CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Inrichtingsplan Lage Bijssel

Beeldvorming 11 januari 2021, gemeente elburgBij agendapunt: Beantwoording raadsvraag AB beleid stikstofreductie in onze gemeente ID5105.779 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Inrichtingsplan Lage Bijssel Hidde Joustra Maart 2020

INRICHTINGSPLAN LAGE BIJSSEL Inrichtingsplan voor het nieuw te ontwikkelen natuurgebied ‘Lage Bijssel’

H.H. Joustra

Opdrachtgever: Familie Joustra Maart 2020 Status: Definitief Versie: 1.0

In samenwerking met:

1

Voorwoord In dit rapport wordt de voorgenomen inrichting voor de functieverandering van enkele percelen voormalige landbouwgrond in buurtschap de Lage Bijssel in Doornspijk beschreven. Deze gronden worden omgevormd naar natuur en ingericht zodat de natuurwaarden zo hoog mogelijk kunnen ontwikkelen. Dit wordt gedaan ten behoeve van het Gelders Natuurnetwerk. De familie Joustra bezit een aantal weilanden achter en naast hun huis. En van deze weilanden is al eerder afgegraven en heeft zich ontwikkelt tot schrale natuur met een aantal prachtige soorten (wateraardbei, rietorchis, etc.). In 2019 heb ik een rapport geschreven waarin de plant- en diersoorten in dit gebied zijn geïnventariseerd. Dit rapport sluit hierop aan. Speciale dank gaat uit naar Douwe Joustra, Ecoloog bij Staatsbosbeheer, voor zijn hulp en expertise. Ook gaat mijn dank uit naar Cor Duitman, van de gemeente Elburg. Hidde Joustra Doornspijk, Maart 2019

2

Inhoud Voorwoord .............................................................................................................................................. 2 Samenvatting........................................................................................................................................... 4 1.

2.

Inleiding ........................................................................................................................................... 5 1.1

Aanleiding en doelstelling ....................................................................................................... 5

1.2

Opzet studie ............................................................................................................................ 5

Gebiedsbeschrijving ........................................................................................................................ 6 2.1

Ligging en ontstaansgeschiedenis ........................................................................................... 6

2.2

Landschap ................................................................................................................................ 7

2.3

Hoogteligging, bodem en vocht .............................................................................................. 8

2.3.1

Hoogteligging................................................................................................................... 8

2.3.2

Bodem ............................................................................................................................. 9

2.3.3

Vocht ............................................................................................................................... 9

2.4

Flora, Fauna en afgeleide abiotiek ........................................................................................ 11

2.4.1

Flora ............................................................................................................................... 11

2.4.2

Planten sociologische analyse ....................................................................................... 12

2.4.3

Fauna ............................................................................................................................. 13

2.4.4

Abiotiek ......................................................................................................................... 14

3.

Uitgangspunten en randvoorwaarden voor inrichting.................................................................. 17

4.

Inrichtingsplan ............................................................................................................................... 18 4.1

Natuurontwikkelingsplan ...................................................................................................... 18

4.1.1

Kostenraming ................................................................................................................ 20

4.2

Natuurbeheerplan ................................................................................................................. 21

4.3

Openstelling........................................................................................................................... 23

4.4

Planning ................................................................................................................................. 23

Bibliografie ............................................................................................................................................ 24

3

Samenvatting De Lage Bijssel is een natuurontwikkelingsproject in Doornspijk. In 2007 is er een bestaande poel vergroot en de omliggende grond afgegraven. Dit heeft, na 13 jaar aan natuurlijke ontwikkelingen, een prachtig resultaat met zich meegebracht: er is een gebied ontstaan met bijzondere plantensoorten, wat aantrekkelijk is voor veel vogels. Met de omliggende landbouwpercelen in de omgeving wil de familie Joustra dit succesverhaal herhalen en uitbreiden. De Lage Bijssel is grotendeels gelegen op een stuwwal en voor een deel in het omliggende veenweidegebied. Dit betekent dat er binnen het gebied grote verschillen in vocht en bodemtype zitten. De stuwwal bestaat uit een relatief droge zandbodem, waar het veenweidegebied nat is en bestaat uit klei op veen. Uit voorgaande onderzoeken is gebleken dat de veenweidegebieden relatief voedselrijk zijn. De stuwwal is iets voedselarmer, maar nog steeds vrij voedselrijk. In het inrichtingsplan zal een nieuwe uitgangssituatie worden gerealiseerd, bestaande uit 3 natuurtypen: N05.01 Moeras en N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland met mogelijk een doorontwikkeling naar droog en nat grasland. Om dit te realiseren zullen een aantal maatregelen genomen moeten worden, waarbij het afgraven van de grond de belangrijkste is. Daarnaast worden twee sloten met elkaar verbonden en krijgen deze sloten een natuurlijk oever.

Ook de overgang van de bestaande poel naar de nog te ontwikkelen percelen wordt geleidelijk gemaakt.

