Totaaloverzicht beantwoording technische vragen
Tekst van het document
Een fietsbelasting zou dit doel ondermijnen.
74
Vraagnummer
56
Vraag 1. Welke klimaatdoelen met betrekking tot mobiliteit zijn geformuleerd? 2. Hoe ver staan we met deze doelen voor de mobiliteitssector? 3. Wat is eventueel nodig om de klimaatdoelen voor de mobiliteitssector te halen? 4. Welk percentage daarvan hangt samen met de zero-emissiezone? 5. En welke van de nog voorgenomen maatregelen is wel/niet gefinancierd? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) 1) De Eindhovense klimaatdoelstelling 55% CO2-reductie in 2030 t.o.v. 1990 en klimaatneutraal in 2050 is in 2023 voor relevante taakvelden uitgewerkt in een CO2 plafond met maximale jaarlijkse uitstoot. Hierbij is destijds de 55% reductie gelijk doorgezet naar alle relevante taakvelden. Met het vaststellen van het Klimaatplan 20262030 zijn deze CO2 plafonds herijkt op basis van geconcretiseerde doelstellingen per taakveld. Voor mobiliteit betekent dit dat de uitstoot in 2030 nagenoeg gelijk dient te zijn als de uitstoot in 1990. Hieronder is het geplande reductiepad tot 2026, het herijkte reductiepad tot 2030 en de realisatie van de afgelopen jaren zichtbaar. 2) In 2024 voor het eerst sinds de coronapandemie een afname in jaarlijkse CO2-uitstoot plaatsvindt, waardoor de gemeente de geplande doellijn vanaf 2026 kan halen.
3) De geprognosticeerde effecten van de in het Masterplan Mobiliteit voorgestelde maatregelen vormen de basis voor het CO2 plafond voor mobiliteit zoals vastgesteld bij het Klimaatplan 2026-2030. Deze maatregelen zetten breed in op het stimuleren van lopen, fietsen en openbaar vervoer en het ontmoedigen van autogebruik, met name met fossiele brandstofmotoren. Belangrijke maatregelen met veel impact tot 2030 zijn: • Zero-emissiezone, ook voor personenvervoer, binnen de ring. • Maximaal faciliteren omslag naar elektrisch vervoer • Start met uitvoering verkeerscirculatieplan • Ophogen parkeertarieven Daarbij is het belangrijk om aan te geven dat de verwachting is dat de grootste effecten van het beleid in het Masterplan Mobiliteit vanaf 2035 zichtbaar zal zijn. Dat is één van de redenen waarom het CO2 plafond voor mobiliteit in het Klimaatplan 2026-2030 naar boven is bijgesteld (dit wordt opgevangen in andere taakvelden). Echter, het streven om in 2038 binnen de gehele gemeente Eindhoven te komen tot volledig schone
75
verplaatsingen staat onder druk door netcongestie en nieuwe wet- en regelgeving per 1 juli (ACM-prioriteringskader). Dit raakt onder meer de invoering van zero-emissiezones, de ontwikkelstrategie voor mobiliteitshubs, het ontmoedigen van nieuwe fossiele auto’s en het proactief organiseren van laadinfrastructuur in de stad. Zo kan de geplande busremise (Forum) vanwege netcongestie geen aansluiting krijgen op het elektriciteitsnet. Hierdoor zal de provincie de ov-opgave naar verwachting uitvragen met dieselbussen, met een latere omschakeling naar elektrisch vervoer. 4) De zero-emissie zone (inclusief personenvervoer binnen de ring) staat in het Klimaatplan ingeboekt voor een CO2-reductie van grofweg 35 kton in 2030, als onderdeel van een breder pakket aan maatregelen (op basis van een Eindhovens onderzoek uitgevoerd door CE Delft in 2023). Recent onderzoek heeft bijgesteld dat we een CO2 reductie van ruim 23 kton kunnen verwachten van de zero-emissie zone (exclusief personenvervoer) in 2030 (op basis van een landelijk effect-onderzoek door BCI en RHDHV eind 2025). Daarbij is het belangrijk te benadrukken dat maatregelen in de mobiliteitssector met elkaar verweven zijn en dat effecten van maatregelen moeilijk los van elkaar te berekenen zijn. De effectiviteit van de ZE-zone hangt bijvoorbeeld samen met o.a.
