4. Nota waardering en afschrijving 2025-2028
Tekst van het document
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
Inhoudsopgave 1.
Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Inhoud 1.3 Wettelijk kader
3 3 3 3
2.
Activeren van investeringen 2.1 Activeren 2.1.1 Immateriële vaste activa 2.1.2 Materiele vaste activa 2.1.3 Financiële vaste activa 2.2 Onderhoud en investeringen 2.3 Ondergrens voor investeringen
4 4 4 5 6 7 7
3.
Waardering van geactiveerde investeringen 3.1 Immateriële- en materiële vaste activa 3.2 Financiële vaste activa 3.3 Vlottende activa 3.4 BTW 3.5 Duurzame waardeverminderingen van vaste activa 3.6 Desinvesteringen vaste activa
8 8 8 8 9 9 9
4.
Afschrijvingsmethode en toepassing 4.1 Afschrijvingsmethode 4.2 Afschrijvingstermijnen 4.3 Moment van afschrijving 4.4 Restwaarde investeringen 4.5 Extra afschrijven
10 10 10 11 11 12
5.
Rentetoerekening 5.1 Rentetoerekening algemeen 5.2 Rentetoerekening bouwgrondexploitatie
13 13 13
6.
Beleidsuitgangspunten
14
Bijlagen 1. Begrippenlijst 2. Afschrijvingstermijnen materiële vaste activa
16 16 18
Blad: 1
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
Blad: 2
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
1. Inleiding 1.1 Aanleiding Voor u ligt de nota waardering en afschrijving 2025 - 2028. Deze nota is een nadere uitwerking van het financiële beleid rondom de waardering en afschrijving van vaste activa, zoals opgenomen in de Financiële verordening gemeente Elburg. De doelstelling van deze nota is het formuleren van beleid en vastlegging van uniforme regels ten aanzien van investeringen. Door vernieuwingen van het Besluit Begroting en Verantwoording (hierna te noemen BBV) is het wenselijk om het beleid omtrent investeringen met enige regelmaat te herzien. Op basis van artikel 11 van de financiële verordening biedt het college de raad 4-jaarlijks een bijgestelde nota aan. Uitgangspunt is dat deze geactualiseerde nota in 2024 door de gemeenteraad wordt vastgesteld en per 1 januari 2025 in werking treedt. Vervolgens zal de nota uiterlijk vóór 1 januari 2029, of eerder indien wet- en regelgeving dit vereist, opnieuw worden geactualiseerd.
1.2 Inhoud In de nota waardering en afschrijving wordt ingegaan op: ▪ Activeren van investeringen ▪ Waarderen van activa ▪ Afschrijven van activa ▪ Rentetoerekening ▪ Beleidsvoornemens en –kaders Tevens zijn twee bijlagen opgenomen. Een bijlage ter verduidelijking, middels een begrippenlijst, en een bijlage met afschrijvingstermijnen voor activa in de gemeente Elburg. Ons college kan, indien daar een gegronde reden voor is, in individuele gevallen afwijken van de nota waardering en afschrijving. Eventuele afwijkingen (afschrijvingsmethode of afschrijvingstermijn) worden tezamen met het investeringsvoorstel ter goedkeuring voorgelegd aan de raad.
1.3 Wettelijk kader Deze nota is primair bedoeld als instrument voor de kaderstellende rol van de raad. Deze nota vormt daardoor het formele kader waarbinnen het college en de ambtelijke organisatie met investeringen en afschrijvingen dienen om te gaan. Het wettelijk kader bestaat uit de Gemeentewet (artikel 212) en het BBV. Een substantieel deel van het investeringsbeleid is vastgelegd in deze wet- en regelgeving. Echter op bepaalde punten is sprake van beleidsvrijheid voor gemeenten. Indien hiervan sprake is dan zijn in deze nota aanvullende spelregels/afspraken opgenomen. Kort samengevat draagt deze nota bij tot: • Een eenduidige verwerking van investeringen en afschrijvingen; • Het maken van afspraken over de te volgen procedure om investeringen uit te voeren; • Het verkrijgen van inzicht in het verloop van investeringen; • Het voorkomen van grote schommelingen in afschrijvings- en rentekosten.
Blad: 3
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
2. Activeren van investeringen 2.1 Activeren Activeren is het als bezitting op de balans opnemen van aangeschafte of vervaardigde zaken die langer dan één jaar tot de beschikking van onze gemeente staan. In het BBV zijn verschillende regels (artikelen 33 t/m 36 en 59 t/m 65) opgenomen over waardering, activeren en afschrijven. Enkele regels zijn algemeen, maar er zijn ook specifieke regels die gelden voor de verschillende categorieën vaste activa. In het BBV [artikel 33] wordt bij de vaste activa onderscheid gemaakt in: 1. Immateriële vaste activa 2. Materiële vaste activa 3. Financiële vaste activa Voor deze onderdelen gelden verschillende regels bij het al dan niet activeren. 2.1.1. Immateriële vaste activa Immateriële vaste activa zijn die vaste activa waar geen fysieke bezittingen tegenover staan. Immateriële vaste activa komen slechts in uitzonderlijke gevallen voor. Op basis van artikel 34 van het BBV bestaande immateriële vaste activa uit: Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio; Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief; Bijdragen aan activa in eigendom van derden. a.
Kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio. Kosten voor het afsluiten van geldleningen en disagio worden direct ten laste van de exploitatie gebracht en worden dus niet geactiveerd. Agio wordt direct ten gunste van de exploitatie gebracht. Dit is tevens wat vanuit het BBV wordt aanbevolen. Uitgangspunt 1: De kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. b.
Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief. Geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling kunnen, conform artikel 60 van het BBV, lineair worden afgeschreven als ze aan de volgende voorwaarden voldoen: 1. Het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen; 2. De technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien staat vast; 3. Het actief zal in de toekomst economisch of maatschappelijk nut genereren; 4. De uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen kunnen betrouwbaar worden vastgesteld. Kosten mogen alleen op basis van al deze voorwaarden worden geactiveerd en moeten vervolgens in maximaal 5 jaar worden afgeschreven. Het is dus van belang dat het daadwerkelijk om kosten ter voorbereiding van een investering gaat. Dat betekent dat deze voorbereidingskosten in de betreffende investeringsbegroting worden meegenomen. Als niet aan de hiervoor genoemde verplicht gestelde voorwaarden wordt voldaan, mogen de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor plannen niet geactiveerd worden maar moeten deze in één keer ten laste van de exploitatie worden gebracht. Deze voorwaarden betekenen dat dergelijke kosten alleen geactiveerd mogen worden als de plannen voor het actief waarvoor de kosten gemaakt worden al redelijk omlijnd zijn, de plannen uitvoerbaar zijn en de kosten in te schatten zijn.
Als niet aan de hiervoor genoemde verplicht gestelde voorwaarden wordt voldaan mogen de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor plannen niet worden geactiveerd, maar moeten deze in één keer ten laste van de exploitatie worden gebracht. Voorbeelden hiervan zijn: opstellen bestemmingsplannen, structuurvisie en reorganisaties.
Blad: 4
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
Het activeren van voorbereidingskosten voor grondexploitaties als kosten van onderzoek en ontwikkeling onder de immateriële vaste activa is toegestaan onder de volgende voorwaarden: 1. 2.
3.
de kosten moeten passen binnen de kostensoortenlijst Wro (Wet ruimtelijke ordening)/Bro (Basisregistratie ondergrond); en de kosten mogen maximaal 5 jaar geactiveerd blijven staan onder de immateriële vaste activa; na maximaal 5 jaar moeten de kosten hebben geleid tot een actieve grondexploitatie en kunnen dan worden overgeboekt naar de desbetreffende bouwgrond in exploitatie, dan wel worden afgeboekt ten laste van het jaarresultaat; en plannen tot ontwikkeling van de grond waarvoor de voorbereidingskosten worden gemaakt, moeten bestuurlijke instemming hebben, blijkend uit een raadsbesluit.
Uitgangspunt 2: Kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden direct ten laste van de exploitatie gebracht of – indien activeerbaar – in maximaal 5 jaar afgeschreven. c.
Bijdragen aan activa in eigendom van derden.
De gemeente ondervindt van “bijdragen aan activa in eigendom van derden” geen baten en kan ook niet over de investering beschikken, zolang de betreffende derde zich aan de overeenkomst houdt. Het activeren van deze bedragen draagt niet bij aan een correct inzicht in de vermogenspositie van de gemeente. Elburg activeert in beginsel daarom geen activa in eigendom van derden. Uitzonderingen in geval van bijzondere projecten met grote bedragen worden in een raadsvoorstel onderbouwd. Er moet dan wel aan de volgende voorwaarden zijn voldaan (conform art. 61 BBV): - Er is sprake van een investering door een derde; - De investering draagt bij aan de publieke taak; - De derde heeft zich verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen; - De bijdrage kan worden teruggevorderd als de derde in gebreke blijft of de gemeente kan anders recht doen gelden op activa die samenhangen met de investering. De afschrijvingstermijn voor een dergelijke bijdrage kan gelijkgesteld worden aan de termijn waarop de gemeente een dergelijke investering zelf zou afschrijven. Uitgangspunt 3: De gemeente activeert in het beginsel geen activa in eigendom van derden. 2.1.2 Materiële vaste activa Materiële vaste activa zijn investeringen met een (meerjarig) economisch nut of investeringen met een maatschappelijk nut in de openbare ruimte.
Alle materiële vaste activa moeten worden geactiveerd. Een uitzondering op deze regel vormen de kunstvoorwerpen met cultuurhistorische waarde (bijvoorbeeld een schilderij van een beroemd kunstenaar): Deze investeringen worden niet geactiveerd. Volgens artikel 35 van het BBV worden de materiële vaste activa onderscheiden in drie groepen, die ook afzonderlijk op de balans moeten worden opgenomen: • Investeringen met een economisch nut; • Investeringen met een economisch nut waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; • Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Investeringen met een economisch nut Bepalingen op het gebied van activering van investeringen met een economisch nut: a. Alle investeringen met een economisch nut worden geactiveerd [BBV, artikel 59, lid 1]. b. Directe kosten van software worden geactiveerd [uitspraak BBV] . c. Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief worden in mindering gebracht op de investering. Deze netto-methode is verplicht voor alle investeringen. [BBV, artikel 62, lid 2] . Toelichting: a] Deze investeringen zijn verhandelbaar en/of kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Voorbeelden hiervan zijn investeringen in gebouwen en vervoermiddelen.
Een deel van de gemeentelijke investeringen heeft een economische waarde omdat gemeenten prijzen en tarieven voor diensten kunnen vragen, waardoor deze verkocht kunnen worden of rendabel kunnen zijn. Voorbereidingskosten vormen één geheel met de kosten die tot de investering worden gerekend. Wanneer er na de voorbereiding alsnog besloten wordt niet te investeren komen deze voorbereidingskosten ten laste van de exploitatie. Investeringen op het terrein van afvalinzameling en -verwerking en riolering behoren tot de groep waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing wordt geheven.
Blad: 5
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
b] Op grond van het BBV worden de kosten voor aanschaf hardware (computers, schermen, servers), aanschaf (besturings)software en gebruikersrechten voor onbepaalde tijd, geactiveerd. Alle andere kosten op het gebied van I&A worden direct ten laste van het exploitatiebudget gebracht. c] Het in mindering brengen van bijdragen van derden is alleen toegestaan als een directe relatie aanwezig is met het specifieke actief. Dus bijvoorbeeld een rijks- of provinciale bijdrage voor de aanleg of inrichting van het actief. Niet toegestaan is de verrekening van een bijdrage met een algemene strekking op een bepaald gebied. Componentenbenadering De componentenbenadering houdt in dat de verschillende onderdelen van een actief afzonderlijk worden geactiveerd en dat op deze onderdelen wordt afgeschreven op basis van de voor dat onderdeel geldende gebruiksduur. De commissie BBV heeft de aanbeveling gedaan de componentenbenadering en de daarbij horende opsplitsing van activa in verschillende componenten in de activa-administratie uit praktische overwegingen te beperken. Binnen de gemeente Elburg wordt de componentenmethode onder voorwaarden toegepast. Uitgangspunt hierbij is wel dat de componenten zinvol en eenduidig te onderscheiden zijn.
