CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Zienswijzennota BP, BKP en VB Gerichtenweg Hoge Enk + ambtelijke aanpassingen

Raadsvergadering 22 april 2024, gemeente elburgBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan Gerichtenweg Hoge Enk4.104 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

ZIENSWIJZENNOTA EN AMBTSHALVE AANPASSINGEN BESTEMMINGSPLAN, BEELDKWALITEITSPLAN EN VERKEERSBESLUIT GERICHTENWEG – HOGE ENK

Vastgesteld door de gemeenteraad van Elburg d.d. 24 april 2024 de voorzitter, de griffier,

ir. J.N. Rozendaal

mr. D.H.A.A. Kassing

1. Inleiding Procedure Het ontwerpbestemmingsplan en het ontwerpbeeldkwaliteitsplan ten behoeve van de woningbouwlocatie aan de Gerichtenweg op Hoge Enk hebben, gezamenlijk met de ontwerpraadsbesluiten met ingang van 16 mei 2023 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen, waarbij iedereen in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen. Tegelijk is het voorgenomen verkeersbesluit (om de locatie binnen de bebouwde kom te brengen) ter inzage gelegd. Zienswijzen en beantwoording In totaal zijn 2 zienswijzen ingediend. Alle zienswijzen zijn ontvankelijk. Per zienswijze is in hoofdstuk 2 van deze nota een reactie gegeven. Eén van de zienswijzen is ongegrond en geeft geen aanleiding om het bestemmingsplan, het beeldkwaliteitsplan of het verkeersbesluit aan te passen. De andere zienswijze is gegrond en leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan, maar niet tot aanpassing van het beeldkwaliteitsplan en verkeersbesluit. De aanpassingen die zijn doorgevoerd in het bestemmingsplan staan opgesomd bij de behandeling van de zienswijze in hoofdstuk 2. De aanpassingen zijn van ondergeschikte aard. Daarnaast hebben een aantal reacties in de zienswijzen betrekking op het uit te werken inrichtingsplan, dat buiten de scope valt waarin een bestemmingsplan voorziet.

Deze reacties worden in het vervolgtraject wel meegenomen en in afstemming met de indieners verwerkt in het inrichtingsplan. De stukken zijn tevens voorgelegd aan het waterschap Vallei & Veluwe, de provincie Gelderland en de VNOG/Brandweer. Deze vooroverleginstanties hebben, na eerder vooroverleg, geen zienswijzen meer ingediend. Ambtshalve aanpassingen Daarnaast heeft tijdens de periode van ter inzagelegging nadere afstemming plaatsgevonden met de eigenaar van een perceel gelegen naast het gemeentelijk plangebied. Dit overleg heeft tot een ambtshalve aanpassing van het bestemmingsplan geleid. Op 6 november 2023 is een nieuwe Aerius-calculator voor de berekening van de stikstofdepositie beschikbaar gekomen. Het aspect ‘stikstof’ is op basis van deze nieuwste calculator opnieuw berekend en de uitkomsten zijn verwerkt in het bestemmingsplan. Tevens heeft de omgevingsdienst deze nieuwste berekening gecontroleerd. Deze ambtshalve aanpassingen zijn van ondergeschikte aard en beschrijven we nader in hoofdstuk 3 van deze nota.

2. Zienswijzen en beantwoording Er zijn in totaal twee zienswijzen binnengekomen. De volledige zienswijzen zijn geanonimiseerd en als bijlage toegevoegd.

Zienswijze 1 - Ingekomen op 26 juni 2023 Betreft: zienswijze bestemmingsplan woningbouw Gerichtenweg

Indiener geeft aan niet negatief tegenover woningbouw te staan. Indiener refereert echter aan het gesprek dat op 11 mei 2022 gevoerd is met de gemeente over de woningbouwplannen en geeft aan dat zij de mondelinge inbreng niet terug zien in het huidige plan. Indiener verwoord dat de geplande woningbouw een flinke inbreuk op de privacy betekent. Onder andere wordt genoemd dat de hondenweide op korte afstand komt te liggen van het perceel waar hun paarden staan. Bovendien zijn reacties van hun eigen hond te verwachten. Tevens kunnen kinderen die een bal over de afrastering trappen ongewild in hun weiland komen. Tijdens het gesprek op 11 mei 2022 heeft indiener zelf aangedragen om een hoge heg of bosschage langs de erfgrens van het weiland te realiseren. Volgens indiener is tijdens dit gesprek een toezegging gedaan dat dit gerealiseerd kon worden en dat indiener ook mee mag denken over de bomen-/hagensoort in verband met giftigheid voor de dieren. Echter ziet indiener dat het stedenbouwkundig ontwerp niet is aangepast na het overleg. Indiener verzoekt daarom om alsnog de beloofde haag/bosschage in te tekenen in het plan en ontvangt hiervoor graag een persoonlijke uitnodiging om het plan samen tot tevredenheid aan te passen. Reactie gemeente: Op 11 mei 2022 is inderdaad gesproken met de indieners van de zienswijze .

