Bijlage 4 Toelichting op de wijzigingen.docx
Tekst van het document
Bijlage 1 Was-wordt-tabel wijziging Algemene plaatselijke verordening Elburg In de tabel wordt aangegeven welk artikel(onderdeel) wijzigt. In de linkerkolom (‘WAS’) staat de bestaande tekst, waarbij de woorden en leestekens die wijzigen cursief zijn gezet. In de rechterkolom (‘WORDT’) staat de nieuwe tekst, waarbij de nieuwe woorden en leestekens vet zijn gedrukt. Onder elke wijziging staat een korte toelichting, soms voor een aantal artikelen tezamen.
WAS
WORDT
Artikel 1:1 (Definities), definitie voertuig: - voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;
- voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens, zoals kruiwagens en kinderwagens, en rolstoelen;
Toelichting: De definitie in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (hierna: RVV 1990) eindigt op wagens. De uitzondering maakt duidelijk dat kleine wagens geen voertuig zijn. Rolstoelen zijn een uitzondering op gehandicaptenvoertuigen zoals genoemd in de definitie in het RVV 1990. Artikel 2:6 (Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen), vijfde lid: 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering.
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de weg, achtste lid: 8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
8. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:11 ((Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg), vijfde lid: 5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
5. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
WAS
WORDT
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:24 (Definities), eerste lid, onder b: b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
b. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 2:25 (Evenementenvergunning), achtste en tiende lid: 8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.
8. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van in enig opzicht van slecht levensgedrag is.
10. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
10. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Achtste lid: Aanpassing aan de formulering van slecht levensgedrag in de artikelen 2:28, derde lid, onder b, en 3:7. In de toelichting op dit artikel vermelden wij de jurisprudentie. Tiende lid: Redactionele verbetering. Artikel 2:26 (Ordeverstoring) Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
Artikel 2:26 Ordeverstoring 1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde. 3. Het verbod in het tweede lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting: Conform VNG model. Lid 2 is erop gericht te kunnen optreden tegen het uiterlijk vertoon van verboden organisaties zoals OMG’s tijdens evenementen. Artikel 2.27 (Definitie) eerste en tweede lid
WAS
1.
2.
In deze afdeling wordt onder horecabedrijf verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
WORDT 1.
2.
In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, een bed & breakfast met ten minste vier slaapplaatsen, een café, waterpijpcafé, cafetaria, afhaalcentrum, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid; Een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt, waaronder in ieder geval een terras, maakt voor de toepassing van deze afdeling deel uit van die besloten ruimte.
Toelichting: Het begrip openbare inrichting is uitgebreid met een bed & breakfast met ten minste vier slaapplaatsen. Dit conform VNG-model Artikel 2:28 (Exploitatievergunning openbare inrichting) Artikel 2:28 Exploitatie horecabedrijven (en bijbehorend terras) 1.
Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
2.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
3.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
4.
Onverminderd het gestelde in het derde lid kan de burgemeester de exploitatievergunning ten behoeve van één of meer bij een horecabedrijf behorende terrassen weigeren:
a.
indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel een gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;
b.
indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.
Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. 3. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester slechts geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 4. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid als de aanvrager geen verklaring omtrent gedrag overlegt die uiterlijk drie maanden voor de datum waarop de vergunningaanvraag is ingediend, is afgegeven. 5. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in: a. een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. een zorginstelling; c. een museum; d. een bedrijfskantine of –restaurant; e. een lunchroom; f. een sportkantine; g. een ijssalon; h. een bed & breakfast; of i. een inrichting die zich bevindt in een dorpshuis en of gemeenschapshuizen.
WAS 5.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving en het uiterlijk aanzien
WORDT
6.
De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de openbare inrichting feitelijk heeft beëindigd.
7.
Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
van het terras nadere regels stellen met betrekking tot terrassen bij horecabedrijven. 6.
Geen vergunning is vereist voor een horecabedrijf:
a.
die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
b.
die zich bevindt in een zorginstelling;
c.
die zich bevindt in een museum;
d.
bedrijfskantine of -restaurant;
e.
lunchroom;
f.
cafetaria’s zonder vergunning op grond van de Dranken Horecawet;
g.
sportkantines;
h.
ijssalons;
i.
die zich bevindt in een dorps- en of gemeenschapshuizen; of
j.
horecabedrijven met uitsluitend afhaalmogelijkheden voor maaltijden en dranken.
7.
Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning.