➔Uitgangspunt 4: Investeringen in bedrijfsgebouwen met een economisch nut worden gesplitst geactiveerd en vervolgens wordt de afschrijving hierbij ook als volgt gesplitst: ▪ Grondkosten ▪ Gebouwen ▪ Technische installaties, verwarming en verlichting ▪ Inventaris Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut Dit betreffen investeringen in de openbare ruimte, zoals wegen, bruggen en openbaar groen. Deze investeringen genereren geen middelen en er is geen markt voor. Het BBV bepaalt – in artikel 95 lid 1 – dat er geen keuze meer is om deze investeringen wel of niet te activeren. Activeren en vervolgens daarop afschrijven is nu een plicht. Een uitzondering hierop zijn kunstwerken met cultuurhistorische waarde (bijvoorbeeld een schilderij). ➔Uitgangspunt 5: Investeringen met een maatschappelijk nut worden geactiveerd en afgeschreven op basis van de te verwachten levensduur. 2.1.3. Financiële vaste activa Financiële vaste activa zijn volgens het BBV (art. 36): a. Kapitaalverstrekkingen aan deelnemingen, gemeenschappelijke regelingen en overige verbonden partijen b. Leningen aan openbare lichamen, woningbouwcorporaties, deelnemingen en overige verbonden partijen c. Overige langlopende geldleningen d. Uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer e.
Uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer f. Overige uitzettingen met een rente typische looptijd van één jaar of langer Deze activa vertegenwoordigen een financiële waarde of een bezit (aandelenkapitaal). Financiële vaste activa moeten altijd worden geactiveerd, maar worden – gezien hun aard (waardevastheid) – niet afgeschreven. Wel kan de waarde wijzigen doordat bijvoorbeeld op de leningen wordt afgelost.
Blad: 6
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
2.2 Onderhoud en investeringen De commissie BBV heeft de stellige uitspraak gedaan dat de kosten van (klein en groot) onderhoud niet levensduur verlengend zijn en dus niet mogen worden geactiveerd. Klein onderhoud betreft regelmatig voorkomend onderhoud (kort cyclisch onderhoud) van beperkte omvang. Groot onderhoud (lang cyclisch onderhoud) moet de garantie bieden op een technisch goede en veilige staat van de objecten tijdens de levensduur. Levensduur verlengend onderhoud impliceert het intreden van een nieuwe levensfase van een object. De commissie BBV heeft aangegeven dat de kosten van klein onderhoud in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie moeten komen. Kosten van het wegwerken van achterstallig onderhoud dienen altijd ineens ten laste van de exploitatie te worden gebracht. De kosten van groot onderhoud zijn op twee wijzen te verwerken. Het is mogelijk om de kosten in het jaar van uitvoering direct ten laste van de exploitatie te brengen, met eventuele vrijval via resultaatbestemming van een daartoe gevormde reserve. Daarnaast kunnen de kosten in het jaar van uitvoering ten laste komen van een vooraf gevormde voorziening [BBV artikel 44 lid 1c]. Deze voorziening dient wel aan een aantal strikte eisen te voldoen. Een voorziening groot onderhoud mag alleen worden gevormd op basis van een actueel beheerplan welke financieel vertaald is.
In het BBV wordt in het geval van achterstallig onderhoud een uitzonder ing gemaakt: Wanneer er in geval van achterstallig onderhoud, sprake is van kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties, moet er op basis van artikel 44 lid 1a BBV alsnog een voorziening voor het volledige bedrag gevormd worden. In 2024 zijn voor alle gebouwen actuele beheerplannen opgesteld. Het grote aantal gebouwen is onderverdeeld in vijf categorieën: 1. Gemeentelijke gebouwen 2. Gemeentelijke monumenten 3. Dorps- en gemeenschapshuizen 4. Zwembad De Hokseberg 5. Haven Elburg Iedere voorziening heeft een structurele gelijkblijvende voeding (de egalisatie). ➔Uitgangspunt 6: • Alle kosten voor groot onderhoud worden, op basis van een meerjarig onderhoudsplan, direct ten laste gebracht van de ingestelde voorziening. • Voor achterstallig onderhoud aangaande kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties moet een voorziening worden gevormd. Overig achterstallig onderhoud komt ten lasten van de exploitatie. Wanneer het uitgevoerde onderhoud aangemerkt kan worden als een levensduur verlengende renovatie of kan worden aangemerkt als een (vervangings)investering in de openbare ruimte welke het gebied een vernieuwende functie geeft, dan mogen deze kosten worden aangemerkt als een investeringen en mogen deze kosten worden geactiveerd en afgeschreven (reconstructies of herinrichtingen).
2.3 Ondergrens voor investeringen Om administratieve redenen is het niet praktisch om kleine investeringen te activeren, uitgezonderd gronden en terreinen. Investeringen in gronden en terreinen dienen altijd geactiveerd te worden. De investeringen die niet voor activering in aanmerking komen, worden in één keer ten laste van de exploitatie in het lopende jaar gebracht. De commissie BBV doet de aanbeveling vanuit efficiency -oogpunt een minimale omvang voor het activeren van vaste activa te hanteren. Hiermee worden extra administratieve handelingen voorkomen. Investeringen welke niet worden geactiveerd, worden in één keer als last genomen in de exploitatie, op het moment van levering van het actief. Het totale jaarbedrag van diverse kleine vervangingen (niet zijnde onderhoud) kunnen als één investering beschouwd worden, wanneer de totale kosten bij elkaar opgeteld hoger zijn dan € 25.000. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het inkopen van meerdere audiovisuele apparatuur (tv-schermen met pc’s in raadszaal en vergaderzalen) of het vervangen van een groter aantal werkplekken (bureaus met computers). Voor het activeren van investeringen is het verstandig om voorwaarden in te stellen. In Elburg hanteren we vanaf 2025 een minimum verkrijgingsprijs van € 25.000.
