CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Beeldvorming 20 november 2023, gemeente elburg28.736 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Bij het definitieve verkavelingsplan en inrichtingsplan van de openbare ruimte wordt voldaan aan alle eisen uit het Bouwbesluit ten aanzien van brandveiligheid (bluswatervoorziening, opstelplekken, wegbreedtes, vluchtroutes en dergelijke), zie verder paragraaf het advies van de brandweer in paragraaf 5.7. 4.3.6 De scoringscriteria van de prioritering Op basis van het stroomschema afwegingskader (zie paragraaf 3.4.3) wordt ervoor gezorgd dat de juiste woningen, op het juiste tijdstip op de juiste locatie worden gerealiseerd. Het schema behelst de volgende onderdelen: 1. de kwalitatieve behoefte; 2. de ligging t.o.v. de gehele gemeente, het stedelijk gebied en de voorzieningen; 3. de ruimtelijke kwaliteit; 4. het innovatieve karakter van de plannen; 5. de mogelijkheden van organische groei/flexibiliteit. Ad 1: de kwalitatieve behoefte De kwalitatieve behoefte aan de geplande woningen wordt in de Laddertoets in paragraaf 4.6.1 beschreven. Aangetoond wordt dat met de realisatie van de woningen wordt voldaan aan een bestaande behoefte binnen Elburg en Doornspijk. De huidige bestemmingsplancapaciteit voor nieuwe woningen in Doornspijk is bijna volledig benut terwijl de vraag naar woningen structureel groot blijft. Ad 2: de ligging t.o.v. de gehele gemeente, het stedelijk gebied en de voorzieningen De plannen betreffen een ontwikkeling in Doornspijk.

Zoals in de Laddertoets in paragraaf 4.6.2 wordt aangegeven kan de gewenste ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van Doornspijk worden gerealiseerd. Er zijn geen inbreidingslocaties in Doornspijk van voldoende omvang aanwezig.

40/92

Zoals in paragraaf 2.3 is aangegeven is sprake van een rustig woongebied. De voorzieningen in het centrumgebied van het dorp zijn te voet en fietsend goed bereikbaar. Ad 3: de ruimtelijke kwaliteit Met de voorliggende plannen wordt de voorliggende locatie omgevormd tot een kwalitatief hoogwaardig woongebied. Het transformeren van het gebied wordt wenselijk geacht, met name omdat het past binnen de ruimtelijke context van het gebied. Met de voorliggende plannen wordt voorzien in de woningbehoefte terwijl gelijk een groene afronding van Doornspijk wordt gecreëerd, overeenkomstig het Landschapsontwikkelingsplan (zie paragraaf 3.4.5). Ad 4: het innovatieve karakter van de plannen Zoals in paragraaf 4.3 is aangegeven wordt Waterlanden II gerealiseerd als een inclusieve wijk. Het wordt een wijk voor iedereen. Voor alle leeftijden, in verschillende prijsklassen, voor mensen zonder en met beperking, voor zelfstandigen en hulpvragers, alleenstaanden en gezinnen. De invulling van met name de huurwoningen wordt zo flexibel mogelijk om een zo groot mogelijke doelgroep te bereiken. Ad 5: de mogelijkheden van organische groei/flexibiliteit In paragraaf 4.3.1 is het woningbouwprogramma weergegeven. In het voorliggende bestemmingsplan (zie paragraaf 6.2) wordt voor het nieuwe woongebied uitgegaan van een gedetailleerde bestemming met een directe bouwtitel.

Conclusie Op grond van het afwegingskader is de locatie als 'voldoende' beoordeeld en kan doorgang vinden.

4.4

Beeldkwaliteitplan

Wat betreft de uitstraling dient de nieuwe woonwijk logisch en vanzelfsprekend aan te sluiten en onderdeel uit te maken van de bestaande wijk Waterlanden. De wijk heeft een sterke dorpse uitstraling met in de recente ontwikkelingen een meer landelijke sfeer. Deze dorpse en landelijke uitstraling van de gebouwen geldt ook in Waterlanden II als basis voor de uitwerking van het verkavelingsplan in bouwplannen. Om de ruimtelijke kwaliteit van de toekomstige ontwikkeling van Waterlanden II zo goed mogelijk richting te geven is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 1 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. In het beeldkwaliteit wordt ingegaan op de oriëntatie van de woningen van de woningen en het gebruik van accenten. Daarbij wordt aangegeven dat in verband met de privacy van bestaande woningen aan de Beekenkampweg en beleving van ruimte op de verdiepingen van de achtergelegen hoek- en twee-onder-een-kap-woningen geen gevelopeningen toegestaan. Op de kop van de rij wordt geen kopgevel gemaakt, maar een schuine kap. Verder wordt ingegaan op bouwgrenzen en rooilijnen. Per woningtype zijn in het beeldkwaliteitplan randvoorwaarden opgenomen ten aanzien van: bouwmassa, waarbij wordt opgemerkt dat de maximale bouwmaten op de verbeelding en in de planregels

41/92

zijn vastgelegd; situering en uitvoering bijgebouwen; kapvorm (dakvorm, nokrichting hellingshoek); de gevelopbouw (indeling, schaal); massa/plastiek/plasticiteit (herkenbare opbouw); kleur, materiaalgebruik en detaillering; natuurinclusief bouwen. Ten aanzien van het openbaar gebied wordt aandacht besteed aan de overgang tussen openbaar en privégebied; erfafscheidingen. Voor Waterlanden II worden erfafscheiding die grenzen aan openbaar gebied standaard voorgeschreven. Bij de uit te geven strook voor de bewoners aan de Beekenkampweg wordt voor een rustige beleving een eenduidige erfafscheiding voorgeschreven. De strook grond, aansluitend op de erfafscheidingen, tussen de waterbuffer en de nieuwe eigendomsgrens van de woningen aan de Beekenkampweg wordt door de gemeente ingeplant met bijvoorbeeld camouflerende beplanting. Verder wordt ingegaan op het materiaal en detaillering van de bestrating en het gebruik van groen. In dit beeldkwaliteitsplan worden handvatten gegeven voor de uitwerking van het verkavelingsplan in concrete bouwplannen en plannen voor de inrichting van de openbare ruimte. In aanvulling op de Welstandsnota bevat dit beeldkwaliteitsplan aanvullende en specifieke welstandseisen voor Waterlanden II (zie paragraaf 3.4.7).

Het beeldkwaliteitsplan wordt gelijktijdig met het bestemmingsplan in procedure gebracht en zal na vaststelling deel gaan uitmaken van de welstandsnota.

