Agendabundel
Tekst van het document
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt. 4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van forensenbelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders
Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 10. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van een forensenbelasting 2022’ van 13 december 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening forensenbelasting 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 09. Verordening_reclamebelasting_2023.docx
Verordening reclamebelasting 2023 De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 227 van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2023’.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder; - Reclameobject: een openbare aankondiging in letters, symbolen of kleuren, of een combinatie daarvan, zichtbaar vanaf de openbare weg;
- Onroerende zaak: elk afzonderlijk WOZ-object, afgebakend op grond van artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken; - Jaar: een kalenderjaar.
Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam reclamebelasting wordt, binnen het gebied zoals nader aangewezen in de bij deze
verordening behorende bijlage 1, een directe belasting geheven voor een openbare aankondiging die zichtbaar is vanaf de openbare weg.
Artikel 3. Belastingplicht De reclamebelasting wordt geheven van de gebruiker van de onroerende zaak, ten behoeve waarvan één of meer reclameobjecten worden aangetroffen.
Artikel 4. Vrijstellingen De reclamebelasting wordt niet geheven voor: a. een openbare aankondiging door publiekrechtelijke rechtspersonen gedaan in de uitoefening van hun publiekrechtelijke taak;
b. een openbare aankondiging die uitsluitend dient ten behoeve van de regulering van het verkeer over openbare land- en waterwegen;
c. een openbare aankondiging aangebracht door een politieke partij en die een ideëel belang dient;
d. een openbare aankondiging die onderdeel uitmaakt van voor de verkoop of verhuur bestemde artikelen of producten in een etalage of in een winkel;
e. een openbare aankondiging bestemd voor de verkoop of verhuur van onroerende zaken, indien deze aanwezig is in de onmiddellijke nabijheid van de te verkopen of verhuren onroerende zaak;
f. een openbare aankondiging aangebracht op scholen, zorginstellingen, musea en kerken die betrekking hebben op de functie van de onroerende zaak.
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1.
De reclamebelasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelasting
2.
Indien geen heffingsmaatstaf van de onroerende-zaakbelasting aanwezig is, wordt deze geschat
3.
betreffende het gebruik zoals die voor het belastingjaar is vastgesteld. naar de waarde in het economisch verkeer.
De belasting wordt geheven per onroerende zaak.
Artikel 6. Belastingtarief 1. De belasting bedraagt bij een heffingsmaatstaf van: a. minder dan € 120.000 € 297,00; b. € 120.000 of meer, doch minder dan € 150.000 € 442,00 c. € 150.000 of meer, doch minder dan € 180.000: € 595,00; d. € 180.000 of meer, doch minder dan € 215.000: € 705,00; d. € 215.000 of meer, doch minder dan € 400.000: € 860,00; f. € 400.000 of meer: € 1.060,00. 2. Indien de onroerende zaak is gecategoriseerd als een woning op grond van artikel 220a, lid 2 van de Gemeentewet, dan bedraagt de belasting: € 297,00.
3. Indien de onroerende zaak in gebruik is bij een culturele, maatschappelijke of daarmee gelijk te stellen lichaam met ideële doelstellingen en het reclameobject heeft enkel betrekking op activiteiten die
uitsluitend een cultureel, maatschappelijk, charitatief of ideëel belang dienen, dan bedraagt de belasting: € 297,00.
Artikel 7. Belastingtijdvak Het belastingtijdvak is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De reclamebelasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld 1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over
zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor
zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 10. Termijn van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in
twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de
verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kunnen
worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.
4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 11. Kwijtschelding Bij de invordering van de reclamebelasting wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 12. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 13. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van reclamebelasting 2022’ van 13 december 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening reclamebelasting 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 12. Verordening_marktgelden_2023.docx
Verordening marktgelden 2023 De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en invordering van marktgelden 2023’.
Artikel 1. Belastbaar feit Onder de naam ‘marktgeld’ wordt een recht geheven voor. a. het innemen van een standplaats voor het uitstallen of verkopen van waren of goederen en andere voorwerpen van handel op de voor standplaats aangewezen plaatsen gedurende de voor standplaats aangewezen tijd;
b. het gebruikmaken van door gemeentewege aangebrachte elektriciteitskasten; c. het gebruikmaken van diensten, verleend door de gemeentelijke marktcommissie, voor reclame- en promotieactiviteiten.
Artikel 2. Belastingplicht Het marktgeld wordt geheven van degene aan wie een standplaats als bedoeld in artikel 1 is toegestaan.
Artikel 3. Heffingsgrondslag De heffingsgrondslagen waarnaar het marktgeld wordt geheven zijn: - de frontbreedte van de standplaats uitgedrukt in strekkende meters (m¹) of; - een bedrag per kraam van vier meter, en/of; - een aansluiting op een elektriciteitskast, en/of; - een standplaats.