4

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling De Lage Bijssel is een natuurontwikkelingsproject in Doornspijk bij de Veluwerandmeren. Rond het jaar 2000 is Hessel Joustra begonnen met het aankopen van landbouwgronden. In 2003 is er een paddenpoel gegraven in een van deze weilanden. Na aankoop van het achterliggende weiland in 2007 is deze poel vergroot en is de omliggende grond afgegraven. Hierdoor is een schraal milieu ontstaan waar de successie opnieuw kon beginnen. Rond de poel liggen nog drie weilanden die vanaf 2007 niet meer bemest zijn. Na 12 jaar van natuurlijke ontwikkelingen is het landschap sterk veranderd. De kale grond rondom de poel heeft zich ontwikkeld tot een mozaïek van mossen, grassen en bloemen. Er zijn grote aantallen orchideeën in het gebied te vinden en zeldzame planten als de wateraardbei groeien langs de oevers van de poel. Door de combinatie van openheid, water en struwelen voelen vele soorten vogels zich thuis in het gebied. Ook amfibieën lijken zich te handhaven. In de omliggende weilanden is de vegetatie door de jaren heen veranderd van hoog productief gras, naar een schraler systeem gedomineerd door glanshaver. Op de website van de familie Joustra (www.lagebijssel.nl) is deze ontwikkeling zichtbaar gemaakt. Buiten de poel om heeft de Lage Bijssel nog maar weinig ingrijpende veranderingen meegemaakt.

Om de ontwikkeling van een natuurlijk landschap te stimuleren, is de wens ontstaan om ingrepen te doen. Deze ingrepen moeten hogere natuurwaarden realiseren in het gebied. Het doel van dit rapport is het voorstellen van een inrichtingsplan waarbij de natuurwaarden zo optimaal mogelijk gestimuleerd worden in het gebied.

1.2 Opzet studie De familie Joustra staat op het punt om extra grond te verwerven. Dit rapport beschrijft alleen de huidige percelen (fase A). In de loop van dit jaar zal een tweede aanvraag ingediend worden voor de nieuw aangekochte percelen (fase B). In dit rapport is alleen fase A behandeld. Voor fase B wordt een apart rapport samengesteld. In dit rapport wordt beschreven hoe Fase A wordt ingericht. In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het gebied weergeven, met daarin de ligging en geschiedenis, landschap, hoogteligging, bodem, flora, fauna en abiotiek. In hoofdstuk 3 worden de uitgangspunten en randvoorwaarden voor het onderzoek weergeven. In hoofdstuk 4 is het inrichtingsplan weergeven, met daarin het natuurontwikkelingsplan, het beheerplan en de openstelling.

5

2. Gebiedsbeschrijving 2.1 Ligging en ontstaansgeschiedenis De Lage Bijssel als buurtschap (figuur 1) is in het verleden onder een grote verscheidenheid van grondeigenaren geweest. Wat er allemaal is gebeurd onder deze grondeigenaren is niet duidelijk te herleiden. Het is wel duidelijk dat de regio al vanaf 1300 gebruikt werd voor de landbouw, met name voor de veeteelt als weidegronden (Arent thoe Boecop, 1989). In het verleden heeft de Lage Bijssel altijd aan de Zuiderzee gelegen. Langs de voormalige Zuiderzee ontstonden strandwallen die het achterliggende land beschermde tegen het water. De strandwallen ontstonden door de stormvloeden, waarbij zand en grind, afkomstig uit afzettingen van de Hierdense Beek, afgezet werd op de droge stranden (Veen, 2012). Ondanks deze natuurlijke barricade voor het zeewater, vonden er toch overstromingen plaats die het land onder water zette. In figuur 1 is te zien hoe ver het water kwam. Door de overstromingen werden zeeklei en zand afgezet op het achterliggende land. In figuur 2 is te zien hoe de bodemopbouw vlak achter de strandwal er uit ziet. Naarmate de afstand vanaf de strandwal groter, en de invloed van het zeewater kleiner, wordt, zijn klei en veen steeds minder te vinden en bestaat de bodem voornamelijk uit zand.

Figuur 1 Ligging van de Lage Bijssel. Richting het noorden ligt het Veluwemeer, richting het oosten Elburg en Doornspijk, richting het zuiden Nunspeet en de Veluwe, richting het westen Hierden en Harderwijk.

Na de inpoldering van de Zuiderzee tussen 1936 en 1968 werd de invloed van het water aanzienlijk Figuur 2 De kustvlakte nabij Nunspeet met de minder. Nu de dreigingen van overstromingen voorbij overstromingszone in 1825. A=overstromingsvlakte, waren werden de strandwallen afgevlakt om het B=strandwallen. (Veen, 2012) achterliggende land te verhogen en de grond geschikter te maken voor de landbouw. Voornamelijk veeteelt en de productie van gras voor veevoer werden veel toegepast, waarvoor veel bemest werd. Rond 2000 kwam een deel van de grond in bezit van Hessel Joustra. Hier werd een poel gegraven en de toplaag van de omliggende grond werd afgegraven (figuur 3). De natuur kon hier opnieuw beginnen. Rond 2007 kwamen er andere gronden in het bezit van de familie Joustra (figuur 3), die langzaam verschraald zijn over de loop van 12 jaar door het stoppen van het bemesten en het tweemaal per jaar maaien en afvoeren van het gras.

6

Figuur 3 Dwarsdoorsnede door een strandwal en het achterliggende landschap. 1=matig fijn zand, 2=veen, 3=zware klei, 4=kleiig matig grof zand, 5=grind, 6=grof zand met fijn grind, 7=fijn grind. (Veen, 2012)

De gronden van de Lage Bijssel bestaan uit 3 weilanden, de afgegraven gronden rondom de poel en de poel zelf. Deze gronden zijn ongeveer 4,1 hectare groot en worden behandeld in fase A (dit rapport). Aan deze gronden grenst een woongedeelte waar de familie Joustra woont met tuin, boomgaard en weitjes. Grenzend aan deze grond zitten twee weilanden van Karsten, samen ongeveer 1,8 hectare. Deze gronden worden nu aangekocht en worden behandeld in fase B.