4.5

Kernkwaliteiten uit het Nationaal Landschap

Het Rijk heeft twintig karakteristieke gebieden in Nederland aangewezen als Nationaal Landschap, waarvan er 7 in Gelderland liggen. De grootste hiervan is de Veluwe. Zoals in paragraaf 3.2.3 is aangegeven ligt een smalle strook van het voorliggende plangebied binnen het Nationaal Landschap De Veluwe. In de beleidsnotitie 'kernkwaliteiten Gelderse Nationale Landschappen' (2014) worden de kernkwaliteiten benoemd van deze zeven deelgebieden. Het deelgebied Veluwe is onderverdeeld in deelgebieden. Het plangebied valt binnen het Randmeergebied onder het deelgebied Randmeerkust Agrarisch (zie figuur 3.4 in paragraaf 3.2.3). In de beschrijving van het stedenbouwkundig plan, zoals opgenomen in het Beeldkwaliteitsplan (zie bijlage 1) is specifiek ingegaan op de aansluiting van het plangebied op het aansluitende landschap. Allereerst wordt aangegeven dat de hoofdopzet van het stedenbouwkundig plan de oorspronkelijke verkavelingsstructuur van het landschap volgt. Voor een beleving van het weidse landschap ten noorden van Doornspijk voor alle bewoners van Waterlanden en Doornspijk is ervoor gekozen om de ontsluitingsweg aan de rand van het plangebied te leggen. Hierdoor krijgt de wijk een gezicht naar het landschap, is de ruimtelijke invloed van de bebouwing op het landschap minimaal en maakt de weidsheid van het landschap voor alle nieuwe bewoners onderdeel van het wonen.

Aan de zijde van het open weidse landschap komt een watergang. Tussen deze watergang en de ontsluitingsweg komt een rij met knotwilgen die een zichtbare groene rand van de wijk vormt zonder het uitzicht op het open

42/92

landschap te hinderen. Het groen mag geen belemmering vormen voor de beleving van de openheid van het open weidelandschap ten noorden van de locatie. De watergang versterkt het landelijke karakter van de buurt en zorgt ervoor dat er geen mensen of dieren de weides inlopen. Geconcludeerd wordt dat met het voorliggende plan sprake is van een goede landschappelijke inpassing met inachtneming van de kernkwaliteiten. Er is geen compensatie nodig.

4.6

Laddertoets

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling; indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. De gemeenten moeten plannen die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken motiveren volgens deze laddersystematiek. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling Uit jurisprudentie blijkt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling. In het plan worden maximaal 37 woningen mogelijk gemaakt. In dit geval is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling die buiten bestaand stedelijk gebied ligt. 4.6.1 Beschrijving behoefte Zoals in paragraaf 4.3.1 is aangegeven worden in het voorliggende plan maximaal 37 levensloopbestendige grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Hiervan moet minimaal 40% worden gerealiseerd in de sociale huursector, in de goedkope koopsector en in de betaalbare koopsector. Daarvan behoort circa de helft tot de sociale huursector (20%) en de andere helft (20%) tot de goedkope en betaalbare koopsector. De woningbehoefte in de regio Noord-Veluwe en specifiek in de gemeente Elburg blijkt uit diverse onderzoeken, die hierna worden behandeld. Regionale woningbehoefte Uit de Bevolkings- en huishoudensprognose 2019 Provincie Gelderland blijkt dat het aantal huishoudens in de regio Noord-Veluwe in het hoge scenario toeneemt van 75.370 in 2019 naar 82.160 in 2030.

43/92

Figuur 4.5: Huishoudensontwikkeling regio Noord-Veluwe, 2018-2040 (Provincie Gelderland) De regio's Foodvalley en Rivierenland vergrijzen naar verhouding minder sterk dan de andere regio's. In Noord-Veluwe en Stedendriehoek neemt het aandeel ouderen sterker toe dan in deze regio's. De sterkste vergrijzing is er in de regio's Achterhoek en De Liemers. Er is op dit moment in de meeste Gelderse regio's sprake van een woningtekort. Op dit moment bedraagt het woningtekort in Gelderland zo'n 35.000 woningen. In Noord-Veluwe blijft er ook na 2030 een tekort. In de regio Noord-Veluwe is de vraag sterker gericht op de koopsector. Er ontstaat een aanzienlijke extra vraag naar grondgebonden koopwoningen.

44/92

Figuur 4.6: Fricties vraag en aanbod Noord-Veluwe, 2019-2025 en 2025-2030 In regionaal verband en met de provincie is de afspraak gemaakt dat de afzonderlijke woningbehoefte per gemeente bij elkaar wordt opgeteld; dit is de regionale behoefte. Dit wordt beschreven in afzonderlijke woonvisies. Woningbehoefte gemeente Elburg De behoefte blijkt uit de Woonvisie 2020-2025, inclusief het door Atrivé uitgevoerde woningbehoefteonderzoek (Woningmarktanalyse, 2019). Deze biedt zicht op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen op korte en langere termijn. Kwantitatieve behoefte Prognoses laten zien dat het aantal huishoudens in Elburg in de toekomst blijft toenemen. Voor de periode tot 2030 is sprake van een bandbreedte tussen +610 en +950 extra huishoudens. Gemiddeld is dat zo'n 800 extra huishoudens/woningen tot 2030. Om deze groei te kunnen realiseren, is een bouwtempo nodig van circa 68 woningen netto per jaar. Dat betekent een versnelling van zo'n 40% ten opzichte van de periode 2013-2018. Uit de referentieraming van Primos 2019 blijkt dat indien de gemeente het bouwtempo nog verder kan opschroeven, een hogere huishoudensgroei mogelijk is. Wel moet worden gewaakt voor overproductie. Alle prognoses laten dezelfde trend zien: op korte termijn groei, daarna vlakt de groei af en op lange termijn zal sprake zijn van stabilisatie.

De grote naoorlogse babyboomgeneratie zal vanaf nu in steeds grotere getale de woningmarkt verlaten, ook in Elburg. Het vrijkomende aanbod van deze groep neemt in rap tempo toe en bestaat vooral uit koopeengezinswoningen. Na 2030 wordt daarom voor Elburg voorspeld dat er steeds minder behoefte is aan uitbreiding van de woningvoorraad. Kwalitatieve behoefte Zowel op korte als op lange termijn is er in Elburg de grootste behoefte aan meer koopeengezinswoningen. Dit heeft te maken met de verwachting dat de huishoudenssamenstelling in de gemeente Elburg ook in de toekomst

45/92

gedomineerd blijft door gezinnen met kinderen. Die doelgroep zoekt juist dit woningtype. Daarnaast ontstaat er als gevolg van de vergrijzing op lange termijn ook een kleine behoefte aan extra huurwoningen en appartementen. Op korte termijn is er met name behoefte aan meer koopwoningen tussen de € 200.000,- en € 265.000,-. Ook op lange termijn is er een oplopende behoefte aan extra koopwoningen in alle segmenten. Ook slaat, op lange termijn, als gevolg van de vergrijzing het theoretisch overschot aan sociale huurwoningen en middeldure huurwoningen om in een extra behoefte. Voor de benodigde voorraad sociale huurwoningen in Elburg is op basis van twee koopkrachtscenario's een raming gemaakt. Indien het aandeel scheefwoners kan worden teruggebracht naar 23% dan is tot 2028 een behoefte aan 40 tot 110 extra sociale huurwoningen in Elburg. Plancapaciteit en regionale afstemming In de regio Noord-Veluwe zijn in 2013 op basis van een bandbreedte woningbouwafspraken gemaakt voor de periode 2013-2025. De afgelopen jaren is er echter in Elburg, net zoals in de rest van de regio, structureel minder gebouwd dan afgesproken (-15%). Om alsnog te voldoen aan de woningbouwafspraken is er dus een versnelling van het bouwtempo nodig.