de aanpak deelvervoer, aanbod OV, parkeerbeleid, aanbod (semi)publieke laadpalen. Het optimaal benutten van de bestaande laadinfrastructuur wordt daarmee extra belangrijk. Om voldoende laadinfrastructuur voor elektrische voertuigen te realiseren, worden laadpalen voor auto’s geplaatst. Bij een aansluitstop als gevolg van energiecongestie kunnen voertuigen – waaronder eventuele deelauto’s – die gebruikmaken van locaties zonder bestaande laadpaal, daar niet opladen. Een harde aansluitstop als gevolg van netcongestie betekent bovendien dat geen nieuwe laadpalen, laadpleinen (ongeacht de toepassing van slim laden) en/of mobiliteitshubs gerealiseerd kunnen worden. De huidige dienstverlening van publieke laadpalen blijft wel gehandhaafd. Het optimaal benutten van de bestaande laadinfrastructuur wordt daarmee extra belangrijk. Het plaatsen van laadpalen achter bestaande aansluitingen blijft mogelijk, bijvoorbeeld via bestaande laadpalen of gemeentelijke assets. De haalbaarheid van een zero-emissiezone voor personenvervoer binnen de ring voor 2030 is zeer klein. Als alle zeilen worden bijgezet om alle andere maatregelen van het Masterplan Mobiliteit uit te voeren, is het mogelijk om de geplande reductie te realiseren. Al vraagt dit wel om consequente politieke keuzes die in lijn liggen met het Masterplan Mobiliteit en het verminderen van netcongestie.
Deels zijn we hierbij afhankelijk van de ruimte die landelijk en Europees beleid ons biedt. 5) Het Masterplan bestaat uit een drietal actiepakketten, waarvan de acties integraal bijdragen aan de klimaatdoelstellingen. In het dossier Masterplan mobiliteit zijn de middelen voor actiepakket I vastgesteld. Voor actiepakket II is een deel van de middelen in de begroting 2026 verwerkt, onder andere de acties in relatie tot het dossier Mobiliteit-in-Balans. Om het reductie doel te behalen dienen deze maatregelen in samenhang gerealiseerd te worden. Bijlagen Masterplan Mobiliteit Klimaatplan 2026-2030 Vraagnummer
57
76
Vraag Wat is de stand van zaken op gebied van laadinfrastructuur? Welke onderliggende gedachtes/uitgangspunten hanteren we hierbij? Welke keuzes zijn er hierbinnen nog te maken? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Voor de ontwikkeling van laadinfrastructuur volgt de gemeente de landelijke afspraken uit de Nationale Agenda Laadinfrastructuur (NAL) en de regionale uitwerking daarvan in de RAL-Zuid van Noord Brabant en Limburg. Sinds 2025 neemt Eindhoven deel aan de collectieve concessie van RAL Zuid, samen met circa 80 gemeenten. Binnen deze concessie plaatst en exploiteert Vattenfall openbare laadpalen in de openbare ruimte conform vastgestelde kaders, zoals de gunstige tarieven. In Eindhoven is inmiddels een solide basis gerealiseerd met circa 1.100 publieke reguliere laadpalen. Daarmee beschikt de stad over een dekkend netwerk, met laadpunten op ongeveer 200 meter afstand van elkaar. Waar de focus voorheen lag op het realiseren van dit basisnetwerk, is deze de afgelopen jaren verschoven naar verdichting van het netwerk en naar datagericht plaatsen op basis van gebruik, passend bij de groei en het gebruik van elektrisch vervoer. Naast de concessie lopen enkele pilots, waaronder bidirectioneel laden voor deelauto’s (MyWheels) en een pilot met eigen laadpalen in de openbare ruimte binnen een lokaal deelauto initiatief.
De uitgangspunten uit de NAL en RAL zijn vastgelegd in het gemeentelijk Uitvoeringskader Laadinfrastructuur, dat dit jaar wordt geëvalueerd en aangescherpt. Belangrijke aandachtspunten voor de komende jaren zijn: a) Netcongestie (door het nieuwe ACM prioriteringskader). Hierdoor kunnen ook laadpalen geen aansluiting meer krijgen. Op zeer korte termijn kunnen we versneld aansluitingen aanvragen, zodat we de komende 1-2 jaar kunnen blijven plaatsen. Later hebben we nog mogelijkheid tot het benutten van bestaande laadinfra-aansluitingen. De locatiekeuze is hierdoor beperkter en er zal met lagere vermogens worden geladen. Afwijkende keuzes hierin zijn beperkt, omdat de beschikbaarheid van een aansluiting leidend zal worden voor plaatsing. b) toenemende druk op de openbare ruimte, wat leidt tot meer maatschappelijke weerstand tegen het vervangen van openbare parkeerplaatsen door plaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen. Gemaakte keuze nu is om deelvervoer voorrang te geven bij laadplekken, en ook om parkeerdruk niet mee te laten wegen als argument tegen plaatsing van laadpalen. Gezien de ambities uit het Masterplan Mobiliteit is het niet wenselijk hier andere keuzes in te maken.
