AanmeldingMERBeoordeling_Vlijm.pdf
Tekst van het document
Vlijm Zand en Grint Zuiderzeestraatweg West 109/109a Doornspijk
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Inhoudsopgave 1.
Aanleiding .................................................................................................................... 3
2.
Kenmerken van het voornemen.................................................................................... 5
3.
Plaats van de activiteit.................................................................................................. 6 3.1 Ligging van het plangebied ............................................................................... 6 3.2 Bestaand gebruik .............................................................................................. 6 3.3 Gevoelige gebieden in en nabij het plangebied ................................................. 6 3.3.1 Natura 2000-gebieden ....................................................................................... 6 3.3.2 Natuurnetwerk Nederland .................................................................................. 7
4.
Kenmerken van het potentiële effect ............................................................................ 9 4.1 Geluid ............................................................................................................... 9 4.2 Luchtkwaliteit .................................................................................................... 9 4.3 Bodem- en grondkwaliteit.................................................................................10 4.4 Gevaarlijke stoffen en afvalstoffen ...................................................................10 4.5 Milieuhinder .....................................................................................................10 4.6 Externe veiligheid ............................................................................................11
5.
Conclusie ....................................................................................................................12
-2-
1.
AANLEIDING Vlijm Zand en Grint aan de Zuiderzeestraatweg West 109/109a te Doornspijk heeft het voornemen om de locatie te wijziging door het vervangen van twee bestaande schuren voor een nieuwe bedrijfsschuur. Tevens wordt het naastgelegen terrein ingericht voor de opslag van inerte materialen. Ten behoeve van de wijziging van het bestemmingsplan milieu is vanuit het Besluit milieueffectrapportage een vormvrije m.e.r.-beoordeling benodigd. Met de wijziging van de bestemming en het gebruik van het buitenterrein als opslagruimte, wordt een toename van het bedrijfsterrein gerealiseerd. In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) 1994 is vastgelegd wanneer voor welke activiteiten een verplichting geldt tot het maken van een (project-)MER (onderdeel C) en is aangegeven in welke situaties voor welke activiteiten een m.e.r-beoordelingsplicht geldt (onderdeel D). In de Wet milieubeheer, artikel 7.2, lid 1 onder b. wordt aangegeven dat bij algemene maatregel van bestuur (i.e. Besluit m.e.r.) activiteiten worden aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
Het 4 e lid, artikel 7.2, stelt dat voor dergelijke activiteiten categorieën van besluiten worden aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag aan de hand van de relevante criteria in bijlage III van de mer-richtlijn (artikel 7.17) een beslissing neemt of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze aanmeldnotitie gaat na of er aanleiding, of een verplichting, bestaat voor het opstellen van een MER. De aanleiding voor deze m.e.r.-beoordeling wordt gevormd door de mogelijke stedelijke ontwikkeling. Voor het ontwikkelen van een bedrijfslocatie is mogelijk categorie D 11.2 van toepassing: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, met een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Nu de voorgenomen bestemmingsplan wijziging en uitbreiding van het terrein in totaal circa 4.000 m2 omhelst, is een directe m.e.r.-beoordeling niet van toepassing. De overige activiteiten van Vlijm Zand en Grint zijn niet genoemd in categorie C of D van het Besluit m.e.r. Voor het Hof-arrest van 15 oktober 2009 (Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen, zaaknummer C255/08) was het voldoende te beoordelen of een activiteit onder of boven de genoemde drempelwaardes valt. Na de uitspraak van het Hof moet het bevoegd gezag, als de drempel van de D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r.
