CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Vastgesteld besluit Raadsvoorstel aangepaste gemeenschappelijke regelingen n a v zienswijze

Raadsvergadering 11 juni 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Aangepaste ontwerp gemeenschappelijke regelingen n.a.v. zienswijze gemeenteraden24.770 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Op die manier kan binnen het kader van de bevoegdheden van het openbaar lichaam juridische binding verkregen worden. In juridisch opzicht kan de voorzitter geen rechtstreekse en formele binding creëren tussen externe partijen en de gemeenten. De voorzitter is het nationale en internationale boegbeeld van de regio. De voorzitter brengt de agenda van de regio in op (inter)nationale podia en behartigt op basis van deze agenda de belangen van de gemeenten zonder dat de voorzitter daarbij rechtens bindende besluiten neemt. Samen met de overige leden van het dagelijks bestuur is de voorzitter bovendien trekker van de regionale agenda en de internationale acquisitie. In de vertegenwoordigde taken wordt de voorzitter bijgestaan door de vicevoorzitter. Artikel 21 Overlegorganen Reeds bij de omzetting van de samenwerking van SRE naar MRE is ervoor gekozen de strategische opgaven en de regionale agenda te laten voorbereiden door de gemeenten bij voorkeur in samenwerking met ondernemers, onderwijs en maatschappelijke organisaties. Via het Statuut Overlegorganen kunnen daarvoor verschillende werkvormen worden ingesteld. Medio 2021 zijn dat de portefeuillehoudersoverleggen en de bestuurlijke koplopersgroepen. De Raadstafel21 functioneert ook als zodanig en is daarom ook in het Statuut Overlegorganen opgenomen.

Ofschoon de taken, bevoegdheden en werkwijze in het Statuut Overlegorganen zijn geregeld en dus niet zijn opgenomen in de gemeenschappelijk regeling, over ieder van die overlegorganen het volgende:

48

Inboeknummer 24bst00480 Elk van de benoemde thema’s uit de regionale agenda krijgt bestuurlijk uitvoering in een portefeuillehoudersoverleg. Daarnaast heeft ieder portefeuillehoudersoverleg een signaalfunctie voor “nieuwe” binnen het thema op te pakken opgaven. Alle verantwoordelijke wethouders van de 21 gemeenten hebben zitting in het portefeuillehoudersoverleg. Ieder portefeuillehoudersoverleg stelt jaarlijks een concept-deelwerkprogramma met een financiële paragraaf op. Integratie van de deelprogramma’s tot één integraal conceptwerkprogramma vindt plaats in het dagelijks bestuur. Wethouders kunnen in hun eigen raad (informeel) ophalen welke zaken er binnen hun portefeuille van belang zijn voor het werkprogramma. Ook tijdens de regionale bijeenkomst wordt dit opgehaald. Het is geen wettelijke verplichting om het concept-werkprogramma aan de colleges en raden voor te leggen voor zienswijzen. Het werkprogramma dient om aan te geven hoe de ambities en doelen, zoals opgenomen in de regionale agenda en de begroting, in de periode waarop het werkprogramma betrekking heeft, uitgevoerd te worden met projecten en activiteiten.

Op grond van ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan met een min of meer ‘opgelegde’ zienswijzen procedure, is in deze toelichting aangegeven dat het bestuur zelf de afweging maakt hoe de colleges en raden betrokken worden in de voorbereiding van het werkprogramma. De ‘actieve’ informatieplicht (artikel 29) en de open bepaling in de voorhangprocedure (artikel 25, derde lid) bieden daarvoor de ruimte. Ieder lid van het portefeuillehoudersoverleg is daarnaast verantwoordelijk voor de lokale vertaling van de in de regionale agenda vastgelegde afspraken, (inhoudelijke) inbreng en het afleggen van verantwoording in eigen college en raad. De 21 inhoudelijke wethouders van de 21 gemeenten binnen een portefeuillehoudersoverleg formeren uit hun midden een ‘bestuurlijke koplopersgroep’, bestaande uit bestuurders die de diverse deelopgaven verder uitwerken en besluiten voorbereiden. Naast affiniteit en persoonlijke motivatie is ook gespreide herkomst over de Metropoolregio een motivatie voor de samenstelling van een bestuurlijke koplopersgroep. Per portefeuillehoudersoverleg wordt van enkele gemeenten verwacht dat zij ambtelijke capaciteit leveren voor de uitwerking van de inhoudelijke opgaven. Dit geldt bij voorkeur voor gemeenten, waarvan de portefeuillehouder deelneemt aan de bestuurlijke koplopersgroep.

Samen met medewerkers van de uitvoeringsorganisatie ondersteunen zij het portefeuillehoudersoverleg bij alle werkzaamheden. Externe partners kunnen participeren in de koplopersgroep. In het “plenaire” portefeuillehoudersoverleg ligt het accent op de bestuurlijke discussie en (voorbereiding van) besluitvorming tussen de 21 gemeenten. Externen maken daar geen onderdeel van uit. De leden van ieder portefeuillehoudersoverleg kiezen aan het begin van iedere bestuursperiode uit hun midden een voorzitter en vicevoorzitter. De voorzitters van het portefeuillehoudersoverleg zijn inhoudelijk trekkers van het thema, in lijn met de beschreven opgaven uit deze regionale agenda en bijbehorende acties uit het werkprogramma. De voorzitters van de portefeuillehoudersoverleggen nemen als adviseur deel aan beraadslagingen van het dagelijks bestuur, met name daar waar deze gericht zijn op de strategie. Zij worden echter geen lid van het dagelijks bestuur. Dit bevordert de keuzevrijheid aan het portefeuillehoudersoverleg, omdat het voorzitterschap van het inhoudelijk thema overleg niet verbonden is aan het lidmaatschap van het algemeen bestuur, respectievelijk het dagelijks bestuur. In het Statuut Overlegorganen is geregeld dat de voorzitters in het algemeen bestuur verantwoording afleggen over de realisatie van de opgaven in hun werkprogramma.

De leden van het portefeuillehoudersoverleg leggen ook verantwoording af in hun eigen raad.

