CConstaterende datelburg
Koppel je AI →
Document · PDF

Agendabundel

Beeldvorming 12 juni 2023, gemeente elburg24.505 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Gelet op de kenmerken van het initiatief (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden. Eén en ander wordt tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als een milieueffectbeoordeling. Passende beoordeling Uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als de herziening van het bestemmingsplan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Hiervan is sprake als hetgeen het plan mogelijk maakt leidt tot een toename van de stikstofdepositie op reeds overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Dat is aan de orde als sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie. Het beëindigen van het recreatiebedrijf leidt tot een forse afname van verkeersbewegingen. Hiervoor in de plaats treedt extra verkeersbewegingen vanwege twee extra wooneenheden.

Per saldo zal echter sprake zijn van een afname van verkeersbewegingen en daarmee een afname van stikstofdepositie, zodat voor significante gevolgen voor Natura 2000gebieden niet hoeft te worden gevreesd.

5.3.3 Conclusie Het aspect ‘milieueffectbeoordeling’ vormt geen belemmering voor het initiatief. Er hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld.

5.4 Bodem 5.4.1 Noodzaak onderzoek De bodem wordt op vele manieren gebruikt, bijvoorbeeld voor woningbouw, landbouw, aanleg van wegen en winning van grondstoffen. Om te zorgen dat dit nu en in de toekomst mogelijk blijft, is een duurzaam beheer van de bodem belangrijk. Doordat mensen al vele eeuwen gebruik maakt van de bodem heeft zij overal sporen achtergelaten.

20

Het doel van de bodemtoets bij ruimtelijke plannen is de bescherming van de bodem. Een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd om te kunnen beoordelen of de bodem geschikt is voor de geplande functie. De reden hiervoor is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging van groot belang kan zijn voor de keuze van bepaalde bestemmingen en/of voor de uitvoerbaarheid van het initiatief.

5.4.2 Resultaten onderzoek Door Tauw bv uit Deventer is onderzoek gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport ‘Verkennend bodemonderzoek Rode Landsweg Ong. te Doornspijk’, d.d. 23 augustus 2022, projectnummer 1286968. Dit rapport is als bijlage 5 bijgevoegd.

5.4.3 Conclusie Er zijn visueel geen verontreinigingen waargenomen. Analytisch zijn er geen verontreinigingen in de grond en in het grondwater gemeten. Op basis van de resultaten is geen aanvullend onderzoek noodzakelijk. Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor de herziening van het bestemmingsplan. Voor de realisatie nieuwbouw BenB kan nog aanvullend bodemonderzoek nodig zijn.

5.5 Geluid 5.5.1 Toetsingskader Ter beperking van geluidshinder zijn in de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) geluidszones gedefinieerd rondom belangrijke geluidsbronnen (gezoneerde industrieterreinen, verkeerswegen en spoorwegen). Het gebied binnen deze zone geldt als akoestisch aandachtsgebied, waarvoor in geval van een ruimtelijk plan een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd, indien het ruimtelijk plan een geluidgevoelig object in dit gebied mogelijk maakt. De Wgh verstaat onder geluidgevoelige objecten woningen, een ander geluidsgevoelig gebouw, zoals onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen en kinderdagverblijven, en geluidsgevoelige terreinen, zoals woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor schepen.

5.5.2 Resultaten onderzoek Het initiatief betreft onder andere het realiseren van geluidgevoelige objecten. Om die reden is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de notitie van 14 februari 2023, kenmerk 2022-3069-0-b4202/2328. Deze notitie is als bijlage 6 bijgevoegd. Uit het onderzoek volgt dat aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh wordt voldaan.

5.5.3 Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.6 Luchtkwaliteit 5.6.1 Toetsingskader In het kader van ruimtelijke planvorming moet aandacht besteed worden aan de luchtkwaliteit. Hierbij moet worden beoordeeld of het initiatief hierop een (negatief) effect heeft. In de Wm zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Op grond van artikel 5.16 van deze wet kan het initiatief doorgang vinden als aannemelijk is gemaakt dat: ▪ er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; of ▪ een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; of

21

▪ ▪

een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; of een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In het Besluit 'Niet in betekenende mate bijdragen' en de op dit besluit gebaseerde ministeriële regeling zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen'. Dit is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde.

5.6.2 Resultaten onderzoek Het beëindigen van het recreatiebedrijf leidt tot een forse afname van verkeersbewegingen. Hiervoor in de plaats treedt extra verkeersbewegingen vanwege twee extra wooneenheden. Per saldo zal echter sprake zijn van een afname van verkeersbewegingen, zodat voor een verslechtering van de luchtkwaliteit niet hoeft te worden gevreesd. Daarnaast moet ook worden beoordeeld of de luchtkwaliteit aanvaardbaar is voor het gebruik van het plangebied ten behoeve van wonen. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCNkaarten) van het RIVM. Op deze kaarten wordt de achtergrondconcentratie inzichtelijk gemaakt welke het gevolg is van de infrastructurele en bedrijvige omstandigheden ter plaatse. Uit de GCN-kaarten (voor 2025, gegevens 2022) volgt dat in het plangebied voor wat betreft PM10 (fijnstof) sprake is van een achtergrondconcentratie van circa 13 µg/m 3. Voor NO2 (stikstofdioxide) is de achtergrondconcentratie circa10 µg/m 3. Voor PM10 en NO2 geldt voor de jaargemiddelde concentratie een grenswaarde van 40 µg/m3. Er wordt dus ruimschoots voldaan aan de in de Wet milieubeheer gestelde grenswaarden. In het plangebied is dus sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat inzake luchtkwaliteit.

5.6.3 Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.7 Bedrijven en milieuzonering 5.7.1 Toetsingskader Om het initiatief te kunnen toetsen op milieuhygiënische aspecten wordt het instrument milieuzonering gehanteerd. Hieronder wordt verstaan een voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen en anderzijds hindergevoelige functies, zoals woningen. Algemeen wordt hiervoor de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten gebruikt. Hierin zijn aan bedrijven milieucategorieën toegekend. Per bedrijf is aangegeven wat de gewenste afstand is tot een hindergevoelige functie. Deze afstand kan als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. De feitelijke emissies (geluid, geur, stof et cetera) van een bedrijf kunnen aanleiding zijn om een andere afstand aan te houden. In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' wordt een tweetal gebiedstypen onderscheiden: 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

22

Het plangebied is te typeren als ‘rustige woonwijk’. De omgeving van het plangebied kenmerkt zich door hoofdzakelijk de functie wonen.

