04 Stedenbouwkundige schets Multifunctionele Accommodatie (MFA) Doornspijk haalbaarheidsonderzoek Veldweg/Lageweg
Tekst van het document
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van de
woording van het groepsrisico. Onderdeel van deze verantwoording is
opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking
overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.
hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is landelijke wet- en regelgeving van toepassing.
Relatie met projectgebied Om inzicht te krijgen in eventuele externe veiligheidsrisico’s bij het plan-
In de landelijke wet- en regelgeving zijn kwaliteitseisen en normen op
gebied vanwege risicobronnen in de omgeving, kan gebruik worden ge-
het gebied van externe veiligheid geformuleerd. Doel is om bepaalde ri-
maakt van de Risicokaart. In figuur 4 zijn twee uitsneden van deze kaart
sico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld, tot
weergegeven. Op de uitsnede bovenaan is te zien dat er in de omge-
een aanvaardbaar minimum te beperken. Deze bedoelde risico's han-
ving van Doornspijk verschillende transportroutes met gevaarlijke stoffen
gen vooral
aanwezig zijn, zoals diverse gasleidingen en de rijksweg A28. Deze lig-
samen met:
gen er allemaal op geruime afstand. Het projectgebied ligt ruim buiten
activiteiten met gevaarlijke stoffen in inrichtingen;
de risicoafstanden van deze bronnen. In het zuiden van Doornspijk is
transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen;
daarnaast nog een risicovolle inrichting aanwezig, namelijk het LPG
transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor en het wa-
tankstation E. Hooghordel. Hier geldt een brand- en explosieaandachts-
ter.
gebied. Zoals in figuur 4 is te zien, ligt het projectgebied ruim buiten deze aandachtsgebieden. Over de N310 zullen daarnaast ook enkele
Ook zijn er onder meer landelijke regels voor de opslag en verkoop van
vrachtwagenbewegingen plaatsvinden met gevaarlijke stoffen (zoals
vuurwerk. Verder wordt bij de plaatsing van windmolens ook de externe
LPG) die naar lokale partijen rijden. De N-weg ligt op meer dan 200 me-
veiligheid in ogenschouw genomen.
ter afstand van het projectgebied, waardoor het projectgebied ook buiten een eventuele risicozone van deze weg ligt. Het onderdeel externe
De risico's voor externe veiligheid komen tot uitdrukking via het plaats-
veiligheid zorgt daarom niet voor belemmeringen.
gebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico kan op de kaart worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde plaatsgebonden risico. Via het plaatsgebonden risico wordt een basisbeschermingsniveau gewaarborgd. Bij het groepsrisico wordt wel beoordeeld hoeveel personen zich, redelijkerwijs, feitelijk in de omgeving kunnen bevinden. Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een oriëntatiewaarde. Dit is een ijkwaarde waaraan veranderingen getoetst kunnen worden. Deze oriëntatiewaarde mag overschreden worden, mits goed beargumenteerd door het bevoegd gezag. Samen met de hoogte van groepsrisico moeten an-
Figuur 4: Risicoafstanden rondom plangebied in kaart
dere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van
Planologische quickscan
10
3.5
Water
Daarnaast wordt het volgende beschreven:
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 lid 1 onder b
Bij toename van verhard oppervlak of het (gedeeltelijk) dempen van een
van het Bro) moet inzicht worden gegeven in de gevolgen voor de wa-
oppervlaktewaterlichaam stelt het waterschap vaak als eis dat de af-
terhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die
name van de berging wordt gecompenseerd met open water. In de prak-
mogelijk wordt gemaakt. Een watertoets is een verplicht onderdeel bij ie-
tijk blijkt dat het niet altijd mogelijk is extra oppervlaktewater ruimtelijk in
der ruimtelijk plan. Het uitgangspunt hierbij is altijd: hydrologisch neu-
te passen. Alternatieve waterberging door meervoudig ruimtegebruik in
traal ontwikkelen. In de watertoets wordt onder andere ingegaan op de
de vorm van ondergrondse waterberging zou dan uitkomst kunnen bie-
manier hoe wordt omgegaan met afval-, hemel-, oppervlakte- en grond-
den.
In figuur 5 is een uitsnede weergegeven van het huidige watersysteem.
water. Hierbij wordt gekeken naar de eventuele toename aan verharding wat zorgt voor een waterbergingseis.