Artikel 4. Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. Het marktgeld bedraagt voor elke standplaats, op de weekmarkt gehouden op dinsdagmorgen op parkeerterrein ’t Schootsveld te Elburg, welke tot wederopzegging beschikbaar wordt gesteld:
Per volle m¹
Met een minimum van
a. voor een kalenderkwartaal
€ 15,10
€ 50,45
b. voor een kalenderjaar
€ 54,30
€ 180,50
2. Het marktgeld bedraagt voor gebruikmaking van een aansluiting op een elektriciteitskast, per marktdag, per aansluiting: € 5,70 exclusief omzetbelasting en € 6,90 inclusief omzetbelasting:
3. Het marktgeld bedraagt voor gebruikmaking van diensten voor reclame- en promotieactiviteiten per vaste standplaats op de weekmarkt gehouden op dinsdagmorgen op parkeerterrein ’t Schootsveld te Elburg:
a. voor een kalenderkwartaal € 32,40 b. voor een kalenderjaar € 129,90 4. Het marktgeld bedraagt voor elke standplaats, niet zijnde een vaste standplaats op parkeerterrein ’t Schootsveld te Elburg, € 4,85 per kraam van 4 meter, of een meervoud daarvan, per marktdag.
5. Voor de toepassing van dit artikel wordt een gedeelte van een eenheid voor een volle eenheid gerekend.
Artikel 5. Wijze van Heffing De marktgelden worden bij wege van aanslag geheven.
Artikel 6. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1. De belastingplicht begint op de eerste dag van de eerstvolgende volle maand na toekenning van de
standplaats. Een toegekende plaats wordt beëindigd, op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige. 2. Van het marktgeld dat wordt betaald naar een termijn van een jaar wordt, indien het gebruik van de
standplaats is beëindigd voor het verstrijken van de termijn restitutie verleend voor zoveel twaalfden van
het betaalde bedrag als er in dat jaar na de beëindiging van het gebruik van de standplaats volle maanden overblijven.
3. Van het marktgeld dat wordt betaald naar een termijn van een kwartaal wordt, indien het gebruik van de standplaats is beëindigd voor het verstrijken van de termijn restitutie verleend voor de maanden van het
betaalde bedrag als er in dat kwartaal na de beëindiging van het gebruik van de standplaats volle maanden overblijven.
Artikel 7. Termijn van betaling 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet het marktgeld worden voldaan binnen 30 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.
2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van de marktgelden wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 10. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en invordering van marktgelden 2022’ van 13 december 2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening marktgelden 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 13. Verordening_haven- en kadegelden_2023.docx
Verordening haven- en kadegelden 2023
De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en de invordering van haven- en kadegelden 2023’.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. vaartuig: een drijvend lichaam dat wegens zijn drijfvermogen wordt gebezigd dan wel bestemd of
geschikt is voor het vervoer te water van personen of goederen of voor het dragen of vervoeren van al dan niet met het drijvende lichaam één geheel uitmakende voorwerpen;
b. meetbrief: het document als bedoeld in artikel 21 lid 1 van de Binnenvaartwet, juncto artikel 1.10, eerste lid, onderdeel f, van het Rijnvaartpolitiereglement 1995; c. schip: een binnenvaartschip of een vissersschip; d. binnenvaartschip: een vaartuig, niet zijnde een pleziervaartuig, dat uitsluitend wordt gebruikt voor de vaart op de binnenwateren;
e. passagiersschip: een binnenvaartschip, dat middel van openbaar vervoer is of hoofdzakelijk gebezigd wordt voor het bedrijfsmatig vervoer van grotere groepen personen;
f. vissersschip: een schip dat hoofdzakelijk gebruikt wordt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
g. pleziervaartuig: een vaartuig, hoofdzakelijk bedoeld voor recreatief gebruikt, niet zijnde een passagiersschip;
h. woonschepen: een vaartuig in gebruik om op te wonen; i. gebruik van de haven: het in artikel 2 bedoelde gebruik van voor de openbare dienst bestemde wateren
en kaden of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen, zoals deze zijn aangegeven op de bij de verordening behorende kaart;
j. termijn: een in de tarieventabel genoemd tijdvak waarin het gebruik van de haven plaatsvindt: - een dag: een aaneengesloten tijdvak van 24 uren beginnende op 0.00 uur met uitzondering voor pleziervaartuigen waarvoor het aaneengesloten tijdvak van 24 uren op 16.00 uur begint; - een week: een kalenderweek van maandag tot en met zondag; - een maand: een kalendermaand;
- een jaar: een kalenderjaar; - een winterseizoen: de kalendermaanden november tot en met maart. Een gedeelte van een dag, week of maand wordt voor een gehele dag respectievelijk een gehele week of een gehele maand gerekend.
Artikel 2. Belastbaar feit Ter zake van het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde wateren of kaden, in eigendom bij de gemeente, of van andere voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen, die in beheer of onderhoud zijn bij de gemeente, wordt onder de naam ‘haven- en kadegelden’ een recht geheven.
Artikel 3. Belastingplicht Belastingplichtig is de schipper, de reder, de eigenaar van het vaartuig, degene die het vaartuig heeft gecharterd of degene die als vertegenwoordiger van één van dezen optreedt.