➔Uitgangspunt 7: Voor het activeren van investeringen moet aan de volgende voorwaarde worden voldaan: ▪ De investering heeft een verkrijgingsprijs van minimaal € 25.000 ▪ De investering heeft een gebruiksduur van minimaal 3 jaar
Blad: 7
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
3. Waardering van geactiveerde investeringen Voor de waardering van immateriële en materiële vaste activa gelden eenduidige regels. Het gaat hierbij om de waardering van balansposten (bezittingen) om een reëel beeld te krijgen van de vermogenspositie van de gemeente. Het BBV geeft strikte regels voor de waardering van activa. Hiermee wordt voorkomen dat financiële resultaten kunnen worden beïnvloed en anderzijds wordt bereikt dat de financiële gegevens in de loop der tijd vergelijkbaar blijven.
3.1 Immateriële- en materiële vaste activa In het BBV [artikel 63, lid 1] is bepaald dat activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs of de vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs bestaat volgens het BBV uit de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs bestaat uit de aanschafkosten en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Rente wordt niet aan de vervaardigingsprijs toegerekend . Uitgangspunt 8: Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Rente wordt niet geactiveerd. Een andere belangrijke regel voor de waardering is opgenomen in artikel 64 van het BBV. Daarin is bepaald dat afschrijvingen niet afhankelijk mogen zijn van het resultaat in een boekjaar. Er moet dus worden afgeschreven volgens de vastgestelde methodiek van afschrijven.
3.2 Financiële vaste activa Op grond van het BBV moeten alle financiële activa, met uitzondering van bijdragen aan activa in eigendom van derden, tegen de nominale waarde worden gewaardeerd en op de balans worden verantwoord. Voor de bijdragen aan activa in eigendom aan derden geldt dat deze tegen de historische kostprijs worden gewaardeerd. Bij dit besluit is voorts expliciet besloten ook voor deelnemingen de verkrijgingsprijs te blijven hanteren. Reden hiervoor is dat gemeenten deelnemingen uitsluitend mogen hebben vanwege de publieke taak. De intrinsieke waarde is daarom niet van belang; verkoop is immers meestal niet aan de orde. Uitgangspunt 9: Financiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de nominale waarde.
3.3 Vlottende activa Onder de vlottende activa worden afzonderlijk opgenomen de voorraden, de uitzettingen met een rentetypische looptijd korter dan één jaar, de liquide middelen en de overlopende activa. Één van de onderdelen van de vlottende activa betreft het onderdeel ‘voorraden’ (artikel 38) . In de balans worden onder de voorraden afzonderlijk opgenomen: a. Grond- en hulpstoffen gespecificeerd naar 1. Niet in exploitatie genomen bouwgronden 2. Overige grond- en hulpstoffen b. Onderhanden werk, waaronder bouwgronden in exploitatie c. Gereed product en handelsgoederen d. Vooruitbetalingen Zolang gronden nog geen onderdeel uitmaken van een bouwgrondcomplex in exploitatie (onderhanden werk), staan deze op de balans onder de materiële vaste activa (MVA) als ‘strategische gronden’. Het toerekenen van rente en alle andere kosten is niet toegestaan voor gronden die (nog) niet in exploitatie zijn genomen. ➔Uitgangspunt 10: Niet in exploitatiegenomen gronden worden gewaardeerd als strategische gronden onder de noemer ‘materiële vaste activa’. ➔Uitgangspunt 11: Aan strategische gronden worden geen rente en andere kosten toegerekend.
Blad: 8
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
3.4 BTW Bij facturen voor diensten of leveringen van derden wordt BTW in rekening gebracht. Het merendeel van deze in rekening gebrachte BTW is compensabel (op basis van het BTW -compensatiefonds) dan wel verrekenbaar met de belastingdienst, wanneer het een zogenaamde ondernemersactiviteit betreft. Deze BTW is daarmee voor de gemeente geen last en dient dus ook niet tot de verkrijgings - of vervaardigingsprijs gerekend te worden. In die gevallen dat de BTW slechts deels of in het geheel niet kan worden gecompenseerd of verrekend, wordt de BTW voor de gemeente wel een last. In die situaties wordt die BTW (of dat deel ervan) wel tot de verkrijgingsprijs - of vervaardigingsprijs gerekend. ➔Uitgangspunt 12: Niet-compensabele en/of niet-verrekenbare BTW wordt opgeteld bij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs.
3.5 Duurzame waardeverminderingen van vaste activa In de loop van de tijd kan de waarde van een actief zijn veranderd ten opzichte van de boekwaarde ervan op de balans. Herwaardering van activa naar een hogere waarde is niet toegestaan. Winst op een actief mag pas bij de realisatie van die winst (dus bijvoorbeeld bij verkoop) worden genomen. Afwaardering van activa wordt in de meeste gevallen eveneens niet toegestaan; waardering geschiedt immers tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden zijn bijzondere waardeverminderingen wel toegestaan, dan wel verplicht. Het betreft hier waardeverminderingen als gevolg van wijzigingen in de levensduur als gevolg van schade of milieuvervuiling en wijziging van de bestemming of de functie van het vastgoed. Een duurzame waardevermindering moet wel worden verwerkt in de balans: Dit kan bijvoorbeeld via een tijdelijke voorziening waardevermindering, zodat waardeherstel mogelijk blijft. Wanneer de duurzame waardevermindering definitief genomen is middels een extra afschrijving, dan is er bij een eventueel later waardeherstel geen mogelijkheid meer om de boekwaarde te vermeerderen. Deze afschrijving vindt onafhankelijk van het resultaat plaats.