5.8 Resultaten onderzoek Algemeen Er wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken naar de omgeving waarin het initiatief wordt gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen en rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving (externe werking), en 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe (interne werking). Externe werking Bij externe werking gaat het met name om de vraag of het initiatief leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het initiatief leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door percelen met een woonfunctie. De ten behoeve van het initiatief toe te kennen bestemming ‘Wonen’ is niet (milieu)belastend voor de omgeving, waardoor geen sprake is van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Aan de noordwestzijde van het plangebied is een agrarisch bestemd perceel met bouwvlak gelegen. De afstand van dit perceel tot het plangebied bedraagt meer dan 200 meter. Percelen met een bedrijfsbestemming zijn op grotere afstand dan 500 meter van het plangebied gelegen. Gezien deze afstanden vormt het initiatief geen belemmering voor de aldaar gevestigde bedrijven.

Interne werking Bij interne werking gaat het om de vraag of het initiatief hinder ondervindt van bestaande functies in de directe omgeving. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich door percelen met een woonfunctie. Deze functie hindert de aan het initiatief toe te kennen bestemming ‘Wonen’ niet. Aan de noordwestzijde van het plangebied is een agrarisch bestemd perceel met bouwvlak gelegen. De afstand van dit perceel tot het plangebied bedraagt meer dan 200 meter. Percelen met een bedrijfsbestemming zijn op grotere afstand dan 500 meter van het plangebied gelegen. Gezien deze afstanden kan worden gesteld dat wonen in het plangebied voldoet aan de kwalificatie ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’.

5.8.1 Conclusie Het aspect ‘milieuzonering’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.9 Externe veiligheid 5.9.1 Toetsingskader Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpgvulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijk slachtoffers. Dit is respectievelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten.

23

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (10 -6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10 -6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel wordt geacht, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Een ongeval met 100 doden leidt tot meer ontwrichting, leed en emoties, dan een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers. Aan de kans op een ramp met 100 doden wordt dan ook een grens gesteld die een factor honderd lager ligt dan voor een ramp met 10 doden. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi, Stb.

250, 2004) wordt verder een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld. De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico's acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico's te verkleinen. De gemeente Elburg heeft de gezamenlijke beleidsvisie externe veiligheid van de gemeenten in de regio Noord-Veluwe (Projectnr. 249182, januari 2015, revisie 1.3) vastgesteld. Deze visie maakt duidelijk op welke wijze het aspect externe veiligheid in het kader van ruimtelijke besluiten wordt beoordeeld.

5.9.2 Onderzoek Het juridisch uitgangspunt is als volgt: realisatie van diverse gebouwen afwegen in het kader van externe veiligheid. Op grond van artikel 1 van het Bevi zijn de te realiseren woningen aan te merken als kwetsbare objecten in verband met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. De vier gebouwen ten behoeve van bed & breakfast betreffen beperkt kwetsbare objecten. Om in beeld te brengen of er in het plangebied, of in de nabijheid daarvan, risicobronnen (productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen) aanwezig zijn, is de risicokaart (www.risicokaart.nl) geraadpleegd. Uit deze raadpleging blijkt dat zich in en nabij het plangebied een transportroute bevindt die relevant is in het kader van externe veiligheid. Deze route betreft de spoorlijn Amersfoort – Zwolle, gelegen op een afstand van zo’n 2.500 meter ten zuidoosten van het plangebied. Dit spoor heeft een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 1 meter. Het plasbrandaandachtsgebied (PAG) van het spoor bedraagt 30 meter. Het invloedsgebied voor de verantwoording van het groepsrisico bedraagt en 460 meter voor brand & explosie. Voor toxisch is dit 4.000 meter. Dit laatste betekent dat het groepsrisico beperkt moet worden verantwoord. Bereikbaarheid Het plangebied is vanaf de Rode Landsweg via een verharde weg goed bereikbaar voor hulpdiensten.

Zelfredzaamheid De rijksoverheid heeft voor het waarschuwen van de bevolking bij calamiteiten een nagenoeg landelijk dekkend netwerk van WAS-palen neergezet. Dit Waarschuwings- en Alarmeringsstelsel (WAS) wordt maandelijks getest (1e maandag van de maand). Waarschuwen bij een dreigende ramp is op die manier voldoende geborgd. Logischerwijs staan de WAS-palen opgesteld in gebieden die de meeste personen herbergen. De zelfredzaamheid van de aanwezige mensen binnen het bestemmingsplan kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Burgers zullen dan zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: http://www.crisis.nl/nl-alert). De zelfredzaamheid van bewoners in het plangebied kan verder worden vergroot door hen te attenderen op deelname aan ‘Stan the CPR network’ [voorheen Hartveilig

24

Wonen]. Dit is een hulpsysteem waarbij vrijwilligers opgeroepen kunnen worden om iemand te reanimeren (met AED), in afwachting van een ambulance. Deelname aan ‘Stan the CPR network’ kan levens redden.

5.9.3 Conclusie Het aspect ‘externe veiligheid’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.10 Water 5.10.1 Toetsingskader Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroom-gebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit.

Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de NOVI, het zogeheten Bestuursakkoord Water en de Waterwet. Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ staan de hoofdzaken van het provinciaal beleid voor water. Deze zijn gericht op een veerkrachtig en duurzaam water- en bodemsysteem. Dit systeem bestaat uit bodem en ondergrond, grondwater en oppervlaktewater en is duurzaam als het ook in de toekomst kan blijven functioneren en in stand kan worden gehouden tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Beleid waterschap Vallei & Veluwe De driedimensionale Blauwe Omgevingsvisie 2050 (BOVI) is de langetermijnvisie van het waterschap Vallei & Veluwe. Met deze BOVI zet het waterschap op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Daarbij kijkt het waterschap integraal, grensontkennend, over de grenzen van taken en gebieden heen en werkt vanuit de drie zogenoemde waterprincipes: 1. water is een ordenend principe in de ruimtelijke ordening; 2. maximaal vast- en schoonhouden van water, en 3. partnerschap als watermerk.

