Vastgesteld besluit Raadsvoorstel Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2024
Tekst van het document
gemeente Eindhoven Inboeknummer 23bst01030 Dossiernummer 23.39.751 B&W beslisdatum 26 september 2023
RaadsvoorstelTot het vaststellen van de Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2024 Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 24 oktober 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 31 oktober 2023; mede gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2024 Artikel 1. Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
b.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; diegene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de
Inboeknummer 23bst01030 belastingen als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven; b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3.
Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3. Maatstaf van heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2.
Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4. Vrijstellingen 1.
In afwijking, in zoverre van artikel 3, wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van
2
Inboeknummer 23bst01030 glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken; b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
l.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
3
Inboeknummer 23bst01030 recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; m.
begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
2.
De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 5. Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: A.
de gebruikersbelasting: 0,21834%;
B.
de eigenarenbelasting: i.
voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,09445%;
ii.
voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,30474%.
Artikel 6. Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag.
Artikel 7. Aanslaggrens 1.
Voor belastingbedragen tot € 10,- vindt geen invordering plaats.
2.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 8. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan
4
Inboeknummer 23bst01030 meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 9. Overgangsrecht, inwerkingtreding, en citeertitel 1.
De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023’ van 8 november 2022, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 20 december 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4.
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2024’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2023.
J. Jongbloed, griffier.
5
Inboeknummer 23bst01030
Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 24 oktober 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 31 oktober 2023; mede gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024 Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
garagebox: een perceel dat bestemd is voor opslag van goederen en/of stalling van één motorvoertuig, zonder wateraansluiting of directe aansluiting op de gemeentelijke riolering;
b.
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
c.
verbruiksperiode: de periode van 12 maanden waarop de afrekening van de N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant/Brabant Water N.V. betrekking heeft;
d.
water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Artikel 2. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b.
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
6
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht 1.
De belasting wordt geheven: a.
van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en
b.
van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.
2.
Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
3.
Voor het gebruikersdeel wordt: a.
gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
b.
gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;
c.
het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt; a.
de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1.
Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.
7
Inboeknummer 23bst01030 2.
Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanaf of vanuit het perceel wordt afgevoerd.
3.
Het aantal kubieke meters water als bedoeld in het vorige lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is toegevoerd of opgepompt.
4.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a.
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
b.
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.
De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Artikel 6. Belastingtarieven 1.
Het tarief voor het eigenarendeel bedraagt € 192,-.
2.
Het tarief voor het gebruikersdeel bedraagt voor elke volle eenheid van 500 kubieke meters water € 266,-.
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Vrijstelling Van het eigenarendeel van de rioolheffing zijn vrijgesteld: 1.
de percelen welke in hoofdzaak worden gebruikt voor de openbare eredienst of voor openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;
2.
garageboxen en parkeerplaatsen.
8
Inboeknummer 23bst01030
Artikel 10. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 11. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 12. Kwijtschelding Van de heffing van het gebruikersdeel, zoals bedoeld in artikel 3, wordt geen kwijtschelding verleend.
9
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 13. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.
De ‘Verordening rioolheffing 2023’, vastgesteld bij raadsbesluit van 8 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4.
Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing 2024’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2023.
J. Jongbloed, griffier.
10
Inboeknummer 23bst01030
Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 24 oktober 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 31 oktober 2023; mede gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2024 Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: a.
een afvalstoffenheffing;
b.
reinigingsrechten.
Artikel 2. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
‘gebruikmaken’ in Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruikmaken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;
b.
bedrijfslocatie: een onroerende zaak - of een zelfstandig gebruikt gedeelte ervan - geen perceel zijnde in de zin van de Wet milieubeheer;
c.
grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet in aanmerking komen voor het periodiek inzamelen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a;
d.
een collo: elk exemplaar stukgoed, ongeacht de verpakking, dat door één persoon te dragen is.
11
Inboeknummer 23bst01030
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3. Aard van de belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2.
De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5. Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6. Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
12
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 7. Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.
2.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel schriftelijke gedagtekende kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen). Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 9. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
5.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.