77
Vraagnummer
58
Vraag Tilburg heeft besloten om zelf parkeergarages te gaan bouwen en exploiteren om daarmee de woningbouw te versnellen? Graag ontvangen weer meer info over deze aanpak. Zijn er meer voorbeelden in Nederland van gemeenten die zelf een rol nemen in parkeren om de woningbouw te versnellen? Zo ja, welke? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Tilburg heeft gekozen voor een nieuwe, integrale financieringsaanpak voor parkeergarages bij gebiedsontwikkelingen, met als doel woningbouw mogelijk en betaalbaar te houden. De gemeente Tilburg gaat nieuwe parkeerhubs bij gebiedsontwikkelingen zelf realiseren en exploiteren, voor eigen rekening en risico. In de omgeving van deze hubs wordt parkeerregulering ingevoerd om het gebruik te sturen. Alle bestaande en toekomstige parkeerhubs worden samen met het straatparkeren beschouwd als één integrale parkeerexploitatie. Exploitatietekorten worden daarmee stadsbreed verevend, in plaats van per garage of project opgelost. Meerdere gemeenten kiezen voor een vergelijkbare strategie: Rotterdam in MerweVierhavens, Utrecht in Merwede en Amsterdam, Den Haag en Zwolle in een stadsbrede parkeerexploitatie.
In Eindhoven verkennen we de mogelijkheid om één stadsbrede mobiliteitsorganisatie op te richten, die verantwoordelijk is voor het operationele mobiliteitsaanbod in de stad: fietsenstallingen, mobiliteitshubs, deeltweewielers, deelauto’s en autoparkeren (garages en straatparkeren). Deze mobiliteitsorganisatie kan werken met een eigen exploitatie waarin alle inkomsten en uitgaven van de verschillende mobiliteitsvoorzieningen worden ondergebracht. Het idee is dat de mobiliteitsorganisatie het mobiliteitsaanbod verzorgt in de bestaande stad en bij vastgoed- en gebiedsontwikkelingen. Duurzame grip op mobiliteitsvastgoed is daarbij van groot belang. Net als in Tilburg en de andere steden kan dit bijdragen aan de wens om woningbouw mogelijk en betaalbaar te houden.
78
Vraagnummer
59
Vraag Graag ontvangen wij de volgende informatie: 1. Het Berenschot onderzoek 2. Inzicht in de afspraken over groeisystematiek ambtelijke organisatie 3. Bestaan er benchmarks van (onderdelen van) gemeentelijke organisaties in Nederland? Zo ja, graag een overzicht en linkje naar de onderliggende informatie. Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Toelichting beantwoording 1.Zie bijlage. Mogelijk ten overvloede: het peilstokrapport is inmiddels al wat ouder en de vergelijkingen en benchmarks daarin zijn inmiddels niet meer actueel. Het bevat wel de basis voor de doorontwikkeling van de organisatie. 2. Om de afgesproken kwaliteit van de dienstverlening voor basistaken te behouden bij de groei van de stad, is een objectieve groeisystematiek vastgesteld. De systematiek heeft als doel de bestaande servicestandaard op peil te houden (en is nadrukkelijk geen instrument voor kwaliteitsverbetering of nieuw beleid). De belangrijkste afspraken zijn: • De systematiek geldt voor basistaken en -diensten in het primair proces van de gemeentelijke organisatie en WIJeindhoven, voor functies met een directe autonome relatie met de groei van de stad. • Per extra formatieplaats wordt een vaste overheadopslag van € 28.000 gehanteerd, inclusief jaarlijkse indexering. • De toewijzing van het groeibudget vindt plaats door de directieraad, op basis van de vastgestelde spelregels.
