Bijlage 1 Concept-raadsbesluit Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Elburg
Tekst van het document
18
verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de verlaging is opgelegd, is verzonden. Recidive op recidive bij niet geüniformeerde arbeidsverplichtingen Ook in het geval dat een belanghebbende voor een derde of volgende keer een niet geüniformeerde arbeidsverplichting schendt, is de recidivebepaling van artikel 16, eerste of tweede lid, van deze verordening van toepassing. Dit wordt tot uitdrukking gebracht door het woord "telkens" in de recidivebepaling. Voor toepassing van de recidivebepaling is vereist dat het opnieuw schenden van dezelfde verplichting plaatsvindt binnen twaalf maanden na bekendmaking van het vorige besluit waarmee een verlaging is toegepast. Is sprake van een derde of volgende schending, dan geldt – evenals bij de eerste keer recidive – dat de duur van de oorspronkelijke verlaging wordt verdubbeld. Telkens wordt de duur van de oorspronkelijke verlaging verdubbeld. Dit is de verlaging die geldt bij een eerste schending van de verplichting. Er is expliciet niet voor gekozen de duur van de vorige verlaging te verdubbelen. Uitgangspunt is verdubbeling van de duur van de oorspronkelijke verlaging. Hiermee wordt stapeling van verdubbeling van de verlaging voorkomen.
Eenzelfde gedraging vereist voor recidive Voor recidive als bedoeld in het eerste lid is vereist dat sprake moet zijn van "eenzelfde verwijtbare gedraging" als de gedraging waarvoor de eerste verlaging is opgelegd. Voorwaarde is dus dat dezelfde verplichting wordt geschonden. Is dit niet het geval, dan moet de verwijtbare gedraging worden aangemerkt als een eerste schending van een verplichting. Heeft een persoon zich zeer ernstig misdragen (artikel 13) binnen twaalf maanden nadat een verlaging is opgelegd wegens het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (artikel 7, onderdeel a), dan is geen sprake van recidive aangezien het niet "eenzelfde gedraging" betreft. Evenmin is sprake van recidive als een belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen van een plan van aanpak (artikel 7, onderdeel b, onder 1°) en vervolgens een opgedragen tegenprestatie niet verricht (artikel 7, onderdeel b, onder 4°). Ook dan is geen sprake van eenzelfde gedraging aangezien twee verschillende verplichtingen zijn geschonden.
Recidive schending geüniformeerde arbeidsverplichting Is sprake van het niet of onvoldoende nakomen van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen twaalf maanden nadat aan een belanghebbende een eerste maatregel is opgelegd wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, dan bedraagt de verlaging honderd procent gedurende twee maanden. Dit valt binnen de in artikel 18, zesde lid, van de Participatiewet gegeven marges. Bij een derde, vierde en volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, telkens binnen twaalf maanden na oplegging van de vorige maatregel, bedraagt de verlaging honderd procent gedurende drie maanden (artikel 18, zevende en achtste lid, van de Participatiewet). Artikel 17. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ Het college is op grond van artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ bevoegd de uitkering blijvend of tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze verordening een verlaging worden toegepast.
Artikel 17 van deze verordening is derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen.
19
Artikel 18. Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering Artikel 20, eerste lid, van de IOAW en artikel 20, tweede lid, van de IOAZ geeft het college de bevoegdheid om de uitkering tijdelijk of blijvend te weigeren naar de mate waarin de belanghebbende inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 van de IOAW of de IOAZ zou hebben kunnen verwerven, indien: a. aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. c. de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of d. de belanghebbende door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt. Als sprake is van een situatie die valt onder a of b dan kan het college de uitkering tijdelijk weigeren. Beide situaties spelen zich af voorafgaand aan de aanvraag van de uitkering. Als sprake is van een situatie die valt onder c of d dan kan het college de uitkering blijvend weigeren. Beide situaties spelen zich af tijdens de uitkering. Artikel 19.
Samenloop inburgeringsboete en maatregel Participatiewet Lid 1 In het eerste lid wordt bepaald dat bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen binnen het persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (met uitzondering van activiteiten gericht op participatie en werk) er wordt gesanctioneerd middels het regime van de Wet inburgering 2021. Denk hierbij aan het niet of onvoldoende aanwezig zijn bij de taallessen, het niet nakomen van afspraken rondom maatschappelijke begeleiding, participatieverklaringstraject of de MAP, maar ook het onvoldoende meewerken aan het financieel ontzorgen. Lid 2 Met dit artikel wordt rechtsgelijkheid tussen inburgeringsplichtigen en niet-inburgeringsplichtigen geborgd. De Participatiewet kent een aantal verplichtingen rondom participatie, het vinden en behouden van werk en het gebruik maken van het door het college aangeboden voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling (artikel 9 lid 1 Participatiewet). Ook niet-inburgeringsplichtigen hebben deze verplichtingen. In het kader van rechtsgelijkheid is het daarom niet wenselijk om onderscheid te maken in het sanctioneren van inburgeringsplichtigen en niet-inburgeringsplichten wanneer het om eenzelfde (participatie of werk) gerelateerde gedraging gaat.
Zodoende is het afstemmingregime van artikel 18 van de Participatiewet of de gemeentelijke afstemmingsverordening ook van toepassing op inburgeringsplichtigen. Denk hierbij aan gedragingen als het niet of onvoldoende meewerken aan: • het verrichten van vrijwilligerswerk; • werkzaamheden in het kader van een werkervaringsplek, proefplaatsing of stage of andere onbetaalde werkzaamheden in het kader van het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt; • werkzaamheden bij een werkgever met als doel het verwerven van een arbeidscontract. Lid 3 Het kan voorkomen dat een inburgeringsplichtige geen beroep doet op een algemene bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet, maar dat er wel afspraken in het PIP zijn opgenomen omtrent participatie en werk gerelateerde activiteiten. In dat geval is het niet mogelijk om de bijstand af te stemmen, aangezien er geen bijstandsuitkering wordt verstrekt. Om toch te kunnen handhaven bij het niet of onvoldoende meewerken aan participatie- en werk activiteiten in het PIP, wordt in dergelijke situatie een bestuurlijke boete op grond van de Wet inburgering 2021 opgelegd.
20
Lid 4 De gemeente moet voorkomen dat een inburgeringsplichtige die zij financieel ontzorgt op grond van artikel 56a van de Participatiewet, door het opleggen van een boete en de verrekening daarvan met de uitkering, een inkomen onder het bestaansminimum overhoudt. Dit kan immers leiden tot het ontstaan van financiële problemen en bestaansonzekerheid – factoren die de inburgering kunnen verstoren en vertragen. In lid 3 is daarom geregeld dat een opgelegde boete in maandelijkse termijnen wordt verrekend, waarbij rekening wordt gehouden met een fictieve draagkracht van 5 procent van de bijstandsnorm die van toepassing is, inclusief vakantietoeslag. Artikel 20 Als de inburgeringsplichtige niet meewerkt aan het verplichte ‘ontzorgen’ en bijvoorbeeld weigert een machtiging te ondertekenen, dan moet het college de bijstandsuitkering verlagen op grond van artikel 18 Participatiewet en artikel 20 van de afstemmingsverordening. Het verlagen van de bijstandsuitkering wegens het niet meewerken aan het verplicht ontzorgen kan uiteraard alleen als de Afstemmingsverordening voorziet in een verlaging wegens het niet nakomen van de ‘ontzorgingsplicht’. Dat is met dit artikel geregeld. Voor recidive kan worden aangesloten op artikel 16 van de Verordening.