Figuur 4 Gronden in eigendom van de familie Joustra Blauw=verschraald, groen=afgegraven + poel, rood=woongedeelte.

2.2 Landschap De Lage Bijssel ligt op de overgang van de droge zandgronden van de Veluwe naar de randmeren. Het gebied ligt op de overgang van een hogere stuwwal naar een lager en natter weidegebied. Aan de zuidkant van het gebied liggen de drogere gronden, waar veel landbouw op bedreven wordt, aan de noordkant van het gebied liggen de nattere weidegebieden, waar vooral begrazing door vee wordt toegepast. De zuidelijke begrenzing van de Lage Bijssel is de Knibbelweg. De Knibbelweg is gelegen op een hogere stuwwal. Op deze stuwwal zijn een aantal boerderijen te vinden. Ten noorden van de stuwwal is het natter en staan geen boerderijen of huizen. In figuur 5 is het landschap te zien gezien van zuid naar noord.

Figuur 5 Landschap van de Lage Bijssel van het hoger gelegen zuiden naar het lager gelegen noorden (herfst).

7

2.3 Hoogteligging, bodem en vocht 2.3.1 Hoogteligging De Lage Bijssel is gelegen op de overgang van een hogere stuwwal naar een lager gelegen veenweidegebied. Op de hoogtekaart (figuur 6) is goed zichtbaar waar deze stuwwal ligt en waar de overgang van naar veenweidegebied ligt. De grootste stuwwal in de omgeving van de Lage Bijssel is de Veluwe. Na de Veluwe zijn er nog drie stuwwalen te vinden. De eerste ligt net ten noorden van Nunspeet, de tweede stuwwal is een hogere dan de derde en huist Doornspijk. De derde stuwwal loopt van het Veluwemeer in zuidelijke richting, de knibbelweg volgend en buigt dan, net als de knibbelweg, af naar het oosten. Uiteindelijk gaat deze stuwwal weer terug richting het Veluwemeer in noordwestelijke richting. Deze derde stuwwal creëert begrenst een laagte waarbinnen het veenweidegebied ligt. Het grootste deel van de Lage Bijssel ligt op de stuwwal. Een klein deel ligt ten noorden van de stuwwal (figuur 6).

Figuur 6 De hoogtekaart van de Lage Bijssel en omgeving. Kaart 1: de hoogtekaart ingezoomd op de Lage Bijssel. Kaart 2: De ligging van de drie stuwwallen ten noorden van de Veluwe. Kaart 3: Ligging van de lage Bijssel in de stuwwal.

8

2.3.2 Bodem De stuwwal bestaat uit Gooreerdgronden (figuur 7) bestaande uit fijn zand. Deze gronden hebben een dikke humuslaag van 20-50 cm (Wikimedia Foundation, z.d.a) en zijn zeer voedselrijk. De lagere

Figuur 7 Bodemkaart van het gebied rond de Lage Bijssel.

veenweidegronden bestaan uit waardveengronden op zand. Deze gronden bestaan uit veen met een dun dek van zavel of klei van maximaal 40 cm dik en een dunne humuslaag aan de oppervlakte (Wikimedia Foundation, z.d.b). Verder richting het Veluwemeer wordt de bodem kalkrijker en wordt kleiig, waarna de grond weer zandig wordt door de (vroegere) strandwallen. Ten zuiden van de strandwal, in de lagere delen, zijn weer waardveengronden te vinden. Op de hogere delen ten zuiden van de stuwwal zijn ook weer venige gronden te vinden, variërend van moerige gronden (zandige gronden met een groot aandeel organisch materiaal) met een groot aandeel humus in de bovengrond tot koopveengronden (gronden met een maximaal 50 cm dikke bovengrond bestaande uit kleiig veen of venige klei). Ten zuiden hiervan ligt een andere stuwwal.

2.3.3 Vocht Over de grondwaterstanden in het gebied en de omgeving van het gebied is weinig bekend. Op grote schaal is de stuwwal droog en het veenweidegebied nat. In het veenweidegebied wordt door de agrarische sector alleen veeteelt en productie van gras toegepast. Op de stuwwal worden ook mais en aardappelen geteeld. Dit komt omdat het veenweidegebied het grootste deel van het jaar te nat is voor de groei van gewassen als mais en aardappelen. De meetpunten voor de grondwaterstand die openbaar zijn, liggen zo ver van het projectgebied dat deze geen betrouwbaar beeld van de grondwaterstand in het gebied zelf geven. Naast de afstand tussen de meetpunten en het projectgebied, spelen de grote hoogteverschillen op lokale schaal (door de stuwwal) een rol in de onbetrouwbaarheid van deze meetpunten voor de Lage Bijssel. Er 9

zijn pijlbuizen in het gebied geplaatst. Vanwege de tweede droge zomer op rij is het beeld dat deze pijlbuizen geven echter niet heel betrouwbaar. Daarom zijn deze niet opgenomen in dit rapport.