De zorgpunten en de aangedragen oplossing in de zienswijze zijn ook allemaal benoemd door indiener tijdens het overleg . De gemeente heeft daarop ook aangegeven zich goed te kunnen vinden in de aangedragen oplossing, namelijk het realiseren van een haag/bosschage langs de erfgrens van de indiener. Daarbij is tevens de toezegging gedaan dat de indieners van de zienswijze mee mogen denken over de soort beplanting in verband met giftigheid voor de dieren. Deze toezegging komt de gemeente ook na. Tijdens de behandeling van de zienswijzen heeft op 22 augustus 2023 al een vervolgoverleg plaatsgevonden met de indiener van de zienswijze. Tijdens dat overleg heeft de gemeente de eerdere afspraken over de haag/bosschage wederom toegezegd, waarbij ook al over de soort beplanting is gesproken. Tijdens dat overleg is tevens toegelicht door de gemeente dat er bewust voor is gekozen om het stedenbouwkundig plan niet aan te passen op dit punt, maar dat dit nader wordt uitgewerkt in het inrichtingsplan dat na vaststelling van het bestemmingsplan wordt opgesteld. In het stedenbouwkundig plan is de groenkaart namelijk nog indicatief. De opgenomen bestemming op de perceelsgrens tussen het plangebied en het weiland van de indiener van de zienswijze staat de gewenste groene aanplanting namelijk al toe, echter dient met de aanplant wel rekening te worden gehouden met de aardgasleiding die daar ligt.

De afspraken die tussen gemeente en indiener van de zienswijze gemaakt zijn tijdens het overleg op 22 augustus 2023 zijn per mail vastgelegd. Dit is naar tevredenheid van de indiener van de zienswijze. Conclusie: De zienswijze is ongegrond en leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. Wel wordt tegemoet gekomen aan de wens van indiener om, conform eerdere mondelinge afspraak , een groene afscheiding te realiseren op de erfgrens, welke nader uitgewerkt wordt in het inrichtingsplan in afstemming met de indiener van de zienswijze.

Zienswijze 2 – Pro-forma zienswijze ingekomen op 26 juni 2023, inhoudelijk aangevulde zienswijze ingekomen op 12 juli 2023 Betreft: (pro forma) zienswijze Ontwerp beeldkwaliteitsplan Gerichtenweg – Hoge Enk Ontwerpbestemmingsplan Gerichtenweg – Hoge Enk Voorgenomen verkeersbesluit bebouwde kom Gerichtenweg – Hoge Enk Indiener benoemt al erg lang op de huidige locatie te wonen en door het tenietgaan van het agrarisch met waarden bestemde open gebied zeer ernstig in zijn woongenot te worden aangetast. De waarde van het onroerend goed vermindert door de woningbouw volgens indiener aanzienlijk en hiervoor wordt geen compensatie aangeboden door de gemeente. Indiener vraagt zich af of deze schade volledig voor hun rekening moet komen. Reactie gemeente: Voor de compensatie van schade in de vorm van het verminderen van onroerend goed kan indiener een planschadeverzoek indienen. Als de indiener daadwerkelijk schade ondervindt van de ontwikkeling blijkt dat uit de beoordeling door een onafhankelijk bureau en wordt, na aftrek van het normaal maatschappelijk risico, de planschade door de gemeente betaald aan indiener. Indiener geeft een toelichting op het ontstaan van het begrip ‘planschade’ vanuit de wetsgeschiedenis. Daarbij concludeert indiener dat na de inwerkingtreding van de WRO in 1986 (artikel 49 WRO) het recht op schade landelijk werd geformaliseerd.