Toelichting: Zevende lid: Redactionele verbetering. In tegenstelling tot voorheen wordt een exploitatievergunning nu ook verplicht voor cafetaria’s zonder vergunning op grond van de Drank- en horecawet en voor horecabedrijven met uitsluitend afhaalmogelijkheden voor maaltijden en dranken. Reden hiervoor is mogelijke criminele dan wel ondermijnende activiteiten die vanuit deze gelegenheden plaats vinden aan te kunnen pakken. Toevoeging artikel 2.28a (Nadere eisen)
WAS
WORDT
-
Artikel 2.28a Nadere eisen 1. Voor het verkrijgen van een vergunning als bedoeld in de artikelen 2.28 dient zowel de exploitant als de leidinggevende: a. minimaal de leeftijd van 18 jaar te hebben bereikt b. te voldoen aan de eisen gesteld in het besluit eisen zedelijk gedrag Drank en horecawet 1999, zoals dat luidt ten tijde van de aanvraag, en c. niet in enig opzicht van slecht levensgedrag te zijn d. niet onder curatele staan 2. Het is verboden de openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de op de vergunning vermelde leidinggevende in de openbare inrichting aanwezig is.
Toelichting: Artikel 2.28a is nodig in verband met de wijzigingen die aangebracht zijn in 2.28. In navolging van de Drank- en horecawet kunnen ook in de Apv nadere eisen worden gesteld aan zowel de exploitant als de leidinggevende van een openbare inrichting. Hiermee wordt voorkomen dat een inrichting wordt geëxploiteerd door personen die niet in aanmerking komen voor een DHW-vergunning. Door opname van eisen voor de aanwezigheid van een leidinggevende wordt schijnbeheer tegengegaan. Artikel 2:29 (Sluitingstijd), achtste lid: 8. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 2:37 (Nachtregister) Artikel 2:37 (vervallen) -
Artikel 2:37 Nachtregister 1. De houder van een inrichting dan wel ieder ander die bedrijfsmatig kamers verhuurd en/of anderszins overnachting aanbiedt of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van Strafrecht, bij te houden. 2. De burgemeester kan voor het nachtregister een model verplicht voorschrijven.
Toelichting: De APV regelt dat iemand die binnen de gemeente overnacht, zijn gegevens achterlaat, en ook dat de aanbieder van een verblijf deze gegevens moet bijhouden. Met dit artikel kan een standaardmodel voor het nachtregister worden opgesteld en de aanbieder van een overnachtingsplaats een verplichting worden opgelegd voor het bijhouden van dit nachtregister. Artikel 2:39 (Speelgelegenheden), vierde lid: 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
WAS
WORDT
Toelichting: Redactionele verbetering. Toevoeging artikel 2.46 Dragen gevaarlijk voorwerp Artikel 2:46 (Vervallen)
Artikel 2:46 Dragen gevaarlijk voorwerp 1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen, messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de volgens artikel 6:2 aangewezen toezichthouders, dan wel op basis van andere wetgeving aangewezen personen die bevoegd zijn tot het dragen van een wapen ter uitvoering van hun beroep.
Toelichting: Dit artikel was het oude artikel 2.79. Door invoeging van een apart hoofdstuk ondermijning is dit artikel anders genummerd en is van art. 2.79 nu artikel 2.46 geworden. Toevoeging van artikel 250a (verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties) -
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.
Toelichting: Zie de toelichting van de VNG-ledenbrief. (Lbr 20/075) Artikel 2:57 (Loslopende honden), eerste lid, onder b: b. binnen de bebouwde kom op de weg als de hond niet is aangelijnd;
b. binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
Toelichting: Volgens het huidige onderdeel b geldt een verbod voor honden op de weg indien ze niet aangelijnd. Dus op andere openbare plaatsen dan de weg mag een hond niet aangelijnd lopen, behalve op een krachtens onderdeel a genoemde plaats/aangewezen plaats. De wijziging breidt het verbod voor niet-aangelijnde honden uit tot andere plaatsen binnen de bebouwde kom dan de weg, zoals parken en plantsoenen of andere voor publiek openstaande plaatsen. Dat past ook beter bij de uitzondering in het tweede lid, waar wordt gesproken over ‘aangewezen plaatsen’. Artikel 2:65 (Bedelarij):
WAS
WORDT
Artikel 2:65 Bedelarij
Artikel 2:65 Bedelarij
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.
Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.