Ten eerste omdat het huidige tempo nog steeds lager ligt dan de 'gemiddelde waarde', maar ook om de opgelopen achterstand van de afgelopen jaren in te kunnen halen. Hiervoor is voor de gemeente Elburg een versnelling nodig van 36%. De nieuwbouwprogrammering wordt door de gemeenten gemonitord en regionaal afgestemd.

Figuur 4.7: Schema monitoring nieuwbouwprogrammering afzonderlijke gemeenten (bron: gemeente Elburg) Met het bouwen van 810 woningen blijft Elburg binnen de door Atrivé gestelde prognoses. Bovendien is de afgelopen jaren structureel minder gebouwd dan de destijds geformuleerde ambitie en afgesproken aantallen, bezien over de gehele regio. Met 348 woningen (zie voorgaand figuur 4.7) is er onvoldoende harde plancapaciteit om in de bovengrens van de behoefte te voorzien. De subregio Kop van de Veluwe heeft zich ook gecommitteerd aan de Regio Zwolle. Dit betekent (onder andere)

46/92

dat deze subregio een deel van de nieuwbouwopgave voor haar rekening wil nemen. Er zijn drie scenario's die nu in de Regio Zwolle nader worden uitgewerkt: een scenario dat uitgaat van enkel de autonome groei, een middenscenario en een derde scenario waarbij uitgegaan wordt van een verdubbeling van de autonome groei. Wat dit betekent voor de subregio Kop van de Veluwe is dus nog niet in kaart gebracht, maar dat dit een hogere woningbouwopgave meebrengt dan de voorspelde 810 woningen, is wel een feit. Woondeal regio Noord-Veluwe Op grond van de regionale woondeal regio Noord-Veluwe (maart 2023) zet de gemeente Elburg zich in voor de bouw van 764 woningen tot 2030 als bijdrage aan de provinciale en nationale opgave. Uit de woondeal blijkt dat de harde plancapaciteit van de gemeente is afgenomen naar 221 woningen. Hoewel Waterlanden II niet is aangemerkt als sleutelproject wordt wel een bijdrage aan de benodigde harde plancapaciteit geleverd. Conclusie behoefte Er is op dit moment een harde plancapaciteit voor 221 woningen en een gemeentelijke opgave voor 764 woningen. Er is daarom behoefte aan extra harde plancapaciteit. Er is behoefte aan koopwoningen in alle segmenten. Er is ook behoefte aan sociale huurwoningen. 4.6.2 Motivering locatiekeuze De gewenste ontwikkeling kan niet binnen het bestaand stedelijk gebied van Doornspijk worden gerealiseerd.

Er zijn op dit moment geen inbreidingslocaties in Doornspijk van voldoende omvang om 37 grondgebonden woningen te realiseren. Voor de locatie aan de Lageweg is op dit moment nog sprake van een zoekgebied waarvoor de nadere invulling nog bepaald moet worden (zie paragraaf 3.4.1).

Figuur 4.8: Bestaand stedelijk gebied op basis van geldende bestemmingen (Bron: www.planviewer.nl) Zoals uit figuur 4.8 blijkt, grenst het plangebied evenwel direct aan het bestaand bebouwd gebied van het dorp Doornspijk en is daarom goed geschikt voor de gewenste ontwikkeling. Het bestemmen van het gebied tot woongebied betekent een kwalitatieve verbetering van de ruimtelijke structuur ter plaatse.

47/92

De ontwikkeling wordt gedaan met respect voor de groen- en omgevingsstructuren in het gebied en de directe omgeving daarvan. 4.6.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling past binnen de kaders van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

48/92

Hoofdstuk 5

Milieu- en omgevingsaspecten

Diverse aspecten in of nabij het plangebied, zoals hinder door bedrijvigheid, water, ecologie, archeologie en de aanwezigheid van kabels en leidingen, kunnen beperkingen opleggen aan de nieuwe ontwikkelingen in het plangebied. Voor het bestemmingsplan zijn de milieu- en omgevingsaspecten geïnventariseerd en daar waar nodig verwerkt in de ruimtelijke verbeelding en regels van het bestemmingsplan.

5.1

Bedrijven en milieuzonering

5.1.1 Toetsingskader Om een belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat in de omgeving en bedrijvigheid te kunnen maken, wordt in het algemeen gebruikgemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden en milieunormen die gehanteerd worden voor gevoelige functies. De VNG-publicatie is bedoeld voor nieuwe situaties en niet voor de toetsing van bestaande situaties. In bestaande situaties kan de VNG-brochure evenwel een indicatie geven van de mate van hinder bij bestaande conflictsituaties. Verder moet ook bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin mogelijk een (deels) feitelijk bestaande situatie wordt bestemd, worden onderzocht of het laten voortbestaan van een dergelijke situatie in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Ook om die reden wordt aansluiting gezocht bij de VNG-publicatie. De VNG-brochure hanteert twee soorten omgevingstypen. Een rustige woonwijk/rustig buitengebied en gemengd gebied, voor beide omgevingstypen gelden andere richtafstanden en/of normen. De definitie van een rustige woonwijk/rustig buitengebied is: 'Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven kantoren) voor.

Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.' De definitie van een gemengd gebied is: 'Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden en hogere milieunormen rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten meestal bepalend.' In tabel 5.1 is een overzicht gegeven van de richtafstanden voor de verschillende milieucategorieën.