En door de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 het recht op schadevergoeding is beperkt en bij planschade wordt gesproken over een tegemoetkoming, die niet volledig de schade dekt, maar rekening moet worden gehouden met een door Burgemeester en Wethouders vast te stellen normaal maatschappelijk risico van tussen 2 en 5% van de waarde, die niet voor vergoeding in aanmerking komt. Indiener geeft daarbij aan dat eerder een kortingspercentage van 5% is benoemd door de gemeente. Dit klemt voor indiener omdat er in 2012/2013 door het College in het kader van een andere grondtransactie planschade voor de bouw aan de Huisdijk/Gerichtenweg is verstrekt met een korting van het normaal maatschappelijk risico, waardoor er volgens indiener sprake is van een cumulatie van de kortingen. Door de voorgenomen ontwikkeling (en de eerdere ontwikkeling aan de Huisdijk/Gerichtenweg) maakt de woning volgens indiener onderdeel uit van de dorpskern die aan alle zijden wordt omgeven door woningen, waarbij er voor 2012/2013 sprake was van een vrij en aan de rand van de bebouwde kom gelegen woning in een open agrarisch landschap met waarden en agrarische bebouwing op de hoek Huisdijk Gerichtenweg.

Ook is er volgens indiener door de planontwikkeling verdere aantasting van de privacy, verlies van vrij uitzicht, extra geluidsbelasting en lichthinder door auto’s in de avond en nacht, mogelijke schaduwwerking, parkeerhinder op de Gerichtenweg en zijn er meer verkeersbewegingen. In dat verband wil indiener – gelet op wetsgeschiedenis zoals beschreven bij de toelichting op het ontstaan van het begrip ‘planschade’ - graag vooraf duidelijkheid van Burgemeester en Wethouders welk kortingspercentage van toepassing is op het normaal maatschappelijk risico en de hoogte van de schade.

Reactie gemeente: De aspecten die volgens indiener aangetast worden door de voorgenomen planontwikkeling worden meegewogen in de bepaling van de planschade. De wetgeving en jurisprudentie geven geen mogelijkheid voor anti-cumulatie in de bepaling van het normaal maatschappelijk risico. Voor het bepalen van de hoogte van het normaal maatschappelijk risico wordt vooral gekeken naar de mate waarop de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en binnen het meerjarig planologisch beleid. De voorgenomen ontwikkeling kan, gezien de aard en omvang ter plaatse, volgens de gemeente als gedeeltelijk passend worden aangemerkt. De woningbouw past als zodanig bij de woningen in de omgeving, maar wijkt af ten opzichte van het agrarische gebied . Daarnaast past de voorgenomen

ontwikkeling geheel in het meerjarig planologisch beleid van de gemeente. In de Structuurvisie die in 2012 is vastgesteld was de locatie al opgenomen als mogelijke woningbouwlocatie. Ook in de Omgevingsvisie van 2018 is de locatie wederom opgenomen als mogelijke woningbouwlocatie. Naar de huidige stand van het recht is de verwachting dat een kortingspercentage (als normaal maatschappelijk risico) van 4% in de rede zal liggen. Maar gelet op alle omstandigheden en de voortgang van de procedure in relatie tot de hoge woningnood is het college van B&W voornemens een kortingspercentage (als normaal maatschappelijk risico) van 3% te hanteren. Over de hoogte van de planschade doet het college van B&W in dit stadium geen uitspraak. Dat is niet aan het college van B&W om te bepalen. Hiervoor zal na indiening van een planschadeverzoek een onafhankelijk onderzoeksbureau worden ingeschakeld.

Indiener benoemt dat in de toelichting op het bestemmingsplan in Hoofdstuk 1 Inleiding onder punt 1.1. Aanleiding wordt gesproken over een door de gemeente aangewezen inbreidingslocatie voor woningbouw, terwijl in Hoofdstuk 3.1.3 wordt gesproken over een uitbreidingslocatie. Volgens indiener is er duidelijk sprake van een uitbreidingslocatie (en onderbouwt dit in de zienswijze) en verzoekt daarom het begrip ‘inbreidingslocatie’ in paragraaf 1.1 van de toelichting op het bestemmingsplan te schrappen en te vervangen door ‘uitbreidingslocatie’.

Reactie gemeente: Abusievelijk is in Hoofstuk 1, paragraaf 1.1 van de toelichting op het bestemmingsplan het begrip ‘inbreidingslocatie’ opgenomen. Het begrip ‘inbreidingslocatie’ wordt in Hoofstuk 1, paragraaf 1.1 van de toelichting op het bestemmingsplan gewijzigd in het begrip ‘uitbreidingslocatie’.