Toelichting: Het komt ons voor dat het verbod ook in bijvoorbeeld parken of plantsoenen zou moeten gelden. Uit onze toelichting in artikel 1:1 op openbare plaats: het verblijf op die plaats [mag] niet door de gerechtigde aan een bepaald doel gebonden zijn. Op grond hiervan zijn bijvoorbeeld stadions, postkantoren, warenhuizen, restaurants, musea, ziekenhuizen en kerken geen ‘openbare plaatsen’. Ook de hal van het gemeentehuis valt buiten het begrip ‘openbare plaats’. ‘Een voor het publiek toegankelijk gebouw’ voor zover het verblijf daarin door de gerechtigde niet aan een doel is gebonden, is dus ook een openbare plaats. Eigenaren/exploitanten van stadions enz. en gemeentehuis’ moeten zelf reguleren. Artikel 2:67 (Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister), derde lid: 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering Artikel 2:72 (Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen), tweede lid: 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
2. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Toevoeging afdeling 13 (Het tegen gaan van ondermijning”) -
Afdeling 13. Het tegen gaan van ondermijning”
Toelichting: Deze artikelen zijn opgenomen om ondermijning tegen te gaan en toe te zien op de stimulering van een gezond ondernemingsklimaat. Artikel 2.82 geeft de burgemeester de bevoegdheid om een vergunningstelsel in te stellen voor bedrijfsmatige activiteiten. Dit kan als bv. sprake blijkt te zijn van bedrijfsmatige activiteiten die het leefklimaat dan wel de openbare orde aantasten of als er signalen zijn van ondermijnende activiteiten. In aansluiting op dit artikel zal een aanwijsbesluit moeten worden genomen door de burgemeester welke gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten worden aangewezen waarop de vergunningplicht van toepassing is. Wijzigen artikel 2.80 (Openbare orde (sluiting overlastgevende voor publiek openstaande panden))
WAS
WORDT
2:80 Openbare orde (sluiting overlastgevende voor publiek openstaande panden)
Artikel 2:80 Begripsbepalingen
1. De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet. 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf. 3. Het bevel tot sluiting geldt voor bepaalde of onbepaalde tijd; in het laatste geval wordt het bevel tot sluiting opgeheven bij openbaar te maken besluit.
In deze afdeling wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, niet zijnde een seksinrichting, of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.
4. Een ieder is verplicht toe te laten, dat het in het tweede lid bedoelde besluit ter plaatse wordt aangebracht en daar aangebracht blijft, zolang het bevel van kracht is. 5. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven. 6. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.
Toelichting: Nieuw ingevoegd: begripsbepaling ten behoeve van nieuwe hoofdstuk ondermijning. Artikel 2.80 wordt nu 2.81. Toevoegen artikel 2:81 (Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten)
WAS
WORDT
-
Artikel 2:81 Sluiting van voor publiek toegankelijke ruimten 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid, het woon- en leefmilieu of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de sluiting van een voor het publiek toegankelijke ruimte en/of de daarbij behorende erven bevelen. Hij brengt het besluit terstond ter kennis van de houder van de ruimte die het betreft. 2. De burgemeester kan de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid in ieder geval toepassen, als er in het voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet: a. wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie aanwezig zijn waarvoor geen ontheffing, vergunning of verlof is verleend; b. is gehandeld in strijd met artikel 1 van de Wet op de kansspelen; c. door misdrijf verkregen zaken voorhanden, bewaard of verborgen zijn dan wel zijn verworven of overgedragen; of d. discriminatie heeft plaatsgevonden op grond van ras, geslacht, seksuele gerichtheid of op welke grond dan ook; e.
zich andere feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die naar het oordeel van de burgemeester de vrees wettigen dat het geopend blijven van het voor publiek toegankelijk gebouw en/of het bij dat gebouw behorende erf als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid. 3. Het is de houder van een voor publiek toegankelijke ruimte verboden deze voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven gedurende de tijd dat de ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit voor publiek gesloten dient te zijn. 4. Het is bezoekers verboden gedurende de tijd dat een voor publiek toegankelijke ruimte krachtens een op grond van het eerste lid door de burgemeester genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin te bevinden. 5. Voor de toepassing van dit artikel worden onder bezoekers verstaan allen die zich in de voor het publiek toegankelijke ruimte bevinden of daarin toegelaten worden met uitzondering van: a. de houder van de ruimte alsmede diens huisgenoten die door de gemeente zijn ingeschreven als bewoners van de bij de ruimte behorende woning; b. logeergasten; c. hen wier tegenwoordigheid wegens dringende omstandigheden wordt vereist.