De groeisystematiek is vastgesteld voor de periode 2026–2027, waarvoor € 1,7 miljoen beschikbaar is gesteld. Voor continuering na 2027 is structurele borging via de coalitievorming nodig. Parallel hieraan wordt gewerkt aan het actualiseren en verfijnen van de personeelsbenchmark, zodat de systematiek ook op langere termijn actueel en onderbouwd kan blijven. 3. Er zijn enkele benchmarks van gemeentelijke organisaties: • A&O fonds Gemeenten: Personeelsmonitor: Home | Personeelsmonitor Gemeenten • Waar staat je gemeente (VNG): Home | Waarstaatjegemeente.nl - cijfers en statistieken van gemeenten • Daarnaast werken we ook aan een eigen benchmark waarbij we een vergelijking maken tussen de 150.000+ gemeenten op basis van beschikbare CBS-informatie. Daar is nog een verdieping op noodzakelijk, en in dat kader wordt momenteel aanvullende informatie verzameld. Verwachting is dat deze verdieping eind mei beschikbaar zal zijn. Bijlagen Presentatie groeisystematiek Peilstokonderzoek Berenschot
79
Vraagnummer
60
Vraag Wat is de afspraak over welke stukken wel of niet naar de raad gaan: wanneer moeten stukken in de raad besproken worden? M.a.w. wat is het mandaat van het college? Qua inhoud en financiën. Waar is dit vastgelegd? Is dit gewijzigd afgelopen jaren (nu is de financiële drempel 1 miljoen; was dat eerder hoger? Zo ja, waarom is deze gewijzigd? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) In de gemeentewet staan de bevoegdheden van de raad opgenomen (vanaf artikel 147 Gemeentewet) en van het college (vanaf artikel 160 Gemeentewet). De gemeentewet bepaalt bv dat de raad verordeningen mag vaststellen en de wijze waarop. De raad kan ook bevoegdheden bij het college of de burgemeester neerleggen. De raad stelt de kaders en het college stelt uitvoerend beleid vast en voert dit uit. We hebben daarnaast de verordening Financieel beleid, beheer en organisatie 2025 gemeente Eindhoven. Hierin staat o.a. dat de raad een begroting vaststelt n.a.v. een voorstel van burgemeester en wethouders. In artikel 5 lid 8 wordt gesproken over het mandaat van de raad aan burgemeester en wethouders en de betreffende bedragen. Hier wordt dit bedrag van 1 miljoen ook genoemd. Toelichting beantwoording De bevoegdheden zijn vastgelegd in de Gemeentewet. De raad stelt de hoofdlijnen van beleid vast (kaderstelling) en neemt besluiten over financiën (budgetrecht, o.a. begroting en verordeningen).
Het budgetrecht is de bevoegdheid van de raad om financiële middelen aan het college beschikbaar te stellen (artikel 189 Gemeentewet). Via raadsbesluiten mandateert de raad het college om uitgaven te doen. In de Gemeentewet staat dat de raad er ook op moet toezien dat de begroting in evenwicht is. Het college moet de raad daarvoor een ontwerpbegroting aanbieden. De begroting wordt door de raad vastgesteld en kan tot uiterlijk het eind van het begrotingsjaar door de raad worden gewijzigd. In de financiële verordening kunnen raad en college aanvullende afspraken maken over de invulling van het budgetrecht. In onze financiële verordening is het mandaat als volgt geformuleerd (het grensbedrag van 1 miljoen is daarbij via een amendement toegevoegd in de raadsvergadering van 18 december 2018): De raad verleent het burgemeester en wethouders mandaat om te besluiten tot technische begrotingswijzigingen. Dit zijn wijzigingen waarbij eventueel op programmaniveau een mutatie is op het totaal van de baten e/o lasten, maar waarbij: • Er geen sprake is van nieuw beleid; • Het onderwerp niet politiek gevoelig is/ er is geen politieke impact; • Er geen wijziging in de doelstellingen van een programma optreedt; • Er geen sprake is van resultaat bepalen/ - bestemmen (m.u.v. actualiseren planning investeringen); • Bedragen niet groter dan of gelijk zijn aan €1.000.000,- (amendement A3).
80
Waarbij deze grens niet van toepassing is op de volgende technische begrotingswijzigingen: • Indien deze voortvloeien uit gewijzigde uitkeringen gemeentefonds; • Indien het een SPUK (specifieke uitkering) van het Rijk betreft • Indien deze het gevolg zijn van verschuivingen over de jaarschijven van exploitatieprojecten. Waarbij het totaalbedrag gelijk blijft; • Indien het de budgettair neutrale administratieve verwerking van de kostenverdeling betreft; • Van grondbedrijfprojecten waarvan de financiën onder geheimhouding zijn besproken en geaccordeerd door het op basis van deze verordening bevoegde orgaan (lid 9, burgemeester en wethouders of de raad); Bijlagen Aangenomen amendement A3 Financiële verordening -Budgetrecht aan de raad, mandatering college 1 miljoen (VVD, CDA, CU, 50PLUS)
81
Vraagnummer
61
Vraag Wat zijn de afspraken over het aanleveren en delen van stukken met de raad? Het beeld bestaat dat het soms onnodig lang duurt voordat stukken voor raadsleden zichtbaar zijn. Wat zijn de afspraken tussen ambtelijke organisatie, college en raad? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Een raadsvoorstel wordt ambtelijk voorbereid en via een beleidsoverleg afgestemd met de portefeuillehouder of bij ingewikkelde dossiers met meerdere wethouders. Daarna wordt het voorstel ter besluitvorming geagendeerd in het college. Voor al deze processen gelden aanlevertermijnen (beleidsoverleg, B&W en griffie/raad). Zie deze link. Nadat het college een besluit heeft genomen worden de raadvoorstellen zo snel mogelijk (meestal binnen één of twee dagen) via het RIS met de raad gedeeld. Dit geldt ook voor raadsbrieven. Voor raadsvragen (4 weken, want via het college) en technische vragen (5 werkdagen, niet via portefeuillehouder) gelden andere termijnen. In zijn algemeenheid geldt het volgende. In artikel 169 Gemeentewet staat dat het college de raad alle inlichtingen geeft die de raad voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft. Hieraan zijn geen termijnen verbonden. Lid 5 spreekt alleen over zo spoedig mogelijk, indien het vooraf inlichtingen verstrekken aan de raad geen uitstel kan lijden.