Deze principes leiden tot één samenhangende weergave van water in het landschap van het waterschap Vallei & Veluwe: één kringloop van bron tot monding, door stedelijk en landelijk gebied en van boven-en ondergrond.

5.10.2 Onderzoek In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003

25

in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Het waterschap Vallei & Veluwe is geïnformeerd over het initiatief door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen en de reactie van het waterschap hierop heeft geleid tot de ‘korte procedure’. De standaardwaterparagraaf behorende bij deze procedure is als bijlage 7 bij deze toelichting opgenomen. Op basis van de watertoets vraagt het waterschap om bij de uitwerking van het initiatief met de volgende drie aandachtspunten rekening te houden: 1. vasthouden - bergen – afvoeren. Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vastgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater; 2. grondwaterneutraal bouwen.

Om grondwateroverlast te voorkomen adviseert het waterschap om boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) te ontwerpen, en 3. schoon houden - scheiden - schoon maken. Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afstromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Het plangebied ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied of in een zone waar er kans bestaat op overstromingsrisico.

5.10.3 Conclusie Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.11 Archeologie en cultuurhistorie 5.11.1 Toetsingskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast moet ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, moet op grond van voorgaande dan ook worden aangegeven op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening wordt gehouden.

5.11.2 Resultaten onderzoek Archeologie De archeologische verwachtingswaarde die geldt voor het plangebied is middelhoog. Dit betekent dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2.

26

Het initiatief ziet niet op het oprichten van een bouwwerk dat groter is dan 500 m 2. Uitvoering van het initiatief leidt dan ook niet tot een ingreep waarvoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Wel geldt er op grond van de Erfgoedwet een meldingsplicht als bij graafwerkzaamheden toch archeologische resten aan het licht komen. Cultuurhistorie Nabij het plangebied zijn op basis van de kaart ‘Historisch landschap, historische stedenbouw en archeologie’ van de provincie Gelderland objecten aanwezig die de status gemeentelijk monument hebben. Het betreft een schuur met een agrarische functie op het perceel Rode Landsweg 24 te Doornspijk en een boerderij met een agrarische functie op het perceel Rode Landsweg 30 te Doornspijk. Het initiatief heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarden die deze gebouwen met zich brengen.

5.11.3 Conclusie De aspecten ‘archeologie en cultuurhistorie’ vormen geen belemmering voor het initiatief.

5.12 Ecologie 5.12.1 Toetsingskader Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd. Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Wnb of het provinciaal natuurbeleid noodzakelijk is.

5.12.2 Resultaten onderzoek Soortenbescherming Door De Slijpkruik ecologisch adviesbureau is een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vastgelegd in de notitie ‘Ecologische quickscan Rode Landsweg 28c te Doornspijk’, d.d. 20-08-2022, projectcode 22ALF06. Deze notitie is als bijlage 8 bijgevoegd. Uit de quickscan blijkt het volgende. Plantensoorten In het plangebied zijn geen beschermde of bijzondere plantensoorten aangetroffen. Geschikte omstandigheden voor beschermde flora ontbreken. Negatieve effecten op beschermde planten zijn uitgesloten. Nader onderzoek is niet nodig. Broedvogels Er is een aantal nesten aangetroffen in het toiletgebouw, die mogelijk worden gebruikt door huismussen. Nesten van huismus zijn jaarrond beschermd. Omdat er sprake is van sloop, is aanvullend onderzoek naar de huismus noodzakelijk om aan- of afwezigheid van vaste nestplaatsen vast te stellen of uit te sluiten. Vleermuizen Een effect op verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen is uitgesloten, omdat geen geschikte, toegankelijke ruimtes aanwezig zijn in de te slopen bebouwing. Overige zoogdieren Het te slopen chalet is geschikt als vaste rust- of voortplantingsplaats voor steenmarter, boommarter en bunzing. Er is een opening naar een holle ruimte aanwezig en er zijn krabsporen zichtbaar op de planken eronder.

Aanvullend onderzoek is nodig om te bepalen of het chalet een functie heeft voor marterachtigen. Reptielen en amfibieën De voorgenomen ontwikkelingen leiden niet tot negatieve effecten op reptielen en amfibieën.

27

Zorgplicht In het plangebied zijn veel potenties aanwezig waar het gaat om flora en fauna. De Wet natuurbescherming bevat een zorgplichtbepaling. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna tijdens uit te voeren werkzaamheden in het plangebied naar redelijkheid zoveel mogelijk moet worden voorkomen. Denk hierbij aan: - verstoring, beschadiging of vernieling van bezette nesten; - kappen van bomen met holtes als mogelijke verblijfplaats voor vleermuizen, en - het beperken van lichtverstoring van foeragerende en passerende vleermuizen. Conclusie Vervolgonderzoek naar de aanwezigheid van nesten van huismussen en rust- of voortplantingsplaatsen van marterachtigen is noodzakelijk. Deze verplichting houdt verband met de sloop van bebouwing. Deze sloop staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg. Borging van het uitvoeren van vervolgonderzoek is in de planregels opgenomen. Vanwege de potenties die het plangebied heeft, is zorgplicht belangrijk. Deze zorgplicht is in de planregels opgenomen. Gebiedsbescherming In of grenzend aan het plangebied liggen geen natuurgebieden die vallen onder de Wnb (waaronder Natura 2000-gebieden). Voor wat betreft het aspect stikstof is het de verwachting dat er vanwege een afname van verkeersbewegingen geen sprake is van significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt geheel buiten het NNN. Aantasting van kernkwaliteiten van deze natuur is volgens De Slijpkruik niet aan de orde.

5.12.3 Conclusie Het aspect ‘ecologie’ vormt geen belemmering voor het initiatief.

5.13 Verkeer en parkeren Bij ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van parkeerkencijfers van het CROW (CROW publicatie ‘toekomstbestendig parkeren, december 2018’). Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeergeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Het initiatief leidt niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Extra parkeerplaatsen zijn dan ook niet nodig. Overigens biedt het plangebied voldoende ruimte voor parkeren op eigen terrein, zowel bij de woningen als bij de bed en breakfast voorzieningen (zie ook bijlage 3). Daarnaast blijft het plangebied (veilig) ontsloten via de bestaande in- en uitrit.