Artikel 10. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen
13
Inboeknummer 23bst01030 door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moet de belasting worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 8, tweede lid:
4.
a.
mondeling wordt gedaan: op het moment van het doen van de kennisgeving;
b.
schriftelijk wordt gedaan: op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
5.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 11. Aard van de heffing en belastbaar feit 1.
Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven voor zowel het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, of door de gemeente in beheer of in onderhoud zijn gegeven.
2.
Het in het eerste lid bedoelde genot van diensten en het gebruik van bezittingen, werken en inrichtingen bestaat uit: a.
het periodiek verwijderen van bedrijfsafval van beperkte omvang of hoeveelheid;
b.
het op aanvraag incidenteel verwijderen van colli;
c.
het achterlaten van met huishoudelijk afval gelijk te stellen bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkel- en dienstenafval) op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats.
Artikel 12. Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, bedoeld in artikel 11, gebruik maakt.
14
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 13. Maatstaven van heffing en belastingtarieven 1.
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2.
Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 14. Belastingjaar 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven over een belastingjaar.
2.
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 15. Wijze van heffing 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven bij wege van aanslag.
2.
De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen), waarop het verschuldigde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 16. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.
3.
Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
15
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 17. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de reinigingsrechten in geval van heffing middels een in artikel 15, tweede lid, bedoelde kennisgeving, bij de uitreiking terstond worden betaald.
4.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
5.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 18. Kwijtschelding Bij de invordering van de rechten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt geen kwijtschelding verleend.
Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 19. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.
De ‘Verordening reinigingsheffingen 2023’, vastgesteld bij raadsbesluit van 8 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4.
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening reinigingsheffingen 2024’.
16
Inboeknummer 23bst01030
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2023.
J. Jongbloed, griffier.
Tarieventabel behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2024 Hoofdstuk 1
Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing Hoofdstuk 1.1
Artikel
Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing
Tarief
1.1.1
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 217,50
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon: 1.1.2
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 269,72
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee personen: 1.1.3
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 321,94
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door drie personen: 1.1.4
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door vier of meer personen:
1.1.5
Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 1.1.1 tot en met 1.1.4 bedraagt het cumulatieve tarief voor het op 1
17
€ 397,68
Inboeknummer 23bst01030 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van een tweede grijze afvalcontainer (voor huishoudelijk restafval) per perceel per belastingjaar a. voor een afvalcontainer van 140 liter:
€ 120,-
b. voor een afvalcontainer van 240 liter:
€ 140,-
Hoofdstuk 1.2 Artikel
Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing
Tarief
1.2.1
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag verwijderen van colli: a. per big bag van 1 m3:
€ 40,-
b. per big bag van 1,5 m3:
€ 60,-
c. voor voorwerpen die niet in een inzamelmiddel passen,
€ 10,-
per voorwerp/sticker: 1.2.2
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de
€ 20,-
belasting voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats, (milieustraat) per keer, vanaf de 13e keer dat binnen één kalenderjaar afvalstoffen worden achtergelaten: 1.2.3
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag vervangen van de toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainers en/of de milieustraten per keer:
Hoofdstuk 2
Maatstaven en tarieven reinigingsrechten Hoofdstuk 2.1
18
€ 15,-
Inboeknummer 23bst01030 Artikel
Maatstaf en jaarlijks tarief reinigingsrechten
Tarief
2.1.1
Het recht bedraagt per belastingjaar voor het verwijderen van
€ 320,73
bedrijfsafval als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, per bedrijfslocatie voor elke per ophaalbeurt te verwijderen hoeveelheid van maximaal 240 liter of maximaal 6 zakken: Het bedrag genoemd in hoofdstuk 2.1 is exclusief omzetbelasting. Deze tarieventabel maakt onderdeel uit van en behoort bij het raadsbesluit van 7 november 2023 tot vaststelling van de Verordening reinigingsheffingen 2024.