49

Inboeknummer 24bst00480 Naast de portefeuillehoudersoverleggen is voor raadsleden de Raadstafe21 van belang. In de regeling is opgenomen dat het algemeen bestuur dit overlegorgaan in ieder geval instelt, zodat het bestaan ervan formeel is geborgd. De taken, bevoegdheden en werkwijze zijn geregeld in het Statuut Overlegorganen en komen neer op het volgende. De Raadstafel21 is ontstaan in 2015, toen het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) werd omgevormd tot Metropoolregio Eindhoven. Betrokken raadsleden wilden de afstand tussen de Metropoolregio Eindhoven en de gemeenteraden verkleinen en de betrokkenheid van de raadsleden vergroten. Een klankbordgroep met raadsleden bedacht de Raadstafel21. De eerste Raadstafel21 bijeenkomst was op 25 november 2015. Alle gemeenteraden in de Metropoolregio benoemen in beginsel twee raadsleden in de Raadstafel21. Iedere gemeente kan ook een plaatsvervangend lid benoemen. De Raadstafel21 is het overlegplatform van raadsleden in de Metropoolregio Eindhoven. De Raadstafel21 heeft geen besluitvormende bevoegdheden, noch maakt zij in formele zin onderdeel uit van de besluitvorming in het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur. Met het oog op de primaire taak van de Raadstafel21 is dit overlegorgaan gerechtigd procesvoorstellen in te dienen bij het algemeen bestuur, waaruit volgt dat dit zowel gevraagd als ongevraagd kan zijn.

Informatie-uitwisseling, kennisdeling en vervullen van de ambassadeursrol naar de eigen gemeenteraad zijn de belangrijkste functies, die de leden vervullen. De Raadstafel21 fungeert als: - schakel tussen gemeenteraden en Metropoolregio; - sparringpartner voor de portefeuillehoudersoverleggen, c.q. voorzitter en vicevoorzitter van het portefeuillehoudersoverleg; - de verbinder tussen bestuur en raad in hun eigen gemeente. raadstafelleden zijn adviesgevers aan de raad en de portefeuillehouders, t.b.v. het bevorderen van de informatie-uitwisseling. - klankbord bij de voorbereiding van de Metropoolconferenties. De ambitie van de Raadstafel21 is het samenwerken van 21 autonome gemeenteraden samenwerken als één regio op de thema’s, die voor alle 21 gemeenten van belang zijn. Als doel hanteert zij hierbij: - Het in positie brengen van gemeenteraadsleden, zodat zij hun kaderstellende en controlerende rol in de samenwerking kunnen vervullen. - Vergroten van de betrokkenheid van gemeenteraadsleden bij de regionale opgaven. De gewijzigde Wgr biedt de mogelijkheid, op grond van artikel 24a tot instelling van een gemeenschappelijke adviescommissie. De procedure, die de Wgr voorschrijft is reeds doorlopen in 2021 voor de Raadstafel21. In de gewijzigde regeling is aangegeven dat artikel Wgr 24a van toepassing is op de Raadstafel21.

Dit houdt in dat de Raadstafel21 wordt aangemerkt als gemeenschappelijke adviescommissie van de MRE. In artikel Wgr 24a is aangegeven op welke manier invulling kan worden gegeven aan de adviserende rol. Door de verwijzing naar Wgr artikel 24a in de regeling is beoogd ontwikkelruimte te creëren voor de doorontwikkeling van de Raadstafel21, maar niet om deze doorontwikkeling te verplichten. De beschrijving van de taken, bevoegdheden en werkwijze van de Raadstafel21 in het huidige Statuut Overlegorganen laat zien dat er al veel aanknopingspunten voor de Raadstafel21 zijn om invulling te geven aan de mogelijkheden, die art 24a Wgr biedt. Mocht blijken dat er in de toekomst behoefte is aan uitbreiding, dan kan het Statuut Overlegorganen hierop worden aangepast. De raden moet dan, zoals ook vereist wordt

50

Inboeknummer 24bst00480 door de Wgr, de mogelijkheid worden geboden wensen en bedenkingen kenbaar te maken. Het algemeen bestuur stelt het statuut vast. Artikel 22 Bestuurscommissies Het algemeen bestuur regelt bij verordening de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van in te stellen bestuurscommissies. Bij de regeling van de werkwijze dient ook de openbaarheid geregeld te worden. Het voorzitterschap van de eventueel in te stellen bestuurscommissies berust bij een lid van het dagelijks bestuur. Dit om zoveel mogelijk de integraliteit van het bestuur te waarborgen. Het algemeen bestuur heeft een verordening vastgesteld, regelend de instelling en het functioneren van de Bestuurscommissie RHCe. Artikel 23 Commissies van advies De bevoegdheid tot instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur, algemeen bestuur en de voorzitter, berust bij het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze. Het voorzitterschap van de commissies van advies berust bij leden van het dagelijks bestuur. Per 2024 zijn ingesteld de Commissie van advies voor Gulbergen en de Commissie van advies voor financiën, die het dagelijks bestuur voorziet van adviezen over documenten in het kader van de planning en control cyclus, zoals de begroting.

De gemeenschappelijke regeling biedt de mogelijkheid ook tijdelijke commissies van advies aan het dagelijks bestuur en de voorzitter in te stellen. De bevoegdheid tot regeling van de bevoegdheden en de samenstelling ligt bij het dagelijks bestuur en de voorzitter zelf. Artikel 24

Betrokkenheid van ingezetenen en andere belanghebbenden (inspraak) bij voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van de regeling

De gewijzigde Wgr (artikel 10, lid 7) schrijft voor dat gemeenschappelijke regelingen bepalingen moeten inhouden “omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden”. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat het om inspraak en andere vormen van participatie kan gaan. Artikel 24 van de regeling heeft derhalve betrekking op inspraak, en andere vormen van participatie, door inwoners van de deelnemende gemeenten, en andere partijen die een belang hebben bij het beleid dat op grond van de regeling wordt voorbereid, uitgevoerd of wordt geëvalueerd. Primair gebeurt dit via de reguliere procedures bij de colleges en de raden van de deelnemende gemeenten, op grond van hun eigen ‘inspraakbeleid / participatiebeleid’. Zoals ook elders in deze toelichting wordt aangegeven, ligt de beslissingsmacht over de uitvoering van de regionale agenda bij hen. Zij bepalen dus zelf of en op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden betrokken worden. Daarnaast kan het dagelijks bestuur besluiten dat een apart participatietraject wordt doorlopen. De mogelijke ingrijpende gevolgen van een te nemen besluit zijn hiervoor leidend.