28

6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Op basis van de voorgaande hoofdstukken kan worden geconcludeerd dat het initiatief, gelet op het planologisch beleid en de omgevingssituatie ter plaatse, uitvoerbaar kan worden geacht. In dit hoofdstuk wordt de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het initiatief besproken.

6.2 Economische uitvoerbaarheid Artikel 6.12 van de Wro stelt dat de gemeente gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de gemeente verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld, indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval is een anterieure overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is tevens het risico van planschade opgenomen, zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid / participatie Initiatiefnemer heeft omwonenden tijdens de beoordeling van het principeverzoek geïnformeerd. Dit heeft ertoe geleid dat het initiatief is aangepast. Initiatiefnemer heeft omwonenden tijdens de beoordeling van ontwerp bestemmingsplan nogmaals geïnformeerd. Hiervan is een verslag gemaakt, zie bijlage 3. Het ontwerp van dit bestemmingsplan is voor een periode van zes weken ter inzage gelegd voor eenieder. Tegen het ontwerp zijn geen zienswijzen ingediend.

6.4 Inspraak en overleg 6.4.1 Het Rijk In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

6.4.2 Provincie Gelderland De provincie heeft als volgt gereageerd op het plan. Met het plan wordt een recreatieterrein met een aantal huisjes, glamping tenten en een plek voor mobiele kampeermiddelen omgevormd naar een woongebiedje. Ter compensatie worden drie woningen toegevoegd. Ook komt er één extra B&B. Het effect is dat er meer ruimte is voor natuur en landschappelijke inrichting. Het gebied ligt niet in GNN, GO of Waardevol Open Gebied. Wel in het Nationaal Landschap, maar er is geen sprake van aantasting van kernkwaliteiten. Er is dan ook geen strijd met de provinciale verordening of visie.

6.4.3 Waterschap Vallei en Veluwe In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van deze toets heeft het waterschap gereageerd, zie bijlage 5. Verder heeft het waterschap geen opmerkingen over het plan.

6.4.4 Zienswijzen Het ontwerp van dit bestemmingsplan is voor een periode van zes weken ter inzage gelegd voor eenieder. Tegen het ontwerp zijn geen zienswijzen ingediend.

29

7 Juridische aspecten 7.1 Algemeen Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan.

7.2 Verbeelding Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen, waarbij voor de benaming van de bestemmingen en aanduidingen is aangesloten bij het vigerend bestemmingsplan: -

enkelbestemmingen ‘Wonen’ en ‘Groen – Landschappelijke beplanting’; dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie middelhoge verwachtingswaarde’, en ‘Waarde – Waardevol landschap’; functieaanduiding ‘bed & breakfast’; bouwvlakken ‘Bouwvlak’, bouwaanduidingen ‘bijgebouw’, ‘specifieke bouwaanduiding – geschakelde woningen’, ‘twee-aaneen’ en ‘vrijstaand’.

7.3 Regels/voorwaardelijke verplichting De regels bestaan uit inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Hierbij is aangesloten bij de van toepassing zijnde artikelen uit het vigerend bestemmingsplan. Aanvullend is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen die waarborgt dat de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, alsmede de borging van vervolgonderzoek in het kader van flora en fauna.

30

8 Bijlagen Bijlage 1 Schets feitelijke situatie Bijlage 2 Schets beoogde situatie Bijlage 3 Verslag participatie Bijlage 4 Landschaps-, beeldkwaliteits- en landschapsplan Bijlage 5 Bodemonderzoek Bijlage 6 Onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 7 Watertoets Bijlage 8 Ecologische QuickScan

31

INHOUD: I.

AANLEIDING

II.

LANDSCHAPSPLAN

III.

BEELDKWALITEITSPLAN

IV. BEPLANTINGPLAN 3

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

I.

AANLEIDING

Het landgoed Thornspick ligt aan de Rode Landsweg 28 te 8085 SM Doornspijk (gemeente Elburg). Het landgoed heeft een oppervlakte van ca. 4.90.23 ha. Het plangebied, met RD coördinaten: X= 121344 Y= 487316, ligt als een groene oase te midden van agrarische weilanden, grenzend aan een klein buurtschapje. Het recreatief gebruik van het terrein is afgelopen jaren stapsgewijs afgebouwd en de aanwezige houtopstanden zijn zodanig uitgegroeid dat er een bosachtig parklandschap is ontstaan. De agrarische percelen zijn in gebruik als weide/hooiland. De eigenaren zijn voornemens het recreatieve gebruik van het terrein te beëindigen en de natuurlijke en landschappelijke kwaliteiten van het plangebied verder uit te bouwen. Een stedenbouwkundig-landschapsplan dat is opgesteld geeft de gewenste richting aan dit initiatief. In het rapport ‘Transformatie vakantieverblijf landgoed Thornspick’, behorend bij het principeverzoek, is het toekomst perspectief beschreven. Het plangebied biedt na transformatie ruimte en mogelijkheden om bij te dragen aan versterken van de kernkwaliteit van het omringende landschap. Dit draagt dan weer bij aan de natuurlijke kwaliteiten van de omgeving, die hierdoor aanzienlijk worden uitgebreid en vergroot.

Om het gewenste ambitieniveau te realiseren en ook te waarborgen is voor de woningbouw en de niet beplante delen van het plangebied op basis van het landschapsplan een beeldkwaliteitsplan en beplantingplan opgesteld.

ligging plangebied in de context

4

Het beeldkwaliteitsplan is geen blauwdruk, het geeft wel duidelijk richting aan de nieuw te bouwen tweekapper, in samenhang met de ruimtelijke kernkwaliteit van de landelijke omgeving. Alternatieven en een afwijkend bouwplan blijven mogelijk en zijn bespreekbaar. Ze dienen wel te voldoen aan de ambitie van het beeldkwaliteitsplan en te passen binnen de randvoorwaarden en onderliggende kwaliteiten van het plangebied, zoals in het beeldkwaliteitsplan beschreven en tevens positief te worden beoordeeld door de welstandcommissie. Het beplantingplan is een verdere uitwerking voor de aanplant van bos, houtsingels, hoogstamboomgaard en hagen voor delen van het plangebied, zoals weergegeven in het stedenbouwkundig-landschapsplan.

ligging plangebied Rode Landsweg 28 Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

landschapsplan (niet op schaal)

II.