J. Jongbloed, griffier.
19
Inboeknummer 23bst01030
Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 24 oktober 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 31 oktober 2023; mede gelet op de artikelen 156 en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet en de artikelen 2 en 7 van de Paspoortwet; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en de invordering van leges burgerzaken en algemene dienstverlening 2024 Artikel 1. Aard van de heffing en belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a.
het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit;
b.
het verlenen van een dienst op aanvraag; of
c.
het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een document;
een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
Artikel 2. Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager of degene voor wie de aanvraag is gedaan.
Artikel 3. Maatstaven van heffing en tarieven 1.
De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2.
Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 4. Wijze van heffing De leges worden geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, een zegel, een nota, een factuur of andere schriftuur, of een kennisgeving langs elektronische weg. Het gevorderde
20
Inboeknummer 23bst01030 bedrag wordt mondeling, door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving of langs elektronische weg aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 5. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 4: a.
mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
b.
schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending van de kennisgeving binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
c. 2.
langs elektronische weg in het aanvraagproces wordt gedaan, onverwijld.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het voorgaande lid gestelde termijnen.
Artikel 6. Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst, besluit of handeling wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst, besluit of handeling in die tarieventabel opgenomen bepaling.
Artikel 7. Vrijstellingen 1.
Leges worden niet geheven voor: a.
stukken of handelingen, welke ambtshalve of ter voldoening aan wettelijke voorschriften kosteloos worden afgegeven of verricht;
b.
inlichtingen, opgaven, handelingen of stukken, welke met vergunning van het college van burgemeester en wethouders, worden verstrekt, verricht of afgegeven ten behoeve van rechtstreeks gebruik voor het algemeen belang dienende voorlichting over de gemeente, haar organen en instellingen.
2.
De leges, genoemd in de tarieventabel in de onderdelen 1.1, 1.2 en 1.4 worden niet geheven voor de in het openbaar belang afgegeven stukken en verstrekte inlichtingen aan openbare besturen, ambtenaren en instellingen.
3.
De leges, genoemd in de tarieventabel in de onderdelen 1.3 en 1.4 worden niet geheven voor zover stukken met vergunning van het college van burgemeester en wethouders worden afgegeven aan politieke groeperingen, waarvan de aanduiding bij de Kiesraad is geregistreerd dan wel welke aan de laatst gehouden gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen.
4.
De leges, genoemd in de tarieventabel in onderdeel 1.4 worden niet geheven, voor zover het betreft de exemplaren van de raadsbijlagen welke op eigen initiatief door of vanwege
21
Inboeknummer 23bst01030 het college van burgemeester en wethouders worden verstrekt aan belangstellenden voor raadsvergaderingen, teneinde het deze mogelijk te maken de vergadering aan de hand van de stukken te volgen.
Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van leges wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Overdracht van bevoegdheden Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, als de wijzigingen: a.
van zuiver redactionele aard zijn;
b.
een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant en het de volgende hoofdstukken of onderdelen van de tarieventabel betreft: i.
vervallen;
ii.
hoofdstuk 3 (reisdocumenten en (vervangende) Nederlandse identiteitskaart);
iii.
hoofdstuk 4 (rijbewijzen);
iv.
onderdeel 5.6 (papieren verstrekking uit de Basisregistratie personen);
v.
onderdeel 8.1 (verklaring omtrent het gedrag);
een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.
Artikel 10. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.
De ‘Legesverordening burgerzaken 2023’ vastgesteld bij raadsbesluit van 8 november 2022, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 13 december 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4.
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Legesverordening burgerzaken 2024’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2023.