49/92

Tabel 5.1: Richtafstanden per milieucategorie t/m milieucategorie 4.1 milieucategorie richtafstand rustige woonwijk en gemengd gebied rustig buitengebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m Het aspect geluid is in veel gevallen de bepalende factor voor de richtafstand. De achterliggende geluidsnormen die in de VNG-publicatie worden gehanteerd om de richtafstanden te bepalen, zijn weergegeven in tabel 5.2. Tabel 5.2: Geluidsnormen (richtwaarden) voor een rustige woonwijk/buitengebied en gemengd gebied periode langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus maximale geluidsniveaus (LAmax ) (LAr,LT) rustige woonwijk/ gemengd rustige woonwijk / rustig gemengd rustig buitengebied gebied buitengebied gebied dagperiode 45 dB (A) 50 dB(A) 65 dB(A) 70 dB(A) (07:00-19:00 uur) avondperiode 40 dB(A) 45 dB(A) 60 dB(A) 65 dB(A) (19:00-23:00 uur nachtperiode 35 dB(A) 40 dB(A) 55 dB(A) 60 dB(A) (23:00-07:00 uur) Deze richtwaarden hebben geen wettelijke status, maar zijn algemeen aanvaarde waarden. Het is mogelijk om op basis van een bestuurlijke afweging af te wijken van deze richtwaarden. De VNG-brochure biedt hiervoor een stappenplan, opgenomen in bijlage B 5.3 van de VNG-publicatie. Het stappenplan omvat de volgende methodiek: 1.

stap 1: indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk; 2. stap 2: indien stap 1 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen van maximaal 45 dB(A) in een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 50 dB(A) in gemengd gebied voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (etmaalwaarde), 65/60/65 dB(A) voor maximale geluidsniveaus en 50 dB(A) etmaalwaarde t.g.v. de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder); 3. stap 3: indien stap 2 niet toereikend is, dan is inpassing mogelijk bij een geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen van maximaal 50 dB(A) in een rustige woonwijk/rustig buitengebied en 55 dB(A) in gemengd gebied voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, 70/65/60 dB(A) voor maximale geluidsniveaus en 65 dB(A) etmaalwaarde t.g.v. de verkeersaantrekkende werking (indirecte hinder). Met

50/92

betrekking tot de maximale geluidsniveaus geldt dat de beoordeling plaatsvindt exclusief de maximale geluidsniveaus vanwege aan- en afrijdend verkeer. In het kader van stap 3 dient het bevoegd gezag te motiveren waarom het deze geluidsbelasting in de concrete situatie acceptabel acht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidsbelasting moet worden betrokken. Bij een hogere geluidsbelasting dan aangegeven in stap 3 zal inpassing doorgaans niet mogelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan, dient dit grondig onderzocht, onderbouwd en gemotiveerd te worden, waarbij cumulatie met andere geluidsbronnen/geluidsbelastingen moet worden meegenomen. Deze laatste stap wordt aangeduid als stap 4. 5.1.2 Het plangebied In het voorliggende geval is sprake van de realisatie van nieuwe woningen in de nabijheid van een bestaande rustige woonwijk. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woningen, er zijn geen bedrijven en er is geen sprake van een doorgaande weg.

Figuur 5.1: Uitsnede geldende bestemmingsplannen Op grond van de geldende bestemmingsplannen (zie figuur 5.1) blijkt dat er zich in de directe nabijheid van het plangebied geen bedrijven bevinden. Op enige afstand zijn aanwezig: aan de Veldweg bevindt zich op een afstand van bijna 300 m ten opzichte van het plangebied een riooloverstort. Voor een rioolgemaal (sbi3700B) geldt op basis van de VNG-publicatie milieucategorie 2 en een richtafstand van 30 m vanwege geur. De afstand ten opzichte van de nieuwe woningen in Waterlanden II is groter; ter hoogte van de Zuiderzeestraatweg West bevindt zich in Doornspijk een aantal garage- en

51/92

schadeherstelbedrijven. De afstand van deze bedrijven ten opzichte van het plangebied varieert van 260 tot 310 m. Voor garagebedrijven (sbi 451, 452, 454) geldt een milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m. Voor autospuit- en herstelbedrijven (sbi45204) geldt milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 m vanwege geur. De afstand ten opzichte van de nieuwe woningen Waterlanden II is groter. Ten noordoosten van het plangebied, op een afstand van ruim 400 m, bevindt zich een lokaal bedrijventerrein, met diverse bedrijven. Ter plaatse zijn bedrijven in de milieucategorieën tot en met 3.1 toegestaan, inclusief een transportbedrijf. De maximale richtafstand voor bedrijven met milieucategorie 3.1 bedraagt 50 m. Voor transportbedrijven kan de richtafstand groter zijn, maar doorgaans niet groter dan 100 m (stalling van vrachtwagens (met koelinstallatie) sbi5221.2) vanwege geluid. De afstand ten opzichte van de nieuwe woningen in Waterlanden II is groter. Op grond van bovenstaand overzicht wordt geconstateerd dat voor alle bedrijven ruimschoots wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. Dit betekent dat voor de nieuwe woningen in Waterlanden II sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Andersom wordt ook geconstateerd dat de betreffende bedrijven niet onevenredig gehinderd zullen worden door de nieuwe woningen in hun bedrijfsvoering.

Conclusie Omdat aan de richtafstanden wordt voldaan, is er sprake van het voldoen aan stap 1 van de VNG-systematiek (inpassing in mogelijk). Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

5.2

Milieuhinder (agrarische) bedrijven

Agrarische bedrijven In de nabijheid van het plangebied zijn twee rundveehouderijen aanwezig aan de Kerkdijk 21 en aan de Zuiderzeestraatweg West 30. De afstand vanaf de agrarisch bouwvlakken, zoals opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018', tot aan de beoogde woningbouwvlakken bedragen respectievelijk 100 m (Kerkdijk 21) en 170 m (Zuiderzeestraatweg West 30), zie ook navolgend figuur 5.2.

52/92

Figuur 5.2: Ligging plangebied (rode contour) t.o.v. omliggende agrarische bedrijven (donker groen. bron: 'Buitengebied Elburg 2012, actualisatie 2018') De richtafstand voor het 'Fokken en houden van rundvee' bedraagt op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering (2009)' 100 m. Hier wordt in het geval van de Zuiderzeestraatweg West 30 ruimschoots aan voldaan. In het geval van de Kerkdijk 21 bedraagt de kleinste afstand tot het meest nabijgelegen bouwvlak 100 m (zie figuur 4,2). Daarmee wordt rekening gehouden met de belangen van de betreffende agrariër. De agrariër is in het verleden, in overleg met de gemeente, om milieutechnische redenen verplaatst van Zuiderzeestraatweg West naar de Kerkdijk te Doornspijk met als doel om zo ver mogelijk van de woonbebouwing een nieuw bedrijf te realiseren. Wet geurhinder en veehouderij (milieu) en Activiteitenbesluit De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, deze zijn weergegeven in de onderstaande tabel 5.3.