LANDSCHAPSPLAN

5

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

III.

BEELDKWALITEITSPLAN

De beschrijving van de beeldkwaliteitparagraaf dient als leidraad voor het bereiken van de gewenste landschappelijke inpassing van de woningen en bebouwde samenhang van het nieuwe woonerf. Voorkomen moet worden dat erven en bebouwing als een stedelijke invulling worden ervaren. De bebouwing dient zich in het landelijke karakter van het kleinschalige Kampenlandschap te voegen en is daaraan ondergeschikt. De bebouwing kenmerkt zich door aspecten als duurzaamheid, energie neutraal, gasloos, eigentijds, hoge kwaliteit van te gebruiken bouwmaterialen en uitdagend door vorm en toepassing van die materialen. Het erf en de tuin met boomgaard hebben een sterke samenhang en garanderen de groene uitstraling van de woonomgeving.

De bebouwing bestaat uit één bouwlaag met een kapverdieping. De nokrichting is in het landschapsplan bepaald en ligt evenwijdig aan de Rode Landsweg. De gevelindeling is eenvoudig, symmetrisch en met ondergeschikte gevelopeningen welke samen een compositie vormen en eenheid uitstralen. Door het gebruik van een eenvoudig zadeldakvolume, bestaat de ruimte om bepaalde onderdelen van de bouwmassa op speelse en architectonische wijze te verbijzonderen. Een architecturaal accent of verbijzondering kan het duidelijk maken dat onder de kap twee woningen schuil gaan.

De beeldkwaliteitparagraaf beperkt zich tot de bouwkundige en ruimtelijke elementen en aspecten die het beeld van het plangebied, inclusief de verschijningsvorm van de bebouwing en de randvoorwaarden voor de inrichting van de twee percelen bepalen. Op deze manier wordt, passend bij de uitzonderlijk gave landschapsstructuur, een hoge ruimtelijke kwaliteit van bebouwing en groene leefomgeving gewaarborgd. Toekomstige bewoners worden daardoor uitgedaagd een bijzondere, aantrekkelijke en aangename woonsfeer te realiseren, die de woonkwaliteit onderling versterkt. Op de bouwlocatie past bebouwing die aansluit op de karakteristieke kenmerken van het archetype uit de omgeving. De verschijningsvorm van de nieuw te bouwen woningen mag de sfeer en compositie van deze tijd uitstralen, maar met respect voor het verleden. Het uiterlijk van de woning dient te worden ontworpen op de maat, schaal en typologie van het plangebied en aan te sluiten op de korrel van het omringende kleinschalige kampenlandschap.

6

Hoofdgebouw en bijgebouw vormen dan ook een afspiegeling van het landschaps- of streekeigen karakter van een erf. Er is een duidelijk ‘voor’ en ‘achter’. Het erf vormt een ruimtelijke compositie van bebouwing en groen. Op deze locatie is het erf en bebouwing verder naar achteren op het perceel tegen de bosrand aan gesitueerd. Door op deze plek te bouwen wordt het gewenste uitzicht van naastgelegen woningen vrij gehouden. Daarnaast wordt de rafelige rooilijn van de bebouwingsrand uit de omgeving versterkt. De woningen worden ontsloten vanaf de inrit naar het landgoed. De weide aan de voorzijde wordt beplant met hoogstamvruchtbomen. Deze geven het bouwvolume een transparant en landelijk karakter.

Woonbebouwing: De bebouwing zal bestaan uit een hoofdgebouw in de vorm van een twee onder een kapwoning en vrijstaand bijgebouw.

A/ Hoofdgebouw Het hoofdgebouw is een enkelvoudig, niet samengesteld bouwvolume met een rechthoekige plattegrond. Het hoofdgebouw zal bestaan uit twee wooneenheden. De bebouwing zal worden voorzien van een zadeldak, bij voorkeur een rieten kap met een ruime overstek. Een goed alternatief kan eventueel het gebruik van een dakbedekking met een gebakken antracietkleurige dakpan vormen. referenties twee onder een kap woningen

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

B/ Bijgebouw Het bijgebouw is duidelijk ondergeschikt aan het hoofdgebouw en staat los achter op het perceel. Het bijgebouw staat met de nokrichting evenwijdig aan de woning op het perceel. Parkeren vindt plaats aan de achterzijde. De bebouwing wordt voorzien van een zadeldak, waardoor het bijgebouw ruimtelijk aansluit op de woning. Als bouwvorm kan gekozen worden voor een zogenaamde kapschuur. Deze zijn passend in het landelijke gebied. Het bijgebouw vormt een combinatie van berging en carport. Ander bouwvormen met zadeldak zijn eveneens toegestaan, zoals een bijgebouw met rietkap, of een strak eigentijds bouwwerk. Het materiaalgebruik is sober, de gevels worden in hout opgetrokken. Een optie kan zijn het bijgebouw circulaire te bouwen door de toepassing van gebruikte bouwmaterialen. Bijkomend voordeel is een bijgebouw met een bijzonder doorleefd karakter.

referentie bijgebouw met rietkap

7

referentie kapschuur

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

referentie modern bijgebouw

Materialisatie kleurgebruik en detaillering: Leidraad voor de detaillering is de samenhang van de woning en de onderdelen te behouden. Het gebruik van duurzame en natuurlijke materialen die een relatie hebben met de landelijke omgeving dragen bij aan ‘de luxe van eenvoud’ uitstraling. Het toepassen van hergebruikte bouwmaterialen, waar mogelijk sluit aan op de ontwikkeling van circulair bouwen. Meer informatie kan worden verkregen via www.rvo.nl/circulairbouwen.