Indiener zet in het kader van het vorige punt ook vraagtekens bij de ladder van duurzame stedelijke ontwikkeling. Volgens indiener is er sprake van een uitbreidingslocatie en is er geen sprake van bestaand stedelijk gebied. Volgens indiener is er ook sprake van strijd met onder meer de Omgevingsvisie 2019, waardoor de gemeente beter zou moeten motiveren waarom de extra verstening en aantasting van het agrarisch buitengebied mogelijk is zonder sloop/amovering. Volgens indiener kan het bouwen van 17 woningen op de Hoge Enk ruimtelijk gezien beter op andere plekken ingepast worden zonder aantasting van het open landschap. Dat de gemeente eigenaar is van het plangebied kan in principe geen rol spelen volgens indiener, de ruimtelijke afweging is bepalend.

Reactie gemeente: In de onderbouwing van de ladder van duurzame stedelijke ontwikkeling is al benoemd dat deze woningbouwlocatie een uitbreidingslocatie betreft. Daarbij is in de onderbouwing al uitgegaan van een locatie die buiten het bestaand stedelijk gebied is gelegen. Indiener geeft aan dat de gemeente beter zou moeten motiveren waarom de extra verstening en aantasting van het agrarische buitengebied mogelijk is zonder sloop/amovering. De onderbouwing van de ladder van duurzame verstedelijking in paragraaf 3.1.3 van de toelichting op het bestemmingsplan is op deze punten aangevuld. Tevens is daarbij nader ingegaan op de onmogelijkheid om de ontwikkeling van de 17 woningen, met een woningbouwprogramma dat aansluit op het gemeentelijk woonbeleid, te realiseren binnen bestaand stedelijk gebied op de Hoge Enk.

Indiener geeft aan dat er in de huidige situatie bij regenval al ernstige overlast is van water, omdat hun perceel erg laag ligt ten opzichte van de omgeving. Tevens spreekt indiener de verwachting uit dat dit door klimaatwijziging in de toekomst verder zal verslechteren door stortbuien. Uit de hoogtekaart en profielen in het stedenbouwkundig plan blijkt dat er sprake is van aanmerkelijke hoogteverschillen tussen het laagst gelegen perceel van indiener en de planlocatie. Omdat een groot deel van het gebied wordt verhard en er geen sprake is van een afdoende afwatering via een sloot of i.d. heeft indiener ernstige twijfels of de wadi, die volgens indiener gepland staat op een van de hoogste punten in het plangebied , wel voldoende capaciteit heeft om stortbuien e.d. op te vangen. Indiener vraagt welke garanties in het plan zijn opgenomen dat het water van de bebouwing en van de geheel of gedeeltelijk betegelde tuinen en verharde opritten/wegen niet via de Gerichtenweg op het eigendom van indiener komt of in de sloten langs de Huisdijk via de regenkolken in de Gerichtenweg, die aangesloten zijn op de reguliere riolering via de overstort.

Indiener benoemt de angst dat eigenaren van de (twee onder één kap en vrijstaande) woningen langs de Gerichtenweg (die lager gelegen zijn dan de voorziene wadi (s) of waterberging ) bij de tuinaanleg en de aanleg van opritten/parkeerplaatsen op eigen terrein afwatert richting Gerichtenweg. Volgens indiener heeft de gemeente hierop weinig of geen invloed. Indieners verzoekt de gemeente er zorg voor te dragen dat de afwatering van de planontwikkeling niet afgewenteld wordt op de buren, maar op het perceel zelf plaats vindt . Dit kan volgens indiener bijvoorbeeld door het aanleggen van verdiepte wegen/greppels, sloten in het plangebied waarlangs al het hemelwater richting de waterberging wordt geleid; of door het gehele plangebied op 1 horizontaal peil aan te leggen, waarbij afwatering via de Gerichtenweg en op het perceel van de indiener is uitgesloten.