Artikel 4. Heffingsgrondslagen 1. Grondslagen voor de berekening van ‘de haven- en kadegelden’: a. de lengte van het vaartuig, uitgedrukt in meters over alles, indien geen gebruik wordt gemaakt van een ligbox.
b. de oppervlakte van de aangewezen ligbox, lengte over alles indien er een vaste ligplaats is zonder duidelijke ligboxafscheiding of lengte over alles indien sprake is van een minder valide box;
Artikel 5. Tarieven Het haven- en kadegeld wordt geheven naar de maatstaven en tarieven, als opgenomen in de bij deze
verordening behorende tarieventabel, zulks met inachtneming van daarin gegeven aanwijzingen en van het bepaalde in artikel 6.
Artikel 6. Tarieftoepassing Voor de toepassing van de tarieven: a. wordt de lengte van een vaartuig gesteld op de lengte over alles, zoals die blijkt, indien aanwezig, uit de bij het vaartuig behorende meetbrief;
b. wordt de oppervlakte van een ligbox voor een vaartuig berekend door de lengte te vermenigvuldigen met de breedte van de box, waarna rekenkundig wordt afgerond op een volle eenheid;
c. wordt, in afwijking van het in de onderdeel b bepaalde, wel de grootste lengte over alles ambtshalve vastgesteld indien de in de onderdeel a bedoelde meetbrief niet wordt overgelegd of indien deze de vereiste gegevens niet vermeldt;
d. wordt ingeval geen duidelijke ligboxafscheiding zichtbaar is een fictieve ligboxmaat berekend. Hierbij wordt de lengte over alles aangehouden.
De ligboxoppervlakte wordt dan als volgt gedefinieerd: 1.bij een bootlengte minder dan 6 meter wordt uitgegaan van een benodigde ligboxoppervlakte van 15 m².
2.bij een bootlengte tot 7 meter wordt uitgegaan van een benodigde ligboxoppervlakte van 21 m²;
3.bij een bootlengte tot 10 meter wordt uitgegaan van een benodigde ligboxoppervlakte van 40 m²;
4.bij een bootlengte tot 12 meter wordt uitgegaan van een benodigde ligboxoppervlakte van 54 m²;
5.bij een bootlengte tot 15 meter wordt uitgegaan van een benodigde ligboxoppervlakte van 82 m²;
6.bij een bootlengte langer dan 15 meter wordt uitgegaan van een ligbox oppervlakte van 82 m2, vermeerderd met 3 m² per meter lengte boot.
e. De aanlegplaatsen voor de minder valide boxen, met boxnummers 266, 267, 268 en 269, worden op basis van, lengte per boot over alles, opgelegd.
f. wordt een gedeelte van een eenheid van oppervlakte of van lengte voor een volle eenheid gerekend.
Artikel 7. Vrijstellingen Het haven- en kadegeld wordt niet geheven van: a. vaartuigen in gebruik bij de gemeente; b. politie- en defensievaartuigen, als zodanig gebezigd; c. botters welke gedurende het jaarlijks te houden botterweekend ligplaats in de haven kiezen, mits het gebruik van de haven de duur van 14 dagen niet te boven gaat;
d. een vaartuig dat is ingericht en wordt gebruikt tot verpleging of verzorging van zieken, van personen
met een beperking, van hulpbehoevenden of van bejaarden, mits het gebruik van de haven de duur van 7 dagen niet te boven gaat;
e. het gebruik van de haven met een vaartuig uitsluitend voor het uitbaggeren der haven, het op of aan een werf herstellen, het voor de eerste maal vaarklaar maken en het slopen, mits het gebruik van de haven niet langer duurt dan voor een en ander noodzakelijk is en de duur van 14 dagen niet te boven gaat.
Artikel 8. Wijze van heffing
1. Het haven- en kadegeld wordt bij gebruikmaking van een jaarabonnement geheven bij wege van aanslag.
2. Indien er geen sprake is van gebruikmaking van een jaarabonnement dan kan het haven- en kadegeld worden geheven bij wege van aanslag, door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving,
waarop het verschuldigde bedrag wordt vermeld, of bij wege van voldoening op aangifte met behulp van de betaalautomaat.
Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld Het haven- en kadegeld is verschuldigd zodra het gebruik van de haven of kade begint.
Artikel 10. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar
Artikel 11. Termijnen van betaling 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 dient het haven- en kadegeld te worden voldaan op het moment waarop de nota wordt uitgereikt. Bij het gebruik maken van
een jaarabonnement moet de aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste termijn
vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.
2. In afwijking van het eerste lid geldt, dat bij gebruikmaking van een jaarabonnement, het verschuldigde bedrag van de aanslag door middel van automatische incasso kan worden afgeschreven in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens één maand later.
3. Indien het verschuldigde termijnbedrag als genoemd in het tweede lid tweemaal achtereen niet kan
worden geïncasseerd vervalt voor de betreffende aanslag de mogelijkheid tot automatische incasso en
gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.