niet wordt overschreden, kijken of andere omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese M.e.r.-richtlijn aanleiding geven tot het doen van een m.e.r.. Deze toetsing wordt uitgevoerd met een vormvrije m.e.r.. Tevens is op 16 mei 2017 het Besluit m.e.r. gewijzigd waardoor ook voor een vormvrije m.e.r. een aanmeldnotitie moet worden ingediend. Het toetsen van milieueffecten Voor de m.e.r-beoordeling bestaan wettelijke criteria. Op basis hiervan moet het bevoegd gezag beoordelen of in een concreet geval een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze criteria worden gehanteerd. Naast het algemene criterium (kan er sprake zijn van mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu) moeten de volgende aspecten - indien van toepassing - expliciet aan bod komen (Bijlage III van de mer-richtlijn: richtlijn 2011/92/EU): De kenmerken van de activiteit (onder meer omvang, afvalstoffen, verontreiniging, hinder, risico’s, gebruik natuurlijke hulpbronnen en cumulatie); De plaats waar de activiteit plaatsvindt (bijvoorbeeld gevoelige gebieden); De kenmerken van het potentiële effect (bereik, waarschijnlijkheid, duur, frequentie en onomkeerbaarheid). Daarbij moet in ogenschouw worden genomen of een project in de nabijheid van een gevoelig gebied is gelegen.
Voorbeelden van gebieden die extra aandacht vragen zijn wetlands, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurgebieden en bij wet beschermde gebieden. Dit zijn de Natura 2000-gebieden die vanuit de Wet natuurbescherming zijn aangewezen als gevoelige gebieden. Bij de samenhangende beoordeling van bovenstaande kenmerken van een project en de potentiële aanzienlijke milieugevolgen dient het volgende ten allen tijde te worden meegewogen: - het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); - het grensoverschrijdende karakter van het effect;
-3-
- de waarschijnlijkheid van het effect’ - de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect. Uit de m.e.r.-beoordeling volgt dat plicht tot een MER bestaat, wanneer wordt geconcludeerd dat sprake is van belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit voor het milieu kan hebben (“nee, tenzij” principe). Bij de conclusie dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen is het opstellen van een MER niet noodzakelijk. Leeswijzer Hoofdstuk 2 beschrijft de kenmerken van het voornemen die in hoofdstuk 3 worden getoetst aan de locatie en de omgeving waar de activiteiten worden uitgevoerd. In hoofdstuk 4 zijn de milieuaspecten getoetst waarna in hoofdstuk 5 de conclusie is weergegeven.
-4-
2.
KENMERKEN VAN HET VOORNEMEN Op het perceel aan de Zuiderzeestraatweg West 109/109a te Doornspijk worden de activiteiten van Vlijm Zand en Grint uitgevoerd op een voormalig agrarisch bedrijf. Deze werkzaamheden zijn op de huidige locatie al bijna 12,5 jaar actief. De werkzaamheden betreffen voornamelijk infrastructurele projecten, grondwerk, grondverzet en cultuurtechnische werkzaamheden in gemeente Elburg en omgeving. De activiteiten op de locatie zelf hebben voornamelijk betrekking op de stalling van materieel en de opslag van grond-, bouw- en hulpstoffen. De gewenste uitbreiding betreft het vervangen van de bedrijfsbebouwing en het uitbreiden van het terrein voor de opslag van grond- en bouwstoffen. Hiervoor is een wijziging van het bestemmingsplan aangevraagd. Onderstaand is een verbeelding van het terrein weergegeven.
Afbeelding 1: Ligging projectlocatie
Vanwege de ontwikkelingen van het bedrijf en het feit dat het bestemmingsplan ‘Bedrijventerrein Doornspijk-De Glinde’ niet onherroepelijk is geworden, zijn de huidige activiteiten in strijd met de beheersverordening Elburg 2013 – meerdere locaties en het bestemmingsplan Buitengebied 1980. Gemeente Elburg is voornemens om het Bedrijventerreinen Doornspijk-De Glinde alsnog te bestemmen. Mede door de komst van de Omgevingswet is nog onduidelijk wanneer deze procedure actueel wordt. Het huidig gebruik komt niet overeen met de functie ‘Agrarisch’ zoals deze nu geldt vanuit de beheersverordening. Ook is geen mogelijkheid aanwezig om via een binnenplanse afwijking de gewenste activiteiten toe te kunnen staan. Om de ontwikkeling van het bedrijf voort te kunnen zetten is een verzoek voor het realiseren van een bedrijfsterrein bij gemeente Elburg ingediend. Het bedrijfsterrein omvat naast de mogelijkheid voor buitenopslag van bouw-, grond en hulpstoffen de realisatie voor een nieuwe bedrijfshal. Deze komt in de plaats van de bestaande bebouwing. Het verzoek omvat een bedrijfsterrein met bouwvlak met een totale oppervlakte van circa 4.000 m2. De reeds aanwezige woningen met bijbehorende gronden wijzigen niet. De uitbreiding van bedrijfsactiviteiten zal voornamelijk in noordoostelijke richting uitbreiden. De activiteiten op het gehuurde deel van het naastgelegen perceel worden beëindigd.
