ‘iets’ geregeld. Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3
Hoofdstukindeling van de regels De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels. In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2 Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.
Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. 3 Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. 4 Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.2
Dit bestemmingsplan
5.2.1
Algemeen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het be-
31
stemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.2
De specifieke bestemmingen Voor onderhavig plan is bij de regeling aansluiting gezocht bij het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Elburg’. Het plan bevat de bestemmingen ‘Wonen’ en ‘Agrarisch’ en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde’ en ‘Waarde - Waardevol landschap’ Agrarisch De agrarische gronden behorende bij Zuiderzeestraatweg West 131 zijn bestemd als ‘Agrarisch’, zonder bouwvlak. Deze gronden zijn onder andere bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf, hobbymatig agrarisch grondgebruik en extensief recreatief medegebruik. In de bouwregels zijn uitsluitend mogelijkheden opgenomen om een aantal specifieke bouwwerken, geen gebouw zijnde onder voorwaarden op te richten. Wonen De woningen zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Vastgelegd is dat woningen enkel binnen het bouwvlak gerealiseerd mogen worden. Als gevolg van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ zijn langs de Zuiderzeestraatweg West 3 woningen toegestaan. Voor woningen geldt een maximum goothoogte van 4 meter, maximum bouwhoogte van 9 meter een maximum inhoud van 750 m3. Voor bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn eveneens bouwregels opgenomen. In de gebruiksregels is aangegeven onder welke voorwaarden onder meer een bed en breakfast mag worden gerealiseerd.
Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie hoge verwachtingswaarde’ is voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de bodem. Dit wordt gewaarborgd door bij bodemingrepen waarbij de oppervlakte groter is dan 120 m² en dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld wordt gegraven een archeologisch onderzoek verplicht te stellen. Waarde - Waardevol landschap De dubbelbestemming ‘Waarde - Waardevol landschap’ geeft aan dat het gebied bestemd is voor het ontwikkelen en in stand houden van de kernkwaliteiten van het landschap. Bij toepassing van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid moet aangetoond kunnen worden dat de kernkwaliteiten van het landschap niet aangetast worden.
5.2.3
Algemene regels Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht.
32
Parkeren In de algemene regels is een parkeerregeling opgenomen. Deze regeling houdt in dat een omgevingsvergunning voor bouwen of uitbreiden van een gebouw slechts wordt verleend indien voldoende parkeergelegenheid is gerealiseerd, conform het meest recente gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren. Hier kan onder voorwaarden van worden afgeweken.
33
6 6.1
Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid De Wet ruimtelijke ordening maakt met het bepaalde in afdeling 6.4 het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten, wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in het bestemmingsplan. De zogenaamde “aangewezen bouwplannen” waarbij een exploitatieplan verplicht is en welke zijn opgenomen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn: − de bouw van een of meer woningen; − de bouw van een of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m2 of met een of meer woningen; − de verbouwing van een of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; − de verbouwing van een of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m2 bedraagt; − de bouw van kassen met een oppervlakte van tenminste 1.000 m 2. Het voorliggende plan (incl. aanleg openbare ruimte) wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal.
Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1
Overleg Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld.
34
Met directe omwonenden is een participatieavond gehouden. Hieruit blijkt dat zij positief staan tegenover de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij zijn wel een aantal aanbevelingen uitgesproken, welke meegenomen zijn in de ontwikkeling. 6.2.2
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 6 juli 2022 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld zienswijzen kenbaar te maken aan de gemeenteraad. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Wel zijn er enkele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Deze zijn beschreven in de bijgevoegde Nota van wijzigingen.
35
Verkennend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek ter plaatse van: Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk
projectnummer
210273
Pagina 2 van 28
TITELBLAD RAPPORT Type onderzoek Locatie onderzoek Projectnummer Versie rapportage Auteur Controle en vrijgave Paraaf vrijgave
Datum OPDRACHTGEVER Naam Contactpersoon Adres UITGEVOERD DOOR Monsterneming grond Monsterneming grondwater Monsterneming asbest in bodem
Verkennend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk 210273 1.0 H.E. Starre J.R.W. Staal
24 augustus 2021 Lauwershaven Management B.V. Dhr. A. Drent Beulekampersteeg 53, 3882 LJ PUTTEN SIKB protocol 2001 SIKB protocol 2002 SIKB protocol 2018
Dhr. W.B. Aasman Dhr. W.B. Aasman Dhr. J. Kemper
UITGEVOERD DOOR info@ecoreest.nl www.ecoreest.nl Kantoor Zuidwolde Industrieweg 20 7921 JP Zuidwolde Tel: 0528 373 982
Kantoor Appingedam Opwierderweg 160 9902 RH Appingedam Tel: 0596 633 355
Kantoor Almere Transistorstraat 91-34 1322 CL Almere 036 82 00 397
Eco Reest Holding BV is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het geven van milieukundig advies in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en gebouwen met inbegrip van de uitvoering van gerelateerde onderzoeksactiviteiten op het gebied van bodemonderzoek en -sanering, ecologie, asbestinventarisaties, sloopbegeleiding, bouwkundige opnames en energieprestatie advies. Eco Reest BV is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). Als aangesloten adviesbureau zorgen we samen met de andere leden voor een betere borging van kwaliteit in de uitvoering van (water)bodemonderzoek en -saneringen. Dit onderzoek en advies is tot stand gekomen onafhankelijk van de belangen van de opdrachtgever en derden. DISCLAIMER Dit rapport is het resultaat van een verkennend bodemonderzoek en nader asbestonderzoek dat is uitgevoerd ter plaatse van Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk. Ten behoeve van de juiste interpretatie van dit rapport is het noodzakelijk te beschikken over de gehele rapportage, inclusief bijlagen. Het rapport is ongeschikt voor toepassing in een juridische context indien de paginanummering van het rapport onjuist of onvolledig is, de bijlagen genoemd in de inhoudsopgave (deels) ontbreken en het projectnummer in het rapport en op de bijlage niet overeenkomt. © 2021 Eco Reest BV.
Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Wijze van citeren: Eco Reest 2021 Doornspijk_210273_Zuiderzeestraatweg West 129_VO+ASB We stellen dit rapport alleen ter beschikking aan derden in geval van schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 3 van 28
INHOUD 1.