53/92

Tabel 5.3: Overzicht geurnormen Wgv binnen bebouwde kom diercategorieën Rgv andere diercategorieën buiten bebouwde kom diercategorieën Rgv andere diercategorieën

concentratiegebied max. 3 ouE/m3 min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 14 ouE/m3 min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

niet-concentratiegebied max. 2 ouE/m3 min. 100 m t.o.v. geurgevoelig object max. 8 ouE/m3 min. 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar de minimale afstanden van: 100 m ten opzichte van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom; en 50 m ten opzichte van geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelasting geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geurverordening gemeente Elburg De gemeente Elburg heeft op 14 december 2009 een geurverordening vastgesteld. In die geurverordening zijn voor enkele gewenste ontwikkelingen de geurnormen gewijzigd.

Uit figuur 5.3 blijkt dat het onderhavig plangebied is aangewezen als een van ontwikkelingsgebieden (bebouwde kom) waarvoor een aangepaste geur- en afstandsnorm van 6,5 ouE/m3 en 50 m ook als aanvaardbaar wordt geacht.

54/92

Figuur 5.3: Uitsnede van de kaart behorende bij de geurverordening Conclusie Ten aanzien van de omliggende agrarische bedrijven wordt het volgende geconcludeerd: Ten opzichte van de rundveehouderij aan de Zuiderzeestraatweg West 30 wordt voldaan aan de algemene richtafstanden van de VNG-publicatie. Daarnaast wordt ook aan de afstandsnorm van 100 m van de Wgv voldaan; de rundveehouderij aan de Kerkdijk 21 bevindt zich op een afstand van 100 m tot het meest nabijgelegen (woning)bouwvlak binnen het plangebied. Voldaan wordt aan de algemene richtafstanden van de VNG-publicatie en aan de afstandsnorm van de Wgv; er is geen sprake van geuremissiefactoren voor rundvee en er wordt van uitgegaan dat in de nieuwe situatie sprake is van een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom Samenvattend is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten aanzien van geur. De omliggende bedrijven worden niet belemmerd vanuit de Wgv, ondersteund door de geurverordening van de gemeente Elburg, welke 6,5 ouE/m3 als aanvaardbaar acht voor het plangebied (bebouwde kom). Geconcludeerd wordt dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

5.3

Geluid

5.3.1 Wegverkeerslawaai 5.3.1.1 Toetsingskader Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidsgevoelige functie aangemerkt. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Langs alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven, bevinden zich op grond van de Wet

55/92

geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. 5.3.1.2 Het plangebied Ten behoeve van het voorliggende plangebied wordt geconstateerd dat alle omliggende bestaande wegen in de woonwijk een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben. Zoals in voorgaand paragraaf is aangegeven, hebben wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur geen wettelijke geluidszone. De nieuwe wegen in het plangebied worden ingericht als 30 km/uur-wegen. De nieuwe woningen liggen ook niet in de wettelijk geluidszone van andere wegen. Dit betekent dat er geen geluidsbronnen aanwezig zijn waarvan de geluidsbelasting bij de nieuwe woningen getoetst moet worden aan de normen van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting vanwege het wegverkeer is daarom niet nodig geacht. Aanvullend is de verwachte verkeersintensiteit in het plangebied circa 273 motorvoertuigen per etmaal. Op basis van deze intensiteit kan worden geconcludeerd dat de verwachte grenswaarde van 48 dB in het plangebied niet zal worden overschreden.

Er is in het plangebied sprake van een aanvaardbaar akoestische kwaliteit (zie bijlage 2). Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect wegverkeerslawaai geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.3.2 Spoorweglawaai 5.3.2.1 Toetsingskader Wanneer een nieuwe geluidsgevoelige bestemming wordt mogelijk gemaakt binnen de geluidszone van een spoorlijn, moeten de plannen op grond van de Wet geluidhinder worden getoetst aan de geluidsnormen, zoals opgenomen in het Besluit geluidhinder. De Spoorlijn Harderwijk-Zwolle, gelegen aan de andere zijde van de A28, ligt op een afstand van ruim 4,2 km van het plangebied. Spoorwegen met een geluidszone langs de spoorlijn staan aangegeven op de geluidsplafondkaart of de zonekaart. Op grond van het dichtstbijzijnde geluidsproductieplafond (63,1 dB) bedraagt de zonebreedte 300 m aan weerszijden van de spoorlijn. 5.3.2.2 Het plangebied Het plangebied ligt ruim buiten de geluidszone van de spoorlijn Harderwijk-Zwolle en de A28. De spoorlijn is in het akoestisch onderzoek buiten beschouwing gelaten. Conclusie Aangenomen wordt dat het spoorweglawaai geen belemmering oplevert voor de beoogde plannen.

56/92

5.4

Bodem

5.4.1 Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. 5.4.2 Het plangebied Ten behoeve van het bestemmingsplan is door het ingenieursbureau Arcadis Nederland B.V. op 2 februari en 15 februari 2021 een verkennend milieukundig bodemonderzoek verricht op een locatie ten noorden van de Beekenkampweg te Doornspijk. Ten behoeve van de bouw van deze woningen is de kwaliteit van de bodem bepaald. Hiermee wordt getoetst of aanvullende veiligheids- of saneringsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd. Het rapport 'Verkennend milieukundig bodemonderzoek te Doornspijk, Waterlanden II' (nr. D10023330 39, d.d. 19 augustus 2021) is als bijlage 3 in de toelichting van dit bestemmingsplan opgenomen.

In het uitgevoerde bodemonderzoek wordt het volgende geconstateerd. Bij het uitgevoerde vooronderzoek zijn op de locatie nu of in het verleden geen verdachte activiteiten of potentiële bronnen geïdentificeerd die de locatie verdacht maakt op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en is voor de locatie de hypothese 'onverdacht' getrokken. Bij het bodemonderzoek zijn in de boven- en ondergrond van de locatie geen verontreinigingen aangetroffen. In het grondwater is barium boven de streefwaarde aangetroffen. Dit betreft een natuurlijk verhoogde achtergrondwaarde. Op basis van de gemeten gehaltes in grond en grondwater wordt de hypothese 'onverdacht' bevestigd. Op grond daarvan wordt het volgende geconcludeerd. Er is vanuit de Wet bodembescherming geen noodzaak voor het uitvoeren van nader onderzoek en/of het treffen van saneringsmaatregelen. De kwaliteit van de bodem is geschikt voor het huidige gebruik (agrarisch/wonen met tuin) en het toekomstige gebruik (wonen). De gevonden gehalten in de bodem vormen in milieuhygiënische zin geen belemmeringen voor het huidige en toekomstige gebruik van het terrein. Werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder verhoogde veiligheidsklasse (basishygiëne). Op basis van de indicatieve toetsing is de grond van de locatie altijd toepasbaar.

Echter, afhankelijk van het bodembeleid van de gemeente waarin de grond wordt toegepast en de beoogde plaats van toepassing, dient mogelijk nog een partijkeuring uitgevoerd te worden om dit definitief vast te stellen.