Planologisch gezien zullen de gronden met de bestemming “Agrarisch” omgezet moeten worden in “Bedrijf”.
-5-
3.
PLAATS VAN DE ACTIVITEIT
3.1
Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan de Zuiderzeestraatweg West, ten zuiden van het dorp Doornspijk. De locatie aan de Zuiderzeestraat weg West 109/109a wordt aan de westzijde begrenst door een bedrijfslocatie. De overige zijden grenzen aan agrarische gronden. De meest nabij gelegen woning van derden ligt op een afstand van circa 45 meter van de grens van de inrichting en betreft de naastgelegen bedrijfswoning.
3.2
Bestaand gebruik Het perceel aan de Zuiderzeestraatweg West 109/109a worden in de huidige situatie reeds gebruikt door Vlijm Zand en Grint. De gronden hebben een agrarische bestemming. Het gebruik bestaat uit het stallen van vervoersmiddelen, materieel en machines in de aanwezige gebouwen en de opslag van diverse grond- en hulpstoffen. Deze (bouw)stoffen worden met het eigen materieel naar de locatie van de opdrachtgever vervoerd en toegepast. De aanvoer van deze bouwstoffen komt uit eigen werkzaamheden op wordt op bestelling op de locatie afgeleverd. Het naastgelegen terrein is in de afgelopen jaren gebruikt als geitenweide, fietscrossbaan en stalling voor bedrijfsonderdelen. In de periode voor het gebruik van Vlijm Zand en Grint is zijn de gronden intensief bewerkt door het voormalige agrarisch bedrijf.
3.3
Gevoelige gebieden in en nabij het plangebied In het Besluit m.e.r. is bepaald wat onder een gevoelig gebied moet worden verstaan. Dit zijn onder andere beschermde natuurmonumenten, habitat- en vogelrichtlijngebieden (Natura 2000-gebieden), onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland, boringsvrije zones en door een bestemmingsplan beschermde gebieden met landschappelijke of cultuurhistorische kwaliteiten.
3.3.1
Natura 2000-gebieden De meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden betreffende de Veluwerandmeren en de Veluwe. De afstand van de bedrijfslocatie tot deze gebieden bedraagt circa twee kilometer. Onderstaande afbeelding geeft een weergave van de inrichting ten opzichte van de ligging van het Natura 2000gebieden.
Afbeelding 2: Ligging Natura 2000-gebieden
-6-
De gebieden Veluwerandmeren en de Veluwe zijn aangewezen op grond van de Europese Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied van deze gebieden zijn de habitattypen en -soorten opgenomen waarvoor het gebied is aangewezen. Stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming dient de invloed van deze uitbreiding, met name de stikstofdepositie, ter plaatse van nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden vastgesteld. Het beoordelen van de stikstofdepositie heeft tot doel om vast te stellen in welke mate het project dan wel de activiteiten bijdragen aan de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige Natura 2000gebieden. Voor het plan is één zogeheten Aerius berekening voor de gebruiksfase in de gewenste situatie uitgevoerd, sinds 1 juli 2021 is ingevolge de Wet stikstofreductie en natuurverbetering is het beoordelen van de aanlegfase niet aan de orde. In de gebruiksfase is sprake van vervoersbewegingen tussen de bedrijfslocatie en de werklocaties, vervoersbewegingen van bezoekers en intern transport op het buitenterrein. Deze zijn verwerkt in de bronnen 1 tot en met 3. Voor de berekening is het reguliere verkeer afgeleid uit het akoestisch onderzoek. Voor de activiteiten op het buitenterrein is de bron laden/lossen toegevoegd waarin een vrachtwagen en een heftruck/minikraan zijn opgenomen.