4. Het totaal verschuldigde bedrag aan belasting welke wordt geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, wordt naar beneden afgerond op € 0,05 nauwkeurig. Het verschuldigde bedrag dient per direct te worden betaald.
5. Het totaal verschuldigde bedrag aan belasting welke wordt geheven bij wege van voldoening op aangifte wordt per direct voldaan.
6. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 12. Jaarabonnement - Restitutie en overschrijving 1. Van het havengeld bij gebruik van een jaarabonnement wordt, indien het gebruik van de haven is
geëindigd voor het verstrijken van het belastingjaar, op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige,
restitutie verleend voor zoveel twaalfden van het betaalde bedrag als er in dat jaar na de beëindiging van het gebruik van de haven volle maanden overblijven.
2. Van het havengeld bij gebruik van een jaarabonnement wordt, indien het gebruik van de haven begint in de loop van het belastingjaar, door een schriftelijke aanvraag van de belastingplichtige, de aanslag
opgelegd voor zoveel twaalfden van het te betalen bedrag als er in dat jaar na het begin van het gebruik van de haven volle maanden overblijven.
3. Indien een vaartuig wordt vervangen door een ander vaartuig wordt, op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige, met ingang van de eerste volle maand een aanvullende aanslag opgelegd c.q. een vermindering verleend.
Artikel 13. Kwijtschelding Bij de invordering van haven– en kadegelden wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 14. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 15. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en de invordering van haven- en kadegelden 2022’ van 13 december
2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening haven- en kadegelden 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
Tarieventabel behorende bij de Verordening haven- en kadegelden 2023
Algemeen De bedragen genoemd in deze tarieventabel zijn, voor zover van toepassing, inclusief omzetbelasting.
Hoofdstuk 1. Havengelden 1.1 Het havengeld bedraagt voor woonschepen, pleziervaartuigen en andere schepen/vaartuigen: 1.1.1 per dag, per strekkende meter: € 1,63; 1.1.2 bij een verblijf in de haven van een maand of langer gedurende het winterseizoen, per maand, per strekkende meter: € 10,00;
1.1.3 bij gebruikmaking van een jaarabonnement, in afwijking van 1.1.1 en 1.1.2: a. voor woonschepen, per jaar, per vierkante meter: € 17,80; met een minimum van: € 1.116,90; b. voor andere schepen/vaartuigen, per jaar, per vierkante meter ligbox, inclusief 400 kWh stroom: € 25,19; met een minimum van: € 341,70; c. vervallen. d. voor de minder valide boxen, plaatselijk bekend met box nummers 266, 267, 268 en 269, wordt op
basis van lengte per boot een bedrag opgelegd van € 64,75 per strekkende meter boot, lengte over alles. 1.1.4 bij gebruikmaking van een jaarabonnement, wordt voor het stroomverbruik boven de 400 kWh, op basis van werkelijk verbruik, de aanslag verhoogd met € 0,25 per kWh.
1.2 Het havengeld bedraagt, in afwijking van 1.1: voor passagiersschepen: 1.2.1 Bij gebruikmaking van een jaarabonnement, per jaar, per vierkante meter: € 14,03, met een minimum van € 1.530,00 per jaar.
1.2.2 voor schepen zonder specifieke laad- en losfunctie, bij een verblijf in de haven per dag, per vierkante meter: € 0,59, met een minimum van: € 66,30 per dag;
1.2.3 bij een verblijf in de haven uitsluitend tijdens het winterseizoen, per maand, per vierkante meter: € 0,95;
Hoofdstuk 2. Kadegelden 2.1 Voor het op de openbare kade of wal, gelegen aan de haven, tijdelijk doen verblijven van goederen, materialen of voorwerpen bedraagt het kadegeld per week, per vierkante meter: € 1,00.
Hoofdstuk 3. Overige tarieven 3.1 Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot inschrijving als gegadigde, op de wachtlijst voor een vaste ligplaats: € 25,00.
Behoort bij raadsbesluit van 19 december 2022
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 14. Verordening_lijkbezorgingsrechten_2023.docx
Verordening lijkbezorgingsrechten 2023
De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2023’.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. begraafplaats(en): de algemene begraafplaatsen in de gemeente; b. graf: een zandgraf of een keldergraf; c. grafkelder: een betonnen of gemetselde constructie waarin een of meerdere lijken worden begraven of asbussen worden bijgezet; grafkelders kunnen onderdeel zijn van een bovengrondse muur of wand; d. asbus: een bus ter berging van as van een overledene; e. urn: een voorwerp ter berging van een of meerdere asbussen; f. particulier graf: een graf waarvoor aan een natuurlijk of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot:
- het doen begraven en begraven houden van lijken; - het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen; g. algemeen graf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen begraven van lijken;
h. particulier urnengraf: een graf waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot: het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
i. algemeen urnengraf: een graf bij de gemeente in beheer waarin gelegenheid wordt geboden tot het doen bijzetten van asbussen met of zonder urnen;
j. particuliere urnen nis: een nis waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend tot het doen bijzetten en bijgezet houden van asbussen met of zonder urnen;
k. particuliere gedenkplaats: een plaats waarvoor aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon het uitsluitend recht is verleend om overledenen te gedenken;
l. grafbedekking: gedenkteken of grafbeplanting op een graf of gedenkplaats.
Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam ‘lijkbezorgingsrechten’ worden rechten geheven voor het gebruik van de begraafplaats en voor het door de gemeente verlenen van diensten in verband met de begraafplaats.
Artikel 3. Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.
Artikel 4. Vrijstellingen De rechten worden niet geheven voor: a. het lichten van een stoffelijk overschot op rechtelijk gezag; b. het begraven van doodgeboren kinderen of van zuigelingen die met de overleden moeder in één kist worden begraven.
Artikel 5. Maatstaf van heffing en belastingtarief 1. De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2. Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 6. Wijze van heffing De rechten worden geheven bij wege van aanslag.
Artikel 7. Ontstaan van de belastingschuld De rechten als bedoeld in de tarieventabel zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.
Artikel 8. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de rechten worden betaald binnen 30 dagen na de dagtekening van het aanslagbiljet.
2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.
Artikel 9. Kwijtschelding Bij de invordering van de lijkbezorgingsrechten wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 10. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van deze belasting.
Artikel 11. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en de invordering van lijkbezorgingsrechten 2022’ van 13 december
2021, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan
2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: ‘Verordening lijkbezorgingsrechten 2023’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
Tarieventabel behorende bij de Verordening lijkbezorgingsrechten 2023
Hoofdstuk 1 Verlenen van rechten en begraven 1.1 Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een particulier graf ten behoeve van het begraven van één, twee of drie lijken, als bedoeld in de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen 2011,
inclusief de begraving, verwijdering van grafbedekking ten behoeve van de bijzetting van het tweede of derde lijk en het recht op het in behandeling nemen van een aanvraag tot het plaatsten van een gedenkteken, wordt geheven:
1.1.1 voor een periode van 30 jaar voor een dubbel graf: € 4.594,90; 1.1.2 voor onbepaalde tijd voor een dubbel graf: € 5.714,10; 1.1.3 voor het verdiepen van een enkel graf naar een dubbel graf: € 1.749,95; 1.1.4 voor de uitbreiding van een dubbel graf naar een drievoudig graf: € 2.297,50; 1.1.5 voor een periode van 30 jaar voor een drievoudig graf: € 6.892,40; 1.1.6 voor onbepaalde tijd voor een drievoudig graf: € 8.577,20; 1.1.7 voor een periode van 30 jaar voor een enkel graf, ingeval van inbreiding: € 3.386,65; 1.1.8 voor onbepaalde tijd voor een enkel graf, ingeval van inbreiding: € 3.948,50; 1.1.9 voor een periode van 30 jaar voor een kindergraf tot 12 jaar: € 1.648,85; 1.1.10 voor onbepaalde tijd voor een kindergraf: € 2.210,80; 1.1.11 voor de bijzetting van een tweede lijk in bestaande situaties: € 561.90; 1.1.12 voor de bijzetting van een tweede kinderlijk in bestaande situaties: € 280,95. 1.2 Voor het omzetten van de periode, genoemd onder 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.9, naar onbepaalde tijd wordt geheven:
1.2.1 voor een drievoudig graf: € 1.834,15; 1.2.2 voor een dubbel graf: € 1.123,15; 1.2.3 voor een enkel graf: € 561,90; 1.2.4 voor een kindergraf: € 561,90; 1.2.5 voor het reserveren van het recht op een particulier graf zoals genoemd onder 1.1.1, 1.1.2, 1.1.5, 1.1.6, 1.1.9 en 1.1.10 wordt het bedrag genoemd onder betreffende paragraaf verhoogd met: 2,5%. 1.3 Voor het geven van gelegenheid tot begraven in een algemeen graf als bedoeld in de
Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen 2011, inclusief het recht op het in behandeling nemen van een aanvraag tot het plaatsen van een gedenkteken wordt geheven:
1.3.1 voor het begraven van en lijk van een persoon vanaf 12 jaar: € 1.667,20; 1.3.2 voor het begraven van een lijk van een persoon tot 12 jaar: € 769,95.
1.4 Voor het wijzigen van een algemeen graf in een particulier graf in door het college aangegeven vakken wordt, met terugwerkende kracht, gerekend vanaf het tijdstip van het geven van gelegenheid tot begraven in een algemeen graf geheven:
1.4.1 voor een periode van 30 jaar per begraven vanaf 12 jaar: € 1.719,41; 1.4.2 voor een periode van 30 jaar per begraven lijk tot 12 jaar: € 878,90; 1.5 Voor het verlenen van het uitsluitend recht op een particulier graf ten behoeve van het plaatsen van twee asbussen in een uitsluitend daartoe bestemd urnengraf of urnennis, al bedoeld in de
Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen 2011, inclusief de plaatsing van de asbussen,
verwijdering van grafbedekking ten behoeve van de bijzetting van de tweede asbus en het recht op het in behandeling nemen van een aanvraag tot het plaatsen van een gedenkteken, wordt geheven: 1.5.1 voor een periode van 10 jaar: € 2.054,25; 1.5.2 voor een periode van 20 jaar: € 3.177,50; 1.5.3 voor een periode van 30 jaar: € 4.300,63; 1.5.4 voor onbepaalde tijd: € 5.423,85. 1.5.5 Voor het plaatsen van een asbus van een persoon tot 12 jaar voor een periode van 30 jaar: € 1.648,85.