Reactie gemeente: Als vervolgstap op de watertoets en waterparagraaf in de toelichting op het bestemmingsplan heeft de gemeente voor de uitwerking van het plangebied een waterhuishoudkundig plan laten opstellen. Doel van dit waterhuishoudkundig plan is om waterhuishoudkundig het beleidsmatig kader, de effecten van de aanleg en het gebruik in beeld te brengen. Het opgestelde waterhuishoudkundig plan is opgenomen als bijlage bij de toelichting op het bestemmingplan. De beleidsmatige eis (garantie) van het waterschap Vallei en Veluwe is leidend voor de waterberging en daarbij ook leidend geweest voor het waterhuishoudkundig plan. Die beleidsmatige eis is dat bij een T=100-neerslaggebeurtenis (87 mm, waarvan 1 mm verdamping) de maximale afvoernorm van 3 l/s/ha (ofwel 26 mm) niet mag worden overschreden. Dat betekent concreet dat er 87 mm per m 2 verhard oppervlakte binnen het plangebied opgevangen moet worden indien er geen afvoer is naar elders buiten het plangebied (maximale afvoernorm is dan niet toe te passen). Indien de maximale afvoernorm wel is toe te passen vanwege een afvoer naar elders buiten het plangebied, moet er 60 mm per m 2 verhard oppervlakte binnen het plangebied opgevangen worden.

Het opgestelde waterhuishoudkundig plan voldoet aan deze waterbergingseis, waarbij uit is gegaan van een opvang van 87 mm per m 2 verhard oppervlakte binnen het plangebied en dus geen afwenteling op de omgeving. Ook het particuliere perceel naast het gemeentelijke plangebied, waarop een tweekapper gerealiseerd mag worden op basis van het bestemmingsplan, is meegenomen in het waterhuishoudkundig plan. Met de eigenaren van dit perceel is meerdere keren overleg gevoerd door de gemeente over het waterhuishoudkundig plan. Om de bergingseis te realiseren worden meerdere wadi’s aangelegd verspreid door het plangebied. Dit betreft de garantie waar indiener om vraagt. Conform het waterhuishoudkundig plan wordt hiervoor tevens het bestaande maaiveld aangepast, zodat het hemelwater bovengronds en ondergronds richting de wadi’s stroomt. Hiermee wordt zoveel mogelijk tegemoet gekomen aan het verzoek van indiener om het plangebied op één horizontaal peil te brengen, maar voor het functioneren van de wadi’s wel flauw afhellend richting de wadi’s. Met de eigenaren van het naastgelegen perceel is tevens door de gemeente gesproken over het aansluiten op deze peilhoogte. Zoals opgenomen in het waterhuishoudkundig plan wordt het perceel opgehoogd en geëgaliseerd tot een nader te bepalen hoogte, afhankelijk van de

definitieve inrichting van het perceel, maar in ieder geval aansluitend op het peil van het gemeentelijk plangebied. Het waterschap Vallei en Veluwe heeft ingestemd met het waterhuishoudkundig plan. Paragraaf 4.3 van de toelichting op het bestemmingsplan is op basis van het opgestelde waterhuishoudkundig plan geactualiseerd, waarbij de beschrijving en berekening van de waterbergingsopgave en waterbergingswijze is aangepast overeenkomstig het waterhuishoudkundig plan. Om waterberging ook in de bestemming ‘Tuin’ en bestemming ‘Wonen’ mogelijk te maken, is in de planregels bij Artikel 4 Tuin bij de bestemmingsomschrijving onder 4.1.b en bij Artikel 6 Wonen bij de bestemmingsomschrijving onder 6.1.c bij de opsomming van het ondergeschikt gebruik de term ‘water’ gewijzigd in ‘water en waterberging’, zoals dat ook al het geval was bij de bestemming ‘Groen’. En omdat in het waterhuishoudkundig plan is uitgegaan van een waterbergingseis van 87 mm per m 2 verhard oppervlakte binnen het plangebied (omdat er geen afvoer naar elders buiten het plangebied wordt gerealiseerd en de maximale afvoernorm dus niet wordt toegepast) is in de planregels bij Artikel 6.4.1. de waterbergingseis van 60 mm per m 2 verhard oppervlakte, gewijzigd in 87 mm per m 2 verhard oppervlakte.