Figuur 12: Emissiegegevens gebruiksfase
De bij de berekening behorende rekenbladen zijn als bijlage bij deze onderbouwing gevoegd, alsmede een overzicht van de vervoersbewegingen en de bedrijfsduur van mobiele werktuigen op de bedrijfslocatie zelf. De berekeningen laten zien dat zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol N/ha/jr. Voor de gewenste wijzigingen is geen vergunning vanuit de Wet natuurbescherming nodig.
3.3.2
Natuurnetwerk Nederland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland van provincie Gelderland is de begrenzing van gebieden die behoren bij het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het Gelders Natuurwetwerk opgenomen. Uit deze informatie blijkt dat de locatie van Vlijm Zand en Grint geen onderdeel uitmaakt van het NNN of het Gelders Natuurnetwerk. Zie ook onderstaande verbeelding.
-7-
Afbeelding 3: Ligging gebieden NNN
Het voornemen van Vlijm Zand en Grint is niet gelegen in het NNN of het Gelders Natuurnetwerk. Ook de uitbreiding heeft leidt niet tot oppervlakte verlies van deze gebieden.
-8-
4.
KENMERKEN VAN HET POTENTIËLE EFFECT Het al dan niet voldoen aan verschillende randvoorwaarden en uitgangspunten is bepalend voor de vraag of een project ook daadwerkelijk uitvoerbaar is en of een milieueffectrapportage opgesteld dient te worden. In het vervolg van dit hoofdstuk volgt een verantwoording van de effecten van relevante milieuhygiënische aspecten die (mogelijk) van toepassing zijn op de veranderingen (lees: wijzigingen binnen de inrichting via een revisie omgevingsvergunning). Hieronder wordt ingegaan op milieueffecten voor de volgende aspecten: Geluid; Luchtkwaliteit; Bodem- en grondkwaliteit; Gevaarlijke stoffen en afvalstoffen; Milieuhinder / externe veiligheid.
4.1
Geluid Door de toename van vervoersbewegingen van en naar de inrichting wijzigt de geluiduitstraling naar de omgeving. In een worst-case scenario zullen op een dag 17 voertuigen de inrichting bezoeken. Deze toename is getoetst aan het verkeersbeleid van gemeente Elburg en provincie Gelderland. Gemeente Elburg Door de geplande wijzigingen worden geen geluidgevoelige object toegevoegd. Verkeerslawaai is geen aandachtspunt. Een uitbreiding van het machinepark is niet aan de orde. Tevens is in een nieuw akoestisch onderzoek uitgevoerd door Adviesbureau Van der Boom. Hieruit blijkt dat aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening, in combinatie met de milieuzonering, wordt voldaan. Ook de eisen van het Activiteitenbesluit worden niet overschreden. Provincie Gelderland Enkele parkeergelegenheden voor bezoekers worden op het eigen terrein aangelegd, deze worden afgeschermd door de keerwanden voor de opgeslagen stoffen. Het eigen materieel wordt in de bedrijfsloods gestald. Op de locatie is voldoende ruimte aanwezig voor het manoeuvreren van de transportmiddelen. De ontsluiting van de projectlocatie vindt plaats via de Zuiderzeestraatweg West. Dit betreft een provinciale weg, de N310. Het voornemen is voorgelegd aan provincie Gelderland als wegbeheerder met het verzoek te beoordelen of de ontsluiting op de provinciale weg nadere aandacht behoeft.