J. Jongbloed, griffier.
22
Inboeknummer 23bst01030
Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening burgerzaken 2024 Hoofdstuk 1 Gedrukte en
Algemene verstrekkingen 1
Het tarief bedraagt, voor zover daarvoor niet elders in
digitale stuk-
deze tabel of in een andere wettelijke regeling een
ken, afschriften,
tarief is opgenomen, voor het in behandeling nemen
beschikkingen
van een aanvraag voor de vervaardiging van:
ed. (algemeen) 1.1
gewaarmerkte afschriften van stukken, per pagina
€ 2,75
1.2
een beschikking op een verzoek
€ 3,25
1.3
stukken of uittreksels, welke op verzoek van de
€ 0,25
aanvrager moeten worden opgemaakt, per (digitale) pagina 1.4
afschriften, doorslagen of (digitale) kopieën van
€ 0,25
stukken, per pagina 1.5
een (digitale) kopie van (overzichts)kaarten, tekeningen, een plan, zoals bestemmingsplan, voorbereidingsbesluit, streekplankaarten, structuurplan, omgevingsplan of stadsvernieuwingsplan, per kopie:
1.5.1
in A4-formaat of kleiner
€ 1,25
1.5.2
in A3-formaat
€ 2,25
1.5.3
in A2-formaat
€ 4,25
1.5.4
in A1-formaat of groter
€ 8,50
1.6
lichtdrukken van tekeningen:
1.6.1
voor het eerste exemplaar
€ 11,50
1.6.2
voor elk volgend exemplaar van hetzelfde plan
€ 4,25
1.7
In afwijking van de vorige onderdelen van dit hoofdstuk bedraagt, voor het vervaardigen van
23
Inboeknummer 23bst01030 kopieën van documenten zoals bedoeld in artikel 8.6, tweede lid van de Wet open overheid, het tarief: de vergoeding per afdruk op papier op A4- of A3formaat, zoals deze ingevolge artikel 2, eerste lid van het Besluit maximumtarieven open overheid is vastgesteld. 1.8
Hoofdstuk 2
Vervallen
Huwelijk/partnerschap 2
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
Huwelijks-
2.1
om een huwelijksvoltrekking, een registratie van een
voltrekking,
partnerschap of een omzetting van een geregistreerd
partnerschaps-
partnerschap, die niet op grond van artikel 4 van de
en omzettings-
Wet rechten burgerlijke stand kosteloos geschiedt, in
akte op vaste
een daarvoor als vaste locatie aangewezen gebouw,
locatie
met een aanvangstijd a. op maandag tot en met donderdag van 9.00 uur tot en met 16.00 uur b. op maandag tot en met donderdag van 17.00 uur tot 22.00 uur c. op vrijdag van 9.00 uur tot en met 16.00 uur d. op vrijdag van 17.00 uur tot 22.00 uur e. op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur f. op zon- en feestdagen van 10.00 uur tot 16.00 uur
Huwelijks-
2.2
€ 480,€ 550,€ 630,€ 680,€ 730,€ 830,-
om een huwelijksvoltrekking, een registratie van een
voltrekking,
partnerschap of een omzetting van een geregistreerd
partnerschaps-
partnerschap, die niet op grond van artikel 4 van de
en omzettings-
Wet rechten burgerlijke stand kosteloos geschiedt, in
akte op externe
een daarvoor aangewezen externe locatie, met een
locatie
aanvangstijd a. op maandag tot en met donderdag van 9.00 uur tot 22.00 uur
€ 410,-
b. op vrijdag van 9.00 uur tot 22.00 uur
€ 570,-
c. op zaterdag van 10.00 uur tot 16.00 uur
€ 675,-
24
Inboeknummer 23bst01030
Huwelijks-
2.3
d. op zon- en feestdagen van 10.00 uur tot 16.00 uur
€ 730,-
om een huwelijksvoltrekking zonder ceremonie of een
€ 240,-
voltrekking en
registratie van een partnerschap zonder ceremonie,
partnerschaps-
die niet op grond van artikel 4 van de Wet rechten
akte zonder
burgerlijke stand kosteloos geschiedt, in de trouwzaal
ceremonie
van het Stadhuis
Omzetting
2.4
om een omzetting van een geregistreerd partnerschap
geregistreerd
in een huwelijk, die niet op grond van artikel 4 van de
partnerschap
Wet rechten burgerlijke stand kosteloos geschiedt, in
aan de balie
een spreekkamer van het Inwonersplein
Trouwboekje
2.5
tot het verstrekken van een trouwboekje of een
€ 78,-
€ 26,50
partnerschapsboekje (inclusief uittreksel burgerlijke stand) Luxe
2.6
trouwboekje
tot het verstrekken van een trouwboekje of een
€ 38,-
partnerschapsboekje in luxe uitvoering (inclusief uittreksel burgerlijke stand)
Nasporing
2.7
tot het doen van nasporing in de registers van de
burgerlijke
burgerlijke stand, voor ieder daaraan te besteden
stand
kwartier
Opnieuw trouw
2.8
beloven
€ 14,-
De tarieven in de onderdelen 2.1 en 2.2 gelden tevens voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een “opnieuw trouw beloven” of “opfrishuwelijk” (de bevestiging van een eerder gesloten huwelijk of geregistreerd partnerschap).