Daarnaast is bepaald dat een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. Ten slotte wordt bij vervanging van een niet (compleet) afgeschreven investering het restant van de boekwaarde afgeboekt op het moment van vervanging. ➔Uitgangspunt 13: Duurzame waardeverminderingen van activa worden verwerkt in de balans middels een extra afschrijving. ➔Uitgangspunt 14: Indien een actief buiten gebruik wordt gesteld, wordt deze afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. ➔Uitgangspunt 15: Bij vervanging van een niet (compleet) afgeschreven investering wordt het restant van de boekwaarde afgeboekt op het moment van vervanging.
3.6 Desinvesteringen vaste activa Wanneer een actief daadwerkelijk wordt bestemd voor verkoop dan moet overboeking plaatsvinden naar de voorraden. Een eventueel verkregen opbrengst wordt als incidentele baat verantwoord in de jaarrekening. Indien het object nog een boekwaarde heeft, dan dient deze boekwaarde geheel afgeboekt te worden. Dit is een incidentele last in de jaarrekening. De verkoopopbrengst en het afboeken van de boekwaarde worden beide afzonderlijk verantwoord en mogen niet met elkaar worden verrekend. De verkoopopbrengst mag ook niet worden verrekend met de aanschafwaarde van een eventueel vervangingsobject.
Blad: 9
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
4. Afschrijvingsmethoden en toepassing 4.1 Afschrijvingsmethode Het gebruik van vaste activa strekt zich uit over meerdere jaren. Door technische slijtage of economische verouderingen daalt de waarde. Het zichtbaar maken van deze waardevermindering in de jaarlijkse exploitatie wordt afschrijven genoemd. De hoogte van de afschrijving wordt bepaald door de economische gebruiksduur en de wijze van afschrijven en mag niet worden beïnvloed door het resultaat in enig jaar. Er bestaan verschillende methoden van afschrijven. Het BBV laat de gemeenten vrij in de keuze van een methode. De meest voorkomende methoden bij gemeente zijn: • Lineair; • Annuïtair. Lineaire methode Bij de lineaire afschrijvingsmethode wordt jaarlijks een vast percentage van de aanschafwaarde afgeschreven. Hierdoor daalt de boekwaarde van het actief jaarlijks met eenzelfde bedrag. De toegerekende rentelasten aan het activum dalen bij deze methode naarmate de jaren verstrijken, doordat de boekwaarde telkens afneemt. De totale kapitaallasten (afschrijving en toegerekende rente) dalen dus ook. Over de gehele looptijd geeft de lineaire methode een lagere totale financiële last dan de annuïteitenmethode. Annuïteitenmethode Bij de annuïteitenmethode vormen de afschrijving met de rente over het geïnvesteerde vermogen tezamen gedurende de looptijd een jaarlijks vast bedrag.
Het bezwaar van deze methode is de relatief lage afschrijving in de eerste jaren, terwijl de waardedaling van vaste activa zich met name in de beginjaren voordoet. Dit kan leiden tot een te hoge balanswaardering van die activa in de beginjaren na verkrijging. Het voordeel van de annuïteitenmethode is dat jaarlijkse kapitaallasten gelijkblijvend zijn zolang het rentepercentage niet wordt gewijzigd. De gemeente Elburg hanteert in beginsel de lineaire methode. Bij een kredietaanvraag kan hiervan worden afgeweken worden. In dit geval moet deze afwijking expliciet benoemd en onderbouw d worden in het raadsvoorstel. Er bestaat een uitzondering. Bij investeringen waarvoor een jaarlijkse vergoeding aan derden in rekening wordt gebracht (bijvoorbeeld verhuur) wordt op basis van de annuïteitenmethode afgeschreven. ➔Uitgangspunt 16: De gemeente Elburg hanteert de lineaire methode. Bij gewenste afwijking wordt dit expliciet genoemd in het raadsvoorstel.
4.2 Afschrijvingstermijnen Bij afschrijving op basis van de technische levensduur wordt gekozen voor een afschrijvingsperiode die gelijk is aan de verwachte periode dat de investering technisch bruikbaar is. Afschrijving op basis van de economische levensduur houdt in dat wordt uitgegaan van de verwachte periode dat de investering kan concurreren met gelijksoortige nieuwere productiemiddelen. Bij afschrijving op basis van de functionele levensduur is de periode dat de investering nut oplevert voor de gemeente bepalend voor de afschrijvingstermijn. Op grond wordt niet afgeschreven omdat deze niet aan slijtage onderhevig zijn. De afschrijvingstermijnen moeten consistent worden toegepast en mogen alleen bij gegronde redenen worden aangepast. Voor de meeste voorkomende investeringen zijn de termijnen bepaald en in bijlage 2 zijn deze opgenomen. Indien er bij een voorgenomen investering sprake is van een nieuw, afwijkende afschrijvingstermijnen dan zal dit in het betreffende kredietvoorstel expliciet worden benoemd en gemotiveerd. ➔Uitgangspunt 17: De afschrijvingstermijnen, zoals opgenomen in bijlage 2, worden als basis gehanteerd voor de afschrijving van vaste activa. Bij gewenste afwijking wordt dit expliciet genoemd in het raadsvoorstel.
Blad: 10
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
4.3 Moment van afschrijving De commissie BBV doet de aanbeveling om vast te leggen met het afschrijven van een nieuw kapitaalgoed wordt begonnen. Mogelijke keuzes hierbij: a. Óf in het jaar waarin het kapitaalgoed gereedkomt/verworven wordt en vanaf het moment dat het door de gemeente in gebruik kan worden genomen; b. Óf medio het begrotingsjaar waarin het gereed komt/verworven wordt; c. Óf in het begrotingsjaar dat volgt op het jaar waarin het gereed komt/verworven wordt; d. Óf vanaf het moment van ingebruikname. In de gemeente Elburg is het gebruikelijk om te starten met afschrijven in het begrotingsjaar dat volgt op gereedkoming. ➔Uitgangspunt 18: De afschrijving start in het jaar ná aanschaf of voltooiing van het activum.