57/92

Met het huidige ontwerp wordt niet verwacht dat grondverzet noodzakelijk is (gesloten grondbalans). Aanbevolen wordt dat wanneer grondverzet plaatsvindt er een aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van PFAS zal moeten plaatsvinden. Ook dient rekening te worden gehouden met aanvullende eisen conform de geldende wet- en regelgeving (Besluit bodemkwaliteit) en lokaal beleid. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.5

Water

5.5.1 Het toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Vallei en Veluwe, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van het bestemmingsplan is door Arcadis Nederland B.V. een plan voor de waterhuishouding en riolering opgesteld. De rapportage 'Woningbouwlocatie Waterlanden Fase 2 te Doornspijk Plan voor de waterhuishouding en riolering' (nr. 30073377, d.d. 5 juni 2023) is als bijlage 4 in de toelichting opgenomen. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). In de watertoets wordt een overzicht gegeven van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Waterwet. Provinciaal: Regionaal Waterprogramma Gelderland. Gemeente: Beleids- en beheerplan Water en Riolering.

Blauwe Omgevingsvisie 2050 (https://bovi2050.nl/) Met de Blauwe Omgevingsvisie 2050 zet het waterschap koers naar een duurzame samenleving waarbij water wordt gezien als een ordenend principe. In de Omgevingsvisie worden drie gebieden (stroomgebieden)

58/92

onderscheiden namelijk: Noord-Veluwe, IJsselvallei en oostflank van de Veluwe en de Gelderse Vallei en Eemland. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die als leidende principes zijn toegepast in de BOVI2050. De drie leidende principes zijn: 1. water als ordenend principe in de ruimtelijke ontwikkeling; 2. maximaal schoonhouden en vasthouden van water; 3. partnerschap als watermerk. Daarnaast zijn vier thema's opgesteld: Energietransitie, Circulaire economie, Klimaatverandering en Waardevolle leefomgeving. De meest belangrijke verhaallijn uit de BOVI die relevant is voor de voorliggende ontwikkeling is de 'Waterinclusieve bebouwde omgeving'. Stedelijke in- en uitbreiding ten behoeve van de groeiende bevolking moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheidsopgaven. Dit biedt kansen om de stad aantrekkelijker te maken. Overal waar wordt gebouwd, wordt rekening gehouden met het aspect water (waterinclusief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de stad als spons. Groen-blauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de stad bovendien leefbaar bij toenemende hittestress en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnenstedelijke verdichting.

Afwegingen over eventuele nieuwe, stedelijke uitbreidingen worden gemaakt vanuit de ondergrond, met het oog op de waterhuishouding en altijd klimaatadaptief. Slim combineren Het bebouwde gebied krijgt in de toekomst te maken met meer regen in kortere tijd, langere perioden van droogte en het daarmee samengaande hitte-eilandeffect; het aantal warme nachten neemt met een factor drie toe. Tegelijkertijd moeten enorm veel woningen worden bijgebouwd, met name door herinrichting en inbreiding en ligt er als gevolg daarvan ook een flinke mobiliteitsopgave. Voor een mooiere en gezondere leefomgeving, moeten we de duurzaamheids- en transitieopgaven met elkaar verbinden en zoveel mogelijk multifunctioneel ontwikkelen. Samenwerking is hiervoor essentieel. Het veelzijdig toepassen van water en groen in stedelijk gebied draagt niet alleen bij aan de ruimtelijke kwaliteit, maar is ook onderdeel van de oplossing voor de grote opgaven. Vasthouden van water Het realiseren van meer groen biedt vele kansen voor de leefbaarheid in de stedelijke omgeving. Dit vermindert de invloed van de stedelijke verdichting. Door groen toe te voegen op daken, tegen gevels en tussen de gebouwen op straten en pleinen zorgen we voor natuurlijke koeling waarmee het hitte-eilandeffect wordt tegengegaan. Meer groen draagt ook bij aan de biodiversiteit in steden en dorpen.

Daarnaast kunnen groene ruimtes zoals wadi's (aangelegde plekken waar regenwater wordt opgevangen en in de grond infiltreert), waterbuffers (droge sloten) en groene daken worden benut om regenwater vast te houden of te bergen. Door het water in de stad te houden en 'op te sparen' kan dit wordt benut in droge tijden. Andere mogelijkheden zijn waterdoorlatende verharding en waterpleinen. Om tijdens piekbuien water te kunnen

59/92

afvoeren, kan zelfs de weg tijdelijk als beek worden benut. 5.5.2 Het plangebied Uit het 'Plan voor de waterhuishouding en riolering', zoals opgenomen in bijlage 4, blijkt het volgende. 5.5.2.1 Afvalwater (riolering) Het afvalwater van de woningen wordt via een vrij verval stelsel in de openbare weg ingezameld en afgevoerd naar het bestaande gemengd riool in de Dokter Bruinsweg. De droogweer afvoer (DWA) sluit in het westen van het plangebied, waar de Beekenkampweg en de Dokter Bruinsweg samenkomen, aan op het bestaande stelsel. In het plan voor de waterhuishouding en riolering blijkt dat In het oosten van het stelsel de minimale dekking net niet wordt gehaald. In het plan wordt geadviseerd om de huisaansluiting van het 'laatste' pand aan te sluiten op de put in plaats van op de leiding; hierdoor is ook de aansluiting van deze huisaansluiting prima mogelijk met een iets beperktere dekking. 5.5.2.2 Hemelwater Het hemelwatersysteem dient robuust en eenduidig te zijn qua beeldvorming. Er zijn binnen het plangebied slechts beperkte mogelijkheden om water vast te houden in groenzones of oppervlaktewater. Waar mogelijk wordt water vastgehouden in watergangen/greppels, wadi's/overloopzones en waterbuffers/droge sloten. Hierin is niet voldoende ruimte beschikbaar om aan de volledige waterbergingseis invulling te geven.

Daarom is de keuze gemaakt om regenwater ook tijdelijk onder de wegen te bergen in een waterbufferende wegfundatie. Het Waterschap Vallei & Veluwe eist, net als de gemeente in haar Beleids- en beheerplan Water en Riolering, bij nieuwe ontwikkelingen een berging van 60 mm ten opzichte van het afvoerend verhard oppervlak. Buiten de in het stedenbouwkundig ontwerp aangegeven oppervlakken wordt aangenomen dat 55% van het particulier terrein verhard wordt en naar openbaar gebied afstroomt. Tabel 5.4: oppervlakte met bijbehorende bergingseis Onderdeel oppervlakte verharding bebouwing particulier perceel Totaal

5.098 m2 2.848 m2 6.143 m2 14.089 m2

percentage verharding 100% 100% 55%

toename Verharding 5.098 m2 2.848 m2 3.379 m2 11.324 m2

benodigde berging 306 m3 171 m3 203 m3 679 m3

Uit de tabel blijkt dat er sprake is van een benodigde berging van 679 m2. Om de waterberging te kunnen realiseren is het plangebied opgedeeld in een zuidoostelijk en een noordwestelijk deelgebied. Het zuidoostelijke deelgebied voert af op de zuidelijke (droogvallende) watergang/waterbuffer (met aanliggende wadi's) en is via twee Drainage-Transport leidingen (DT-leidingen) verbonden met het oostelijke peilvak van de noordelijke watergang.