10

2.4 Flora, Fauna en afgeleide abiotiek De Lage Bijssel heeft een gevarieerde flora en fauna. Het gebied bestaat uit een aantal verschillende typen habitats. Tussen deze habitats vinden verschillen in abiotiek plaats, daarom huisvesten deze verschillende soorten planten en dieren. De soorten planten zijn voor dit gebied onderzocht, omdat het een klein gebied is, is er voor de fauna geen aparte inventarisatie gedaan maar gewerkt met bekende gegevens en veldwaarnemingen. Aan de hand van de flora zijn de ellenbergwaarden voor de abiotiek berekend. Het gebied is hiervoor verdeeld in verschillende deelgebieden. Binnen deze deelgebieden zijn een aantal plots onderzocht. Deze deelgebieden en plots zijn weergeven in figuur 9.

1 5

2 4

6

3

11 10

12 7

9

8 13 14

17 15 16

Figuur 9 Deelgebieden voor flora en fauna onderzoek met de plotjes die zijn onderzocht.

2.4.1 Flora Gekeken naar de flora in het gebied komen er logischerwijs vooral grassen voor, zoals glanshaver (Arrhenatherum elatius), grote vossenstaart (Alopecurus pratensis) en in kleine mate Engels raaigras (Lolium perenne). Opvallen is dat er weinig kruiden voorkomen voor de staat van verschraling. De kruiden die voorkomen zijn onder andere scherpe- (Ranunculus acris) en kruipende boterbloem (Ranunculus repens), verschillende soorten zuring (Rumex) en klavers (Trifolium). De vegetatie in de weilanden komt voornamelijk overeen met glanshaverhooiland. Echter zijn er weinig kruiden aanwezig in de vegetatie voor dit natuurtype. Bij de poel komen veel soorten voor van nattere systemen. Soorten als de gevlekte orchis (Dactylorhiza maculata subsp. maculata), rietorchis (Dactylorhiza majalis subsp. praetermissa), wateraardbei (Potentilla palustris) en struik- (Calluna vulgaris) en dophei (Erica tetralix) komen hier voor. Het systeem is relatief jong en kan nog veel kanten op ontwikkelen. Op dit moment lijkt het vooral op het natuurtype droog schraalland, vanwege de heischraal grasland achtige ontwikkeling. 11

Naast de poel en weilanden zijn er ook een aantal struwelen in het gebied aanwezig. Deze struwelen bestaan voor het grootste deel uit de soorten die aangeplant zijn. Tussen deze soorten hebben hondsdraf (Glechoma hederacea) en braam (Rubus) zich weten te vestigen. De struwelen hebben het meeste weg van het natuurtype haagbeuken- en essenbos.

2.4.2 Planten sociologische analyse Aan de hand van de voorkomende plantensoorten in het gebied is er een planten sociologische analyse uitgevoerd in SynBioSys. Deze analyse laat per deelgebied zien welke plantengemeenschap hier dominant is en welk natuurtype hier het beste bij past. In tabel 1 zijn de resultaten van de planten sociologische analyse weergeven. Tabel 1 Resultaten van de plantensociologische analyse, met daarin per deelgebied de meest lijkende plantengemeenschap en het natuurtype weergeven.

Deelgebied

Plantengemeenschap

Natuurtype

Weiland 1: hoog

Poel-zone

16Ba Verbond van grote vossenstaart 16Ba Verbond van grote vossenstaart 16Ba Verbond van grote vossenstaart 19 Klasse der heischrale graslanden

N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland N12.03 Kruiden- en faunarijk grasland N11.01 Droog schraalland

Poel (oever)

19 Klasse der heischrale graslanden

N11.01 Droog schraalland

Poel (water)

05Bc Verbond der kleine fonteinkruiden 43Aa Verbond der els en vogelkers

N04.02 Zoete plas

Weiland 1: laag Weiland 2

Bossige zone Sloot zone

39Aa Verbond van elzenbroekbossen

N14.03 Haagbeuken- en essenbos N05.01 Moeras

In tabel 1 is te zien dat weiland 1 en 2 beide vallen onder N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. De poel zone en poel oever vallen onder N11.01 Droog schraalland. De sloot zone valt onder N05.01 Moeras. De poel zelf valt onder N04.02 Zoete plas en de bossige zone valt onder N14.03 Haagbeuken- en essenbos.

12

2.4.3 Fauna Over de fauna zijn maar weinig gegevens bekend. Gekeken naar het gebied specifiek kunnen alleen waarnemingen die gedaan zijn tijdens het uitvoeren van het onderzoek naar de flora meegenomen worden. De verwachting is dat de soorten die net buiten het gebied zitten ook in het gebied zullen voorkomen. Om een inschatting te maken van de voorkomende fauna is er gekeken naar soortendata van waarneming.nl. In figuur 10 is te zien uit welk gebied de gebruikte waarnemingen afkomstig zijn. De waarnemingen komen uit een groot gebied met daarbinnen verschillende habitats, en hoeven dus niet heel veel te zeggen over de Lage Bijssel zelf.

Figuur 10 De waarnemingen van waarneming.nl zijn van binnen de blauwe lijn. De rode stip is het gebied.