In artikel 60 gemeentewet staat dat de raad kan regelen van welke beslissingen van het college aan de leden van de raad kennisgeving wordt gedaan. De raad moet de informatie kunnen gebruiken voor zijn besluitvorming en controle. In het Reglement van orde gemeenteraad Eindhoven 2026 is wel vastgelegd in artikel 9 dat de voorzitter ten minste tien dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken zendt. Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep op het gemeentehuis ter inzage gelegd.
82
Vraagnummer
62
Vraag Hoe komt de uniformering van de beleidscyclus eruit te zien? Wat is die verandering t.o.v. wat het nu is? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Toelichting beantwoording Het beleidshuis en formats zorgen voor eenduidigheid in beleidsdocumenten. Het is een raamwerk waarin de beleidsproducten die we als organisatie (h)erkennen zijn uitgewerkt met verschillende kenmerken. Zo is duidelijk voor besluitvormers welke functie een beleidsdocument heeft, wat er verwacht kan worden en wie erover mag besluiten. Ook is uitgewerkt welke indicatoren in welk beleidsproduct staan en leggen we een eenduidige koppeling met de begroting. In de beleidscyclus werken we uit in welke stappen we komen tot de beleidsdocumenten en wie hier welke rol in heeft. Hoe we o.a. uitvoering betrekken en de verbinding maken met integraal gebiedsgericht werken. Monitoring en evaluatie is een belangrijk onderdeel en vormt de basis voor het besluit om door te gaan, te stoppen of herijken van beleid. Verandering: één manier van werken zorgt voor efficiënte samenwerking, eenduidigheid van beleidsproducten en daardoor hoge kwaliteit. Beleidcyclus en begrotingscyclus worden beter op elkaar aangesloten, zodat raad en bestuur weten waar ze aan toe zijn en kunnen bijsturen. We leren, verbeteren en herijken ons beleid gestructureerd en planmatig. Dit maakt wendbaar en versterkt de uitvoeringskracht.
En daar draait het om: ervoor zorgen dat wat wij maken en besluiten uiteindelijk écht werkt voor de stad en haar inwoners. Goed beleid versnelt de uitvoering. Het beleidshuis wordt naar verwachting medio mei aan het college ter vaststelling aangeboden. Bijlagen Beleidshuis en beleidsketen maart 2026 Bijlagen Beleidshuis en beleidsketen maart 2026
83
Vraagnummer
63
Vraag Wat is in het Reglement van Orde opgenomen over de weging van partijen met meer of minder zetels? Is er een beeld te geven van hoe dit in andere grote gemeenten geregeld is? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Vraag is beantwoord door de griffie. 'Om antwoord te kunnen geven is gevraagd om opheldering over wat er wordt bedoeld met weging', dat leidde tot de volgende aangepaste vraag.' Vwb de verduidelijking over vraag 63 met betrekking tot het Reglement van Orde, achterliggend is de vraag of het aantal zetels van invloed is op bv de spreektijd van fracties in de raad (zoals dat bij sommige debatten in de Tweede Kamer het geval is). Is er in het Reglement van Orde dus iets opgenomen waarbij het aantal zetels van een fractie meegewogen wordt? (En hoe is dat in andere grote gemeenten?) Alle fracties hebben evenveel spreektijd in Eindhoven. Er is 1 woordvoerder per fractie in de meningsvorming, zo is bepaald in de verordening. De raad van Eindhoven heeft bij de start van de raadsperiode 2026-2030 11 fracties. Voor de beantwoording is ook gekeken naar de Verordening op de voorbereidende bijeenkomst en de meningsvormende vergadering gemeente Eindhoven 2026. Deze regelt hoe de commissievergaderingen in Eindhoven plaatsvinden.