Deze ruime omschrijving laat naast de feitelijke gevolgen van een te nemen besluit, ook toe mee te nemen welke beleidsvrijheid gemeenten nog hebben, nadat het betreffende besluit is genomen en of ze hier überhaupt nog aan te pas komen. Ook kan hiermee worden voorzien in een uniforme inspraakprocedure voor de hele regio. Het

51

Inboeknummer 24bst00480 dagelijks bestuur kan ook besluiten dat een apart participatietraject wordt doorlopen als tenminste 1/5 deel van de deelnemende raden daarom vraagt. Dit past bij de versterking van de democratische legitimatie, zoals voorzien bij de wijziging van de Wgr. Voorkomen wordt dat willekeur kan optreden. Het dagelijks bestuur informeert immers alle deelnemende gemeenten. Artikel 25

Voorhangprocedure gemeenteraden

Op grond van de Wgr, artikel 10, lid 5 houdt de Gemeenschappelijk Regeling Metropoolregio Eindhoven bepalingen in over de besluiten van het bestuur, waarover de raden van de deelnemende gemeenten een zienswijze naar voren kunnen brengen voorafgaand aan het nemen van het besluit. Deze bepalingen kunnen dus zowel betrekking hebben op besluiten van het algemeen bestuur als van het dagelijks bestuur. De Gemeenschappelijke Regeling MRE is een gemengde regeling (college- en raadsregeling). Om de inhoudelijke betrokkenheid van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten te borgen is in het eerste en tweede lid een voorhangprocedure opgenomen met betrekking tot besluiten, die de positie van de gemeenten direct raken. Daartoe behoren ingevolge de Wet gemeenschappelijke regelingen ook besluiten inzake deelneming dan wel ontbinding of beëindiging van participatie in privaatrechtelijke rechtspersonen. Ook het aangaan, wijzigen etc. van een gemeenschappelijke regeling is onderworpen aan de voorhangprocedure, althans voor zover het om een raadsregeling handelt, die het algemeen bestuur aangaat. In het derde lid is bepaald dat het bestuur kan besluiten ook andere onderwerpen voor te hangen bij de raden van de deelnemende gemeenten.

Uit de toelichting op de gewijzigde Wgr blijkt dat ervoor is gekozen niet dwingend voor te schrijven voor welke besluiten een zienswijze aan de raden moet worden gevraagd, maar dit over te laten aan de deelnemers en de raden. De wijziging is bedoeld om een bewuste afweging hierover te bevorderen. In deze afweging kan het bestuur bijvoorbeeld betrekken, wat de consequenties zijn voor gemeenten van het te nemen besluit. Denk aan inzet van capaciteit, middelen, aanpassing van eigen beleid, et cetera. Ook het draagvlak bij raden voor een te nemen besluit kan van belang zijn. In een zienswijze kunnen raden deze en andere relevante aspecten opnemen, zodat het bestuur dit kan betrekken in hun besluitvorming. Het vierde lid biedt de raden een mogelijkheid te verzoeken om een zienswijzeprocedure. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer dat door het dagelijks of algemeen bestuur aanvankelijk niet wordt voorgesteld. Het zesde lid biedt het bestuur de mogelijkheid af te zien van een zienswijzeprocedure in spoedeisende gevallen. Uiteraard geldt dit niet wanneer een dergelijke procedure wettelijk vereist is. Het dagelijks bestuur dient de raden hiervan schriftelijk op de hoogte te stellen en te motiveren waarom wordt afgezien van een zienswijzeprocedure. Deze verlengt immers de besluitvormingstermijn met minimaal 8 tot 12 weken.

Dit kan ongewenst zijn vanwege bijvoorbeeld een termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden, of een situatie waarin snel gehandeld moet kunnen worden. Het bestuur dient deze belangen af te wegen tegen het belang van betrokkenheid van de raden. Het is niet gewenst de redenen van spoed in de regeling te omschrijven, omdat dit in gaat tegen de beoogde flexibiliteit zoals is toegelicht bij het derde lid. Het zevende lid is overeenkomstig de Wgr, artikel 10, zesde lid.

52

Inboeknummer 24bst00480 Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat een inspraakprocedure op grond van artikel 24 niet uitsluit dat ook een voorhangprocedure wordt toegepast op grond van artikel 25, en vice versa. Leden 8, 9 en 10 hebben betrekking op een wijziging van de gemeenschappelijke regeling zelf. Bij een wijziging van de gemeenschappelijk regeling heeft het algemeen bestuur een procesrol. De besluitvorming over de gemengde regeling bestaat uit eensluidende besluiten van de raden en de colleges om de gewijzigde regeling te treffen. Een en ander conform Wgr artikel 1. De gewijzigde Wgr artikel 1, tweede lid en derde lid zien erop toe dat een ontwerp van de regeling wordt toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten voor zienswijzen, met uitzondering van het ontwerp van een regeling die getroffen of mede getroffen wordt door de raden. In het achtste en negende lid is evenwel opgenomen dat bij wijziging van de gemeenschappelijke regeling een reactieprocedure wordt gevolgd. Beoogd is een procedure die hetzelfde beoogt als Wgr artikel 1, tweede en derde lid. Omdat echter geen sprake is van een verplichte zienswijze procedure is gekozen voor de duiding als een reactieprocedure. Artikel 26