Bijzonder huis
2.9
Vervallen
2.10
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een huwelijksvoltrekking, een registratie van een partnerschap of een omzetting van een geregistreerd partnerschap in een “bijzonder huis”, zoals vermeld in artikel 1:64 Burgerlijk Wetboek, het tarief zoals genoemd in onderdeel 2.2 onder a.
2.11
De tarieven als bedoeld onder 2.1 en 2.2 worden, indien de ceremonie meer dan een uur duurt, per half uur of per deel daarvan, cumulatief verhoogd met
25
€ 75,-
Inboeknummer 23bst01030 Extra gastheer/
2.12
-vrouw
De tarieven als bedoeld onder 2.1 en 2.2 worden,
€ 25,-
indien op verzoek een extra gastheer of gastvrouw aanwezig is bij de ceremonie, cumulatief verhoogd met
Ceremonie ook
2.13
in andere taal
De tarieven als bedoeld onder 2.1 en 2.2 worden,
€ 25,-
indien op verzoek de ceremonie tevens in een andere taal dan de Nederlandse taal op schrift wordt gesteld, cumulatief verhoogd met
Babs voor één
2.14.1
dag
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen
€ 180,-
van een aanvraag tot het aanwijzen van een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand voor één dag, indien de beëdiging bij de rechtbank reeds heeft plaatsgevonden 2.14.2
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen
€ 485,-
van een aanvraag tot het aanwijzen van een buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand voor één dag, indien de beëdiging bij de rechtbank nog niet heeft plaatsgevonden Externe locatie
2.15
eenmalig
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen
€ 125,-
van een aanvraag tot éénmalige aanwijzing van een externe huwelijkslocatie, voor de duur van één dag
Externe locatie
2.16
kalenderjaar
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen
€ 475,-
van een aanvraag tot aanwijzing van een externe huwelijkslocatie voor de duur van het kalenderjaar
Annuleren en
2.17
wijzigen
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen
€ 50,-
van een aanvraag om een huwelijksvoltrekking, een registratie van een partnerschap, een omzetting van een geregistreerd partnerschap of het opnieuw trouw beloven, ook indien de dienst op grond van artikel 4 van de Wet rechten burgerlijke stand kosteloos zou geschieden, te annuleren of te wijzigen binnen een periode van vier weken voorafgaand aan de vastgelegde dag van de huwelijksvoltrekking, de registratie, de omzetting of het opnieuw trouw beloven
Livestream bij
2.18
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen
de huwelijks-
van een aanvraag om bij een huwelijksvoltrekking, een
voltrekking,
registratie van een partnerschap, een omzetting van
26
€ 27,-
Inboeknummer 23bst01030 partnerschaps-
een geregistreerd partnerschap of het opnieuw trouw
en omzettings-
beloven in de trouwzaal van het Stadhuis gebruik te
akte of opnieuw
maken van een livestream
trouw beloven
Hoofdstuk 3
Reisdocumenten en (vervangende) Nederlandse identiteitskaart 3
Het tarief bedraagt voor het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag
Paspoort
3.1
tot het verstrekken van een nationaal paspoort
3.1.1
voor een persoon die op het moment van de aanvraag
€ 77,85
18 jaar of ouder is 3.1.2
voor een persoon die op het moment van de aanvraag
€ 58,85
de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt Zakenpaspoort
3.2
tot het verstrekken van een nationaal paspoort, een groter aantal bladzijden bevattende dan een nationaal paspoort als bedoeld in 3.1 (zakenpaspoort)
3.2.1
voor een persoon die op het moment van de aanvraag
€ 77,85
18 jaar of ouder is 3.2.2