In het reglement van orde van de gemeenteraad is bepaald aan wie de raad mandaat verleent voor het opstellen van de agenda's en zaken als spreektijd. In andere grote gemeenten is het beeld wisselend. We beschikken niet over de gegevens van alle grote gemeenten. Het is niet duidelijk of gemeenten die niet hebben gereageerd geen spreektijd hebben of wel spreektijd hebben. De meeste grote gemeenten lijken een spreektijdenregeling te hebben net zoals Eindhoven dat heeft voor de commissievergaderingen. De meeste grote gemeenten lijken dit ook te hebben voor de raadsvergadering. Hierbij wordt de tijd meestal verdeeld met een component per fractie en per zetel. Dat maakt dat de verschillen in spreektijd niet zo groot zijn als het verschil in zetelaantal. Of je spreektijd hebt, voor welke vergadering en hoe je het verdeelt verschilt per gemeente(raad) en bijbehorende verdere afspraken over hoe de besluitvorming is ingericht, het moet passen bij de eigen situatie zo wordt aangegeven. Toelichting beantwoording Reglement van orde van de gemeenteraad Eindhoven 2026 | Lokale wet- en regelgeving In het reglement van orde van de gemeenteraad Eindhoven staat in Artikel 4 agendacommissie lid 10 onder f:
84
Dat de agendacommissie de taak heeft om de spreektijdenregeling en spreektijden vast te stellen. In het reglement van orde van de gemeenteraad Eindhoven staat in Artikel 4 agendacommissie lid 10 onder d: Dat de agendacommissie de taak heeft om de voorzitter van de raad te adviseren over de orde van de raadsvergaderingen In de Verordening op de voorbereidende bijeenkomst en de meningsvormende vergadering gemeente Eindhoven 2026 Verordening op de voorbereidende bijeenkomst en de meningsvormende vergadering gemeente Eindhoven 2026 | Lokale wet- en regelgeving Artikel 19. Spreektijd en woordmeldingen 1. Elke fractie heeft per bespreekstuk een maximale spreektijd voor haar eerste termijn. Deze spreektijd wordt vastgesteld door de agendacommissie op basis van de ingeplande behandeltijd. 2. De wethouders en de burgemeester hebben geen maximale spreektijd. Zij benutten hun spreektijd om te reageren op de inbreng van de fracties. De voorzitter ziet hier op toe. 3. De voorzitter bewaakt de spreektijd als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4. Bij een voorstel dat is geagendeerd als hamerstuk kunnen commissieleden enkel een woordmelding doen. In de toelichting op artikel 19 staat Artikel 19. Spreektijd en woordmeldingen Voor haar eerste termijn krijgt elke fractie per onderwerp een aantal minuten de gelegenheid het woord te voeren.
De agendacommissie kan meer of minder spreektijd toekennen als zij de inschatting heeft gemaakt dat het onderwerp een uitgebreide respectievelijk beperkte discussie zal opleveren. Het uitgangspunt is hierbij dat bij een totale behandeltijd van 1,5 uur elke fractie een spreektijd van 5 minuten krijgt. Bij meer of minder totale behandeltijd wordt de spreektijd zover mogelijk naar rato aangepast. Andere factoren, waaronder het aantal in de raad vertegenwoordigde fracties, kunnen aanleiding zijn voor de agendacommissie om dit uitgangspunt te herzien. Na de eerst termijn van de commissie krijgt het college de gelegenheid te reageren op vragen en/of opmerkingen van fracties. Hiervoor krijgt het college een vierde van de spreektijd die de meningsvormende vergadering heeft verbruikt. De voorzitter bewaakt dat de maximale spreektijden niet overschreden worden.
85
Vraagnummer
64
Vraag Zijn er inspirerende voorbeelden in het land om het democratische tekort van bovenlokale samenwerkingen op te lossen? Zo ja, welke? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Er zijn meerdere voorbeelden van instrumenten die door gemeenten, c.q. gemeenteraden kunnen worden gebruikt om het democratisch tekort bij intergemeentelijke samenwerkingen te verkleinen. Instrumenten kunnen met elkaar worden gecombineerd. (Actieve) informatieplicht • Door het eigen college; de actieve informatieplicht verplicht het college van burgemeester en wethouders (art 169 Gw) en de burgemeester (art 180 Gw) om de gemeenteraad tijdig en volledig te informeren over alle zaken die nodig zijn voor de uitoefening van zijn kaderstellende en controlerende taken. • Door de besturen van samenwerkingsverbanden; actief informatie aan raden sturen die nodig zijn voor uitoefening van zijn taken. Regionale raadsadviescommissies (Wgr-instrument) Raadsleden uit meerdere gemeenten vormen samen een regionale commissie. Deze commissie adviseert het bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Dit instrument is sinds 2022 vastgelegd in de Wgr. De MRE-Raadstafel21 is hiervan in onze regio het enige voorbeeld. Raadsrapporteurs De raad benoemt per samenwerkingsverband één of twee rapporteurs (bijv coalitie + oppositie om het a-politieke karakter te borgen).