INLEIDING.................................................................................................................... 5
1.1 1.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.4
Aanleiding en doelstelling ............................................................................................................. 5 Kwaliteitsborging algemeen .......................................................................................................... 5 Kwaliteitsborging onderzoek ......................................................................................................... 5 Normen onderzoeksstrategie ........................................................................................................... 6 Veldwerkzaamheden ........................................................................................................................ 6 Laboratoriumwerkzaamheden ......................................................................................................... 6 Leeswijzer ..................................................................................................................................... 7
2.
VOORONDERZOEK (NEN 5725:2017) ............................................................................. 8
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
Systematiek milieuhygiënisch vooronderzoek ............................................................................... 8 Stap 1; aanleiding vooronderzoek ................................................................................................. 8 Stap 2; onderzoeksvragen ............................................................................................................. 8 Samenvatting vooronderzoek ....................................................................................................... 9 Volledigheid en betrouwbaarheid vooronderzoek ...................................................................... 10 Afwijkingen vooronderzoek ........................................................................................................ 10 Onderzoekshypothese (NEN5725) en -strategieën (NEN5740, NEN5707 en NEN5897) ................ 10 Veiligheidsklasse ......................................................................................................................... 12
3.
VELDWERKZAAMHEDEN CHEMISCH ONDERZOEK ....................................................... 13
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grond en plaatsen peilbuis) ..................................... 13 Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grondwater) ............................................................ 13 Bodemopbouw ............................................................................................................................ 14 Zintuiglijke waarnemingen .......................................................................................................... 14 Afwijkingen protocollen .............................................................................................................. 15 Afwijkingen strategie(ën) ............................................................................................................ 15
4.
ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING (CHEMISCH ONDERZOEK) ................................ 16
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
Analysemonsters ......................................................................................................................... 16 Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden ................................................................................. 17 Toetsing analyseresultaten.......................................................................................................... 17 Milieuhygiënische kwaliteit grond............................................................................................... 19 Milieuhygiënische kwaliteit grondwater ..................................................................................... 20
5.
VELDWERKZAAMHEDEN ASBESTONDERZOEK ............................................................. 21
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
Uitvoering werkzaamheden (visuele inspectie maaiveld en bodem) ........................................... 21 Visuele inspectie maaiveld .......................................................................................................... 21 Resultaten veldwerkzaamheden ................................................................................................. 21 Visuele inspectie en monsterneming diepere bodemlaag ........................................................... 21 Afwijkingen onderzoeksopzet ..................................................................................................... 22
6.
ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING (ASBESTONDERZOEK) ..................................... 23
6.1 6.2 6.2.1 6.3 6.4 6.5
Analysemonsters ......................................................................................................................... 23 Analysemethoden en monsterbehandeling ................................................................................. 23 Analyse asbest in puin en bodem (volgens NEN 5898) .................................................................. 23 Toetsingskader asbest ................................................................................................................. 24 Analysemonsters en concentraties .............................................................................................. 24 Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden ................................................................................. 25
7.
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................... 26
7.1 7.2
Samenvatting .............................................................................................................................. 26 Conclusies en aanbevelingen ....................................................................................................... 27
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 4 van 28
BIJLAGEN 1.1 Regionale ligging 1.2 Situatieschets onderzoekslocatie met boorpunten 2 Resultaten vooronderzoek 3 Boorprofielen 4 Analyseresultaten 5 Toetsingswaarden 6 Analysemethoden
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 5 van 28
1. INLEIDING Door Eco Reest BV is een verkennend milieukundig bodemonderzoek en nader asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van een locatie aan de Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding en de doelstelling van het onderzoek, en de wijze van kwaliteitsborging van de verschillende onderzoekstappen.
1.1
Aanleiding en doelstelling
Aanleiding tot het onderzoek is geplande bouw van een drietal woningen (na sloop van de huidige bebouwing) ter plaatse van het onderzoeksterrein. Doel van het verkennend chemisch onderzoek is een indruk te verkrijgen over de eventuele aanwezigheid van verontreinigingen in de grond en in het grondwater van het onderzoeksterrein. Dit gebeurt teneinde te bepalen of er vanuit milieuhygiënisch oogpunt belemmeringen bestaan voor het toekomstige gebruik van de locatie (wonen met tuin). Het doel van het nader asbestonderzoek is het vaststellen van de aard en omvang van de verontreiniging en een bepaling van het gehalte aan asbest op basis van een visuele inspectie van het maaiveld en de uitgegraven grond in combinatie met een steekproefsgewijze monsterneming.
1.2
Kwaliteitsborging algemeen
Eco Reest BV streeft naar een zo hoog mogelijk kwaliteit van onderzoek te leveren: Eco Reest Holding BV is gecertificeerd volgens “NEN-EN-ISO 9001:2015”, voor het geven van milieukundig advies in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen en gebouwen met inbegrip van de uitvoering van gerelateerde onderzoeksactiviteiten op het gebied van bodemonderzoek en -sanering, ecologie, asbestinventarisaties, sloopbegeleiding, bouwkundige opnames en energieprestatie advies. Eco Reest BV is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). Als aangesloten adviesbureau zorgen we samen met de andere leden voor een betere borging van kwaliteit in de uitvoering van (water)bodemonderzoek en -saneringen.
Naast kwaliteit is onafhankelijkheid van groot belang om onze opdrachtgever van dienst te zijn met het beste advies voor zijn vraagstuk. Wij merken dan ook op dat er geen functionele relatie bestaat tussen opdrachtgever en Eco Reest BV, hetgeen betekent dat het advies van Eco Reest onafhankelijk is van de belangen van de opdrachtgever en derden. Conform de eisen uit onze ethische code houdt Eco Reest alle gegevens geheim, waarvan wij kennisnemen als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden, behoudens in geval van wettelijke verplichtingen.