voor een persoon die op het moment van de aanvraag
€ 58,85
de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt Faciliteiten-
3.3
paspoort
tot het verstrekken van een reisdocument ten behoeve van een persoon die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers als Nederlander wordt behandeld
3.3.1
voor een persoon die op het moment van de aanvraag
€ 77,85
18 jaar of ouder is 3.3.2
voor een persoon die op het moment van de aanvraag
€ 58,85
de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt Vluchteling of
3.4
vreemdeling Nederlandse
tot het verstrekken van een reisdocument voor vluchtelingen of een reisdocument voor vreemdelingen
3.5
tot het verstrekken van een
identiteitskaart
27
€ 58,85
Inboeknummer 23bst01030 3.5.1
Nederlandse identiteitskaart voor een persoon die op
€ 70,35
het moment van de aanvraag 18 jaar of ouder is 3.5.2
Nederlandse identiteitskaart voor een persoon die op
€ 37,95
het moment van de aanvraag de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt 3.5.3
vervangende Nederlandse identiteitskaart met een
€ 34,25
geldigheidsduur van vijf jaren voor een persoon met een uitreisverbod, ongeacht de leeftijd van de betrokken persoon Spoedlevering
3.6
voor de versnelde uitreiking van een in de onderdelen
€ 53,-
3.1 tot en met 3.5 genoemd document, zijnde een toeslag op de in die onderdelen genoemde bedragen van Bezorgen
3.7
voor het binnen Nederland bezorgen van een in de
€ 16,70
onderdelen 3.1 tot en met 3.6 genoemd document, zijnde een toeslag op de in die onderdelen genoemde bedragen van
Hoofdstuk 4
Rijbewijzen 4
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
4.1
tot het afgeven, vernieuwen of omwisselen van een
€ 48,15
rijbewijs 4.2
Het tarief genoemd in onderdeel 4.1 wordt
Spoedlevering
4.2.1
bij een spoedlevering vermeerderd met
€ 34,10
Vermissing
4.2.2
,tenzij het rijbewijs door de RDW reeds ongeldig is
€ 24,50
verklaard, bij een aanvraag in verband met vermissing van een eerder afgegeven rijbewijs vermeerderd met 4.3
De verhogingen genoemd in onderdeel 4.2 zijn in voorkomend geval cumulatief van aard.
28
Inboeknummer 23bst01030 Hoofdstuk 5
Verstrekkingen in het kader van de Basisregistratie personen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder één verstrekking verstaan: de verstrekking van één of meer gegevens omtrent één persoon waarvoor de Basisregistratie personen moet worden geraadpleegd. Hieronder zijn begrepen de administraties als bedoeld in de Wet basisregistratie personen. 5
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
5.1
tot het verstrekken van gegevens op schriftelijk
€ 18,50
verzoek (post, e-mail en fax) per (digitale) verstrekking 5.2
tot het afsluiten van een abonnement op het verstrekken van gegevens gedurende de periode van één jaar:
5.2.1
voor 100 verstrekkingen
€ 1.110,-
5.2.2
voor 200 verstrekkingen
€ 2.200,-
5.2.3
voor 500 verstrekkingen
€ 5.420,-
5.2.4
voor 1000 verstrekkingen
€ 9.945,-
5.2.5
voor 5000 verstrekkingen
€ 48.100,-
5.3
tot het verstrekken van gegevens uit de Basisregistratie personen voor 2.500 inlichtingen of minder
€ 205,-
waarbij het tarief voor elk honderdtal of gedeelte
5.4
daarvan wordt vermeerderd met een bedrag van
€ 8,-
voor het langs geautomatiseerde wijze produceren
€ 1.044,-
van de gegevens dan wel het middels beeldschermen raadplegen van deze gegevens 5.5
Voor zover in de wetgeving elders niet nadrukkelijk
€ 14,-
anders is bepaald, bedraagt het tarief voor het op verzoek doornemen van de Basisregistratie personen, voor ieder daaraan besteed kwartier 5.6