Zij volgen dat specifieke samenwerkingsverband van nabij, door periodiek in gesprek te gaan met de eigen portefeuillehouder en het volgen van de openbare vergaderstukken. Ook kunnen zij in gesprek gaan met raadsleden (rapporteurs) van andere gemeenteraden en eventueel met inwoners. Rapporteurs brengen neutraal advies uit aan de raad (gevraagd en ongevraagd) over de inhoud, processen en evaluaties van de samenwerking. Gezamenlijke onderzoeken rekenkamers Gemeentelijke rekenkamers doen gezamenlijk onderzoeken naar regionale samenwerkingsverbanden. Dit zorgt voor gedeeld feitenmateriaal voor politieke keuzes en versterkt de controlerende rol van raden. (Politieke) afstemming vóór regionale besluitvorming Dit kent verschillende vormen. Raden zoeken elkaar op en spreken bijvoorbeeld vooraf over gezamenlijke kaders voor een samenwerkingsverband, ook het afstemmen van reacties / moties / zienswijzen/wensen & bedenkingen is een mogelijkheid. Dergelijke lopen soms ook via partijpolitieke lijnen. Een andere variant is de “Verenigde voorbereidende bijeenkomst” van de regio Noordoost-Brabant. Dit is een platform voor ontmoeting van raads- en collegeleden waarin voorstellen worden besproken, met mogelijkheid voor het indienen van wijzigingsvoorstellen, debatteren met regionale portefeuillehouders en peiling van
86
standpunten. De raden ontvangen hiervan verslag en advies in te stemmen met de (gewijzigde) voorstellen die een meerderheid bij de peiling kregen. Toelichting beantwoording Voor deze beantwoording is ook gebruik gemaakt van Copilot M365 Bijlagen VNG Handreiking verbeterde democratische legitimiteit Presentatie dr. M. Hageman 15 april 2026
87
Vraagnummer
65
Vraag Kan er inzicht gegeven worden hoe het budget voor diversiteit en inclusie is ingezet per ontwikkellijn (in beleid en uitvoeringsprogramma inclusief samenleven)? Het inzicht mag globaal zijn, als het niet precies toe te delen is. En wat is daarbinnen wettelijk verplicht? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) In de bestuursperiode Samen Morgen Mooier Maken (2022-2026): Ontwikkellijn 1 De preventie en bestrijding van discriminatie: € 1.885.000* Ontwikkellijn 2 Gelijkwaardige toegang tot de fysieke, sociale en digitale omgeving: € 816.000 Ontwikkellijn 3 Vergroten kennis en vaardigheden over diversiteit & inclusie: € 1.098.000 Ontwikkellijn 4 Het koloniale verleden en de doorwerking in het heden € 596.000 Ontwikkellijn 5 Structurele ontmoeting tussen Eindhovenaren € 643.000 Ontwikkellijn 6 Versterken van netwerken: € 461.000 Personele kosten: € 518.000** Wettelijk verplicht: *Hiervan is € 533.000 wettelijk verplicht voor de meld- en klachtenbehandeling van antidiscriminatievoorziening RADAR. Deze middelen ontvangen we via het gemeentefonds. **Het opstellen van de Lokale Inclusie Agenda (ontwikkellijn 2) is een wettelijke verplichting. Dit vraagt om een personele inzet van circa 0,5 fte (± € 60.000). Toelichting beantwoording De genoemde bedragen zijn indicatief.
In de praktijk zijn activiteiten niet altijd strak onder één ontwikkellijn te plaatsen en raken zij vaak meerdere ontwikkellijnen tegelijk. Daarnaast gaat het om afgeronde bedragen. De verdeling geeft daarmee vooral een globaal beeld van hoe de middelen verhoudingsgewijs over de ontwikkellijnen heen zijn ingezet. De personele kosten worden momenteel ook gedekt uit de vrijgemaakte incidentele middelen (die eind dit jaar aflopen) en worden programmabreed ingezet en verdeeld over de verschillende ontwikkellijnen.