4.4 Restwaarde investeringen De restwaarde is de waarde van een activa aan het eind van de gebruikstermijn tegen het huidige prijspeil. Het vertegenwoordigt de schatting tegen het huidige prijspeil van de opbrengstwaarde die na de gebruikstermijn nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het activa. Er wordt bij de bepaling van de restwaarde dus geen rekening gehouden met mogelijke waardeveranderingen vanwege inflatie of deflatie, veranderende marktomstandigheden en dergelijke. Een naar verwachting duurzame waardevermindering wordt overigens op het moment van constatering als verlies genomen. Grond Op grond wordt niet afgeschreven vanwege de permanente restwaarde die daaraan wordt toegekend. Opstallen Bij woningen wordt rekening gehouden met een eventuele restwaarde. Mits een woning of een gebouw goed wordt onderhouden, is er in zijn algemeenheid altijd sprake van een restwaarde. Daarbij moet wel een onderscheid worden gemaakt tussen courante opstallen (voorgesteld wordt uitsluitend van woningen uit te gaan) en incourante opstallen (scholen, sporthal et cetera). Bij courante opstallen (woningen) is het reëel om rekening te houden met een bepaalde restwaarde. Wel is het van belang dat er een onderbouwing ten grondslag ligt aan de restwaarde; deze dient periodiek te worden beoordeeld.
Uitgegaan kan worden van de WOZ -waarde van het object. Het activum wordt afgeschreven tot het niveau van de WOZ-waarde. Indien de WOZ-waarde van een woning hoger ligt dan de boekwaarde, kan het verschil als stille reserve worden aangemerkt en in de toelichting op de balans worden opgenomen. Bij incourante opstallen is de restwaarde onzeker; om die reden verdient het aanbeveling geen rekening te houden met een restwaarde. ➔Uitgangspunt 19: Courante opstallen (o.a. woningen) worden afgeschreven tot het niveau van de WOZ waarde van het object. Bij alle overige opstallen wordt geen rekening gehouden met een restwaarde. Roerende zaken In de huidige situatie wordt over het algemeen geen rekening gehouden met restwaarden bij roerende zaken als vrachtauto’s, meubilair, machines, etc. Ofschoon er argumenten aan te voeren zijn om in bepaalde gevallen dit wel te doen, wordt voorgesteld hiervan af te zien. Redenen zijn: het gaat om beperkte bedragen en de administratieve bewaking van de gecalculeerde restwaarde vraagt onevenredig veel aandacht . ➔Uitgangspunt 20: Bij roerende zaken wordt geen rekening gehouden met een restwaarde. Boekwinst De commissie BBV heeft de stellige uitspraak gedaan dat de boekwinst die wordt gerealiseerd bij het afstoten van een kapitaalgoed als incidentele bate in de jaarrekening moet worden verwerkt.
Deze boekwinst mag niet worden verrekend met de boekwaarde van een actief dat ter vervanging wordt aangeschaft. ➔Uitgangspunt 21: Boekwinst wordt als incidentele bate in de jaarrekening verantwoord.
Blad: 11
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
4.5 Extra afschrijven Het BBV bepaalt dat de afschrijvingen onafhankelijk van het resultaat geschieden. Er moet sprake zijn van een bestendige gedragslijn. Er dienen geen ad hoc beslissingen te worden genomen welke leiden tot versluiering in de kostentoerekening en die een goed tarievenbeleid kunnen doorkruisen. Slechts om gegronde redenen mag worden afgeweken van het vastgestelde beleid. Een dergelijke afwijking moet in de jaarstukken worden toegelicht. Voorbeelden van gegronde redenen zijn: ▪ Nieuw inzicht leidt tot de conclusie dat de resterende functionele levensduur van de investering aanmerkelijk korter is dan de afschrijvingstermijn die op grond van de restant boekwaarde berekend kan worden ▪ De investering is buiten gebruik gesteld, verkocht of vervangen, maar heeft nog wel een balanswaarde; ▪ Er is sprake van een duurzame waardevermindering van een activa met een economisch nut. In bovengenoemde gevallen zullen de kosten als een bijzondere last in de jaarrekening verwerkt moeten worden (resultaat bepalend, niet resultaat bestemmend).
Blad: 12
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
5. Rentetoerekening 5.1 Rentetoerekening algemeen Jaarlijks wordt bij de begrotingsrichtlijnen het rentepercentage bepaald dat in de begroting van het volgende jaar wordt gehanteerd als onderdeel van de kapitaallast (het zogenaamde omslagpercentage). Dit percentage wordt berekend aan de hand van de verwachte werkelijke rentelasten en –baten en de bespaarde rente over de eigen financieringsmiddelen. Hierbij wordt tevens rekening gehouden met de marktrente. Het vastgestelde omslagpercentage wordt bij de jaarrekening nagecalculeerd. De rente wordt berekend over de boekwaarde aan het begin van het boekjaar. Met de toegerekende rente worden de rentekosten van de gemeente (over zowel de externe als de interne financieringsmiddelen) omgeslagen over de boekwaarde van de investeringen van de gemeente. Bij de toepassing van de rekenrente kan er een verschil bestaan tussen de werkelijke rentekosten en de omgeslagen rente. Indien de bij de jaarrekening berekende rente meer dan 0,5% afwijkt van het percentage bij de begroting, wordt de rente opnieuw berekend en toegepast op het afgelopen jaar. Uitgezonderd zijn de investeringen die gedaan zijn in de vorm van aan derden verstrekte leningen. De toerekening hiervan gebeurt tegen hetzelfde percentage als het percentage van de betreffende leningsovereenkomst .
➔Uitgangspunt 22: De rentekosten worden middels een omslagpercentage berekend over de boekwaarde van de investeringen per 1 januari van het betreffende boekjaar. Bij geldleningen waarvoor een jaarlijkse kosten aan derden in rekening wordt gebracht wordt op basis van een vast rentepercentage toegerekend.
5.2 Rentetoerekening bouwgrondexploitaties De rente die wordt toegerekend aan bouwgrondexploitaties wordt vanaf 2024 eveneens bepaald aan de hand van het omslagpercentage: • Met de toegerekende rente worden de rentekosten van de gemeente (over zowel de externe als de interne financieringsmiddelen) omgeslagen over de boekwaarde van de investeringen van de gemeente. Bij de toepassing van de rekenrente kan er een verschil bestaan tussen de werkelijke rentekosten en de omgeslagen rente. • Indien de bij de jaarrekening berekende rente meer dan 0,5% afwijkt van het percentage bij de begroting, wordt de rente opnieuw berekend en toegepast op het afgelopen jaar.