1.3
Kwaliteitsborging onderzoek
De bodemonderzoeksstrategie is opgesteld conform de geldende NEN normen en protocollen. De veldwerkzaamheden en laboratorium werkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de actuele beoordelingsrichtlijn en accreditatieschema. In de volgende paragrafen worden de normen, beoordelingsrichtlijnen toegelicht.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 6 van 28
1.3.1 Normen onderzoeksstrategie In tabel 1.1 zijn de kwaliteitsnormen opgenomen, die zijn toegepast voor de bepaling van de bodemonderzoeksstrategieën. Tabel 1.1 Toegepaste onderzoeksnormen
Aspect onderzoek Strategie voor uitvoeren van milieu hygiënisch vooronderzoek Strategie voor uitvoeren van verkennend (chemisch) onderzoek Strategie voor uitvoeren van asbest onderzoek in bodem Strategie voor uitvoeren van asbestonderzoek in puin
Toegepaste norm NEN 5725:2017 NEN 5740:2009 + A1: 2016 NEN 5707:2015/C2:2017 NEN 5897:2015/ C2:2017
Eventuele afwijkingen op de normen, die tijdens de uitvoering naar voren zijn gekomen, zijn beschreven in respectievelijk § 2.6 “Afwijkingen vooronderzoek” en § 3.6 “Afwijkingen strategie(ën)”.
1.3.2 Veldwerkzaamheden Het onderzoek heeft plaatsgevonden onder procescertificaat op grond van de BRL SIKB 2000 “Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Eco Reest BV Zuidwolde is gecertificeerd en erkend door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Het certificaatnummer is K96988/01, en de certificerende instelling is KIWA te Rijswijk. Het veldwerk heeft plaats gevonden conform SIKB 2001 “Plaatsen van handboringen en peilbuizen ten behoeve van het nemen van grond- en grondwatermonsters”, protocol 2002 “Het nemen van grondwatermonsters” en protocol 2018 “Maaiveldinspectie en monsterneming van asbest in bodem”. Wij merken hierbij op, dat het asbestonderzoek in de puinverharding (>50% bodemvreemd) buiten de werkingssfeer van het SIKB protocol 2018 valt. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door gecertificeerde en erkende veldmedewerkers, zoals weergegeven op het titelblad. Eventuele afwijkingen op de normen en protocollen, die tijdens de uitvoering naar voren zijn gekomen zijn weergegeven in § 3.5 “Afwijkingen protocollen”. De bedrijf- en persoonserkenningen en het certificaatnummer zijn te verifiëren op de volgende website: https://www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu/
1.3.3 Laboratoriumwerkzaamheden De chemische analyses zijn uitgevoerd conform de AS 3000 “Laboratoriumanalyses voor milieuhygiënisch bodemonderzoek”, waarvoor Eurofins Analytico B.V. is geaccrediteerd en erkend door het ministerie van I en W. Eurofins Analytico B.V. is een NEN-EN-ISO/IEC 17025 geaccrediteerd laboratorium, met certificaatnummer L010. Het certificaat is bijgevoegd in bijlage 6. De asbest analyses zijn uitgevoerd door ACMAA Laboratoria BV te Deurningen, die geaccrediteerd en erkend is door het ministerie van I en W.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 7 van 28
ACMAA Laboratoria BV is een NEN-EN-ISO/IEC 17025:2005 geaccrediteerd laboratorium, met certificaatnummer L376. Het certificaat is eveneens bijgevoegd in bijlage 6. De monsterconservering is uitgevoerd conform SIKB protocol 3001 “Conserveringsmethoden en conserveringstermijnen voor milieumonsters”. Eventuele afwijkingen op de normen, die tijdens de uitvoering van de analyses naar voren zijn gekomen, zijn beschreven in § 4.2 “Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden”.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden de onderzoeksvragen beantwoord op basis van de resultaten van het vooronderzoek en wordt de onderzoekshypothese opgesteld. In hoofdstuk 3 zijn de veldwerkzaamheden en waarnemingen tijdens het onderzoek beschreven, gevolgd door de toetsing van de analyseresultaten in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 is een samenvatting opgenomen en zijn de conclusies en aanbevelingen weergegeven.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 8 van 28
2. VOORONDERZOEK (NEN 5725:2017) Het vooronderzoek is de basis voor werkzaamheden die een uitspraak vereisen over de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem. Het doel van het vooronderzoek is inzicht te verkrijgen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. Hierbij wordt een inschatting gemaakt van de aard, mate, oorzaak en ligging van mogelijke verontreinigingen. Om dit doel te bereiken wordt relevante informatie over de onderzoekslocatie zelf, alsmede eventuele beïnvloeding(en) vanuit de directe omgeving verzameld, geanalyseerd en geïnterpreteerd, zoals hierna weergegeven.
2.1
Systematiek milieuhygiënisch vooronderzoek
Het vooronderzoek is onderverdeeld in twee stappen. In stap 1 wordt de aanleiding voor het vooronderzoek bepaald. De mogelijke aanleidingen (A t/m G) zijn weergegeven in bijlage 2. Voor de in bijlage 2 weergegeven mogelijke aanleidingen zijn in de NEN 5725:2017 diverse onderzoeksvragen geformuleerd. In stap 2 van het vooronderzoek moet antwoord verkregen worden op een deze onderzoeksvragen. Indien naar deskundigheid van de onderzoeker alle (verplichte) onderzoeksaspecten zijn behandeld en de onderzoeksvragen (zie bijlage 2) in voldoende mate zijn beantwoord, is het vooronderzoek afgerond en worden conclusies getrokken en een hypothese opgesteld.
2.2
Stap 1; aanleiding vooronderzoek
De eerste stap in het vooronderzoek is het vaststellen van de aanleiding voor vooronderzoek (zie ook bijlage 2). In het onderhavige geval is aanleiding A geselecteerd, die onderstaand is weergegeven. - A. opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek volgens 6.2.1
2.3
Stap 2; onderzoeksvragen
Uit de geselecteerde aanleiding (A) voor het vooronderzoek volgt een aantal onderzoeksvragen die zijn weergegeven in bijlage 2. Op basis van het totaal aan informatie uit het vooronderzoek moeten de onderzoeksvragen worden beantwoord, waarna een hypothese voor bodemonderzoek wordt opgesteld.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 9 van 28
In tabel 2.1 zijn de onderzoeksaspecten weergegeven, waarover bij het vooronderzoek informatie moet worden verzameld. Tabel 2.1 Onderzoeksaspecten en te verzamelen informatie
Onderzoeksaspecten
Locatiegegevens Bodemopbouw en geohydrologie
Verwachting t.a.v. de bodemkwaliteit
Gebruik en beïnvloeding van de locatie, verdachte situatie, activiteiten, ongewoon voorval
Eigendomssituatie Hoogteligging Bodemopbouw Antopogene lagen in de bodem Geohydrologie Geval van ernstige bodemverontreiniging? Kwaliteit o.b.v. BKK O.b.v. uitgevoerde bodemonderzoeken Voormalig Huidig Toekomst Asbestverdacht?