Tijdens de behandeling van de zienswijzen heeft op 13 september 2023 ook al een overleg plaatsgevonden tussen de gemeente, de indiener van de zienswijze en adviseur van de indiener van de zienswijze. Tijdens dat overleg zijn alle punten zoals benoemd in de zienswijze reeds besproken en van een mondelinge reactie voorzien door de gemeente. Maar bij dat overleg heeft indiener van de zienswijze nog een extra zorgpunt rondom de waterhuishouding ingebracht, waarop de gemeente toegezegd heeft dit extra zorgpunt ook mee te nemen in het waterhuishoudkundig plan. Vandaar dat het goed is om ook dit extra zorgpunt te benoemen en van een reactie te voorzien in deze zienswijzennota. Volgens indiener van de zienswijze zit er een oerbank in de grond, waardoor waterberging in de vorm van wadi’s volgens indiener niet werkt. Het water kan de grond niet inzakken door de ondoordringbare oerlaag. Vanwege dit vermoeden van indiener van de zienswijze heeft de gemeente extra grondboringen laten uitvoeren en peilbuizen laten plaatsen als input voor het waterhuishoudkundig plan. Uit de boringen/peilbuizen blijkt dat op circa 0,5 à 1,0 m NAP een harde, verkitte, laag donkerbruin zand met wat plantenresten en ijzerconcreties zit. De bodem bevat daarnaast weinig ijzerconcreties.

Om de waterdoorlatendheid te onderzoeken van deze hardere laag, zijn op een tweetal locaties peilbuizen met extra filters boven deze harde laag geplaatst. Na twee weken is de grondwaterstand in deze peilbuizen gemeten. Er is geconstateerd dat op deze laag neerslag kan blijven hangen . Door dit extra onderzoek als gevolg van het inbrengen van dit extra zorgpunt door indiener van de zienswijze kan hier vroegtijdig op geanticipeerd worden door de gemeente, waardoor de infiltratie in de wadi’s geoptimaliseerd kan worden. In het waterhuishoudkundig plan zijn enkele adviezen voor de uitwerking van de waterhuishouding in de volgende planfase opgenomen. Eén van die adviezen is het doorbreken van deze hardere laag in de bodem ter plekke van de wadi’s. Alle adviezen worden door de gemeente opgevolgd bij de uitwerking van de waterhuishouding, waaronder dus het doorbreken van de hardere laag ter plekke van de wadi’s, waardoor de infiltratie in de wadi’s wordt geoptimaliseerd.

Indiener benoemt dat in de berekening van de stikstofdepositie intern wordt gesaldeerd met de bemesting op de betrokken gronden op basis van ‘locatie’ zonder vergunningplicht. Volgens ind iener wil de minister aan deze vrijstelling van de vergunningplicht een eind maken en hebben/hadden ook de provincie grote moeite met deze vrijstelling. Indiener is van mening dat er, door gebruik te maken van het “intern salderen” van bemesten van de verpachte gronden, geen kilo stikstof bij de betrokken pachter in mindering wordt gebracht, zodat er per saldo meer stikstofuitstoot plaats vindt op de Veluwe. Indiener benoemt dat hiermee de waanzin van het huidige stikstofdossier weer eens wordt aangetoond. Indiener is er van overtuigd dat de werkelijkheid uiteindelijk door de rechter wordt gevolgd en dat opereren zonder natuurvergunning net als bij de Pas-melders een weg zal zijn, die geen rechtszekerheid biedt. Ondanks dat intern salderen momenteel vergunningsvrij is, kan er wel een vergunningaanvraag worden ingediend bij het bevoegd gezag. Als ook het bevoegd gezag vaststelt dat de beoogde wijziging niet leidt tot een depositie toename ten opzichte van de referentiesituatie, krijgt de gemeente een weigeringsbesluit. Met dit besluit geeft het bevoegd gezag aan dat er geen Wnb vergunning voor stikstof vereist is. Dit is de zogenaamde ‘positieve weigering’.

Een positieve weigering geeft de gemeente volgens indiener meer rechtszekerheid. Indieners geeft de gemeenteraad in overweging om een dergelijke vergunningaanvraag in te dienen bij het bevoegd gezag, omdat niet in alle gevallen intern salderen door de rechter is toegestaan en een vergunning (of positieve weigering) bij mogelijke handhavingsverzoeken juridische zekerhe id biedt. Reactie gemeente: We hebben waardering voor het meedenken om meer rechtszekerheid te krijgen in het kader van het intern salderen, maar de gemeente voldoet aan de landelijke werkwijze bij intern salderen voor het bestemmingsplan. De ODNV heeft ook positief geadviseerd op de stikstofberekening en - paragraaf. Conclusie: De zienswijze is op onderdelen gegrond en leidt tot een aanpassing van het bestemmingsplan. Aangezien er geen verkeersinhoudelijke argumenten tegen het verkeersbesluit zijn ingebracht en geen inhoudelijke argumenten tegen de beeldkwaliteit, is er geen aanleiding het voorgenomen verkeersbesluit en ontwerpbeeldkwaliteitsplan te wijzigen of in te trekken. Onderstaand een opsomming van de wijzigingen die zijn doorgevoerd in het bestemmingsplan naar aanleiding van deze zienswijze. De aanpassingen zijn van ondergeschikte aard. Aanpassingen bestemmingsplan: -