Toelichting: Andere nummering. Oude artikel 2.80 wordt nu artikel 2.81 Verder geeft dit artikel de burgemeester de bevoegdheid om in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, het woon- en leefmilieu of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden, de sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij het gebouw behorend erf te bevelen. Onder dit ondermijningsartikel vallen bv. horecaondernemingen, maar ook winkels. Het gaat hier om een ingrijpend en daarom uiterst middel waaraan veelal eerst een formele waarschuwing vooraf zal dienen te gaan. Voorts zal in situaties van ordeverstoring eerst moeten worden bezien of sluiting niet reeds op een andere grond in de APV, Gemeentewet of Opiumwet etc. mogelijk is. Toevoegen artikel 2:82 (Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten)
WAS
WORDT
-
Artikel 2:82 Aanwijzing vergunningplichtige gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten 1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het eerste lid van artikel 2:83 van toepassing is. 2. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. 3. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. 4. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend voor de gehele gemeente aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat.
Toelichting: De artikelen 2.82 t/m 2.89 zijn nieuw toegevoegd ter bestrijding van ondermijning en het handhaven van de veiligheid en openbare orde. Hierbij wordt een vergunningstelsel mogelijk gemaakt voor bedrijfsmatige activiteiten die gevoelig zijn voor criminele activiteiten. De burgemeester kan hiertoe gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarvoor een vergunningplicht geldt. Toevoegen artikel 2:83 (Vergunning uitoefening bedrijf)
WAS
WORDT
-
Artikel 2:83 Vergunning uitoefening bedrijf 1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. in een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:82 aangewezen gebouw of gebied voor door het college benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid van artikel 2:82 aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d. indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. als niet voldaan is aan de bij of krachtens in artikel 2:84 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag; 3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Zie toelichting Toevoegen artikel 2:84 (Vergunningaanvraag)
WAS
WORDT
-
Artikel 2:84 Vergunningaanvraag 1. De vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83 wordt aangevraagd door de exploitant. 2. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. 3. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden overgelegd: a. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder; b. het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; c. het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; d. indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder; e. een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten; f. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd. 4. Indien de burgemeester dat nodig acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens worden overgelegd.
Toelichting: Zie toelichting Toevoegen 2:85 (Intrekking en wijziging van een vergunning)
WAS
WORDT
-
Artikel 2:85 Intrekking en wijziging van een vergunning Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83 intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast; of b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; of c. de voorschriften verbonden aan de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd; of d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of e. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; of f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; of h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; of i.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een gebiedsplan.
Toelichting: Zie toelichting Toevoegen artikel 2:86 (Sluiting bedrijf)
WAS
WORDT
-
Artikel 2:86 Sluiting bedrijf 1. Indien een bedrijf in strijd met het verbod uit het eerste lid van artikel 2:83 wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:85, sub a tot en met i, van toepassing is, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid van dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.
Toelichting: Zie toelichting Toevoegen artikel 2:87 (Geboden en verboden exploitant) -
Artikel 2:87 Geboden en verboden exploitant 1. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 2:83, opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. 2. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. 3. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 4. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden.
Toelichting: Zie toelichting Toevoegen artikel 2:88 (Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen) -
Artikel 2:88 Uitgestelde werking aanwijzingsbesluiten voor bestaande gevallen In afwijking van het eerste lid van artikel 2:83 geldt het aldaar gestelde verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het in artikel 2:82 genoemde aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is.
Toelichting: Zie toelichting Artikel 3:3 (Vergunning), vijfde lid:
WAS
WORDT
5. Een vergunning kan mede voor één seksinrichting worden verleend.
5. Een vergunning kan mede voor een seksinrichting worden verleend.
Toelichting: Een seksinrichting is een onderdeel van een seksbedrijf, dus een vergunningplichtig seksbedrijf (activiteit of activiteiten) kan meer dan een seksinrichting (locatie) omvatten. Ter verduidelijking hebben we ‘één’ vervangen door ‘een’. Artikel 3:7 (Weigeringsgronden), eerste tot en met vierde lid: 1. Een vergunning wordt geweigerd als:
1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 wordt een vergunning geweigerd als:
a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
a. de exploitant of de beheerder onder curatele staat;
b. de exploitant of de beheerder is ontzet uit het ouderlijk
b. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is
gezag of de voogdij;
veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
c. de exploitant of de beheerder onherroepelijk is veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is; d. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; g. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; i.
de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°. bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
c. de exploitant of de beheerder de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt; d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn; e. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; f. er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft, nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000; g. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van meer dan zes maanden; h. de exploitant of de beheerder minder dan vijf jaar voorafgaand aan de dag dat de vergunning wordt aangevraagd, bij meer dan één rechterlijke uitspraak of strafbeschikking onherroepelijk veroordeeld is tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1°.
bepalingen, gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000, de Wet arbeid vreemdelingen en hoofdstuk 3 van deze verordening;
WAS
WORDT
2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het
2°. de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het
Wetboek van Strafrecht;
Wetboek van Strafrecht;
3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
3°. artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;
4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
4°. de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede de artikelen 6 juncto 8 en 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of
5°. de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of
6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
6°. de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.