Aanleidingen tot vooronderzoek A B C D E 0 0 ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓ ✓
✓
✓ ✓ ✓ ✓ ✓
F
G
✓ ✓
✓
✓
✓
✓
✓
✓
0 ✓
✓ ✓
✓ ✓
✓ ✓
✓
✓ ✓
0 ✓ ✓
✓
✓ ✓
✓ ✓ 0 ✓
✓
✓
✓ ✓ ✓
✓
Terreinverkenning ✓ Verplicht onderzoeksaspect. Indien dit onderzoeksaspect niet van toepassing is, behoort dit in het rapport te worden vermeld en gemotiveerd 0 Optioneel
De verzamelde informatie benoemd in tabel 2.1 met antwoorden is weergegeven in bijlage 2. In § 2.4 (samenvatting vooronderzoek) is een beschrijving van de te onderzoeken locatie weergegeven met antwoorden, op basis van de antwoorden op de onderzoeksvragen weergegeven in bijlage 2.
2.4
Samenvatting vooronderzoek
Na het raadplegen van de verschillende bronnen zijn er voldoende gegevens bekend om antwoord te geven op de geformuleerde onderzoeksvragen (bijlage 2). De onderzoekslocatie ligt aan de Zuiderzeestraatweg West 129 in Doornspijk en is kadastraal bekend als gemeente Doornspijk, sectie G, perceelnr. 3996 en deels nr. 5160. De te onderzoeken locatie heeft een oppervlakte van circa 5.100 m2 en betreft thans een boerderij met omliggend erf en opstallen. De boerderij en schuren zijn gebouwd in 1920. Elders op het terrein bevindt zich een schuur die is gebouwd in 1953. Men is voornemens ter plaatse een drietal woningen te realiseren na sloop van de huidige bebouwing. De regionale ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1.1. De onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1.2.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 10 van 28
Op historisch kaartmateriaal vanaf 1900 is op de onderzoekslocatie tot 1934 sprake van agrarische percelen. Vanaf 1934 tot heden is op de locatie bebouwing zichtbaar. De omgeving van de onderzoekslocatie is op het genoemde kaartmateriaal altijd zichtbaar als landelijk van karakter. Bij de gemeente Elburg zijn geen voorgaande bodemonderzoeken aanwezig van de onderzoekslocatie noch van de directe omgeving. De gemeente Elburg omschrijft het terrein als zijnde rommelig. Bij de gemeente is bekend dat op het terrein een bovengrondse brandstoftank aanwezig is geweest. De voormalige tanklocatie is uit een door de gemeente Elburg aangeleverde tekening op te maken. Tevens is er een Hinderwetvergunning bekend voor een mestbassin (nr. 9475, d.d. 07-11-1995). Bij het bodemloket is een bovengrondse brandstoftank geregistreerd (bodemloketrapport GE023000790). Ter plaatse van de onderzoekslocatie is sprake van schuren met asbestverdachte golfplatendaken zonder goot en (ten dele) onverharde afwateringszones. Tevens is er sprake van asbestverdachte puinverharding op een deel van het terrein (westzijde).
2.5
Volledigheid en betrouwbaarheid vooronderzoek
Het vooronderzoek beschouwen wij als volledig in relatie tot het doel van het onderzoek, aangezien er voldoende relevante gegevens aanwezig zijn en er in afdoende mate antwoord kan worden gegeven op de onderzoeksvragen. Gezien het feit dat de gegevens, verstrekt door de verscheidene bronnen, in voldoende mate overeenkomen met elkaar en met de aangetroffen situatie ten tijde van de terreininspectie, achten wij het vooronderzoek tevens betrouwbaar.
2.6
Afwijkingen vooronderzoek
Er zijn bij de uitvoering van het vooronderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de NEN 5725:2017 naar voren gekomen.
2.7
Onderzoekshypothese (NEN5725) en -strategieën (NEN5740, NEN5707 en NEN5897)
Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is ter plaatse van de in het vooronderzoek beschouwde locatie bodemonderzoek noodzakelijk. In tabel 2.2 is de onderzoeksstrategie per te onderzoeken terreindeel weergegeven. Op basis van het vooronderzoek is de onderzoekslocatie aan te merken als verdacht voor bodemverontreiniging(en).
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 11 van 28
In de onderstaande tabel is per te onderzoeken terrein(deel) de onderzoekshypothese en de bijbehorende strategie(en) weergegeven. Tabel 2.2 Onderzoekshypothese(n) per terrein(deel)
(Deel)locatie Oppervlakte (m2) A: vm. tanklocatie (ca. 10 m2) B: overig terrein (ca. 5.100 m2) C: Toplagen A t/m E (17-64) D: Puinverharding (<1.000)
Verontreinigde stof + diepte van voorkomen Grond Grondwater Minerale olie in de Minerale olie en bovengrond aromaten Minerale olie, zware Minerale olie, metalen en PAK in de aromaten en bovengrond zware metalen Asbest (0,0 - 0,1 m-mv) Asbest
-
Oorzaak/Motivatie
Onderzoeksstrategie
Voormalige aanwezigheid tank Historisch gebruik van de locatie
NEN5740 § 5.3
Onverharde druppelzone onder asbest dak Puinverharding van onbekende herkomst
NEN5707 § 7.4
NEN5740 § 5.6
NEN5897 § 7.3.2
Deellocatie A; voormalige tanklocatie Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is het onderzoek met betrekking tot de voormalige tanklocatie uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in de NEN 5740:2009, § 5.3, zoals weergegeven in tabel 2.2. Het betreffende deel van het onderzoeksterrein is beschouwd als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting met een duidelijke verontreinigingskern. De bovengrond en het grondwater zijn hierbij aangemerkt als verdacht voor het voorkomen van minerale olie, het grondwater tevens voor het voorkomen van aromaten. Deellocatie B; overig terrein Op basis van de informatie uit het vooronderzoek is het onderzoek met betrekking tot het overig terrein uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in de NEN 5740:2009, § 5.6, zoals weergegeven in tabel 2.2. Het betreffende deel van het onderzoeksterrein is beschouwd als een verdachte locatie, diffuse bodembelasting, heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming. De bovengrond en het grondwater zijn hierbij aangemerkt als verdacht voor het voorkomen van minerale olie en zware metalen. De bovengrond tevens voor het voorkomen van PAK en het grondwater voor aromaten.