➔Uitgangspunt 23: De rentekosten voor de bouwgrondexploitaties worden middels een omslagpercentage berekend over de boekwaarde van de investeringen per 1 januari van het betreffende boekjaar.
Blad: 13
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
6. Beleidsuitgangspunten De onderstaande uitgangspunten zijn opgenomen in deze nota. Immateriële vaste activa 1] De kosten verbonden aan het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 2] Kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden direct ten laste van de exploitatie gebracht of – indien activeerbaar – in maximaal 5 jaar afgeschreven. 3] De gemeente activeert in het beginsel geen activa in eigendom van derden. Materiële vaste activa 4] Investeringen in bedrijfsgebouwen met een economisch nut worden gesplitst geactiveerd en vervolgens wordt de afschrijving hierbij ook gesplitst [componentenmethode]. 5] Investeringen met een maatschappelijk nut worden geactiveerd en afgeschreven op basis van de te verwachten levensduur. Onderhoud 6] Alle kosten voor groot onderhoud en achterstallig onderhoud worden, op basis van een meerjarig onderhoudsplan, direct ten laste gebracht van de ingestelde voorziening. Ondergrens 7] Voor het activeren van investeringen moet aan de volgende twee voorwaarden worden voldaan: ▪ De investering heeft een verkrijgingsprijs van minimaal € 25.000 ▪ De investering heeft een gebruiksduur van minimaal 3 jaar Waardering immateriële- en materiele vaste activa 8] Activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Rente wordt niet geactiveerd.
Waardering financiële vaste activa 9] Financiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de nominale waarde. Vlottende activa 10] Niet in exploitatiegenomen gronden worden gewaardeerd als strategische gronden onder de noemer ‘materiële vaste activa’. 11] Aan strategische gronden worden geen rente en ander kosten toegerekend. BTW 12] Niet-compensabele en/of niet-verrekenbare BTW wordt opgeteld bij de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Duurzame waardeverminderingen van vaste activa 13] Duurzame waardeverminderingen van activa worden verwerkt in de balans middels een extra afschrijving. 14] Indien een actief buiten gebruik wordt gesteld, wordt deze afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. 15] Bij vervanging van een niet (compleet) afgeschreven investering wordt het restant van de boekwaarde afgeboekt op het moment van vervanging. Afschrijving 16] De gemeente Elburg hanteert de lineaire methode. Hierop is een uitzondering. Bij investeringen waarvoor een jaarlijkse vergoeding aan derden in rekening wordt gebracht wordt op basis van de annuïteitenmethode afgeschreven. Bij gewenste afwijking wordt dit expliciet genoemd in het raadsvoorstel. Afschrijvingstermijnen 17] De afschrijvingstermijnen, zoals opgenomen in bijlage 2, worden als basis gehanteerd voor de afschrijving van vaste activa.
Bij gewenste afwijking wordt dit expliciet genoemd in het raadsvoorstel. Moment van afschrijving 18] De afschrijving start in het jaar ná aanschaf of voltooiing van het activum. Restwaarde
Blad: 14
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
19]Courante opstallen (o.a. woningen) worden afgeschreven tot het niveau van de WOZ waarde van het object. Bij alle overige opstallen wordt geen rekening gehouden met een restwaarde. 20]Bij roerende zaken wordt geen rekening gehouden met een restwaarde. 21]Boekwinst wordt als incidentele bate in de jaarrekening verantwoord. Rentetoerekening algemeen 22]De rentekosten worden middels een omslagpercentage berekend over de boekwaarde van de investeringen per 1 januari van het betreffende boekjaar. Bij geldleningen waarvoor een jaarlijkse vergoeding aan derden in rekening wordt gebracht wordt op basis van een vast rentepercentage toegerekend. Rentetoerekening grondexploitaties 23]De rentekosten voor de bouwgrondexploitaties worden middels een omslagpercentage berekend over de boekwaarde van de investeringen per 1 januari van het betreffende boekjaar.
Blad: 15
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
Bijlage 1 Begrippenlijst ▪ Actief Het actief van een onderneming omvat alle bezittingen van die onderneming. ▪ Activa De bezittingen van de gemeente die voor activering in aanmerking komen. De hoofdindeling bestaat uit vaste activa en vlottende activa. ▪ Activeren Het opnemen van investeringen op de balans. Dit houdt in dat de waarde van activa bij het vermogen van de gemeente wordt geteld [hier wordt (eventueel) weer op afgeschreven]. ▪ Afschrijven Afschrijven is het boekhoudkundig laten zien dat de waarde van activa in de loop van de tijd afneemt. Deze waarde afname wordt veroorzaakt door technische slijtage en/of economische veroudering. Het af te schrijven bedrag hangt af van de gebruiksduur van de investering. De gebruiksduur bepaalt de afschrijvingstermijn en dus ook de hoogte van de jaarlijkse afschrijvingslasten. De meest voorkomende afschrijvingsmethoden zijn lineaire afschrijving en annuïtaire afschrijving. ▪ Agio / Disagio Indien een aandeel of een obligatie boven zijn nominale waarde wordt uitgegeven, is het gedeelte van het bedrag boven deze waarde het agio. Wanneer deze onder zijn nominale waarde wordt uitgegeven, spreekt men van een disagio. ▪ Artikel 212 Gemeentewet – Financiële verordening Verordening met regels voor het financieel beleid, het financieel beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Elburg.