Provincie Gelderland heeft aangegeven geen bezwaren te zien tegen het initiatief. Ten aanzien van de geluidsemissie ontstaan geen significante negatieve effecten naar de omgeving.
4.2
Luchtkwaliteit Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit (opgenomen als hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer in werking getreden en sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer. In de Wet luchtkwaliteit zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor luchtverontreinigende stoffen in het de buitenlucht. Met name de stoffen stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM10) worden beleidsmatig relevant geacht. Indien kan worden aangetoond dat In deze paragraaf wordt ingegaan op de gevolgen van de veranderingen voor luchtkwaliteit. In eerste instantie wordt beoordeeld of het project ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer een project kan worden aangemerkt als NIBM, zijn geen nadelige effecten ten aanzien van de luchtkwaliteit aanwezig. Om een beoordeling te maken of de bedrijfsactiviteiten onder de beoordeling van NIBM vallen, zijn de vervoersbewegingen opgenomen in de NIBM-Tool. De emissie van NO2 en PM10 is toe te schrijven aan de verkeersbewegingen van en naar de inrichting. De vervoersbewegingen, zoals opgenomen in de tabel in paragraaf 3.3.1, komen overeen met maximaal 34 bewegingen op een dag. Het aandeel vrachtverkeer, inclusief landbouwwerktuigen, is op 38% vastgesteld. Met de NIBM-Tool van InfoMil, laatste versie 6 april 2021, wordt een worst-case scenario getoetst.
Onderstaande tabel geeft de weergave weer van de NIBM-Tool voor de gewenste situatie van Vlijm Zand en Grint.
Afbeelding 4: NIBM-Tool InfoMil (versie 06-04-2021) Uit de NIBM-Tool blijkt dat de toename van verkeer niet leidt tot een overschrijding van de NIBM ondergrens van 1,2 µg/m3 voor NO2 en PM10 emissies. Hiermee is aangetoond dat de toename van het verkeer naar Vlijm Zand en Grint niet leidt tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.3
Bodem- en grondkwaliteit Van de locatie niets bekend over voormalige bodembedreigende activiteiten. Op basis van de regionale bodemkwaliteitskaart valt de bouwlocatie onder de kwaliteit achtergrondwaarde. In het kader van de omgevingsvergunning “bouwen” is een bodemonderzoek ook niet noodzakelijk. Met betrekking tot de bodemkwaliteit levert de bouw van een machineberging en vergroting van het bestemmings- en bouwvlak dan ook geen belemmeringen op. Bij de uitvoering van de werkzaamheden worden voldoende maatregelen getroffen om bodemverontreiniging te voorkomen. Hiervoor zijn de eisen uit het Activiteitenbesluit van toepassing. Voor de start van de werkzaamheden wordt beoordeeld of kabels en/of leidingen aanwezig zijn. Hiervoor wordt informatie opgevraagd bij het Kabels en Leidingen Informatie Centrum. De gewenste ontwikkeling leidt niet tot een nieuwe of gewijzigde activiteiten die kunnen leiden tot bodemverontreiniging.
4.4
Gevaarlijke stoffen en afvalstoffen De voorgenomen wijziging leiden niet tot de opslag van aanzienlijke hoeveelheden van gevaarlijke (afval)stoffen.