Deellocatie C; Asbestonderzoek in toplagen A t/m E Het asbestonderzoek met betrekking tot de onverharde delen van de druppelzones van de asbestverdachte golfplaten daken is uitgevoerd conform de richtlijnen zoals deze zijn vastgesteld in de NEN5707:2015, paragraaf 7,4 “Milieuhygiënisch saneringscriterium”. Deellocatie D; Puinverharding Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN5897:2015+C2:2017 ‘Inspectie en monsterneming in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat’, hoofdstuk 7 ‘Nader onderzoek asbest – terreinen’, paragraaf 7.3.2 ‘Vaststellen gemiddeld gehalte per RE’.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 12 van 28
2.8
Veiligheidsklasse
Op basis van het vooronderzoek is er analyse gemaakt met betrekking tot de veiligheidsklasse waarbinnen het asbestonderzoek dient te worden uitgevoerd. Hiervoor is gebruik gemaakt van de CROW P400 “Werken in en met verontreinigde bodem”. Omdat de aanwezigheid van asbestverdacht materiaal niet is aangetoond tijdens het verkennend onderzoek, is onderhavig asbestonderzoek uitgevoerd op basis van standaard veiligheidsklasse .
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 13 van 28
3. VELDWERKZAAMHEDEN CHEMISCH ONDERZOEK In dit hoofdstuk is de uitvoering van de veldwerkzaamheden beschreven van het chemisch onderzoek, met eventuele afwijkingen op de veldwerkzaamheden en/of onderzoeksstrategie.
3.1
Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grond en plaatsen peilbuis)
De uitvoering van het veldwerk heeft plaatsgevonden op 25 mei en 3 juni en het grondwater is bemonsterd op 3 juni 2021. Deellocatie A; voormalige tanklocatie Het veldwerk heeft bestaan uit het verrichten van 3 boringen tot circa 1,0 m-mv (nrs. 4 t/m 6). Boring 6 is vervolgens doorgezet tot 3,0 m-mv en afgewerkt met een peilbuis ten behoeve van het grondwateronderzoek (filterstelling 2,0 – 3,0 m-mv, grondwaterstand 1,5 m-mv). Deellocatie B; overig terrein Het veldwerk heeft bestaan uit het verrichten van 14 boringen tot circa 0,5 m-mv (nrs. 8 t/m 21), 1 boring tot 1,0 m-mv (nr. 7) en 3 boringen tot 2,0 m-mv (nrs. 1 t/m 3). Voor het grondwateronderzoek van deellocatie B wordt gebruik gemaakt van de gegevens van peilbuis 6 ter plaatse van deellocatie A. Van het opgeboorde materiaal zijn per 50 cm, of per afwijkende bodemlaag representatieve monsters genomen, die zijn beschreven qua textuur, geur en kleur. In bijlage 1.2 is een situatieschets van het terrein opgenomen met daarop aangegeven de ligging van de monsterpunten.
3.2
Uitvoering werkzaamheden (bemonstering grondwater)
Op basis van de NEN 5744 zijn bij de monstername van grondwater de volgende metingen uitgevoerd: • Geleidingsvermogen (EGV of Ec); bij monstername mag dit maximaal 10 % afwijken van de voorlaatste meting; • Indien het geleidingsvermogen (zie bovenstaand) constant is, is een NTU-waarde (troebelheid) van 0 tot 10 gewenst. Indien hier niet aan wordt voldaan moet bij de beoordeling van de analyseresultaten worden bekeken of dit van invloed is; • De zuurgraad (pH) wordt eveneens beoordeeld, de NEN5744 heeft hier echter geen normen of eisen aan verbonden. In tabel 3.1 zijn de resultaten van de bij de monstername in het veld uitgevoerde grondwatermetingen weergegeven. Tabel 3.1 Resultaten grondwaterbemonstering NEN 5744
Grondwaterbemonstering Voorlaatste meting Geleidingsvermogen 690 (µS/cm) -
Laatste meting Zuurgraad 6,63 (pH) Geleidingsvermogen 690 (µS/cm) Troebelheid 3,62 (ntu)
Beoordeling NVT Voldoet Niet troebel
Op basis van tabel 3.1 blijken het geleidingsvermogen voldoende constant te zijn om over te gaan tot bemonstering.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 14 van 28
3.3
Bodemopbouw
De bodemopbouw van de locatie is samengevat in tabel 3.2. Tabel 3.2 Bodemopbouw onderzoekslocatie
Diepte (m-mv)
Omschrijving
0,0 0,5 2,0
Zwak siltig, matig fijn zand, matig humeus Zwak siltig, matig fijn zand, plaatselijk zwak tot matig humeus Zwak siltig, matig fijn zand Diepst verkende bodemlaag
- 0,5 - 2,0 - 3,0 3,0
Het grondwaterniveau is tijdens de monstername van het grondwater vastgesteld op een diepte van 1,7 m-mv.