-

In Hoofstuk 1, paragraaf 1.1 van de toelichting op het bestemmingsplan is het begrip ‘inbreidingslocatie’ gewijzigd in het begrip ‘uitbreidingslocatie’. In paragraaf 3.1.3 van de toelichting op het bestemmingsplan is de onderbouwing van de ladder van duurzame verstedelijking aangevuld. In paragraaf 4.3 van de toelichting op het bestemmingsplan is de beschrijving en berekening van de waterbergingsopgave en waterbergingswijze aangepast overeenkomstig het waterhuishoudkundig plan. In Artikel 4 Tuin is bij de bestemmingsomschrijving onder 4.1.b bij de opsomming van het ondergeschikt gebruik de term ‘water’ gewijzigd in ‘water en waterberging’. In Artikel 6 Wonen is bij de bestemmingsomschrijving onder 6.1.c bij de opsomming van het ondergeschikt gebruik de term ‘water’ gewijzigd in ‘water en waterberging’. In Artikel 6.4.1. is de waterbergingseis van 60 mm per m2 verhard oppervlakte gewijzigd in 87 mm per m2 verhard oppervlakte. Het opgestelde waterhuishoudkundig plan voor de totale woningbouwlocatie (inclusief het particuliere perceel waar een de tweekapper op gerealiseerd mag worden op basis van het bestemmingsplan) is als bijlage bij de toelichting op het bestemmingsplan opgenomen.

3. Ambtshalve aanpassingen Aanpassing 1: Toevoeging ‘specifieke vorm van tuin – erfafscheiding met afwijkende maatvoering De eigenaren van een perceel gelegen naast het gemeentelijk plangebied zijn voornemens een koopovereenkomst te sluiten met de gemeente voor de aankoop van een strook grond grenzend aan hun huidige perceel. Voorbereidend hierop is de betreffende strook grenzend aan dit perceel met de bestemming ‘Tuin’ opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Zij zijn voornemens om na de aankoop van dit perceel hun huidige erfafscheiding (hekwerk van 1,20 meter hoog) te verplaatsen naar de nieuwe erfgrens en deze uit te breiden met een nieuw hekwerk en groene aanplanting, conform beeldkwaliteitsplan. Daarmee blijft de aansluiting op de huidige erfafscheiding langs het schoolplein behouden. Maar het huidige hekwerk is 1,20 meter hoog. Volgens de regels van het ontwerpbestemmingsplan mag de erfafscheiding bij de Tuinbestemming maximaal 1 meter hoog zijn. Dat zou betekenen dat het huidige hekwerk niet teruggeplaatst kan worden. Dat is enerzijds kapitaalvernietiging en anderzijds gaat daarmee de huidige eenheid in uitstraling met het bestaande hekwerk verloren. Op basis hiervan zijn de volgende ambtelijke aanpassing doorgevoerd in het bestemmingsplan: 1.

Langs de betreffende Tuinbestemming is op de verbeelding de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin – erfafscheiding met afwijkende maatvoering’ opgenomen. 2. In de planregels is in Artikel 4.2.2 opgenomen dat ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van tuin – erfafscheiding met afwijkende maatvoering’ de bouwhoogte van de erfafscheiding 1.20 meter mag zijn.

Aanpassing 2: Stikstof Als gevolg van de nieuwste Aerius-calculator die op 6 november 2023 beschikbaar is gekomen, is het aspect ‘stikstof’ opnieuw berekend. De nieuwste berekening leidt niet tot een andere uitkomst, maar de berekening in Bijlage 11 van de Toelichting op het bestemmingsplan is gewijzigd.

BIJLAGE 1: ZIENSWIJZE 1

BIJLAGE 2: ZIENSWIJZE 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=06f75490-795a-4e7d-b459-33ebd2149f79