A/ Hoofdgebouw - gevels: Een gevel bestaat uit natuurlijke materialen die passen in de omgeving. De gevels worden uitgevoerd met een gebakken steen in een warme zandkleurige tint. Een genuanceerd kleurpatroon in de tinten bruin, geel of beige is passend. De toepassing van natuursteen in een beperkt kleurenpallet (grijsbruin tot geelbruin) sluit hier op aan. Voegen worden aansluitend de kleur van de steen in licht grijs, beige of toon op toon kleur aangebracht.

De gevel in hout, of delen van de gevel met hout bekleden is eveneens passend. De voorkeur gaat uit naar onbeschilderd, vergrijzend hout. Eik of Larikshout voldoen daaraan. Het verticaal toepassen in twee breedtes geeft de gevel een zekere speelsheid en een mooi ritme. Een alternatieve en duurzame gevelbekleding is Cedral, een materiaal bestaande uit cement en cellulosevezels. Een aardkleurige tot zandkleurige tint heeft de voorkeur. Het toepassen van grotere glasoppervlakten vormt de uitdaging, evenals bijzondere ingrepen in het bouwvolume. Te denken valt aan de entree van de woningen die als bijzonder element wordt ontworpen, inclusief brievenbus, deurbel/intercom, naambordje, huisnummering, verlichting overkapping, en dergelijke.

-

het dak:

Daken worden uitgevoerd in materialen die mooi oud worden doordat zij na verloop van tijd een natuurlijk patina krijgen. De materialen hebben bovendien een kleur die past in de landelijke omgeving. Hierbij kan gedacht worden aan riet, leien of een donkere mat antraciet kleurig keramische dakpan. Kunststof dakbedekkingen zoals kunstriet, zijn uit oogpunt van duurzaamheid en onnatuurlijke uitstraling niet toegestaan. Het gebruik van metaal als verbijzondering van delen van het dak zoals dakvensterranden of een dakkapel is toegestaan. Dakvensters worden symmetrisch toegepast, het houdt de eenheid van het kapvolume in stand.

8

referentie gevelsteen Oude Leie, geel met beige voeg

referentie dakbedekking met een rietkap

referentie houtwerk, vergrijzend in verschillende breedte maten Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

-

kozijnen:

De kozijnen zijn van hout, staal of aluminium. Hierbij dient de detaillering van aansluitingen op de gevel en profilering van het kozijn bijzondere aandacht. Het kleurgebruik is ingetogen door toepassing van donkere matte tinten, of natuurlijk vergrijzend hout. Felle schilderkleuren en kunststofgebruik van kozijn- of plaatmateriaal zijn nadrukkelijk niet toegestaan. Deze zijn niet passend in een landelijke omgeving.

referentie dakbedekking met dakpannen

Dakdoorvoeren en schoorstenen worden in het ontwerp geïntegreerd. Een verzameling van losse pijpen en andere dakobstakels doen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit. Dat geldt ook voor de plaatsing van de buitenunits van de warmtepomp en airco installaties. Door hiermee vroegtijdig in het ontwerpproces rekening te houden kunnen ontwerpfouten of gemakzuchtige oplossingen worden voorkomen.

9

referenties kozijnen

-

zonnepanelen:

De toepassing van all-black zonnepanelen worden in het woningontwerp meegenomen en harmonieus in het dakvlak geïntegreerd. De zonnepanelen zijn ook te plaatsen op het bijgebouw

referenties dakdoorvoeren Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

referenties zonnepanelen in het dak

B/ Bijgebouw Een gemetselde fundering, of bouwen op poeren vergroot de duurzaamheid. De gevels zijn gepotdekseld in Zweeds rabat, geschilderd in een antraciete kleur of zijn van vergrijzend hout. Het dak heeft een rietenkap, of is bedekt met een matte antracietkleurige dakpan, of uitgevoerd met een antracietkleurige vezelcement golfplaat. Op het dak, bijvoorbeeld aan de achterzijde zijn all-black zonnepanelen toe te passen. Het heeft de voorkeur deze in het dakontwerp mee te nemen. Afhankelijk van de dakhelling is een dakbegroening met mos-sedum mogelijk.

10

referentie gevel geolied hout

referentie gepotdekselde gevelbekleding referenties dakbedekking bijgebouw Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

- hemelwater: Hemelwater van de daken en oppervlaktewater dient op eigen terrein te worden opgevangen, zodat het kan infiltreren in de bodem. Hemel- en oppervlaktewater kunnen worden opgevangen in zogenaamde drainageelementen of infiltratiekratten, of worden geloosd op een wadi en de bestaande greppel achter het bijgebouw. Hemelwater kan rechtstreeks van het dak of middels een goot en hemelwaterafvoer plaatsvinden. Indien een hemelwaterafvoer wordt toegepast, dient deze in het ontwerp van de woning te zijn geïntegreerd. De hemelwaterafvoer kan ondergronds worden aangesloten op het waterafvoer systeem, maar ook in de vorm van een lage waterspuwer op maaiveldhoogte in het ontwerp worden opgenomen.

referentie toegangsweg (karrenspoor)

11

principe hemelwateropvang

Verkeer/parkeren: De toegangsweg naar het terrein en de interne routing wordt uitgevoerd in een halfverharding als een zogenoemd karrenspoor. De parkeerplaatsen worden voorzien van een doorlatende verharding. Parkeren bij de twee onder een kap woning geschiedt op eigen terrein. De kapschuur dient als berging en stalling voor auto. Het erf achter de kapschuur heeft ook voldoende parkeerruimte. De auto’s zijn daardoor vanaf de weg niet zichtbaar. Doordat de toegangsweg en parkeerplaatsen halfverhard zijn kan het hemelwater in de bodem infiltreren. Bij hevige buien wordt het water naar nabij gelegen greppel afgevoerd. Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

referentie waterdoorlatende verharding parkeerterrein

erfafscheidingen, tuinen/erven en groenvoorzieningen De overgang van privé naar het openbare domein worden groene overgangen. Het gaat hierbij vooral om de erfafscheiding en mate van erfverharding. Als uitgangspunt geldt het gebruik van levende groene erfafscheidingen in de vorm van in het landschap passende beukenhagen. Anders dan groene afscheidingen zijn niet toegestaan bij de woningen Eigenaren dragen gezamenlijk de zorg voor het onderhoud en de instandhouding van de groenvoorzieningen en hagen die hun perceel begrenzen. In het beplantingplan zijn de hagen en hoogstamvruchtbomen uitgewerkt.