Voorhangprocedure colleges

De gemeenschappelijke regeling is een gemengde regeling (college- en raadsregeling). Om ook de inhoudelijke betrokkenheid van de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten te borgen is in het eerste en tweede lid vastgelegd dat voorstellen die leiden tot een aangaan van een gemeenschappelijke collegeregeling door het dagelijks bestuur van de Metropoolregio met een ander openbaar lichaam dan wel het wijzigen van of het uitreden uit een dergelijke regeling, worden voorgelegd aan de colleges. Door uit te gaan van een reactietermijn van acht weken kunnen de colleges van de deelnemende gemeenten, indien zij daartoe besluiten, hun eigen gemeenteraad nog raadplegen over het kenbaar gemaakte voornemen. Doordat de regionale beslissingsmacht van het dagelijks bestuur hoofdzakelijk is beperkt tot de eigen organisatie en bedrijfsvoering, is het niet nodig de voorhangprocedure voor de colleges verder uit te breiden. De strekking van het derde lid is overeenkomstig de Wgr, artikel 10, zesde lid. Artikel 27

Regionale bijeenkomst

In de gemeenschappelijke regeling is verankerd de verplichting voor het dagelijks bestuur om twee keer per jaar bijeenkomst te organiseren voor de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten om hen te informeren over actuele ontwikkelingen, die betrekking hebben op de Metropoolregio. Collegeleden ontvangen tevens een uitnodiging. Doorgaans zullen dergelijke bijeenkomsten zich afspelen in de avonduren om zo rekening te houden met de werkzaamheden van raadsleden overdag. Het spreekt voor zich dat het dagelijks bestuur daarnaast gehouden is de gemeenteraden ook buiten deze twee ontmoetingsmomenten actief te informeren over relevante zaken, mede op grond van artikel 29, derde lid van de regeling.

53

Inboeknummer 24bst00480 Artikel 28

Dagelijks bestuur / algemeen bestuur

Dit artikel heeft betrekking op de interne verantwoordingsrelatie binnen het openbaar lichaam Metropoolregio Eindhoven. Het algemeen bestuur als hoogste orgaan kan aan het dagelijks bestuur inlichtingen vragen en vervolgens het dagelijks bestuur of een lid daarvan ter verantwoording roepen. Daartoe behoort sinds 2015 ook een actieve inlichtingenplicht van het dagelijks bestuur. Die invoering hangt samen met een wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen (artikel 19a Wgr), die op 1 januari 2015 in werking is getreden. Sluitstuk van dit artikel is de ontslagbevoegdheid van het algemeen bestuur indien een lid van het dagelijks bestuur niet meer het vertrouwen geniet van het algemeen bestuur. Artikel 29

Metropoolregio / gemeenteraden

De bestuursorganen van het openbaar lichaam verstrekken de raden van de deelnemende gemeenteraden de door hen gevraagde informatie. Primair wordt deze taak ingevuld door het dagelijks bestuur, maar het artikel heeft betrekking op alle bestuursorganen. Deze informatieplicht vloeit voort uit artikel 17 van de Wgr. De strekking van artikel 17 Wgr is in zoverre aangevuld dat dit ook betrekking heeft op de colleges van de deelnemende gemeenten, en uit eigen beweging wordt verstrekt. De wijze waarop het bestuur hieraan invulling geeft is niet vastgelegd in de regeling. Het bestuur kan gebruik maken van verschillende communicatiemiddelen, zoals bijeenkomsten, informatiebrieven, publicatie van besluiten et cetera. Met de actieve informatieplicht krijgt dit de voortdurende aandacht van het bestuur van de Metropoolregio. Artikel 30

Lid algemeen bestuur / gemeenteraad

Dit artikel regelt de verantwoordingsrelatie tussen een lid van het algemeen bestuur en de gemeenteraad, die hem of haar heeft aangewezen. In eerste instantie gaat het om een inlichtingenplicht. Vervolgens kan de gemeenteraad besluiten het betreffende lid, indien dit lid niet meer het vertrouwen van de gemeenteraad geniet, ontslag verlenen als lid van het algemeen bestuur van de Metropoolregio Eindhoven. Met dit artikel wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 16, eerste, tweede en vierde lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Artikel 31

Ambtelijke organisatie

Ter ondersteuning van de samenwerking van de 21 gemeenten is een gezamenlijke regionale ondersteuningsorganisatie beschikbaar. Deze organisatie is op maat toegesneden en werkt samen met de gemeentelijke ambtelijke organisaties aan de bestuurlijke realisatie van de regionale agenda. Actieve ambtelijke inzet vanuit de gemeenten, samen met de ondersteuningsorganisatie, is cruciaal voor slagkracht, eigenaarschap en vertrouwen. De ambtelijke ondersteuning richt zich op: • het ondersteunen van de portefeuillehoudersoverleggen, de bestuurlijke koplopersgroepen, de Raadstafel21 (procesmatig), het dagelijks en het algemeen bestuur bij het realiseren van de opgaven, zoals opgenomen in de regionale agenda;

54

Inboeknummer 24bst00480 •

het signaleren, verkennen en agenderen van maatschappelijke ontwikkelingen en mogelijk daaruit voortvloeiende opgaven, die door de gemeenten in de Metropoolregio Eindhoven kunnen worden belegd. De regionale ondersteuningsorganisatie bestaat primair uit programmaregisseurs en procesmanagers, die de samenwerking van de 21 gemeenten ondersteunen, aanjagen en doorontwikkelen. Samen met hun gemeentelijke collega’s organiseren, faciliteren en begeleiden zij het regionale samenwerkingsproces in de portefeuillehoudersoverleggen, dagelijks bestuur en algemeen bestuur. Ook worden (bestuurlijke) netwerken en regionale ontmoetingsmomenten van raden en colleges georganiseerd. De ambtelijke voorbereiding en opvolging van portefeuillehoudersoverleggen/ bestuurlijke koplopergroepen vindt plaats in periodieke ambtelijke overleggen. Hierin hebben de relevante regionale programmaregisseurs en procesmanagers en gemeentelijke (vak)ambtenaren zitting. De regionale procesmanagers initiëren en faciliteren deze overleggen. Voorstellen met betrekking tot de samenwerking in algemene zin worden ambtelijk voorbereid in samenspraak en overleg met de bestuursadviseurs van de 21 gemeenten. De regionale programmaregisseurs en procesmanagers nemen actief deel in landelijke kennisnetwerken en ontsluiten deze voor de gemeenten.