1.6 Voor het plaatsen van een derde of vierde asbus in een graf of nis als bedoeld onder 1.5 wordt, voor de plaatsing, inclusief verwijdering van grafbedekking ten behoeve van de bijzetting van de asbus en het recht op het in behandeling nemen van een aanvraag tot het plaatsen van een gedenkteken geheven: 1.6.1 in een graf of nis uitgegeven voor een periode van 10 jaar: € 785,00; 1.6.2 in een graf of nis uitgegeven voor een periode van 20 jaar: € 1.013,85; 1.6.3 in een graf of nis uitgegeven voor een periode van 30 jaar: € 1.242,60. 1.7 Voor het verlengen van recht op een particulier graf als bedoeld onder 1.5, wordt geheven: 1.7.1 voor een periode van 10 jaar: € 1.123,15; 1.7.2 voor elke conform 1.6 geplaatste asbus vermeerderd met: € 561,90. 1.8 Voor het geheel of gedeeltelijk buiten de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen 2011 vastgestelde tijden begraven wordt geheven: € 229,65
Hoofdstuk 2 Onderhoud 2.1 Voor het door of vanwege de gemeente onderhouden van een gedenkteken wordt geheven per gedenkteken voor:
2.1.1 een periode van 10 jaar: € 1.452,20; 2.1.2 een periode van 20 jaar: € 2.904,25; 2.1.3 een periode van 30 jaar: € 4.356,55.
2.2 Voor het wegnemen en herplaatsen van voorwerpen, als bedoeld in artikel 19 van de
Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen 2011, anders dan ingeval van 1.5, 1.6 en 3.1 wordt een recht geheven van: € 181,60
Hoofdstuk 3 Opgraven en ruimen 3.1 Voor het opgraven van een stoffelijk overschot, inclusief verwijdering van grafbedekking en eventueel
herbegraven in hetzelfde of een ander graf of het ruimen van een graf op een gemeentelijke begraafplaats wordt geheven:
3.1.1 indien uitgevoerd door de gemeente: € 558.30 3.1.2 indien uitgevoerd door derden, de door de derde in rekening gebrachte kosten, waarbij vooraf een kostenopgave aan rechthebbende of contactpersoon bekend wordt gemaakt.
3.2 Voor het opgraven van een asbus inclusief verwijdering van grafbedekking in een graf en eventueel
herbegraven in hetzelfde of in een ander graf op gemeentelijke begraafplaats wordt geheven bij een graf: € 255,00.
3.3 Voor het opgraven van een asbus inclusief verwijdering van grafbedekking van een urnengraf en eventueel herbegraven in hetzelfde of in een ander urnengraf op gemeentelijke begraafplaats wordt geheven bij een urnengraf: € 153,00
3.4 Voor het verwijderen van een asbus uit een urnen nis en eventueel herplaatsen in dezelfde of een andere urnen nis wordt geheven: € 51,00.
Hoofdstuk 4 Gebruik aula 4.1 Voor het gebruik van de aula of een gedeelte van de aula wordt per dag of een gedeelte van een dag geheven: € 279,25.
4.2 Voor het gebruik van de 24-uurs kamer wordt per dag of een gedeelte van een dag geheven: € 117,25 4.3 Voor het gebruik van de koeling wordt per dag of een gedeelte van een dag geheven: € 87,75.
Behoort bij raadsbesluit van 19 december 2022.
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
1 15. Verordening_leges_2023 DEF 1.0.docx
Verordening leges 2023 De raad van de gemeente Elburg;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 8 november 2022;
gelet op de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel a en b, van de Gemeentewet en de artikelen 2, tweede lid, en 7 van de Paspoortwet; besluit:
Vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en de invordering van leges 2023’.
Artikel 1. Begripsomschrijvingen Deze verordening verstaat onder: a. dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt;
b. week: een aaneengesloten periode van zeven dagen; c. maand: het tijdvak dat loopt van een bepaalde dag in een kalendermaand tot dezelfde dag in de volgende kalendermaand;
d. jaar: het tijdvak dat loopt van een bepaalde dag in een kalenderjaar tot dezelfde dag in het volgende kalenderjaar;
e. kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december.
Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam ‘leges’, worden rechten geheven voor: a.
b.
het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;
het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart of een reisdocument;
een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
Artikel 3. Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst, de Nederlandse Identiteitskaart of het reisdocument, dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend of de handelingen zijn verricht.