Binnen dit gebied zijn vier waarnemingen gedaan. De pos (Gymnocephalus cernua), paling (Anguilla anguilla), de kleine modderkruiper (Corbitis taenia) en het Bermpje (Barbatula barbatula). Deze waarnemingen zeggen niet veel over wat er in het gebied zit, en waarschijnlijk komen deze soorten niet voor in het gebied vanwege een stuw in de sloot. In het veld zijn voornamelijk vogelsoorten waargenomen. Soorten als meerkoet (Fulica atra), knobbelzwaan (Cygnus olor) en blauwe reiger (Ardea cinerea) zijn veel te zien in het gebied. Naast vogels zijn er vraatsporen van reeën gevonden aan kleine dennetjes die in het gebied groeien. Alle veldwaarneming zijn genoteerd in tabel 2. Tabel 2 Alle veldwaarnemingen in de Lage Bijssel (voornamelijk in of bij de poel).

Nederlandse naam

Wetenschappelijke naam

Kleine zilverreiger Rietzanger Kleine karekiet IJsvogel Lepelaar (enkele) Aalscholver Kuifeend Dodaars Bergeend Steenuil Buizerd Fuut Knobbelzwaan Blauwe reiger Meerkoet Ooievaar Zwarte ooievaar (enkele) Kievit Scholekster Winterkoning

Egretta garzetta Acrocephalus schoenobaenus Acrocephalus scipaceus Alcedo atthis Platalea leucorodia Phalacrocorax carbo Aythya fuligula Tachybaptus ruficollis Tadorna tadrona Athene noctua Buteo buteo Podiceps cristatus Cygnus olor Ardea cinerea Fulica atra Ciconia ciconia Ciconia nigra Vanellus vanellus Haematopus ostralegus Troglodytes troglodytes 13

Nijlgans Kleine watersalamander Bastaardkikker Vos

Alopochen aegyptiaca Lissotriton vulgaris Pelophylax esculentus Vulpes vulpes

2.4.4 Abiotiek Aan de hand van de voorkomende vegetatie is de abiotiek afgeleid. Planten zeggen iets over de omgeving waarin ze groeien. Elke plant heeft unieke omstandigheden nodig om te kunnen overleven. Wanneer er meerder planten bij elkaar groeien betekend dit dat de omgeving aan de eisen voldoet voor alle planten die er groeien. Door de lijsten met aangetroffen soorten per plek in te voeren in SynBioSys, kon de abiotiek per zone bepaald worden door middel van een ellenberg analyse. In figuur 11 zijn de waarden voor de voedselrijkdom per zone, of per deelgebied in een zone, weergeven. De voeselrijkdom verschilt per zone tussen de 4,4 en de 7,25: dat wil zeggen tussen voedselarm tot matig voedselrijk. De hoge voedselrijkdom is voornamelijk in de weilanden te vinden. Bij de poel, waar de toplaag afgegraven is, is de voedselrijkdom het laagst.

VOEDSELRIJKDOM PER DEELGEBIED

VOORPOEL

WATER POEL

5,5

6,5

SLOOT ZONE OEVER

6,5

SLOOT ZONE SLOOT

4,4

5,5

6,5 5,5

6,5

7,25

6,875

Huidige waarde

WEILAND WEILAND SLOOT 1 2 ACHTER

BOSSIGE ZONE

POEL ZONE

OEVER POEL

Figuur 11 Voedselrijkdom per zone (of deelgebied in een zone). De getallen in deze figuur geven de Ellenberg waarden.

In figuur 12 is de zuurgraad weergeven. De zuurgraad verschilt tussen de 5,5 en de 7: dat wil zeggen tussen matig zuur en zwak zuur tot basisch. De poel zone heeft de laagste zuurgraad, en het water in de poel en de sloten het hoogst.

14

ZUURGRAAD PER DEELGEBIED

WEILAND WEILAND SLOOT 1 2 ACHTER

SLOOT ZONE OEVER

6,5

6,5

7,5 SLOOT ZONE SLOOT

5,5

6

6,5

7

7,5

6,75

6,5

Huidige waarde

BOSSIGE ZONE

POEL ZONE

VOORPOEL

WATER POEL

OEVER POEL

Figuur 12 Zuurgraad per zone (of deelgebied in een zone). De getallen in deze figuur geven de Ellenberg waarden.

In figuur 13 is het vochtgehalte weergeven. Dit wisselt tussen 5 en 12: dat wil zeggen tussen droge/vochtige bodems en open water. De weilanden zijn logischerwijs het droogst waar de sloten en de poel het natst zijn.

VOCHTGEHALTE PER DEELGEBIED

SLOOT ZONE SLOOT

SLOOT ZONE OEVER

7,5 BOSSIGE ZONE

POEL ZONE

6,5

6,1

WEILAND WEILAND SLOOT 1 2 ACHTER

6

6

6,75

7,5

8,5

10

11

Huidige waarde

VOORPOEL

WATER POEL

OEVER POEL

Figuur 13 Het vochtgehalte per zone (of per deelgebied in een zone). De getallen in deze figuur geven de Ellenberg waarden.

In figuur 14 is het lichtgehalte weergeven. Het gaat hierbij om de hoeveelheid licht die de bodem raakt. Deze is redelijk constant en varieert tussen de 6 en de 7: dat wil zeggen tussen half schaduw tot half licht en half licht. De bossige zone en de sloten zijn logischerwijs het donkerst.