De regionale ondersteuningsorganisatie Metropoolregio Eindhoven wordt aangestuurd door het dagelijks bestuur. Actualisering van de regionale agenda kan andere accenten leggen en om andere vormen van ondersteuning vragen. Het is van belang dat de regionale ondersteuningsorganisatie adaptief meebeweegt met ontwikkelingen en veranderende opgaven. Tegelijkertijd is ook van belang dat de organisatie stabiel en robuust is en in staat is – samen met gemeenten – de verschillende bestuurlijke opdrachten uit te voeren. Artikel 32 Directeur / secretaris De bevoegdheid tot benoeming van de directeur als hoogste ambtelijke leidinggevende binnen de ondersteunende organisatie berust bij het dagelijks bestuur. Er is op grond van het tweede lid sprake van een personele unie tussen de directeur en het vervullen van het secretarisschap van dagelijks bestuur en algemeen bestuur. Derhalve hoort het dagelijks bestuur het algemeen bestuur over de benoeming, schorsing en ontslag van de directeur. Artikel 33 Taak directeur De directeur is het hoofd van de ambtelijke organisatie en geeft daaraan leiding en sturing. Daarnaast is de directeur gesprekspartner voor andere directeuren, directie provincie en dergelijke en strategisch adviseurs en gemeentesecretarissen. Artikel 34 Rechtspositie Het dagelijks bestuur besluit over de benoeming, de schorsing en het ontslag van het personeel.

In dit artikel wordt gesproken over overig personeel, omdat artikel 32 betrekking heeft op de directeur. Het dagelijks bestuur kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 168, lid 1 van de Gemeentewet resp. hoofdstuk 10 van de Algemene wet bestuursrecht, de uitoefening van zijn bevoegdheid, zowel geheel als gedeeltelijk, mandateren aan een of meer van leden van het dagelijks bestuur c.q. mandaat verstrekken aan de regiodirecteur.

55

Inboeknummer 24bst00480 Artikel 35 Toepasselijke rechtspositieregels De Metropoolregio Eindhoven volgt qua rechtspositie van de medewerkers de CAO-SGO (samenwerkende gemeentelijke organisaties). Verder zijn lokale rechtspositieregelingen van kracht. Voorbeelden zijn de werktijdenregeling, de reiskostenregeling, het beloningsbeleid, de IKB doelen, de verlofregeling. Deze zijn vastgelegd in het personeelshandboek van de Metropoolregio Eindhoven. Artikel 36 Vergoedingen Uitgangspunt is dat zo min mogelijk bestuurskosten ten laste van het openbaar lichaam Metropoolregio Eindhoven worden gebracht. Denkbaar is dat in incidenteel gevallen een uitzondering gemaakt moet worden op deze hoofdregel. In een op te stellen verordening zal dit uitgewerkt moeten worden. In het derde lid is voorzien dat ook de leden van de Bestuurscommissie RHCe onder de werking van dit artikel vallen. De strekking van het vierde lid is gelijk aan de strekking van de Wgr, artikel 24a, zesde lid. Het gaat om een ‘kan’ bepaling, waarbij gekeken kan worden welke (bindende) afspraken hierover landelijk worden gemaakt. Artikel 37 Kadernota en voorlopige jaarrekening De verplichting tot het opstellen van een kadernota vloeit voort uit de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 34b van deze wet schrijft voor dat het dagelijks bestuur voor 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de gemeenten toestuurt. In de huidige praktijk wordt de kadernota in december vastgesteld en vervolgens toegezonden aan de gemeenten. De techniek van planning en control is onderhevig aan wijzigingen. Met uitzondering van wettelijk voorgeschreven termijnen en bepalingen wordt in de regeling daarom verwezen naar het ter zake vastgestelde document, zodat bij wijziging van de techniek de gemeenschappelijke regeling deze wijziging niet in de weg staat of ook gewijzigd moet worden. De voorlopige jaarrekening kan in een beleidsdocument met een andere benaming ondergebracht worden. Artikel 38 Begroting De begrotingsprocedure is, met inachtneming van artikel 34 en 35 Wgr, als volgt: - Het dagelijks bestuur maakt jaarlijks (bij voorkeur voor 1 april) de ontwerpbegroting op (lid 1). - Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting minimaal 12 weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de gemeenteraden (lid 4). - De raden kunnen over de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze doen toekomen (lid 4).

- De begroting wordt tijdig vastgesteld door het algemeen bestuur, mede gelet op de termijn, waarop deze moet worden toegezonden aan gedeputeerde staten. - Voorafgaand aan de besluitvorming voegt het dagelijks bestuur de commentaren uit de zienswijzen bij de ontwerpbegroting (lid 6). Tevens worden de raden voorafgaand aan de besluitvorming geïnformeerd over het oordeel over de zienswijzen en de consequenties van dat oordeel (lid 7).

56

Inboeknummer 24bst00480 Indien daartoe aanleiding bestaat worden afschriften van de vastgestelde begroting toegezonden aan de raden van de deelnemende gemeenten (lid 8). - Het dagelijks bestuur stuurt de vastgestelde begroting voor 15 september toe aan gedeputeerde staten (lid 9). Op grond van Wgr, artikel 35, tweede lid wordt de ontwerpbegroting door de zorg van de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Deze bepaling is opgenomen in het vijfde lid van de regeling. Elke gemeente kan hieraan invulling geven op een wijze, die aansluit bij de lokale praktijk. De Metropoolregio Eindhoven kan dit faciliteren door publicatie van de ontwerpbegroting op haar eigen website. -

In dit artikel van de regeling is tevens de bijdrageverplichting van de deelnemende gemeenten opgenomen. Als uniforme sleutel wordt gehanteerd een bedrag per inwoner (lid 2 en lid 3). Dit maakt dat de bijdrage per gemeente kan fluctueren naar gelang uit het aantal inwoners op de vastgestelde peildatum een stijging of daling van het aantal inwoners blijkt in vergelijking met het voorgaande jaar. De gemeenten kunnen op grond van artikel 35, lid 4 Wgr, nadat zij de vastgestelde begroting hebben ontvangen, bij gedeputeerde staten zo nodig hun zienswijze naar voren brengen. De besturen van de openbare lichamen, waaraan de gemeenten van de Metropoolregio deelnemen, hebben afgesproken dat zij hun planning en control cyclus zo veel als mogelijk uniformeren. Dit vergemakkelijkt de controlerende taak van de raden. Het betreft de besturen van de Metropoolregio Eindhoven, de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant, GGD Brabant Zuidoost en de Veiligheidsregio Zuidoost-Brabant. De berekeningsmethodiek (inclusief de wijze van indexering) is vastgelegd in een gezamenlijk opgestelde beleidsnotitie. Begrotingswijzigingen volgen in beginsel de procedure als voorgeschreven voor de begroting.