3.4
Zintuiglijke waarnemingen
Het terrein en het opgeboorde materiaal zijn in het veld zintuiglijk beoordeeld op bijzonderheden, zoals weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3 Zintuiglijke waarnemingen onderzoekslocatie
Meetpunt Mp. 7
Diepte (m-mv) 0,1 – 0,5
Mp. 15
0,0 – 0,2
Einddiepte boring (m-mv) 1,0 0,2
Zintuiglijke waarneming Zwak baksteen Volledig metselwerkgranulaat, boring gestaakt wegens puin
Sporen/resten/brokjes/laagjes (bijmenging 6/7/8/9): < 1% Zwak (bijmenging 1): 1-5 % Matig (bijmenging 2): 5-15 % Sterk (bijmenging 3): 15-50% Uiterst (bijmenging 4): 50-80% Volledig (bijmenging 5): >80%
Op basis van tabel 3.3 blijkt, dat ter plaatse van monsterpunt 7 in de ondergrond sprake is van zwakke bijmenging aan homogeen baksteen. Voorts blijkt uit tabel 3.3, dat ter plaatse van meetpunt 15 sprake is van volledig metselwerkgranulaat. De boring is op 0,2 m-mv gestaakt op puin. Verder zijn er geen voor het onderzoek van belang zijnde waarnemingen naar voren gekomen. De laag metselwerkgranulaat en de aanwezigheid van puin ter plaatse van monsterpunt 15 wordt aangemerkt als verdacht voor het voorkomen van asbest in de bodem. Voor het asbestonderzoek wordt verwezen naar hoofdstuk 5 en 6 van dit rapport. De zwakke bijmenging aan homogeen baksteen in monsterpunt 7 is, e.e.a. conform NEN5725, bijlage A4, is aangemerkt als onverdacht voor het voorkomen van asbest. Voorts zijn ter plaatse van deellocatie A (vm. tanklocatie) oliewater reactieproeven uitgevoerd. Er zijn zintuiglijk geen oliewater reacties waargenomen.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 15 van 28
3.5
Afwijkingen protocollen
Er zijn bij de uitvoering van het onderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de geldende SIKB protocollen 2001 en 2002 naar voren gekomen.
3.6
Afwijkingen strategie(ën)
Er zijn bij de uitvoering van het onderzoek geen relevante afwijkingen ten opzichte van de NEN 5740:2009/A1: 2016 naar voren gekomen.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 16 van 28
4. ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING (CHEMISCH ONDERZOEK) Na bemonstering van grond en grondwater zijn de monsters gekoeld opgeslagen, en ter analyse aangeboden aan het laboratorium. Alle geanalyseerde monsters zijn in het laboratorium voorbehandeld conform de eisen, opgesteld in het AS 3000 (Laboratoriumanalyses voor grond-, waterbodem- en grondwateronderzoek).
4.1
Analysemonsters
In tabel 4.1 zijn de geanalyseerd grond- en grondwatermonsters weergegeven. Tabel 4.1 Analysemonsters grond en grondwater
Deellocatie
Grondmonster
A; Mp. 4, 5 en 6 Voormalige tanklocatie B; Overig terrein
Deellocatie A en B
Diepte (m-mv) 0,0 – 0,5
Mp. 7
0,0 – 0,5
Mp. 1, 9, 10 en 21
0,0 – 0,5
Mp. 3, 11, 12 en 14
0,0 – 0,5
Mp. 16 t/m 19
0,0 – 0,5
Mp. 1
0,0 – 0,5
Mp. 9
0,0 – 0,5
Mp. 10
0,0 – 0,5
Mp. 21
0,0 – 0,5
Grondwatermonster Pb. 6
Filterstelling (m-mv) 2.0 – 3,0
Motivatie
Analyse
Bovengrond; vm. tanklocatie, humeus zand Bovengrond; zwakke bijmenging baksteen Bovengrond; noordzijde, humeus zand Bovengrond; westzijde, humeus zand Bovengrond; oostzijde, humeus zand Uitsplitsing mengmonster ivm verhoogde waarden lood en zink Uitsplitsing mengmonster ivm verhoogde waarden lood en zink Uitsplitsing mengmonster ivm verhoogde waarden lood en zink Uitsplitsing mengmonster ivm verhoogde waarden lood en zink
Minerale olie, lutum en organische stof Standaardpakket bodem
Motivatie
Analyse
Grondwater
Standaardpakket grondwater
Standaardpakket bodem Standaardpakket bodem Standaardpakket bodem Lood, zink, lutum en organische stof
Lood, zink, lutum en organische stof
Lood, zink, lutum en organische stof
Lood, zink, lutum en organische stof
Het analysepakket “standaardpakket bodem” genoemd in tabel 4.1 bestaat uit de paramaters droge stof, lutum en organische stof, zware metalen (barium, cadmium, kwik, kobalt, koper, molybdeen,
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 17 van 28
nikkel, lood en zink), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB) en minerale olie GC (C10-C40). Het analysepakket “standaardpakket water” bestaat uit de paramaters zware metalen (barium, cadmium, kwik, kobalt, koper, molybdeen, nikkel, lood en zink), vluchtige aromatische koolwaterstoffen (BTEXN), vluchtige organische chloorhoudende oplosmiddelen (VoCl) en minerale olie GC (C10-C40). De zuurgraad (pH) en geleidbaarheid (EGV) zijn in het veld bepaald bij monsterneming.
4.2
Afwijkingen laboratoriumwerkzaamheden
Er zijn geen afwijkingen naar voren gekomen bij de uitvoering van de laboratoriumwerkzaamheden ten opzichte van de AS 3000 en/of analysemethoden van de individuele parameters.
4.3
Toetsing analyseresultaten
De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa), waarbij de toetsmodules T12 en T13 zijn gehanteerd. Bij de interpretatie van de analyseresultaten is gebruik gemaakt van de toetsingstabel uit de Circulaire bodemsanering 2013. Hierin zijn voor de meeste gangbare parameters verwaarloosbare risiconiveaus (achtergrondwaarden, en voor grondwater streefwaarden) en maximaal toelaatbare risiconiveaus (interventiewaarden) weergegeven. Deze verwaarloosbare en maximaal toelaatbare risiconiveaus (Achtergrond- of Streefwaarden, respectievelijk Interventiewaarden) zijn berekend met behulp van onder meer (eco)toxicologische gegevens, en hebben betrekking op de vastgestelde Nederlandse Standaardbodem, met een organische stofgehalte van 10 % en een lutumgehalte van 25 %. De toetsing van gehalten aan onder andere PAK, minerale olie en zware metalen in grond is afhankelijk gesteld van de gemeten organische stof- en/of lutumgehalten, die meestal afwijken van de gehalten in de vastgestelde Standaardbodem. Bij de BoToVa-toetsing wordt daarom, per stof, het gemeten gehalte omgerekend naar een gestandaardiseerd gehalte. Deze gestandaardiseerde gehalten worden vervolgens getoetst aan de standaard toetsingswaarden, die in bijlage 5 zijn weergegeven.