Aan alternatieve waterberging zitten echter twee kanten. Aan de ene kant kan alternatieve waterberging, mits goed ontworpen en onderhou-
Relatie met projectgebied
den, een goed alternatief zijn voor de aanleg van open water. Aan de
De projectlocatie ligt binnen het grondgebied van het Waterschap Vallei
andere kant is er de zorg van het beheer(s)baarheid (handhaving): hoe
en Veluwe. Dit waterschap heeft een Keur en een Legger opgesteld met
valt bijvoorbeeld te garanderen dat een ondergrondse waterberging na
daarin de regels rondom water. Over het algemeen geldt als beleid dat
enige tijd niet is dichtgeslibt? Juist dit punt van beheer(s)baarheid is
zo veel mogelijk hydrologisch neutraal ontwikkeld moet worden. Bij de
aanleiding om voorzichtig en terughoudend om te gaan met alternatieve
planvorm zal hierbij dus rekening gehouden moeten worden, door bij-
waterberging. Voor de toekomstvastheid van het watersysteem is en
voorbeeld voldoende waterberging aan te leggen. In de Keur zijn regels
blijft het belangrijk dat er voldoende bovengrondse waterberging is. De
gesteld ten aanzien van voldoende waterberging.
opgave is dan ook om de aanleg van nieuw verhard oppervlak te compenseren via extra waterberging in de vorm van open water. Als dit echt
Bij nieuwe lozingen vanaf verhard oppervlak op oppervlaktewater geldt
niet mogelijk is, bijvoorbeeld in een sterk verstedelijkt gebied of van-
dat de hoeveelheid te lozen water geen nadelig effect mag hebben op
wege maatschappelijke druk, is alternatieve waterberging in principe
het ontvangende watersysteem. Hieraan wordt voldaan wanneer:
een optie.
er niet meer dan de plaatselijk geldende landelijke afvoer vanuit het plangebied geloosd wordt, of;
Met het planvoornemen zal het verhard oppervlak toenemen in het pro-
er een berging van 60 mm per m² verhard oppervlak wordt gere-
jectgebied. Op dit moment is het terrein namelijk vrijwel geheel onver-
aliseerd, of;
hard. Om aan de eisen van het waterschap te voldoen zal daarom vol-
het nadelige effect op het watersysteem wordt gecompenseerd,
doende waterberging gerealiseerd moeten, waarbij in eerste instantie
of;
wordt gerekend met 60 mm per m 2 verhard oppervlak. Eerst zal geke-
er geloosd wordt vanaf verhard oppervlak dat hiervoor was aan-
ken worden in hoeverre dit kan worden gerealiseerd middels open wa-
gesloten op het gemengd stelsel (afkoppelen) en het ontvan-
ter. Wanneer dit niet op eigen terrein compleet opgelost kan worden kan
gende oppervlaktewaterlichaam voldoende capaciteit heeft.
gekeken worden naar andere bergingsmogelijkheden, zoals infiltratie-
Figuur 5: Uitsnede kaart Legger, Waterschap Vallei en Veluwe
kratten.
Planologische quickscan
11
Rondom het plangebied en ook binnen het plangebied lopen verschil-
3.6
Bodem
lende watergangen. De watergang direct ten noorden/noordoosten van
plaatsvinden dieper dan 30 cm. Deze grens zal overschreden worden met dit project. Een archeologisch onderzoek zal daarom te zijner tijd
het plangebied is een A-watergang in beheer van het waterschap. Hier
Bij de realisatie van woningbouw is een bodemonderzoek verplicht. Wo-
noodzakelijk zijn. Op voorhand zijn eventuele conclusies of resultaten
geldt ook een onderhoudsstrook. Langs oppervlaktewaterlichamen cate-
ningen mogen niet gebouwd worden op vervuilde grond. Er zal dus een
niet in te schatten. Eventuele belemmeringen kunnen daarom pas wor-
gorie A kan aan één zijde of aan beide zijden een onderhoudsstrook lig-
bodemonderzoek uitgevoerd moeten worden. Door eventuele activitei-
den ingeschat na een eerste verkennend onderzoek op de locatie.
gen. Deze onderhoudsstroken, welke zijn vastgelegd in de legger, heb-
ten op de locatie kan het zijn dat de bodem op plaatsen verontreinigd is.
ben tot doel dat doelmatig onderhoud met groot materieel door het wa-
Het bodemonderzoek zal dit aan moeten tonen. Het onderzoek kan
terschap kan worden uitgevoerd. Het plaatsen van een object of bouw-
eventueel worden opgevolgd door een sanering. Op voorhand is niet in
werk binnen deze onderhoudsstrook kan dan ook tot gevolg hebben dat
te schatten of een dergelijke sanering nodig zal zijn.