referentie houtsingel in de ochtend

12

referentie beukenhaag (Fagus sylvatica)

referentie bloemenweide

referentie hoogstamboomgaard op het voorterrein Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

IV. BEPLANTINGPLAN In het beplantingplan wordt ingegaan op de nieuwe aanplant van solitaire bomen, hoogstamvruchtbomen, bosplantsoen, hagen en het bloemrijke grasland. De aanwezige houtopstanden op het terrein zijn niet in het beplantingplan opgenomen. De opstanden worden al vele jaren bosbouwkundig beheerd. De bestaande opstand zal plaatselijk komende jaren bosbeheerkundig worden gedund, om op deze wijze een meer natuurlijke en spontane begroeiing te stimuleren. Het uiteindelijk doel is het ontwikkelen van een gevarieerde houtopstand met een rijke kruid- en struiklaag. Hierdoor worden de natuurlijke potenties en biodiversiteit van het plangebied versterkt. Deze visie sluit goed aan op de doelstellingen die in het LOP van de gemeente voor het landelijke gebied zijn beschreven.

13

ligging plangebied in het LOP

Het beplantingplan voorziet in de aanplant van: A/ singel/landschapshaag B/ houtsingel/bosje C/ singel/landschapshaag D/ bosplantsoen E/ houtsingel F/ solitaire bomen G/ hoogstamvruchtbomen H/ hagen

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

nieuw aan te planten

A/ singel/landschapshaag

F/ solitaire bomen

Langs de nieuwe oprit wordt een groensingel met opgaande bomen aangelegd. De singel sluit aan op de bestaande houtsingel rond het plangebied. De beplanting van de singel kan als een landschappelijke haag worden beheerd. Door de aanplant van de landschappelijke haag met opgaande bomen wordt tevens de privacy van de bewoners van naast gelegen woning gerespecteerd en gewaarborgd.

In het plangebied worden op verschillende plaatsen solitaire bomen en/of boomgroepen aangeplant. Ze vormen de ‘groene’ hoofdbeelddragers van het plangebied. Bomen dragen niet alleen bij aan de landschappelijke kwaliteit van een gebied, ze dragen eveneens bij aan de leefbaarheid en wooncomfort van bewoners.

B/ houtsingel/bosje

G/ hoogstamvruchtbomen

De aanleg van houtsingels dienen enerzijds om de landschappelijke structuur van het plangebied te versterken, anderzijds dragen zij bij aan de bestaande en te ontwikkelen ecologische verbindingen van het kleinschalige kampenlandschap. Deze houtsingel/bosje wordt geplant achter het perceel van de tweekapper op de plaats van de gesloopte woning en oude ontsluiting. De aanplant sluit aan op de bestaande houtsingel binnen het plangebied en draagt bij aan een verdere vergroening van het plangebied.

In het plangebied is gekozen om op twee plaatsen een kleine boomgaard te realiseren. Een boomgaard wordt aan de voorzijde van de tweekapper geplant. De woning lijkt daardoor in de ‘boomgaard’ te zijn gebouwd. Ruimtelijk wordt daardoor het groenkader van het plangebied doorgezet. Het grasland onder de bomen wordt ingezaaid met een bloemrijk graslandmengsel en als wildebloemenweide beheerd.

C/ singel/landschapshaag

De tweede boomgaard is ingepland bij de geschakelde woningen. De boomgaard is passend bij de woningen in boerderijstijl. Tevens wordt de landschappelijke inpassing van de bebouwing versterkt. Ook op deze locatie wordt eveneens een bloemrijk graslandmengsel ingezaaid.

Om de geschakelde woningen van de voormalige boerderij optimaal in het plangebied in te passen wordt op de erfgrens een houtsingel/landschapshaag ingeplant. Ook is deze aanplant bedoeld om de privacy van de bewoners van nabij gelegen woning langs de Rode Landsweg te respecteren en te waarborgen. De aanplant wordt eveneens als een landschappelijke haag beheerd, waardoor deze in omvang wordt beperkt.

D/ bosplantsoen Een gedeelte van het weiland wordt met bosplantsoen ingeplant. Deze beplanting sluit aan op de het bosachtige karakter van de houtopstanden rond de B&B. Doel van de aanplant is de biodiversiteit in dit deel van het terrein te vergroten. De aanplant bestaat uit een assortiment met boomvormers en een struiklaag. Door verschraling van het weiland wordt de ontwikkeling van een kruidlaag bevorderd. Aan de randen en open ruimten wordt een bloemrijk graslandmengsel ingezaaid.

E/ houtsingel In het weiland wordt langs de sloot op de erfgrens van het plangebied in noord-zuidelijke richting een houtsingel aangeplant. Deze sluit aan op de aanwezige houtsingel van het voormalige vakantiepark en versterkt het landschappelijke kader. De houtsingels rondom het terrein vormen het landschappelijk ecologisch raamwerk van het plangebied. Eventueel zijn de houtsingels op termijn als een hakhoutsingel te beheren, waardoor er in de tijd een landschappelijke diversiteit ontstaat, die aansluit bij het cultuurhistorische gebruik van de hakhoutsingel van het oude kleinschalige kampenlandschap.

H/ hagen De groenstructuur van het plangebied vormen de bestaande en nieuwe houtopstanden. Deze heeft een robuuste structuur en maat, waarbinnen de bestaande en nieuwbouw landschappelijk wordt ingepast. Op een lager schaalniveau is het dan verantwoord de erfgrenzen van de woon percelen van een lage lijnvormige haagbeplanting te voorzien. Ook de parkeerplaatsen worden omkaderd door een haag. Op deze wijze behouden we de gelaagdheid van het kleinschalige kampenlandschap. Tegelijkertijd wordt het historische karakter van het kleinschalige kampenlandschap versterkt en verrijkt met de aanleg van een nieuw lijnvormig beplantingselement.