15

HOEVEELHEID LICHT PER DEELGEBIED

6,9

7

7

7

WEILAND WEILAND SLOOT 1 2 ACHTER

POEL ZONE

VOORPOEL

WATER POEL

OEVER POEL

SLOOT ZONE SLOOT

6

6,5 6

6,5

7

7

Huidige waarde

SLOOT ZONE OEVER

BOSSIGE ZONE

Figuur 14 Hoeveelheid licht per zone (of per deelgebied in een zone). De getallen in deze figuur geven de Ellenberg waarden.

16

3. Uitgangspunten en randvoorwaarden voor inrichting Er zijn een aantal specifieke wensen van de opdrachtgever voor dit project. De familie Joustra stelt als doel dat de natuurwaarden versterkt worden. In de weilanden aan de achterkant loopt een oude stuwwal. Deze stuwwal moet intact gehouden blijven. De wens is de sloten hier in een meer natuurlijke staat te brengen. De noordkant van deze weilanden ligt lager en is relatief nat. Er ligt een veenlaag in de bodem. De wens is om deze lage ligging te benutten voor de groei van nattere vegetaties. Voor het weiland aan de zuidkant van het gebied geld dat het perceel maar voor een deel natuur wordt en voor een deel niet van bestemming veranderd. Rondom de poel is een succesverhaal te zien van natuurontwikkeling in het agrarisch gebied. De wens is om de soorten die hier groeien zich te laten uitbreiden naar andere delen van het gebied. Dit betekent dat er geschikte standplaatsfactoren moeten zijn en/of eventueel gemaakt moeten worden.

17

4. Inrichtingsplan Aan de hand van de verzamelde gegevens is een inrichtingsplan opgesteld. Dit inrichtingsplan bestaat uit een natuurontwikkelingsplan en een natuurbeheerplan.

4.1 Natuurontwikkelingsplan In figuur 15 is een kaart van de Lage Bijssel weergeven waarin de doeltypen staan weergeven. Hierin is te zien dat het grootste deel van het gebied grasland zal blijven en aangewezen zal worden als N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland. De bossige zone blijft ongewijzigd en wordt aangewezen als beheertype N14.03 Haagbeuken- en Essenbos. Het doel van het plan is de soorten uit de soortenrijke zone rondom de poel meer plek te geven. Het hoge deel van het weiland zou zich hierdoor kunnen ontwikkelen richting N11.01 Droog schraalland, en het lage deel richting N10.01 Nat schraalland, al is deze laatste ontwikkeling niet heel waarschijnlijk.

Figuur 15 Natuurtypen na inrichting

Omdat er bij de poel een soortenrijke zone is ontstaan na het afgraven van de grond, is het goed mogelijk dat dit voor de weilanden ook het geval zal zijn. Daarom wordt er aangeraden om een bodem chemisch onderzoek door B-ware te laten uitvoeren waarin duidelijk wordt tot hoe diep afgegraven moet worden om een kansrijke situatie voor soorten van het schrale grasland te creëren. Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek zal bepaald worden tot hoe diep de grond afgegraven moet worden. Voor de poel wordt het nog niet afgegraven stuk aan de zuidkant afgegraven, waardoor dit bij het soortenrijke deel gevoegd kan worden. De ontwikkeling van dit stuk zal waarschijnlijk lang duren en daarom is dit niet aangewezen als N11.01 maar als N12.02. De sloot langs de poel wordt verbonden met de sloot tussen weiland 1 en 2 en deze sloot krijgt aan beide oevers een nieuw talud, waardoor hier een natte strook ontstaat. In het lagere deel van de weilanden zal ook afgegraven worden. Ook voor dit deel wordt de diepte bepaald in het nog uit te voeren onderzoek. 18

De maatregelen die moeten worden uitgevoerd om deze situatie te bereiken zijn weergeven in figuur 16.

Figuur 16 Maatregelen kaart

In figuur 16 is te zien dat alle sloten die niet grenzen aan grond van andere eigenaren een talud krijgen. De oever waar het meeste licht op komt (doorgaans de noordkant) krijgt een talud van 1:5 en de oever met het minste licht (doorgaans de zuidkant) krijgt een talud van 1:3. Bij de sloot tussen weiland 1 en 2 wordt dit alleen in het meest noordelijke deel toegepast, de rest van de sloot is aan de noordkant zo hoog dat er dan te veel grond afgegraven moet worden, daarom wordt het hier omgedraaid. De sloot die tussen weiland 1 en 2 loopt wordt verbonden met de sloot tussen weiland 3 en de poel. Hiervoor moet een nieuwe sloot gegraven worden. In figuur 17 is in detail weergeven hoe dit gedaan moet worden. De sloot wordt aangelegd in een geul met een diepte van 50 cm, de sloot krijgt dan een diepte van 30 cm (totaal 80 cm). De nieuwe sloot wordt verbonden met het einde van des sloot tussen weiland 1 en 2 en met de hoek van de al bestaande sloot tussen de poel en weiland 3. Het deel van de sloot wat na deze hoek nog doorloopt wordt gedempt met het zand dat vrijkomt bij het aanleggen van de nieuwe sloot. De nieuwe sloot krijgt een talud aan beide kanten, de steilte van Figuur 17 Detailkaart met maatregelen voor de verbindingssloot tussen dit talud is weergeven in figuur 16. de sloot langs de poel en de sloot tussen weiland 1 en 2. Omdat verkeer tussen weiland 1 en 2 en 19