60/92

Tabel 5.5: Invulling bergingsopgave zuidoostelijk gebied Onderdeel oppervlakte benodigde berging verharding 4.292 m2 258 m3 dak kavels Watergang Z en NO Totaal

2.442 m2 5.172 m2

575 m3

406 m2 971 m2

uitgangspunten hoogte pakket: 0,25 m holle ruimte 40%

146 m3 171 m3

Tabel 5.6: Invulling bergingsopgave noordwestelijk gebied Onderdeel oppervlakte benodigde berging verharding 791 m2 47 m3 dak kavels Watergang Z en NO Totaal

berging in plangebied 291 m3

308 m3 599 m3

berging in plangebied 69 m3

uitgangspunten hoogte pakket: 0,30 m holle ruimte 40%

24 m3 32 m3 104 m3

35 m3 104 m3

Uit het overzicht blijkt dat in het zuidwestelijk deel van het plangebied de bergingseis ruimschoots wordt gehaald wanneer de waterbufferende verharding een pakkethoogte van 25 cm heeft (bij een percentage holle ruimte van 40%). In het noordwestelijk deel van het plangebied is een pakkethoogte van 30 cm nodig om de bergingseis te halen. 5.5.2.3 Waterbufferend pakket In het plan wordt aangegeven dat het plangebied wordt opgehoogd met zand met relatief goed doorlatend materiaal. Voor de waterbufferende verharding aan de noordzijde van het plangebied betekent dit dat de waterbufferende weg naar de bodem kan infiltreren en via infiltratie door het zandpakket langzaam leeg kan infiltreren naar de bodem. Een deel van het water zal via de doorlatende grond afstromen naar de naastgelegen watergang. Onder de waterbufferende verharding in de 'hofjes' liggen DT-leidingen. Deze leidingen zijn nodig om water uit te kunnen wisselen tussen de buffers in beide watergangen. Door de drainage functie zorgen zij er ook voor dat de waterbufferende verharding niet langdurig vol kan blijven staan. Aan de westzijde en oostzijde van de zuidelijke watergang is voor de twee aanliggende delen van de waterbufferende verharding een drainageleiding voorzien. Deze drain ligt in het watervoerende pakket en voert af op de zuidelijke watergang.

Door de drain wordt voorkomen dat het pakket langdurig vol kan blijven staan, ook wanneer de infiltratiecapaciteit van de ondergrond ontoereikend zou zijn. Eventueel kan deze drain benut worden om een overloopkolk op aan te sluiten zodat bij extreme neerslag water sneller naar de watergang kan afstromen. Wanneer de drain daarvoor wordt ingezet is een minimale diameter Ø125 mm nodig, zonder overloopkolk kan worden volstaan met Ø80 mm.

61/92

5.5.2.4 Vertraagde afvoer De zuidelijke (droogvallende) watergang krijgt een bodemhoogte die ongeveer gelijk is aan de huidige gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG). In principe kan het water in de bodem infiltreren, maar dit zou kunnen zorgen voor verhoging van de grondwaterstanden. Om te voorkomen dat de naastgelegen bestaande bebouwing hinder kan ondervinden door verhoogde grondwaterstanden is in het ontwerp voorzien in een vertraagde afvoer van water naar het oppervlaktewatersysteem. Door in beide stuwen in de noordelijke watergang een sleuf van 20x50 mm op bodemniveau van de watergang (1,30 m NAP respectievelijk 1,25 m NAP) aan te brengen kan de watergang vertraagd leeglopen. Bij deze afmetingen blijft het debiet door de doorlaat onder de afvoernorm van 1,5 l/s/ha voor de landelijke afvoer. Om te voorkomen dat deze sleuf dichtgroeit en/of dichtslibt wordt in het plan aanbevolen om aan de bovenstroomse zijde van de (houten)stuw een schanskorf aan te brengen. Deze schanskorf werkt dan als filter om verstopping van de sleuf te voorkomen. Overleg met het waterschap In overleg met het waterschap is een kleine aanpassing in het ontwerp doorgevoerd. In het ontwerp zijn twee stuwen opgenomen in de noordelijke watergang. Door de opstuwing komt het water bij extreme neerslag tot net onder het maaiveld van naastgelegen weiland.

Nabij het lozingspunt van de nieuwe watergang liggen al twee bestaande stuwen. Door de bestaande watergang aan te passen is het mogelijk om de vier stuwen (2 nieuw, 2 bestaand) te vervangen door één stuw. Dit heeft als voordeel dat niet op vier locaties een (kleine) doorlaat nodig is voor de vertraagde afvoer. Als gevolg van de aanpassing aan de stuwen wordt er minder water geborgen in de noordelijke watergang, het water wordt afgevoerd naar de (aan te passen/vergroten) bestaande waterpartijen. De besproken aanpassingen maken het systeem robuuster en eenvoudiger te beheren en onderhouden. De werking van het geheel blijft richting de toekomst hierdoor beter gewaarborgd. De exacte vormingeving van de nieuwe stuw en aanpassingen in het bestaande watersysteem worden nog verder uitgewerkt. Geconcludeerd wordt dat hiermee minimaal de voor Waterlanden Fase 2 benodigde waterberging wordt gerealiseerd. 5.5.2.5 Bodem en grondwater De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) aan de Oude Kerkweg is vastgesteld op 1,80 m +NAP en de grondwaterstroom is gericht naar het noorden. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de waterstand circa 25 cm lager. In de rapportage wordt de GHG in het plangebied geschat op ongeveer 1,50 m +NAP aan de zuidzijde en 1,25 m +NAP aan de noordzijde. Zoal al eerder aangegeven moet het plangebied worden opgehoogd om voldoende ontwateringsdiepte te realiseren.