Artikel 4 Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor:
a. diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening (grondexploitatie) zijn of worden verhaald;
b. diensten met betrekking tot een aanvraag tot verlening of gehele of gedeeltelijke intrekking van een omgevingsvergunning of wijziging van voorschriften van een omgevingsvergunning, voor zover die
aanvraag betrekking heeft op een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;
c. het in behandeling nemen van een aanvraag tot verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onderdeel i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover het een activiteit betreft bedoeld in artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (omgevingsvergunning beperkte milieutoets);
d. het in behandeling nemen van een aanvraag om een beschikkingen op grond van de artikelen: - artikel 2:1 lid 4: ontheffing verbod op samenscholing; - artikel 2:6 lid 4: ontheffing aanbieden geschreven of gedrukte stukken; - artikel 2:41 lid 1 en 2: ontheffing betreden gesloten woning of lokaal; - artikel 2:60 lid 3: ontheffing houden hinderlijke of schadelijke dieren; - artikel 4:18 lid 3: ontheffing recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen; - artikel 5:3 lid 2: ontheffing te koop aanbieden van voertuigen; - artikel 5:6 lid 2: ontheffing parkeren kampeermiddelen e.a.; - artikel 5:11 lid 3: ontheffing aantasting groenvoorziening door voertuigen; - artikel 5:13 lid 1: vergunning inzameling van geld of goederen; - artikel 5:16 lid 3: ontheffing beperking venten met gedrukte stukken; - artikel 5:23 lid 1: vergunning voor het organiseren van een snuffelmarkt; - artikel 5:33 lid 5: ontheffing verkeer in natuurgebieden; - artikel 5:34 lid 3: ontheffing afvalstoffen verbanden buiteninrichtingen of anderszins vuur te stoken; - artikel 5:36 lid 2: ontheffing verstrooiing van as; - artikel 5:51 lid 2: ontheffing innemen ligplaats; Van de Algemene plaatselijke verordening (APV).
Artikel 5. Tarieven 1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2. Voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het nemen van een projectuitvoeringsbesluit als bedoeld in artikel 2.10 van de Crisis- en herstelwet bedraagt het tarief de som van de bedragen die op
grond van deze verordening verschuldigd zouden zijn voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning, ontheffing, vrijstelling of enig ander besluit in het kader van de
ontwikkeling en verwezenlijking van het project, voor zover het projectuitvoeringsbesluit strekt ter
vervanging van deze besluiten, zoals bedoeld in artikel 2.10, derde lid van de Crisis- en herstelwet.
Artikel 6. Wijze van heffing 1. De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke
kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur. 2. De leges voor digitale dienstverlening wordt in afwijking van het bepaalde in het eerste lid geheven bij wege van voldoening op aangifte door middel van directe betaling via iDeal of soortgelijke betaling.
Artikel 7. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 6:
a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. digitaal wordt gedaan, door middel van directe betaling via iDeal of soortgelijke betaling; c. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
3. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Teruggaaf Gehele of gedeeltelijke teruggaaf van leges ter zake van een in de tarieventabel omschreven dienst wordt verleend op een aanvraag als bedoeld in artikel 242 van de Gemeentewet en overeenkomstig een met betrekking tot die dienst in de bij deze verordening behorende tarieventabel opgenomen bepaling.
Artikel 10. Overdracht van bevoegdheden Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, indien de wijzigingen:
a. van zuiver redactionele aard zijn; b. een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant en het de volgende hoofdstukken of onderdelen van titel 1 van de tarieventabel betreft:
1. hoofdstuk 2 (reisdocumenten);
2. hoofdstuk 3 (rijbewijzen); 3. onderdeel 1.4.5 (papieren verstrekking uit de basisregistratie personen); 4. onderdeel 1.9.1 (verklaring omtrent het gedrag); 5. hoofdstuk 16 (kansspelen); een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.
Artikel 11. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van leges.
Artikel 12. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel 1. De ‘Verordening op de heffing en de invordering van leges 2022’ van 13 december 2021, wordt
ingetrokken met ingang van de in het derde lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking. 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2023. 4. Deze verordening kan worden aangehaald als: "Verordening leges 2023".
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 19 december 2022.
De voorzitter, ir J.N. Rozendaal
De griffier, mr. D.H.A.A. Kassing
Tarieventabel, behorende bij de verordening leges 2023 Titel 1 Algemene dienstverlening Hoofdstuk 1 Burgerlijke stand
1.1.1
1.1.1.1
Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of registratie van een
partnerschap, of de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk: Voor zover de plechtigheden in het Agnietenklooster (Jufferenstraat 6) plaatsvinden op maandag tot en met vrijdag van 9.00 uur tot 17.00 uur:
€ 453,00;
1.1.1.2 Vervallen Het tarief bedraagt op andere tijdstippen dan onder paragraaf 1.1.1.1 genoemd op
1.1.1.3 maandag tot en met vrijdag, na ontheffing van het college van burgemeester en
€ 533,00;
1.1.1.4 Het tarief bedraagt op zaterdag om 10.00, 11.00, 14.00 en 15.00 uur:
€ 858,00;
wethouders:
Op maandag van 8.30 uur tot 9.15 uur wordt gelegenheid geboden, in het gemeentehuis
1.1.1.5 (Zuiderzeestraatweg Oost 19), tot een kosteloze huwelijksvoltrekking of registratie partnerschap.