Dit artikel zondert in het elfde lid daarvan uit die begrotingswijzigingen, die niet leiden tot verhoging van de gemeentelijke bijdragen alsmede blijven binnen het door het algemeen bestuur vastgestelde financiële beleid. De formele procedure daarvoor is: dagelijks bestuur – algemeen bestuur. Artikel 39 Voorschotbetaling Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Het is een continuering van het systeem, zoals dat al bij het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven werd gehanteerd. Artikel 40 Jaarrekening Artikel 34 van de Wgr bepaalt dat de jaarrekening uiterlijk 15 juli van het jaar, volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft, wordt toegezonden aan gedeputeerde staten. Rekening houdend met de vaststelling van de voorlopige jaarrekening voor 30 april, betekent dit dat de definitieve jaarrekening in die tussenliggende periode wordt vastgesteld door het algemeen bestuur. Het is goed gebruik dat de voorlopige cijfers van het voorgaande jaar opgenomen worden als vergelijkingsmateriaal in de begroting van het komend jaar.

57

Inboeknummer 24bst00480 Artikel 41 Financiële gegoedheid Het openbaar lichaam zal bancaire relaties moeten aangaan. Deze bepaling is op verzoek van de Bank Nederlandse Gemeenten opgenomen. De bank verkrijgt hiermee de zekerheid dat het openbaar lichaam alle maatregelen zal nemen om de gemeenten aan hun verplichtingen te laten voldoen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft in een circulaire uit 1999 aangedrongen op het opnemen van deze bepaling in gemeenschappelijke regelingen. Artikel 42 Financiële voorschriften De verordenende bevoegdheid als genoemd in dit artikel wordt ontleend aan de Gemeentewet hoofdstuk XIV-artikelen 212 en 213. Artikel 43 Archiefbescheiden De Archiefwet 1995, artikel 40, eerste lid vereist dat een gemeenschappelijke regeling een voorziening inhoudt over de zorg voor de archiefbescheiden van bij die regeling ingestelde openbare lichamen. Het eerste lid van artikel 43 van de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven belast het dagelijks bestuur met die zorg, overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen archiefverordening. De zorg omvat alle plichten en bevoegdheden, die op grond van de Archiefwet 1995, het Archiefbesluit 1995 en de Archiefregeling zijn toegekend aan de zorgdrager.

Het gaat om de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio Eindhoven, zowel voor, tijdens als na overbrenging van deze archiefbescheiden naar de daarvoor aangewezen archiefbewaarplaats. Het algemeen bestuur heeft de bevoegdheid een archiefverordening vast te stellen, op grond van artikel 5 en 11 van de gemeenschappelijke regeling. In de overeenkomstig vastgestelde archiefverordening zijn in ieder geval nader geregeld de zorg en beheer over de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio, en de verantwoording daarover. De taken en bevoegdheden genoemd in artikel 4 en 5 van de regeling staan in zoverre los van artikel 43 van de regeling, dat het in artikel 4 en 5 gaat over de (overgebrachte) archiefbescheiden van gemeenten. Niettemin is in het tweede lid de archivaris, als bedoeld in artikel 5, eveneens belast met het toezicht op de bewaring en beheer van de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio Eindhoven. In artikel 45 van de regeling is de aangewezen archiefbewaarplaats, dezelfde als aangewezen is in artikel 5. Het dienstonderdeel Regionaal Historische Centrum Eindhoven voert de feitelijke (beheer)taken uit.

Het derde lid voorziet erin dat bij opheffing van de regeling een voorziening wordt getroffen ten aanzien van de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio, zowel de archiefbescheiden die zijn overgebracht, als die nog niet zijn overgebracht. Dit lid volgt de Archiefwet1995, artikel 4, eerste lid. De Archiefwet, artikel 5, verplicht de zorgdrager tot het ontwerpen van selectielijsten waarin tenminste wordt aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging in aanmerking komen. Op grond van het vierde lid van artikel 43 van de regeling zijn de daartoe vastgestelde selectielijsten van de gemeente Eindhoven van toepassing, tenzij het bestuur van de Metropoolregio zelf nieuwe en/of aanvullende selectielijsten vaststelt.

58

Inboeknummer 24bst00480 Het vijfde lid van de regeling zorgt ervoor dat, voor zover niet anders daarin is voorzien, de voorziening in de regeling zoveel mogelijk overeenkomstig de bepalingen van de Archiefwet is, zoals die gesteld zijn voor gemeenten. Een en ander zoals vereist is in de Archiefwet 1995, artikel 40, tweede lid. Conform de landelijke handreiking van het LOPAI, KIA en KVAN is in het zesde lid van de regeling vastgelegd dat de streekarchivaris tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uitbrengt over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van de Metropoolregio, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Conform de landelijke handreiking van het LOPAI, KIA en KVAN is in het zevende lid van de regeling vastgelegd dat het dagelijks bestuur tweejaarlijks verslag uitbrengt aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van de Metropoolregio. Deze verantwoording is nu ook staande praktijk op grond van de Archiefverordening Metropoolregio Eindhoven 2023. De achterliggende gedachte voor verankering in de regeling (en niet alleen in de archiefverordening) is de deelnemende gemeenten meer grip te laten krijgen op het informatiebeheer bij de regeling.