Door de ophoging en het versterken van het huidig watersysteem is er sprake van 'grondwaterneutraal bouwen'. Bovendien moet er (tijdens/na het bouwen) rekening mee worden gehouden dat het bestaande gebied niet wordt vernat. Dit risico wordt ondervangen door de (droogvallende) watergang aan de zuidzijde van het plangebied en de (vertraagde) afvoer via doorlaten in de noordelijke watergang richting het landelijk gebied. Het hemelwater wordt geborgen en (deels) in de bodem geïnfiltreerd. Uit boringen in het gebied blijkt dat de doorlatendheid van de bestaande bovenlaag beperkt is, diepere grondlagen (>0,5 m onder maaiveld) hebben voldoende doorlatendheid voor infiltratie. Om te voorkomen dat infiltrerend water op storende lagen kan blijven staan wordt de bovenste halve meter van het hele plangebied doorploegd. Wanneer hier veenlagen

62/92

worden aangetroffen worden deze afgegraven. Bij demping van de bestaande watergang wordt de begroeiing verwijderd en wordt de bestaande waterbodem circa 30 cm ontgraven en afgevoerd. Risico op inklinking van diepe veenlaagjes is beperkt door enkele ondiepe veenlagen. De bovenste veenlagen en oud weiland worden tijdens de ontwikkeling vervangen, zodat infiltrerend neerslag niet door deze laag belemmerd wordt. Door de combinatie van grondverbetering van het plangebied, een verruiming van de waterstructuur en een ophoging van het plangebied, wordt het risico op schijngrondwater in de bovenlaag (tot 0,5 m-mv) in het rapport als minimaal ingeschat. De infiltratiecapaciteit van de ondergrond is voldoende om neerslag in de bodem te infiltreren, maar niet extreem hoog. Wanneer het water in het gebied (tijdelijk) onvoldoende kan infiltreren naar de ondergrond (bijvoorbeeld door hoge grondwaterstanden of een toch lagere infiltratiecapaciteit dan uit het bodemonderzoek blijkt) wordt het water vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. 5.5.2.6 Oppervlaktewater Het plangebied loost overtollig hemelwater op de noordelijke watergang (OWL-66126). Deze watergang voert af in noordelijke richting. De watergang wordt gestuwd door een stuw bij de Veldweg, vlak bij het Veluwemeer, circa 1,5 km stroomafwaarts van het lozingspunt van het plangebied.

Waterschap Vallei en Veluwe heeft aangegeven dat, als gevolg van opstuwing in de watergang, rekening gehouden moet worden met een waterstand van circa 1,0 m NAP bij het plangebied. In droge periodes kan dit uitzakken. In het plangebied ligt een secundaire watergang. Deze wordt gedempt. De demping van deze watergang wordt gecompenseerd door extra berging in het plangebied te realiseren. Uitgaande van het aangegeven waterpeil van 1,0 m NAP en vulling tot aan het laagste maaiveld naast de watergang (NAP+1,14 m) kan in deze watergang ongeveer 23 m3 water worden geborgen. Dit volume wordt volledig gecompenseerd door het volume wat in de berging in het zuidwestelijke deel van het plangebied 'over' is ten opzichte van de bergingseis voor nieuwe verharding. Het watersysteem van het plangebied loost trapsgewijs op de noordelijke watergang OWL-66126. De zuidelijke (droogvallende) watergang c.q waterbuffer in het plangebied heeft een diepte van circa 80 cm, bij een talud van 1:1 en een bodembreedte van 1,40 m is de boven breedte van deze watergang 3 meter. Nabij de 'hofjes' verbreedt de watergang zich naar de wadi's/overloopgebieden. Via een tweetal drainage-transportleidingen is de zuidelijke watergang verbonden met het oostelijke peilvak van de noordelijke watergang. Deze noordelijke watergang heeft een bodembreedte van 1,0 m en een bodemhoogte van 1,30 m.

Bij een talud van 1:1 aan weerszijden heeft de watergang op stuwhoogte (1,75 m NAP) een breedte van 1,90 m. De uiteindelijke boven breedte van de watergang is sterk afhankelijk van de hoogte van het (variërende) naastgelegen maaiveld. Water wat niet meer in het oostelijke peilvak vastgehouden kan worden kan via de stuw of doorlaat (0,02 x 0,05 m op bodemniveau) overlopen naar het westelijke peilvak. Het westelijke peilvak kent een bodemhoogte van NAP+1,25 m en een stuwpeil van NAP+1,50 m. De bovenbreedte van de watergang ligt in lijn met de westelijke watergang, door de geringere diepte leidt dit tot een bodembreedte van ongeveer 1,40 m bij taluds 1:1.

63/92

Water wat niet meer in dit peilvak vastgehouden kan worden kan via de stuw of doorlaat (0,02x0,05 m op bodemniveau) afstromen naar het laatste segment van de watergang, via een duiker op NAP+1,0 m (of lager) wordt het water uiteindelijk afgevoerd naar watergang OWL-66126. 5.5.2.7 Maaiveldhoogtes De hoogste grondwaterstand in het plangebied wordt in de rapportage geschat op circa 1,50 m +NAP. Bij een droogleggingseis van 70 cm betekent dit dat het plangebied opgehoogd moet worden naar 2,20m +NAP. Het plangebied grenst in het (noord)westen aan watergangen met een relatief laag waterpeil. Daardoor zal de grondwaterstand hier iets lager uitkomen. In het (noord)westen kan het maaiveld dan ook iets verlopen om zo aan te sluiten op het bestaande maaiveld. De particuliere percelen ten zuiden van het plangebied hebben een maaiveld rond 2,00 á 2,30m +NAP. De achtertuinen lopen af richting het noorden. In de achtertuinen ligt een bestaande drainage leiding die voor minimaal een deel van de ontwatering zorgt, onduidelijk is wat de staat van deze drainleiding is en of deze nog afdoende functioneert. De ont- en afwatering van de bestaande percelen wordt gewaarborgd door de (droogvallende) zuidelijke watergang in het plangebied en de (vertraagde) afvoer hieruit richting het landelijk gebied. In de rapportage is voor een aantal locaties in het plangebied de nieuwe maaiveldhoogte weergegeven.

Duidelijk is dat met name in het westelijke deel van het plangebied ophoging noodzakelijk is. De vloerpeilen van de woningen liggen circa 30 cm hoger dan de as van de weg. In de vervolgfase (bij een maatvast inrichtingsplan) worden de hoogtematen van verhardingen, kavels en vloerpeilen nader uitgewerkt. 5.5.2.8 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.6

Ecologie

5.6.1 Het toetsingskader Bij elk ruimtelijk plan moet, in verband met de natuurbescherming, rekening worden gehouden met de Wet Natuurbescherming (Wnb). Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland (NNN).

64/92

Natura 2000-gebieden Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn.

Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

65/92

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. In opdracht van de gemeente is door Arcadis Nederland B.V. een quickscan opgesteld om eventuele negatieve effecten op beschermde soorten en gebieden en benodigde vervolgstappen in beeld te brengen. De rapportage 'Quickscan Wet natuurbescherming Doornspijk' (nr. D10025033:39, d.d. 13-08-2021) is als bijlage 5 opgenomen in de toelichting van dit bestemmingsplan. 5.6.2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=42b77afc-877d-477c-bb2b-f392b11d1aae