1.1.2
1.1.2.1
Het tarief bedraagt voor de voltrekking van een huwelijk of registratie van een
partnerschap of het omzetten van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk; Op een trouwlocatie anders dan het gemeentehuis of de trouwzaal in het
Agnietenklooster, op maandag tot en met vrijdag van 9.00 tot 17.00 uur:
€ 359,00;
1.1.2.2 Vervallen Het tarief bedraagt op andere tijdstippen dan onder paragraaf 1.1.2.1 genoemd op
1.1.2.3 maandag tot en met vrijdag, na ontheffing van het college van burgemeester en
€ 414,00;
1.1.2.4 Het tarief bedraagt op zaterdag om 10.00, 11.00, 14.00 en 15.00 uur:
€ 585,00;
wethouders:
1.1.3
1.1.4
Het tarief bedraagt voor de omzetting van een geregistreerd partnerschap in een huwelijk, € 55,00; zonder ceremonie aan het loket van het gemeentehuis (Zuiderzeestraatweg Oost 19):
Overige bepalingen en tarieven gerelateerd aan huwelijksvoltrekkingen of geregistreerd partnerschap:
1.1.4.1
Als de huwelijkskandidaten ervoor kiezen om een gemeenteambtenaar als getuige te laten optreden, bedraagt het tarief per getuige: zie art. 1.1.7
1.1.4.2 Vervallen 1.1.4.3 Vervallen 1.1.4.4 1.1.5
Voor het in behandeling nemen van een verzoek tot aanwijzing van een trouwlocatie is het tarief
, € 218,00;
Het tarief bedraagt voor het verstrekken van:
1.1.5.1 - een trouwboekje of partnerschapsboekje in een normale uitvoering (incl. omslag)
€ 26,50;
1.1.5.2 Gereserveerd 1.1.5.3 Vervallen 1.1.6 1.1.7
Vervallen Het tarief bedraagt voor het door de gemeente beschikbaar stellen van een getuige voor de huwelijksvoltrekking of de registratie van een partnerschap, per getuige:
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een gereserveerde datum
1.1.8
voor de huwelijksvoltrekking, registratie van het partnerschap of omzetting van het geregistreerd partnerschap in een huwelijk te annuleren of te wijzigen binnen een periode voorafgaand aan die gereserveerde datum:
1.1.8.1
1.1.8.2
Vanaf één maand tot één week voor de huwelijksdatum: 25% van het verschuldigde bedrag
In de week van het huwelijk of op de huwelijksdatum zelf: 50% van het verschuldigde bedrag
Hoofdstuk 2 Reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaart 1.2
Het tarief bedraagt voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag:
1.2.1
- van een nationaal paspoort: - voor een persoon die op het moment van de aanvraag 18 jaar of ouder is. Geldt ten
1.2.1.1 hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
- voor een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet
1.2.1.2 heeft bereikt. Geldt ten hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
€ 50,50
1.2.2
- van een nationaal paspoort, een groter aantal bladzijden bevattende dan een nationaal paspoort als bedoeld in paragraaf 1.2.1 (zakenpaspoort):
- voor een persoon die op het moment van de aanvraag 18 jaar of ouder is. Geldt ten
1.2.2.1 hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
- voor een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet
1.2.2.2 heeft bereikt. Geldt ten hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
1.2.3
- van een reisdocument ten behoeve van een persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld (faciliteitenpaspoort):
- voor een persoon die op het moment van de aanvraag 18 jaar of ouder is. Geldt ten
1.2.3.1 hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
- voor een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet
1.2.3.2 heeft bereikt. Geldt ten hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
1.2.4
1.2.5
- van een reisdocument voor vluchtelingen of een reisdocument voor vreemdelingen.
Geldt ten hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden. - van een Nederlandse identiteitskaart: - voor een persoon die op het moment van de aanvraag 18 jaar of ouder is. Geldt ten
1.2.5.1 hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
- voor een persoon die op het moment van de aanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet
1.2.5.2 heeft bereikt. Geldt ten hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
van een vervangende Nederlandse identiteitskaart voor een persoon met een 1.2.6
uitreisverbod, ongeacht de leeftijd van de betrokken persoon
Geldt ten hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.
voor de versnelde uitreiking van een in de onderdelen 1.2.1 tot en met 1.2.5 genoemd 1.2.7
document, zijnde een toeslag op de in die onderdelen genoemde bedragen:
Geldt ten hoogste het tarief (afgerond [naar beneden] op vijf cent) zoals dat is opgenomen in artikel 6 van het Besluit paspoortgelden.