tussen weiland 1 en 3 nodig is voor het beheer van het gebied, wordt er een duiker in de nieuwe sloot gelegd waar trekkers overheen kunnen rijden. De huidige overgang van weiland 1 naar de poel bestaat uit een steile rand. Om deze overgang meer natuurlijk te maken wordt hier een talud van 1:5 in aangebracht. Dit wordt gedaan door grond weg te halen in het weiland. De afgegraven grond kan gebruikt worden om het woongedeelte in weiland 3 op te hogen. Hierbij moet erop gelet worden dat gebouwen en bestaande landschapselementen vrijgehouden worden. Vooraan de poel wordt de grond afgegraven. Dit wordt gedaan om de moeras zone rond de poel te vergroten. De grond wordt op gelijk niveau gebracht met het al afgegraven deel van de poel. Er komt een geleidelijke overgang van de afgegraven grond naar de tuin met minimaal een talud van 1:5. De grond die wordt afgegraven kan worden gebruikt om het woongedeelte van weiland 3 op te hogen. Hierbij moet erop gelet worden dat gebouwen en bestaand landschapselementen vrijgehouden worden. 4.1.1 Kostenraming Aan de maatregelen die zijn voorgesteld zitten kosten verbonden. Voor de uitvoering van het plan is een raming opgesteld gebaseerd op diverse offertes en een post onvoorzien. Volgens de raming komen de kosten voor het uitvoeren van het plan uit op €46.220 inclusief BTW. In tabel 3 zijn deze kosten verder uitgesplitst naar kostensoort.

Tabel 3 Kostenraming uitvoering plan. Kostengroep

Opmerkingen

Kosten Kosten personeel diensten in derden loondienst

Kosten Overige materialen kosten

diverse offerten van werven stelpost stelpost stelpost

€ € € €

-

€ € € €

26.215 -

€ € € €

473 3.200 1.750 1.000

€ € € €

planvorming, factuur planvorming, factuur inrichtinsgmaatregelen, diverse offerten b-ware/SBB

€ € €

-

€ € €

-

€ € €

-

Diverse vergunningen stelpost, gemeente Elburg Beheerkosten Beheer voorafgaand aan de omvorming stelpost Beheer na omvorming, tot aanvraag subsidie beheer stelpost

€

-

€

-

€

€ €

-

€ €

Onvoorzien

€ €

-

€ €

Inrichtingskosten Grondwerk, stuwen en duikers Diverse rasters Toegangshekken Maaisel Natuurmonumenten/SBB Onderzoeks- en voorbereidingskosten Onderzoeksplan Hidde Joustra Ecologie Opstellen Inrichtingsplan Hidde Joustra Ecologie Milieukundig bodemonderzoek onderzoek

stelpost

Bijdrage Provincie Bijdrage H.S. Joustra

20

Totaal

€ € €

1.296 € € € € € 500 € 500 € 6.286 €

27.984 3.200 1.750 1.000 500 500 6.286

-

€

500 €

500

500 € 500 €

-

€ €

-

€ €

500 500

2.500 € 29.715 €

500 € 6.923 €

500 € 9.582 €

3.500 46.220

95% € 5% €

43.909 2.311

4.2 Natuurbeheerplan Wanneer de inrichting van het gebied voltooid is zal er beheerd moeten worden om de natuur in goede staat te brengen en te houden. N12.03 Kruiden- en faunarijk grasland In de weilanden moet twee keer per jaar gemaaid worden. Hierdoor wordt er aan drie doelen gewerkt (BIJ12, z.d.): 1. Zorgen voor een bloemrijke vegetaties en tegengaan van strooiselophoping, verruiging en verbossing, 2. Realiseren en handhaven van matig voedselrijke, niet te zure omstandigheden, 3. Zorgen voor kleinschalige structuurvariatie, om ruimte te bieden aan insecten of zeldzame plantensoorten. Het maaien van de weilanden zal plaatsvinden in juni en in september. Om het beheer te bekostigen wordt het gras dat van deze graslanden af gehaald wordt verkocht. Hiervoor moet er geschud worden en moeten er balen gemaakt worden. N11.01 Droog Schraalland In de soortenrijke zone bij de poel moet beheerd worden om de openheid te bewaren zodat de fauna zich hier kan vestigen en hier kan overleven. Ook is het belangrijk om variatie in vegetatiestructuur te behouden. Het tegengaan van opslag is dus belangrijk. Er zal mimimaal één keer per jaar opslag verwijderd moeten worden. Daarnaast zal er eens in de 3-5 jaar gemaaid en afgevoerd moeten worden op de grassige delen. Hierbij is het van belang om kwetsbare vegetatie te beschermen.

Maaien met een trekker is niet aan te raden vanwege te kleine precisie en spoorvorming. Voorgaand aan de maaironde dient een inventarisatie gedaan te worden waarbij wordt bepaald welke delen wel en welke delen niet gemaaid worden door iemand die in staat is om de kwetsbare soorten aan te wijzen. N04.02 Zoete plas Het enige beheer wat in de poel uitgevoerd moet worden is het eens in de twee jaar maaien van riet. Dit gaat gefaseerd in een periode van 4 jaar. Dit wil zeggen dat elke twee jaar de helft het riet gemaaid wordt. Het maaien dient altijd in de winter gedaan te worden. N14.03 Haagbeuken- en essenbos Het bossige deel van de Lage Bijssel moet beheerd worden om een gevarieerde natuurlijke bosstructuur met een goed ontwikkelde kruidlaag te behouden en om een structuurrijke bosrand te behouden. Grotendeels voldoet het in dit gebied om niets te doen. Wanneer de bossige zone echter te ver uitbreid richting de poel kan er gekozen worden om opslag te verwijderen of om bomen te kappen. Dit zijn ingrepen die niet gepland worden, maar waar jaarlijks door de beheerder beoordeeld moet worden of dit nodig is of niet. Zowel het kappen als het verwijderen van opslag dient in de winter gedaan te worden. In tabel 3 zijn de beheersmaatregelen per beheertype weergeven met daarbij een kostenraming.