▪ Balans De balans geeft de omvang en samenstelling van het vermogen weer. De balans is een onderdeel van de jaarrekening. De balans bestaat uit twee zijden die altijd met elkaar in evenwicht zijn. Op de debetzijde van de balans staan de bezittingen (activa), op de creditzijde staat het vermogen (passiva). ▪ BBV Afkorting voor “Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten”. Het BBV geeft regels voor de begroting, de jaarrekening en boekhouding van de gemeente. ▪ Boekwaarde Waarde van de activa in de financiële administratie, en op de balans. ▪ Immateriële activa Niet stoffelijke investeringen. ▪ Investering Een uitgave van enige omvang, waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Onderscheid wordt gemaakt tussen investeringen met een economisch nut en investeringen met een maatschappelijk nut. Een investering is een uitgave voor een (productie)middel, kapitaalgoed of gebruiksgoed waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Omdat dergelijke (productie)middelen meerdere jaren kunnen worden gebruikt, worden de lasten ervan ook over meerdere jaren gespreid door middel van afschrijvingen. ▪ Investeren Het aanschaffen of zelf produceren van activa. Hierbij is het de bedoeling de bedrijfsmiddelen meerdere jaren te gebruiken.
Blad: 16
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
▪ Investeringen met economisch nut Activa die geld kunnen opleveren of die verhandelbaar zijn, zoals gebouwen. Deze investeringen moeten worden geactiveerd. ▪ Investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut Activa in de openbare ruimte zoals wegen, groenvoorziening, bruggen e.d. Deze investeringen mogen worden geactiveerd. ▪ Investeringskrediet Bedrag dat door de gemeenteraad beschikbaar is gesteld als budget voor het doen van een investering. ▪ Kapitaalgoederen Goederen die meerdere jaren nut geven, zoals wegen, gebouwen, riolen. ▪ Kapitaallasten Kapitaallasten zijn de jaarlijks terugkerende lasten die samenhangen met de investeringen. De kapitaallasten bestaan uit afschrijvingen en rente. ▪ Materiele activa Stoffelijke investeringen. ▪ Nominale waarde Waarde zoals die staat aangegeven op een waardepapier. ▪ Lineaire afschrijvingsmethode Een afschrijvingsmethode waarbij de kapitaallasten jaarlijks dalen. De afschrijvingscomponent is jaarlijks gelijk, als gevolg van een daling van de boekwaarde neemt de jaarlijkse rentelast af. ▪ Passiva De passiva worden gevormd door de schulden en het eigen vermogen. Deze staan vermeld op de creditzijde van de balans. De schulden worden onderscheiden in kortlopend en langlopend. ▪ Rente Het rentebedrag van de investeringen wordt berekend over de boekwaarde van de investeringen aan het begin van het boekjaar.
▪ Vaste activa Vermogen, dat voor lange(re) tijd is vastgelegd in duurzame productiemiddelen en dat niet op korte termijn is om te zetten in liquide middelen. Voorbeelden zijn grond, gebouwen, machines. ▪ Vlottende activa Vermogen, dat voor korte tijd is vastgelegd in duurzame productiemiddelen en dat snel is om te zetten in liquide middelen. Voorraden zijn hier een voorbeeld van.
Blad: 17
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’
Bijlage 2 Afschrijvingstermijnen materiële vaste activa Immateriële activa
Onderverdeling
Kosten voor onderzoek en ontwikkeling Computerapplicaties Onderverdeling
Afschrijving in jaren Gelijk aan dergelijke eigen investering Maximaal 5 jaar Maximaal 5 jaar Afschrijving in jaren
Gronden en terreinen Nieuwbouw Volledige renovatie met duurzaamheid
0 50 50
Beveiliging gebouwen Verbouwing/uitbreiding/renovatie met duurzaamheid Verbouwing/uitbreiding/renovatie zonder duurzaamheid
10 40 25
Zonnepanelen (technische) Installaties
15 15
Terreinafscheidingen Nieuwbouw Verbouwing/uitbreiding/renovatie met duurzaamheid
15 50 40
Verbouwing/uitbreiding/renovatie zonder duurzaamheid Onderwijskundige aanpassingen Tijdelijk onderwijslokaal
25 40 15
Bijdragen aan activa in eigendom van derden
Materiele vaste activa Gronden en terreinen Gebouwen
Schoolgebouwen
Kantoorinrichting/meubilair
Vervoermiddelen
Openbare ruimte
Riolering
Afval Begraafplaatsen Haven
Blad: 18
Archiefkasten Meubilair Bureaustoelen Mobiele apparatuur ICT hardware Kantoormachines- en apparatuur Vrachtwagens Tractoren Boot
15 5 5 3 3-15 5 20 15 20
Strooi- en schuifmateriaal Bedrijfswagens Bedrijfswagens (2e hands) Veegmachine Vorkheftruck Aanhangwagen Gazonmaaier Houtversnipperaar Giertank
15 15 10 6 12 15 10 20 20
Opraapwagen Nimos begraafplaatsen Hydraulische kraan Zitmaaier begraafplaatsen Graflift Monumentenwagen Elementverharding
15 10 10 7 10 15 60
Asfaltverharding Aanleg/vervanging openbare verlichting (armaturen) Aanleg/vervanging openbare verlichting (masten) Openbare verlichting binnenstad Houten bruggen Bewegwijzering Reconstructie wegen Vrijvervalriolen Bouwkundig Mechanisch / elektrisch Persleidingen Ondergrondse afvalcontainers Perscontainer gemeentewerf Inrichting en verharding Urnenmuur
60 20 40 40 35 30 20 80 45 15 60 15 15 30 30
Aanlegsteigers Reddingstrappen Beschoeiing/damwanden Aanleg voorzieningen boxen Aanleg water boxen
15 20 40 15 40
‘Nota waardering en afschrijving 2025 - 2028’ Jachthaven betaalsysteem
15
Toiletunits haven
15
Speeltuinen
Aanleg Speeltoestellen
20 15
Sportaccommodaties
Aanleg sportvelden Aanleg kunstgrasvelden fundering Aanleg kunstgrasvelden toplaag Opstallen Onderhoud velden Toplaag natuurlijke sportvelden Onderverdeling Kapitaalverstrekkingen etc. Leningen woningcorporaties / langlopende leningen Deelnemingen
Financiële vaste activa
Blad: 19
40 20 10 50 25 15 Afschrijving in jaren Looptijd Looptijd Looptijd