Artikel 44 Terbeschikkingstelling De Archiefwet 1995, artikel 4 derde lid vereist dat een regeling, waarbij taken van een overheidsorgaan geheel of gedeeltelijk worden overgedragen aan een rechtspersoon, een voorziening inhoudt over de terbeschikkingstelling aan die rechtspersoon van de op die taken betrekking hebbende archiefbescheiden. Deze voorziening, indien van toepassing, dient in de regeling te zijn opgenomen. De voorziening in de regeling volgt de Handreiking inrichting informatie- en archiefbeheer bij samenwerkingsverbanden. Artikel 4, derde lid, van de Archiefwet 1995 is van toepassing op de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2024, omdat hierbij zijn overgedragen: • als taken het toezicht op de niet overgebrachte archiefbescheiden (artikel 4, derde lid, sub c van de regeling), de advisering op het gebied van de inrichting van de documentaire informatiehuishouding (artikel 4, derde lid, sub c van de regeling), • de bevoegdheid tot het aanwijzen van de gemeentelijke archiefbewaarplaats(en) (artikel 5, derde lid, sub b, en de bevoegdheid tot het aanwijzen, schorsen en ontslaan van een gemeentearchivaris (artikel 5, derde lid, sub c).

Met uitzondering van de gemeente Gemert-Bakel (op grond van artikel 4, vierde lid, en artikel 5, vierde lid) dienen de overige gemeenten de bescheiden, die nodig zijn voor de uitvoering van deze taken ter beschikking te stellen aan het dagelijks bestuur. Denk aan de lokale archiefverordening en de raadsvoorstellen waarmee deze zijn vastgesteld, en rapportages die betrekking hebben op het interbestuurlijk toezicht door de provincie. Volledigheidshalve wordt hier opgemerkt dat in de Gemeenschappelijke Regeling Metropoolregio Eindhoven 2024 geen andere taken voor uitvoering zijn overdragen van de organen van de gemeenten. Artikel 44 van de regeling heeft dus geen betrekking op andere archiefbescheiden. Mocht daar bij wijziging van de regeling toe worden overgegaan, dan krijgt artikel 44 ook

59

Inboeknummer 24bst00480 toepassing op de archiefbescheiden, die nodig zijn voor de uitvoering van die overdragen taken. Artikel 45 Archiefbewaarplaats De noodzaak tot aanwijzing van de archiefbewaarplaats volgt uit artikel 43, vijfde lid van de regeling en bijgevolg artikel 31 van de Archiefwet 1995. Ook voor het aanwijzen van de bewaarplaats van de over te brengen archieven van de Metropoolregio is aangesloten bij de voortgezette regeling van het Regionaal Historisch Centrum Eindhoven. Met het toezicht is belast de door het dagelijks bestuur te benoemen streekarchivaris. Wettelijk kader bij deze taken is de Archiefwet 1995, het Archiefbesluit 1995 en de Archiefregeling. Artikel 46 Verwijzingen naar de Archiefwet Zoals ook aangegeven is in de inleiding, is een wetsvoorstel in procedure dat strekt tot intrekking van de Archiefwet 1995 en vervanging door de Archiefwet 2021. Zekerheidshalve is daarom artikel 46 opgenomen in de regeling als overgangsbepaling. Overigens bevat dit wetsvoorstel ook overgangsbepalingen en voorziet het wetsvoorstel in een overgangstermijn van twee jaren om gemeenschappelijke regelingen met de artikelen in de nieuwe wet in overeenstemming te brengen. Artikel 47 Toetreding Een gemeenschappelijke regeling dient een regeling te bevatten over toetreding en uittreding.

De bepaling van de condities bij toetreding wordt bepaald door het algemeen bestuur in overleg met de toetredende gemeente. Toetreding vereist wijziging van deze gemeenschappelijke regeling. Artikel 48 Uittreding De gevolgen van uittreding en de daaraan te stellen voorwaarden worden geregeld door het algemeen bestuur. Op grond van (het gewijzigde) artikel 9, eerste lid van de wet, bevatten de leden 2 tot en met 7 bepalingen over de gevolgen voor het vermogen van de Metropoolregio Eindhoven als rechtspersoon. Het algemeen bestuur zal rekening hebben te houden met jurisprudentie ter zake, die kan veranderen. Belangrijk is dat de uiteindelijke voorwaarden redelijk en billijk zijn, waarbij zowel de belangen van de uittredende deelnemer, de belangen van de deelnemers met wie de regeling wordt voortgezet, als die van de Metropoolregio Eindhoven als rechtspersoon tegen elkaar zijn afgewogen. De bepaling in het achtste lid geeft het algemeen bestuur derhalve de mogelijkheid af te wijken van de bepalingen wanneer de feiten en omstandigheden dat vereisen. In het algemeen ligt aan de leden 2 tot en met 7 de gedachte ten grondslag, dat het karakter van de MRE anders is dan die van bijvoorbeeld de Veiligheidsregio. Als een gemeente uit de Veiligheidsregio treedt, moeten hun wettelijke taken wel door blijven gaan.

Het is dan logisch dat de uittredende gemeente materialen, middelen en mensen overneemt van de gemeenschappelijke regeling. Hiermee zijn de frictiekosten bij -in dit voorbeeld- de Veiligheidsregio beperkt. Als een gemeente uit de Metropoolregio Eindhoven treedt, kan niet 1/21 van de Metropoolregio Eindhoven worden

60

Inboeknummer 24bst00480 overgedragen. Dit geeft hogere frictiekosten. En deze hogere frictiekosten komen voor rekening van de gemeenten, die blijven samenwerken in de Metropollregio Eindhoven. Dan is een langere afbouwregeling (dan, in het voorbeeld, bij de Veiligheidsregio ) legitiem. Het tweede lid voorziet erin dat er voldoende tijd is de regeling aan te passen, maar is ook nodig omdat in het jaar van opzegging mogelijk al een begroting is vastgesteld voor het eerste jaar na het jaar van opzegging, die nog gebaseerd is op deelname van de uittredende gemeente. Voor het derde lid geldt dat de bijdrage van de uittredende deelnemer aan het Stimuleringsfonds wel kan vervallen, omdat vanaf dat moment geen middelen meer worden toegekend aan partijen gevestigd in de gemeente van de uitgetreden deelnemer. Omdat het besluit om uit te treden geen gevolgen mag hebben voor dergelijke partijen aan wie voor de ingang van de uittreding nog middelen zijn toegekend, geldt dat deze nog worden afgehandeld conform het subsidiebesluit (overgangsrecht). Het vierde lid voorziet in een geleidelijke afbouw van de bijdragen, op basis van voorgaande toelichting met betrekking tot frictiekosten, in het bijzonder de doorlopende organisatie kosten en de bijdrage aan Brainport.