De getoetste analyseresultaten van de grond en het grondwater zijn weergegeven in de tabellen in de navolgende paragrafen. Onder de tabellen wordt de interpretatie van de toets-uitslag besproken. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4. De betekenis van de toetsingswaarden en de wijze van weergave staan vermeld in tabel 4.2. Tabel 4.2 Betekenis van de toetsingswaarden
Weergave tabellen
Concentratieniveau
Betekenis
≤ AW-waarde of S-waarde (of < detectiegrens) > AW-waarde of S-waarde
Geen verhoging t.o.v. achtergrondwaarde of streefwaarde gemeten Lichte verhoging gemeten
> I-waarde
Sterke verhoging gemeten
Verhoogde rapportagegrens (meetwaarde is vermenigvuldigd met factor 0,7)
2001-2002-2018
Weergave bijlage 5 * *** (v)
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 18 van 28
Tabel 4.2 is de legenda voor de interpretatie van de geanalyseerde grond- en grondwatermonsters, zoals weergegeven in tabellen 4.3 en 4.4.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 19 van 28
4.4
Milieuhygiënische kwaliteit grond
In tabel 4.3 zijn de geanalyseerde grondmonsters met toetsing conform tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.3 Geanalyseerde grondmonsters met toetsing
Deellocatie A; Voormalige tanklocatie
Mp. 4, 5 en 6
Diepte (m-mv) 0,0 – 0,5
B; Overig terrein
Mp. 7
0,0 – 0,5
Mp. 1, 9, 10 en 21 Mp. 3, 11, 12 en 14 Mp. 16 t/m 19
0,0 – 0,5
Grondmonster
0,0 – 0,5 0,0 – 0,5
Motivatie
Analyseresultaten
Bovengrond; voormalige tanklocatie, humeus zand Bovengrond; zwakke bijmenging baksteen Bovengrond; noordzijde, humeus zand Bovengrond; westzijde, humeus zand Bovengrond; oostzijde, humeus zand
-
Interventiewaarde overschrijding lood en zink in mengmonster Interventiewaarde overschrijding lood en zink in mengmonster Interventiewaarde overschrijding lood en zink in mengmonster Interventiewaarde overschrijding lood en zink in mengmonster
-
Minerale olie Cadmium en PAK Lood en zink PAK PAK
Uitsplitsing mengmonster 1, 9, 10 en 21 B; Overig terrein
Mp. 1
0,0 – 0,5
Mp. 9
0,0 – 0,5
Mp. 10
0,0 – 0,5
Mp. 21
0,0 – 0,5
-
Lood en zink
-
Uit tabel 4.3 blijkt dat in het grondmengmonster van de meetpunten 1, 9, 10 en 21 gehalten aan lood en zink zijn gemeten die de interventiewaarden overschrijden. Hierop zijn de grondmonsters 1, 9, 10 en 21 ter uitsplitsing separaat geanalyseerd. De interventiewaarde overschrijdingen zijn hierbij niet bevestigd. Ter plaatse van meetpunt 10 zijn bij de her-analyse achtergrondwaarde overschrijdingen aan lood en zink gemeten. Ter plaatse van de meetpunten 1, 9 en 21 zijn geen verhoogde gehalten aan lood en zink gemeten. Meest waarschijnlijk is de interventiewaarde overschrijding die in eerste instantie is gemeten veroorzaakt door een inhomogeniteit in het oorspronkelijke mengmonster. Uit tabel 4.3 blijkt voorts dat in het grondmonster van meetpunt 7 een gehalte aan minerale olie is gemeten dat de achtergrondwaarde overschrijdt. In het mengmonster van de meetpunten 1, 9, 10 en 21 zijn gehalten aan cadmium en PAK zijn gemeten die de achtergrondwaarden overschrijden. In het mengmonster van de meetpunten 2, 11, 12 en 14 en tevens in het mengmonster van de meetpunten 16 t/m 19 is een gehalte aan PAK gemeten dat de achtergrondwaarde overschrijdt. Licht verhoogde gehalten aan zware metalen (cadmium), minerale olie en PAK worden vaker gemeten in van oudsher bewoond c.q. voor agrarische doeleinden gebruikt gebied.
Daar de interventiewaarde overschrijdingen een lood en zink niet zijn bevestigd bij de uitsplitsing van het mengmonster en er voorts uitsluitend licht verhoogde gehalten aan de onderzochte parameters
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 20 van 28
zijn gemeten, achten wij een nader (chemisch) grondonderzoek niet van meerwaarde in relatie tot de onderzoeksdoelstelling.
4.5
Milieuhygiënische kwaliteit grondwater
In tabel 4.4 zijn de geanalyseerde grondwatermonsters met toetsing conform tabel 4.2 weergegeven. Tabel 4.4 Geanalyseerde grondwatermonsters met toetsing
Deellocatie Grondwatermonster A en B Pb. 6
Filterstelling Motivatie (m-mv) 2,0 – 3,0 Grondwater
Analyseresultaten Barium, cadmium en zink
Uit tabel 4.4 blijkt dat in het grondwater van peilbuis 6 concentraties aan barium, cadmium en zink zijn gemeten die de streefwaarden overschrijden. Deze gehalten zijn waarschijnlijk een gevolg van (fluctuerende) van nature verhoogde achtergrondconcentraties, die vaker voorkomen in de regio. Verder zijn er in het grondwatermonster geen gehalten aan de onderzochte parameters gemeten boven de streefwaarden en/of detectiegrenzen.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 21 van 28
5. VELDWERKZAAMHEDEN ASBESTONDERZOEK In dit hoofdstuk is de uitvoering van de veldwerkzaamheden beschreven van het asbestonderzoek, met eventuele afwijkingen op de veldwerkzaamheden en/of onderzoeksstrategie.