In afwijking van de voorgaande onderdelen bedraagt het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het schriftelijk verstrekken van gegevens
29
€ 7,50
Inboeknummer 23bst01030 als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van het Besluit basisregistratie personen Uittreksel/ver-
5.7
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen
klaring uit de
van een aanvraag tot het afgeven van een uittreksel
Basisregistratie
uit / verklaring ontleend aan de Basisregistratie personen,
Meertalig
5.8
a. via DigiD
€ 8,85
b. niet via DigiD
€ 18,50
Indien bij een aanvraag als bedoeld in onderdeel 5.7
model-
tevens een meertalig modelformulier als bedoeld in
formulier
artikel 7, eerste lid, van verordening (EU) nr. 2016/1191 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 betreffende de bevordering van het vrije verkeer van burgers door vereenvoudigde overlegging van bepaalde openbare documenten in de Europese Unie en tot wijziging van Verordening nr. 1024/2012 (PbEU 2016, L 200), wordt aangevraagd, dan wordt het op grond van onderdeel 5.7 van toepassing zijnde tarief verdubbeld.
Hoofdstuk 6
Wet op de lijkbezorging 6.1
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen
€ 205,-
van een aanvraag tot het verkrijgen van vergunning tot het opgraven van een stoffelijk overschot zoals bedoeld in artikel 29 van de Wet op de lijkbezorging
Hoofdstuk 7
Vervallen
Hoofdstuk 8
Overige producten burgerzaken 8
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het afgeven van
Verklaring
8.1
een verklaring omtrent het gedrag
€ 41,35
Omtrent het Gedrag (VOG)
30
Inboeknummer 23bst01030 Legalisatie
8.2
een legalisatie van een handtekening
€ 13,50
RNI
8.3
een uittreksel uit / verklaring ontleend aan het
€ 18,50
Register Niet-Ingezetenen
Deze tarieventabel maakt onderdeel uit van en behoort bij het raadsbesluit van 7 november 2023 tot vaststelling van de Legesverordening burgerzaken 2024.
J. Jongbloed, griffier.
31
Inboeknummer 23bst01030
Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 24 oktober 2023; gelet op de behandeling in de meningsvormende vergaderingen van 31 oktober 2023; mede gelet op de artikelen 156, eerste en tweede lid, aanhef en onderdeel h, en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet en artikel 13.1a van de Omgevingswet besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en de invordering van leges vergunningen en aanverwante diensten 2024 Artikel 1. Definities Deze verordening verstaat onder: a. dag: de periode van 00.00 uur tot 24.00 uur, waarbij een gedeelte van een dag als een hele dag wordt aangemerkt; b. jaar: kalenderjaar; c. kalenderjaar: de periode van 1 januari tot en met 31 december; d. week: een aaneengesloten periode van zeven dagen.
Artikel 2. Belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a. het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit; b. het verlenen van een dienst op aanvraag; of c. het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een document; een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
Artikel 3. Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager of degene voor wie de aanvraag is gedaan.
32
Inboeknummer 23bst01030
Artikel 4. Vrijstellingen Leges worden niet geheven voor: a. diensten waarvan de kosten krachtens afdeling 13.6 van de Omgevingswet zijn of worden verhaald; b. diensten die ingevolge een wettelijk voorschrift zijn vrijgesteld van rechtenheffing of kosteloos moeten worden verleend.