Voor de berekening wordt steeds uitgegaan van de inwonerbijdrage, zoals berekend in de laatste begroting die is vastgesteld door het algemeen bestuur waar de uitgetreden deelnemer nog onderdeel van uitmaakte. Het bedrag wordt daarna niet meer geïndexeerd of anderszins aangepast, aangezien de uitgetreden deelnemer niet meer betrokken is bij de vaststelling van de indexering of aanpassingen anderszins. Het vijfde lid dient om te voorkomen dat wanneer een gemeente na uittreding diensten blijft afnemen op grond van een overeenkomst, de betreffende gemeente via de afbouwregeling deze kosten in de vorm van een (gereduceerde) inwonerbijdrage ‘dubbel betaalt’. Bijvoorbeeld voor de afname van diensten van het RHCe. Wanneer een gemeente uittreedt, deelt deze gemeente niet in toekomstige verliezen in het algemeen. Wel deelt de uittredende of uitgetreden gemeente op grond van het zesde lid in eventuele verplichtingen (verliezen) vanuit de nazorg van Gulbergen. Dit is een collectieve onderwerp, waarvan de grondslag van een mogelijke verplichting al lang geleden is ontstaan. Het delen in opgebouwd vermogen is niet mogelijk (zevende lid). De algemene reserve dient ervoor om risico’s op te kunnen vangen. De risico’s nemen voor de MRE niet af als een gemeente uittreedt. Naast de algemene reserve kent de MRE ook bestemmingsreserves.

Hiervoor geldt dat de voorziene kosten, die met deze reserves worden gedekt, niet afnemen wanneer een gemeente uittreedt. Dit maakt dat uit deze reserves geen betaling kan worden gedaan aan een uittredende gemeente. Artikel 49 Evaluatie Op grond van Wgr, artikel 11a houdt een regeling bepalingen in over de evaluatie van de regeling. De gemeenschappelijke regeling vormt daarbij de juridische grondslag. De regeling is geen doel op zich, maar een middel om de samenwerking te faciliteren. Derhalve zijn de bepalingen over de evaluatie primair gericht op het functioneren van de samenwerking. Daarbij zal ook gekeken worden naar de relatie tussen de samenwerking en de regeling. Een en ander kan reden geven de regeling te gaan wijzigen en daarvoor de procedure op te starten, zoals vereist door de wet en de regeling. De voorbereiding van de regionale agenda is een natuurlijk moment om, naast het bepalen van het gezamenlijk toekomstbeeld van de regio, de strategie en de opgaven, te reflecteren op de kwaliteit en de vorm van de samenwerking, omdat deze ook nodig is om de strategie te kunnen realiseren. De (gewenste) aanpassingen in de governance

61

Inboeknummer 24bst00480 worden dan opgenomen in de regionale agenda en voor zover al mogelijk binnen de regeling geïmplementeerd. Reflectie is een vorm van zelfevaluatie. Het algemeen bestuur stelt bij de start van de voorbereiding een proces vast, waarin ook is opgenomen op welke wijze de reflectie plaatsvindt. Een dergelijke reflectie vond ook plaats bij de voorbereiding van het Samenwerkingsakkoord 2023-2026. Door de reflectie te koppelen aan de regionale agenda, wordt tenminste een maal in elke vier jaar de samenwerking en de regeling geëvalueerd. Het tweede en derde lid voorzien in de mogelijkheid het functioneren van de samenwerking en de regeling te doen evalueren. Dit op grond van een verzoek vanuit het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur een voorstel voor op welke aspecten van het functioneren van de samenwerking, respectievelijk de regeling de evaluatie, als bedoeld in het tweede lid, betrekking heeft. De ervaring met de evaluatie in 2017 is dat een evaluatie een langdurig proces kan zijn dat ook met onzekerheid gepaard gaat. De samenwerking is er niet bij gebaat, wanneer deze ‘voortdurend’ ter discussie staat. Daarom is in het tweede lid opgenomen dat een evaluatieverzoek pas gedaan kan worden na 24 maanden na vaststelling van de regionale agenda.

Overigens kan een dergelijk verzoek ook neerkomen op aandachtspunten voor de volgende reflectie. Artikel 50 Wijziging of opheffing Gekozen is voor wijziging van de gemeenschappelijke regeling alleen ingeval alle colleges en raden hierover eensluidend besluiten. Dit doet niet alleen recht aan de intentie tot samenwerking, maar is ook vereist, omdat de colleges en raden anders niet dezelfde regeling treffen. Datzelfde uitgangspunt geldt voor een opheffingsbesluit. Ook hier is unanimiteit vereist. Het vaststellen van een liquidatieplan is voorbehouden aan het algemeen bestuur en is onderworpen aan de voorhangprocedure van artikel 25. De Metropoolregio blijft als rechtspersoon bestaan voor zover dit tot vereffening van het vermogen nodig is, overeenkomstig het bepaalde in de Wgr, artikel 9, derde lid. Artikel 51 en 52 Geschillen en klachtenregeling Opname van deze artikelen vloeit voort uit wettelijke verplichtingen een klachtenvoorziening in het leven te roepen over gedragingen van de bestuursorganen c.q. medewerkers van het openbaar lichaam. Artikel 53 Inwerkingtreding Het heeft de voorkeur een vaste datum van inwerkingtreding te noemen. Gekozen is voor de datum 1 juli 2024. Voorwaarde daarbij is wel dat de wijzigingsprocedure op dat moment in alle colleges en raden is afgerond.

Is dat niet het geval, dan treedt de gemeenschappelijke regeling pas in werking op het moment dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven de gewijzigde regeling op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt in het door dat gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad. Dit volgt uit artikel 26, eerste lid, van de Wgr (zoals gewijzigd door de Wet elektronische publicaties).

62

Inboeknummer 24bst00480

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 11 juni 2024.

J. Jongbloed, griffier.

63

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14270095/1