5.1
Uitvoering werkzaamheden (visuele inspectie maaiveld en bodem)
De uitvoering van het veldwerk heeft plaatsgevonden op 27 juli 2021.
5.2
Visuele inspectie maaiveld
Het maaiveld ter plaatse van het onderzoeksterrein is geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdacht materiaal. Deze inspectie heeft plaats gevonden door het maaiveld in te delen in inspectiestroken van 1,5 meter en deze vervolgens strook voor strook (haaks op elkaar) te inspecteren.
5.3
Resultaten veldwerkzaamheden
De waarnemingen die zijn gedaan tijdens de maaiveldinspectie zijn weergegeven tabel 5.1. Tabel 5.1 Visuele inspectie maaiveld
Omschrijving Inspecteur Weersomstandigheden Conditie maaiveld Inspectie efficiëntie Asbestverdacht materiaal waargenomen
Motivering Dhr. J. Kemper Droog, zicht > 50 meter, Ter plaatse van het onderzoeksterrein is sprake van veel begroeiing met (hoog) gras. 50 % Nee
Uit tabel 5.1 blijkt dat op het maaiveld geen asbestverdacht materiaal is waargenomen. Voorts blijkt uit tabel 5.1 dat ter plaatse sprake is van veel begroeiing (gras). De resultaten van de uitgevoerde inspectie wijken niet af van de onderzoekshypothese. De hypothese is dan ook niet aangepast.
5.4
Visuele inspectie en monsterneming diepere bodemlaag
De bemonstering ter plaatse van toplagen A t/m E is uitgevoerd conform paragraaf 7.4 “Milieuhygiënisch saneringscriterium” uit de NEN 5707:2015. Per verdachte toplaag zijn 20 grepen van ten minste 0,5 kg bemonsterd tot ca. 0,1 m-mv. Per toplaag is één mengmonster samengesteld van minimaal 10 kg ds. Gelet op het feit dat de lagen verdacht zijn voor vezels is het materiaal voorafgaand aan monstername niet gezeefd c.q. uitgeharkt. Ter plaatse van de puinverharding zijn in totaal 5 inspectiesleuven gegraven met behulp van een kraan. De inspectiesleuven zijn gegraven met een minimale afmeting van 2,0 meter x 0,3 meter x 0,5 meter tot op de ongeroerde ondergrond. Voor de onverdachte ondergrond is een edelmanboor met een diameter van 12 cm gebruikt. De gehele inhoud van de sleuf, is vervolgens per uitgegraven laag van 10 cm uitgeharkt en geïnspecteerd op het voorkomen van asbestverdacht materiaal. De asbestverdachte materialen in de grove fractie zijn, indien aanwezig, per sleuf bemonsterd middels handpicking en gewogen met behulp van een digitale weegschaal.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 22 van 28
De monstervoorbehandeling en monstername heeft plaatsgevonden volgens Hoofdstuk 9 “Monstervoorbehandeling op locatie”, uit de NEN 5707:2015. De afmetingen van de inspectiesleuven en de waarnemingen die zijn gedaan tijdens de monstervoorbehandeling zijn in tabel 5.2 beschreven: Tabel 5.2 Inspectieputjes en waarnemingen
Inspectie-put SL 1 SL 2 SL 3 SL 4 SL 5
Afmeting (l x b) in m 2,11 x 0,32 Boring in sleuf 2,21 x 0,33 Boring in sleuf 2,18 x 0,32 Boring in sleuf 2,09 x 0,33 Boring in sleuf 2,15 x 0,32 Boring in sleuf
Diepte Hoeveelheid stukjes en gewicht 0,5 n.w. 1,3 n.w. 0,5 n.w. 1,3 n.w. 0,5 n.w. 1,3 n.w. 0,5 n.w. 1,3 n.w. 0,5 n.w. 1,3 n.w.
Soort NVT NVT NVT NVT NVT NVT NVT NVT NVT NVT
Overige bijmengingen (massa %) Uiterst gebroken asfalt (75%) Geen Sterk grind (35%) Geen Sterk grind (35%) Geen Uiterst metselpuin (75%) Geen Uiterst metselpuin (75%) Geen
n.w. = geen asbestverdacht materiaal waargenomen tijdens veldwerkzaamheden
Uit tabel 5.3 blijkt dat ter plaatse van de inspectiesleuf SL 1 sprake is van uiterste bijmenging aan gebroken asfalt. Ter plaatse van de inspectiesleuven SL 2 en SL 3 is sprake van sterke bijmenging aan grind. Voorts blijkt uit tabel 5.3 dat ter plaatse van de inspectiesleuven SL 4 en SL 5 sprake is van uiterste bijmenging aan metselpuin. In geen van de sleuven is asbestverdacht plaatmateriaal waargenomen in de grove fractie (>20 mm).
5.5
Afwijkingen onderzoeksopzet
Tijdens de werkzaamheden hebben er geen afwijkingen plaats gevonden met betrekking tot de gehanteerde onderzoeksopzet en protocol. Opgemerkt wordt dat betreffende het onderzoek ter plaatse van sleuven 2 en 3 (<50% bodemvreemd materiaal) is uitgevoerd op basis van de NEN5707 in plaats van de NEN5897.
2001-2002-2018
Verkennend bodemonderzoek en Nader asbestonderzoek Zuiderzeestraatweg West 129 te Doornspijk (kenmerk: 210273)
Pagina 23 van 28
6. ANALYSERESULTATEN EN BESPREKING (ASBESTONDERZOEK) De monsters zijn ter analyse aangeboden aan het laboratorium voor vezelonderzoek ACMAA Laboratoria BV te Deurningen.
6.1
Analysemonsters
In tabel 6.1 zijn de geanalyseerd grond- en puinmonsters weergegeven. Tabel 6.1 Analysemonsters asbest
Monster Toplaag A
Diepte (m-mv)
Fractie
Hoeveelheid*
Analyse
Toplaag B
0,0-0,1 0,0-0,1
10,9 kg. 9,9 kg.
Toplaag C Toplaag D
0,0-0,1 0,0-0,1