[j. [een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt OF een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt];]
[i. [een maximum als bedoeld in artikel 3:5 is vastgesteld en dit maximum al is bereikt OF een maximum als bedoeld in artikel 3:5 al is bereikt];]
k. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening [of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4].
j. de voorgenomen uitoefening van het seksbedrijf strijd zal opleveren met een geldend bestemmingsplan, een bestemmingsplan in ontwerp dat ter inzage is gelegd, een beheersverordening [of een aanwijzing als bedoeld in artikel 3:4].
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder h, wordt gelijkgesteld:
2. Met een veroordeling als bedoeld in het eerste lid, onder g, wordt gelijkgesteld:
a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
a. een bevel tot tenuitvoerlegging van een zodanige voorwaardelijke straf;
b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt.
b. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375
3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
3. De periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, wordt bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.
4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder h en i, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
4. Voor de berekening van de periode van vijf jaar, bedoeld in het eerste lid, onder g en h, telt de periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf is ondergaan, niet mee.
bedraagt.
Toelichting: De in het eerste lid genoemde weigeringsgronden dienen als aanvulling op de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8. Dat is in de aanhef tot uitdrukking gebracht. In het eerste lid is onderdeel b geschrapt en zijn de overige onderdelen verletterd.. Door de inwerkingtreding van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregel (Stb. 2014/131) is niet langer sprake van ontheffing of ontzetting uit het ouderlijk gezag of de voogdij, maar van beëindiging van ouderlijk gezag of voogdij. Artikel 3:7, eerste lid, onder b, is daarom geschrapt. Beëindiging van het ouderlijk gezag is veel ruimer dan de zeer beperkte groep ontzette ouders. (Voor de Drank- en Horecawet was één van de weigeringsgronden destijds ook dat degene die de vergunning aanvraagt niet uit het ouderlijk gezag mag zijn gezet. Dit vereiste is in 2015 vervallen.) Over het begrip ‘slecht levensgedrag’ in het nieuwe onderdeel b (oud c) hebben wij in de toelichting jurisprudentie opgenomen. Artikel 3:9 (Intrekkingsgronden), eerste lid, onder e: e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met i;
e. zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 3:7, eerste lid, onder a tot en met h;
Toelichting: De verwijzing naar artikel 3:7 is aangepast door de verlettering in dat artikel.
WAS
WORDT
Artikel 5:2 (Voertuigen van autobedrijf en dergelijke), vijfde lid: 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:3 (Te koop aanbieden van voertuigen), derde lid: 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5:6 (Kampeermiddelen en andere voertuigen), vierde lid: 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:7 (Reclamevoertuigen), derde lid: 3. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
3. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:8 (Grote voertuigen), zesde lid: 6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:13 (Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving), vierde lid: 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting op de wijziging van de artikelen 5:2, 5:3, 5:6, 5:7, 5:8 en 5:13: Redactionele verbetering. Artikel 5:14 (Definitie), tweede lid, onder b: b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of artikel 5:22; Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet.
b. het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet of artikel 5:22;
WAS
WORDT
Artikel 5:15 (Ventverbod), vierde lid: -
4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 5:17 (Definitie), tweede lid, onder a: a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
a. een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:18 (Standplaatsvergunning en weigeringsgronden), vierde lid: 4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 5:22 (Definitie), tweede lid, onder a: a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;
a. een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
Toelichting: Correctie van de verwijzing naar artikel 160 Gemeentewet. Artikel 5:32 (Crossterreinen), eerste lid: 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.
Toelichting: Er zijn gemeenten met een terrein (in het buitengebied) waar incidenteel een paar uurtjes gecrost wordt met brommers. Het crossen is puur recreatief, dus niet ter voorbereiding op wedstrijden. Om hiertegen te kunnen optreden bij (geluids)overlast hebben wij het crossen buiten wedstrijdverband aan het eerste lid toegevoegd.
WAS
WORDT
Artikel 5:36 (Verboden plaatsen), vierde lid: 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
4. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Redactionele verbetering. Artikel 6:1 Sanctiebepaling, lid 1:
1.
Overtreding van het bij of krachtens de
volgende artikelen bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften
en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
1.
Overtreding van het bij of krachtens in deze
verordening bepaalde en de daarbij op grond van artikel 1:4 gegeven voorschriften en
beperkingen wordt gestraft met hechtenis
van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie.
Toelichting: Dit artikel wijkt af van het VNG-model. Dit komt omdat wij als gemeente niet dezelfde werkwijze hebben. Daarom de toevoeging ‘in deze verordening’.