21

Tabel 4 Kostenraming voor het beheer van de Lage Bijssel. Kosten zijn afkomstige uit het Normenboek Natuur, Bos en Landschap 2014 (Alterra, 2014).

Maatregel

Kosten per (Geschatte) uur/ha aantal uren/ha N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

Aantal keer per jaar

Totaal kosten per jaar

Maaien Schudden en wiersen Persen vanuit weirsen Opbrengsten gras SNL subsidie

€330 per ha €118 per ha

3,3 ha 3,3 ha

2 2

€2.178 €778,80

€46,50 per ha

3,3 ha

2

€306,90

€182,39 per ha

3,3 ha

1

€-601,89

0,33 ha

0,25

€8,75

3 uur

0,25

€52,50

0,33 ha

1

€-565,02 €-504,25

Riet maaien €915 per ha Onbekend SNL subsidie €44,70 per ha Onbekend TOTAAL: N14.03 Haagbeuken- en essenbos

0,5 Onbekend

€457,50 Onbekend €457,50

Bomen kappen

TOTAAL: N11.01 Droog Schraalland Maaien en €106 per ha afvoeren Inventarisatie €70 per uur door ecoloog SNL subsidie €1712,17 TOTAAL: N04.02 Zoete plas

Verwijderen opslag SNL Subsidie TOTAAL: Overig beheer Sloten maaien Afvoeren Knotwilgen subsidie Subsidie poel

€82 per 10 bomen €199 per/ha

0,17 ha

Onbekend

Onbekend

0,17 ha

Onbekend

Onbekend

€53,76

0,17 ha

1

€-9,1392 €-9,14

€120 per uur

6 uur

1

€720

€11,62 per stuk €133,53 per poel

8 stuks

1

€-92,96

1 poel

1

€-133,53

22

4.3 Openstelling Het is waardevol als de nieuwe natuur goed te beleven is voor recreanten. Op dit moment zijn er in de percelen geen paden en/of wegen aanwezig. Met het oog op de voorgenomen natuurontwikkeling en om de nieuwe natuur te beschermen zullen er ook geen wegen en/of paden in worden aangelegd. Ondanks dat er geen wegen en/of paden in het gebied aanwezig zullen zijn, is de natuur toch goed te beleven. Aan de noordzijde van het gebied loopt een onverharde weg die toegankelijk is voor publiek. Vanaf deze weg is er zicht op vrijwel alle percelen. Aan de zuidkant loopt de knibbelweg waar zicht is op alle percelen die vanaf de noordkant niet zichtbaar zijn. Hiermee wordt het voorbeeld gevolg van natuurbeheerder Staatsbosbeheer, die percelen heeft grenzend aan dezelfde onverharde weg en naast de percelen van de familie Joustra. Deze terreinen zijn aangewezen als rustgebied voor vogels en ook hier is alleen beleving vanaf openbare wegen mogelijk (figuur 18).

Figuur 18 Links: Bord van Staatsbosbeheer over openstelling van hun terreinen. Midden en rechts: de onverharde openbare weg die grenst aan de noordzijde van de percelen van de familie Joustra.

Hiermee verwacht de familie Joustra te voldoen aan de eisen die de Provincie Gelderland stelt aan de openstelling van nieuw te ontwikkelen natuurterreinen. Indien nodig zal met de provincie worden afgestemd of er een ontheffing nodig is zoals bedoeld in lid 5 van de regeling ten aanzien van functieverandering.

4.4 Planning De uitvoer van het inrichtingsplan zal aanvangen direct na ontvangst van beschikking inzake de subsidie voor de inrichtingskosten. Voor de uitvoer van de werkzaamheden zal rekening gehouden met de gedragscode van flora- en faunawet. De ambitie is de werkzaamheden nog in 2020 af te ronden -

-

Voorbereiding o Bodem chemisch onderzoek o Omgevingsvergunning Inrichting o Grondwerk o Rasters en hekwerken o Overig

8 weken

6 weken 2 weken 6 weken 23

Bibliografie Alterra. (2014). Normenboek Natuur, Bos en Landschap 2014. Wageningen: Alterra. Arent, T. (1989). Doornspijk verleden in beeld. Elburg: Oudheidkunidge vereniging Elburg. Veen, P. (2012). Zuiderzee, stormvloeden en strandwallen de eeuwen door. Mothoek, pp. 4-8. Wikimedia Foundation. (z.d.a). Gooreerdgronden. Opgeroepen op oktober 31, 2019, van Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Gooreerdgronden Wikimedia Foundation. (z.d.b). Waardveengronden. Opgeroepen op oktober 31, 2019, van Wikipedia: https://nl.wikipedia.org/wiki/Waardveengronden

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=f5974a85-ef8e-4d48-96c9-f2cac3e8eab4