Artikel 5. Maatstaven van heffing en tarieven 1. De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel. 2. Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 6. Wijze van heffing De leges worden geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, een zegel, een nota, factuur of andere schriftuur, of een kennisgeving langs elektronische weg. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving of langs elektronische weg aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 7. Termijnen van betaling 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 6: a. mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving; b. schriftelijk wordt gedaan, op het moment van uitreiken van de kennisgeving, dan wel in geval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving; c. langs elektronische weg in het aanvraagproces wordt gedaan onverwijld, dan wel als die mogelijkheid wordt geboden binnen 30 dagen na het indienen van de aanvraag langs elektronische weg; d. langs elektronische weg na indiening van de aanvraag wordt gedaan, binnen 30 dagen na dagtekening van de kennisgeving. 2. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
33
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van de leges wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 9. Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst, besluit of handeling wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst, besluit of handeling in die tarieventabel opgenomen bepaling.
Artikel 10. Overdracht van bevoegdheden Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, als de wijzigingen a.
van zuiver redactionele aard zijn;
b.
een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant en het hoofdstuk 1, paragraaf 6 (Kansspelen) van de tarieventabel betreft;
een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.
Artikel 11. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.
De ‘Legesverordening vergunningen 2023’ vastgesteld bij raadsbesluit van 8 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4.
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Legesverordening vergunningen 2024’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2023.
J. Jongbloed, griffier.
34
Inboeknummer 23bst01030
Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening vergunningen 2024 Indeling Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening vergunningen en ontheffingen Paragraaf 1 Vervallen Paragraaf 2 Taxivergunning Paragraaf 3 Verkeer en vervoer Paragraaf 4 Gebruik openbare grond Paragraaf 5 Bouwhinder Paragraaf 6 Kansspelen Paragraaf 7 Leegstand en huisvesting Paragraaf 8 Collectevergunning Paragraaf 9 In dit hoofdstuk niet benoemd besluit op aanvraag
Hoofdstuk 2 Dienstverlening en besluiten in het kader van de Omgevingswet Paragraaf 1 Algemene bepalingen Paragraaf 2 Voorfase Paragraaf 3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken Paragraaf 4 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed en werelderfgoed Paragraaf 5 Milieubelastende activiteiten Paragraaf 6 Milieu overig Paragraaf 7 Aanlegactiviteiten Paragraaf 8 Andere activiteiten Paragraaf 9 Maatwerkvoorschriften Paragraaf 10 Gelijkwaardigheid Paragraaf 11 Overige tarieven
35
Inboeknummer 23bst01030 Paragraaf 12 Modaliteiten Paragraaf 13 Vermindering Paragraaf 14 Teruggaaf Paragraaf 15 In dit hoofdstuk niet benoemd besluit op aanvraag
Hoofdstuk 3 Dienstverlening vallend onder de Europese Diensten- of Machtigingsrichtlijn Paragraaf 1 Horeca- of slijtersbedrijf Paragraaf 2 Organiseren evenementen Paragraaf 3 Prostitutiebedrijven Paragraaf 4 Vermindering en teruggaaf Paragraaf 5 Huisvesting Paragraaf 6 Telecommunicatie, kabels en leidingen Paragraaf 7 Standplaats Paragraaf 8 Winkeltijdenwet Paragraaf 9 Inzamelen afvalstoffen Paragraaf 10 In dit hoofdstuk niet benoemd besluit op aanvraag
36
Inboeknummer 23bst01030
Hoofdstuk 1 Algemene dienstverlening vergunningen en ontheffingen
Artikel
Omschrijving
Tarief
Paragraaf 1 Vervallen
Paragraaf 2 Taxivergunning 1.2.1
Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag
1.2.1.1
om een TTO-vergunning, als bedoeld in
€ 4.446,00
artikel 4 van de Taxiverordening Eindhoven 2016: waarbij het tarief wordt verhoogd per
€ 259,00
aangesloten chauffeur met 1.2.1.2
tot het overschrijven van een taxichauffeur
€ 94,00
naar een andere TTO-vergunning 1.2.1.3
tot het toevoegen van een taxichauffeur aan
€ 259,00
een bestaande TTO-vergunning 1.2.1.4
om een vervangend bewijs als bedoeld in
€ 57,00
artikel 3, tweede lid, van de Taxiverordening Eindhoven 2016 1.2.2.1