4.5
Milieuhinder Het perceel aan de Zuiderzeestraatweg West 109/109a te Doornspijk is in de beheersverordening Elburg 2013 – meerdere locaties aangewezen voor ‘Agrarisch gebied’. De gewenste activiteiten zijn getoetst aan bijlage 1 van de VNG brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’, waarin activiteiten gekoppeld zijn aan een milieucategorie. Uit deze bijlage blijkt dat de beschrijving ‘Dienstverlening aan de landbouw’ overeenkomt met de gewenste ontwikkeling. In onderstaande tabel zijn de gegeven uit de bijlage opgenomen:
- 10 -
1
10
1G
1
-
LUCHT
3.1
BODEM
50
VISUEEL
10 50
VERKEER
30
CATEGORIE
016
INDICES
GROOTSTE AFSTAND
014
GEVAAR
Dienstverlening t.b.v. de landbouw > 500 m2
GELUID
-
AFSTANDEN IN METERS
STOF
-
OMSCHRIJVING
GEUR
SBI2008
nummer
SBI1993
-
De milieucategorie van het inzamelen van afvalstoffen is gesteld op 3.1, met de grootste afstand van 50 meter ten aanzien van geluid. De afstand van de gewenste bedrijfsactiviteiten naar de meest nabijgelegen woningen aan de Zuiderzeestraatweg West 111 bedraagt circa 45 meter. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat (ruimschoots) aan de eisen van het Activiteitenbesluit worden voldaan. Tenslotte vindt de uitbrieding plaats in tegengestelde richting ten opzichte van de bedrijfswoning aan de Zuiderzeestraatweg West 111.
4.6
Externe veiligheid Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico biedt burgers in hun woonomgeving een minimum beschermingsniveau tegen gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico heeft een oriënterende waarde en voor het plaatsgebonden risico geldt een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) (stb. 250, 2004) wordt een verantwoordingsplicht (door de overheid) voor het groepsrisico rond inrichtingen wettelijk geregeld (artikel 13). De verantwoording houdt in dat wordt aangegeven of risico’s acceptabel zijn en welke maatregelen worden genomen om de risico’s te verkleinen. In de omgeving van het plangebied zijn geen mobiele of stationaire bronnen. Ten aanzien van het groepsrisico kan gesteld worden dat onderhavig plan niet voorziet in de realisatie van een nieuw kwetsbaar object. Het groepsrisico blijft dan ook ongewijzigd en hoeft daarom niet nader verantwoord te worden.
Aangezien er op de bedrijfslocatie niet met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt behoeft het plaatsgebonden risico ook niet nader verantwoord te worden.
- 11 -
5.
CONCLUSIE In opdracht van Vlijm Zand en Grint heeft Cumela Advies B.V. voor de herbestemmen en uitbreiden van de locatie aan de Zuiderzeestraatweg West 109/109a te Doornspijk onderzocht of in dit geval bijzondere omstandigheden aanwezig zijn, waaruit zal moeten blijken of een MER moet worden opgesteld. De kenmerken van de activiteit De uitvoering van de bedrijfsactiviteiten heeft geen bijzondere kenmerken: de activiteiten vinden plaats op een voormalige agrarisch bedrijf ten zuiden van Doornspijk. De bedrijfsactiviteiten omvatten de stalling van materieel en de opslag van bouw- en hulpstoffen. Ten aanzien van de milieuaspecten treden geen significantie nadelige gevolgen op ten opzichte van de bestaande situatie. De risico’s op ongevallen worden door maatregelen en systemen beheersbaar gehouden. De technologie, voorzieningen en maatregelen zijn bekend en toegepast. Deze vereisen geen hoogtechnologische input en zijn betrouwbaar. De plaats van de activiteit Voor de gewenste bedrijfsactiviteiten is een wijziging van het bestemmingsplan aangevraagd. Negatieve effecten op gevoelige (natuur-)gebieden wordt uitgesloten. De kenmerken van het potentiële effect In de context van de aanvraag omgevingsvergunning is ingezoomd op milieuaspecten, die in deze notitie zijn aangehaald.
Voor de beschouwde milieuaspecten is naar voren gekomen dat de bedrijfsactiviteiten geen onaanvaardbare effecten hebben op de omgeving. Conclusie Gezien de beschreven effecten en de verrichte onderzoeken als onderdeel van de aanvraag van de omgevingsvergunning, heeft het opstellen van een MER geen meerwaarde. Gelet op het bereik en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en het daarmee samenhangende resultaat en in het licht van de resultaten van de uitgevoerde milieuonderzoeken, is het niet noodzakelijk is om een milieueffectrapport op te stellen.
- 12 -