3.8
Ecologie en stikstof
het onderhoud vanaf de betreffende zijde van het water wordt belem-
Gebiedsbescherming
merd. De vraag of doelmatig onderhoud kan worden uitgevoerd is
Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied of bin-
daarom bepalend voor het al dan niet verlenen van een watervergun-
3.7
Archeologie en cultuurhistorie
schermde natuur is uit te sluiten gezien de afstand. Indirecte effecten,
ning. Bij de planvorming zal rekening gehouden moeten worden met deze strook. Bij de lozing van extra water op omliggende A-watergangen zal een vergunning van het waterschap nodig zijn. Daarnaast gaat de voorkeur uit naar het ontsluiten van het terrein volgens de huidige ontsluitingswijzen. Hier zijn namelijk al duikers aanwezig en zo wordt voorkomen dat een watergang extra gedempt en overkluist zal worden. Binnen het plangebied zijn verschillende C-watergangen aanwezig. Deze zijn in beheer van de eigenaar van de grond. Met de planvorming zullen deze wellicht gedempt moeten worden. In de Keur is een beleidsregel opgenomen hiervoor. Indien er gegraven wordt in een oppervlaktewaterlichaam in een stedelijk gebied, een poldergebied of een bergingsgebied, moet compenserende waterberging worden aangelegd binnen
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd
zoals de depositie van stikstof, zijn niet direct uit te sluiten. Een onthef-
in de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden. De Erf-
fing op basis van de Wet natuurbescherming is nodig bij een stikstofde-
goedwet is in de plaats gekomen van zes wetten en regelingen op het
positie van meer dan 0,00 mol/ha/jaar bij omliggende Natura 2000-ge-
gebied van cultureel erfgoed, waaronder de Monumentenwet 1988. On-
bieden. De meest nabijgelegen gebieden zijn Veluwerandmeren en Ve-
derdelen van de Monumentenwet die van toepassing waren op de fy-
luwe, waarvan alleen de Veluwe stikstofgevoelig is. Dit gebied ligt op
sieke leefomgeving gaan naar de Omgevingswet. De basis van de be-
circa 2,5 kilometer afstand. Een stikstofonderzoek naar zowel de ge-
scherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag
bruiksfase als de bouwfase van het project middels de Aerius calculator
van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als
moet aantonen of er een depositie ontstaat bij dit natuurgebied en of an-
doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond,
dere gebieden. Dit onderzoek wordt uitgevoerd op basis van de toekom-
te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het
stige verkeersgeneratie en het programma. Op voorhand is niet in te
verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behou-
schatten of een depositie zal ontstaan groter dan 0,00 mol/ha/jaar.
den. Soortenbescherming
het betreffende peilgebied. De demping dient te worden gecompenseerd door vooraf vervangend wateroppervlak(uitgedrukt in m2) te graven in hetzelfde peilgebied. Het te graven oppervlak is minimaal gelijk aan het te dempen oppervlak. Aan de noordzijde van het terrein is een brug aanwezig. Ook zijn aan de noord- en oostzijde duikers aanwezig. Afhankelijk van de ontsluitingswijze zal gekeken moeten worden of deze in huidige vorm behouden kunnen blijven. Anders is een vergunning van het waterschap nodig.
Planologische quickscan
nen het Natuurnetwerk Nederland. Directe effecten op deze be-
Relatie met projectgebied
Om de ontwikkeling mogelijk te maken moet gekeken worden of het pro-
Ter plaatse van het projectgebied gelden twee archeologische dubbel-
ject eventueel negatieve invloed kan hebben op beschermde soorten.
bestemmingen, te weten ‘Waarde - Archeologie 2’ en ‘Waarde - Archeo-
Dit kan bijvoorbeeld ontstaan wanneer groen gekapt worden, bebouwing
logie hoge verwachtingswaarde’. Binnen beide dubbelbestemmingen
gesloopt worden of sloten gedempt of aangepast worden. Middels een
gelden dezelfde regels. Hier geldt namelijk dat wanneer meer dan 120
ecologisch onderzoek moet dit aangetoond worden. Op deze locatie za
m2 aan bebouwing gerealiseerd wordt een archeologisch onderzoek
voornamelijk gekeken moeten worden naar de ecologische waarden van
moet aantonen wat de effecten zijn van het op eventuele archeologie.
de sloten. Daarnaast kan gekeken worden naar het weidevogelgebied
Een uitzondering hierop is bebouwing waarbij geen ingrepen in de grond
12
ten noorden van het plangebied. Er is nu niet bekend of er sloop van bebouwing of kap van bomen plaats moet vinden. Wanneer nest- of verblijfplaatsen van beschermde soorten verloren gaan of aangetast worden is een ontheffing nodig op basis van de Wet natuurbescherming. Uit onderzoek zal dus moeten blijken of dit noodzakelijk is.
3.9
Besluit m.e.r.
Gemeenten en provincies moeten ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r.-procedure nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een MER nodig. Er zal een aanmeldingsnotitie opgesteld moeten worden met daarin een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het plan is namelijk aan te merken als stedelijke ontwikkeling en valt daarmee onder een ontwikkeling die is opgenomen in lijst D van het Besluit m.e.r. Op voorhand worden geen specifieke belemmeringen verwacht op dit onderdeel.
Planologische quickscan
13
Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam +31 (0)20 506 19 99
Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400
Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen +31 (0)77 373 06 01 info@bro.nl www.bro.nl Planologische quickscan
14