Poel Langs de scheidingsloot tussen het kleinschalige gesloten kampenlandschap en het open veenontginningslandschap is in een uitbreiding van de bestaande poel voorzien. Hierdoor wordt de natte natuur op de grens hoog en droog en laag en nat versterkt.

referentie poel in ochtendnevel Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

14

diverse solitaire bomen

15

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

beplantingplan blad I

16

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

beplantingplan blad II

17

plantlijsten Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

Plantlijsten Bij het beplantingplan is een plantlijst toegevoegd, waarin het toe te passen assortiment nader is beschreven en de kwaliteitseisen waaraan de beplanting bij levering en aanplant minimaal dient te voldoen zijn vermeld.

18

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

19

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

20

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

21

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

22

Landgoed Thornspick Rode Landweg 28 Doornspijk: beplanting + beeldkwaliteitsplan

Verslag overleg buren ontwikkelingsplan Landgoed Thornspick, Rode Landsweg 28 Voor het Landgoed Thornspick is een transformatieplan opgesteld. Doel is het gebruik van het terrein als recreatieterrein te beëindigen en te transformeren naar wonen, waarbij een aantal bed & breakfast voorzieningen worden aangeboden. Het landschapsplan is met de bewoners in de directe omgeving van het landgoed besproken. Het organiseren van een algemene inloopbijeenkomst was als gevolg van voorschriften in verband met Covid-19 niet mogelijk. Initiatiefnemer heeft daarom alle bewoners persoonlijk bezocht en het plan digitaal gedeeld zoals in het principeverzoek is opgenomen. Rond het landgoed wonen zeven families. Zes families zijn in de periode september en oktober 2021 bezocht. Een van de families is echter niet bezocht door afwezigheid.

Algemene indruk, reacties en actie initiatiefnemer. 1/ bewoners Rode Landsweg 20, zaterdag 2 oktober 2021. De bewoners konden zich vinden in het voorgenomen initiatief. Het initiatief werd positief ontvangen. Actie initiatiefnemer: geen.

2/ bewoners Rode Landsweg 22, woensdag 22 september en donderdag 21 oktober 2021. Deze bewoners waren niet positief over het voorgenomen initiatief, met name de bouw van een tweekapper ‘naast hun’ werd negatief ontvangen. Gevraagd werd om het plan op basis van de aangegeven wensen aan te passen, door onder meer het bouwblok naar achter op het terrein tegen de bosrand te plaatsen. Tevens werd ook gevraagd om geen houtsingels op de erfgrens achter hun perceel aan te planten, in verband met uitzicht. Actie initiatiefnemer: plan aanpassen, door bouwblok naar achter tegen de bosrand te plaatsen en geplande houtsingel op de erfgrens achter het terrein te schrappen. Reactie bewoners Rode Landsweg 22: de aanpassing wordt gezien als een tegemoetkoming dat zij in hun bezwaar zijn gehoord.

3/ bewoners Rode Landsweg 24a, maandag 27 september 2021 en donderdag 21 oktober 2021 De woning op 24a was juist in aanbouw. In de woning zijn ramen aan de zijkant geplaatst, waardoor er een ruim zicht op de omgeving was vastgelegd. De eerste was reactie was dan ook negatief, het geplande bouwblok voor de tweekapper belemmerde het uitzicht aan deze zijde van de nieuwbouw. Door de bewoners is een tekening gemaakt met behoud van het gewenst uitzicht (figuur I). Verplaatsing van de ontsluiting van het terrein heeft niet de voorkeur. Actie initiatiefnemer: plan aanpassen door het bouwblok naar achter tegen de bosrand te plaatsen. Reactie buren Rode Landsweg 24a: zijn content met deze planwijziging en gaan accoord. De ontsluiting is ook gewijzigd en verder van de erfgrens ingepast. Door deze aanpassing en groenaanplant is de toegangsweg vanaf het perceel Rode Landsweg 24a niet meer waarneembaar.

4/ bewoners Rode Landsweg 24: Door afwezigheid niet gesproken

1

5/ bewoners Rode Landsweg 26a: donderdag 21 oktober 2021. De bewoners konden zich vinden in het voorgenomen initiatief. Het initiatief werd positief ontvangen. Actie initiatiefnemer: geen.

6/ bewoners Rode Landsweg 30: zaterdag 2 oktober 2021. De bewoners waren uiterst positief over het voorgenomen initiatief. De bewoners zijn voornemens om het eigen perceel door aanplant aan te laten sluiten op het landschapsontwikkelingsplan van Landgoed Thornspick en visie LOP. Actie initiatiefnemer: geen.

7/ bewoners Rode Landsweg 32, vrijdag 24 september 2021. De bewoners waren positief over het voorgenomen initiatief. Actie initiatiefnemer: geen.

Wijzigingen van het stedenbouwkundige-landschapsplan na overleg bewoners: Naar aanleiding van de reacties van de bewoners van Rode Landsweg 22 en 24a, tegen het bouwvlak (figuur III) voor de tweekappers is het stedenbouwkundige-landschapsplan op dit onderdeel aangepast. De bouwlocatie van de tweekapper is op basis van een landschapsanalyse van de bebouwingsstructuur van het kleinschalige en lineaire kampenlandschap aangepast. Kenmerkend voor dit landschapstype is dat de bebouwing zowel langs de bochtige wegen liggen als verspreid in het landschap. Het zijn relatief kleinschalige erven en door de dichtheid en variatie geven zij het gebied een bijzondere charme (figuur II). Het bouwvlak voor de tweekapper was aanvankelijk ingepast in het bouwlint van de aanwezige bebouwing Rode Landsweg 22, 24 en 24a, het gewijzigde bouwblok is meer achter op het perceel tegen de bosrand geplaatst (figuur IV). Hierdoor is er een rafelig bouwlint ontstaan dat beter aansluit bij de bebouwingsstructuur van het omringende kampenlandschap. Door de houtsingel te schrappen wordt de woning Rode Landsweg minder opgesloten en behouden de bewoners hun uitzicht (figuur IV). concept: 211026 aanpassing; 221122

2

figuur I/ tekening wens te behouden uitzicht bewoners Rode Landsweg 24a 3

figuur II/ landschapsanalyse bebouwingsstructuur kleinschalige en lineaire kampenlandschap

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=elburg&id=7f8acfe3-783c-4930-bb6a-890c1e898fc4