88
Vraagnummer
66
Vraag Graag inzicht in de pilot (van Brainport development) waarbij internationals/expatspouces verbonden worden aan arbeidsmarkttekorten (zorg). O.a. ook aantallen deelnemers en resultaten. Wat is de status van de pilot? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De pilot Internationals/Spouses in de Zorg is een samenwerking geweest tussen Brainport Development en Summa/Werkcentrum ZuidOost Brabant. Vanuit Summa is hierover de volgende informatie ontvangen: ongeveer een jaar geleden zijn 12 internationals gestart met dit traject. Van deze groep hebben 10 deelnemers hun certificaat behaald en zijn er momenteel 8 nog werkzaam in de zorg. Daarnaast zijn in november 2025 10 nieuwe internationals gestart. Van hen hebben 6 het certificaat behaald en alle 6 zijn nog steeds werkzaam in de zorg. Op dit moment vindt werving plaats voor een nieuwe groep internationals/spouses die in september 2026 zal starten met de opleiding. Deze pilot loopt niet via de gemeente en de bijbehorende kosten zijn niet bekend. Toelichting beantwoording Ter vergelijking is gekeken naar het traject Talent100, waarvoor de kosten wel inzichtelijk zijn. Dit traject richt zich eveneens op internationals en expatspouses. Sinds maart 2025 zijn binnen Talent100 ongeveer 90 talenten begeleid richting de arbeidsmarkt.
Een onderdeel hiervan is het programma Women for Women, dat al langere tijd loopt en momenteel in de 14e editie zit. De laatste twee edities telden samen 45 deelnemers. In de editie van oktober 2025 hebben 9 van de 22 deelnemers inmiddels een baan gevonden en bevinden 10 anderen zich in verschillende fasen van het sollicitatieproces. Voor de editie van februari 2026 zijn nog geen resultaten beschikbaar; gemiddeld wordt binnen dit programma binnen zes maanden werk gevonden. Sinds maart 2025 wordt Talent100 uitgevoerd via een aanbesteding onder de titel “Spouses naar werk en in beeld bij het MKB”. De geraamde waarde bedraagt maximaal € 285.000 per jaar. De financiering wordt gezamenlijk gedragen door Werkcentrum Zuidoost Brabant en het Holland Expat Center South. De beschikbare middelen lopen af in 2028, waardoor de continuïteit van dit traject onzeker is.
89
Vraagnummer
67
Vraag Graag inzicht in hoeveel sportaccommodaties in de afgelopen jaren verduurzaamd zijn. Hoeveel accommodaties nog niet? In het verlengde daarvan, zien we de opkomst van collectorvelden. Is er inzicht in wat een collectorveld oplevert qua energie? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De afgelopen jaren zijn 40 sportaccommodaties verduurzaamd,12 accommodaties worden momenteel verduurzaamd en 16 staan nog niet in de planning. Daarnaast wordt voor het ir. Ottenbad en het ijssportcentrum momenteel uitgewerkt wat de mogelijkheden zijn voor verduurzaming/renovatie, al dan niet gecombineerd met een uitbreiding. Het gaat hierbij om sportaccommodaties die eigendom zijn van de gemeente Eindhoven. Er is veel diversiteit in collectorvelden, veelal nog in pilotfase. De warmteopbrengst van een collectorveld is uiteraard afhankelijk van het weer. Op een gemiddelde dag (bewolkte dag van 22°C) zien we een warmteopbrengst van 740 kW. We volgen de pilots elders. Een verdere doorontwikkeling van collectorvelden is noodzakelijk om meer inzicht te krijgen in wat de velden kunnen opleveren qua energie. Toelichting beantwoording Verduurzaming vindt plaats in verschillende gradaties. Het kan hier gaan om volledige verduurzaming of een verduurzamingsslag, denk aan pv panelen en ledverlichting.
90
Vraagnummer
68
Vraag In hoeverre is op dit moment geregeld dat er binnen 5 minuten een (gratis) sportfaciliteit in de openbare ruimte is? En hoe zit dit voor afstand binnen 10 en 15 minuten? Is er inzicht in wat de financiële opgave is als we de afstand van 5, 10 of 15 minuten als uitgangspunt willen hanteren in de bestaande stad? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Eindhoven heeft een goede basisstructuur voor niet plaatsgebonden beweegvormen zoals wandelen, hardlopen en fietsen. De openbare sport-/speelvoorziening liggen goed verspreid over de stad. Dit is exclusief de publieke en private sportaccommodaties. Hiermee gaan we ervan uit dat iedereen binnen een aanvaardbare afstand kan beschikken over een sportfaciliteit in de openbare ruimte. Dit is niet exact te herleiden op een afstand uitgedrukt in aantal minuten, waardoor de financiële opgave voor de afstand in 5, 10 en 15 minuten niet te specifiëren is. Toelichting beantwoording In een stedelijke omgeving is het niet eenvoudig sporten in de openbare ruimte te faciliteren vanwege de beperkte ruimte. In de toekomst liggen er koppelkansen om bestaande speel- en/of sportplekken om te zetten naar beweegplekken.
91
Vraagnummer
69
Vraag Hoeveel beweegtuinen zijn er op dit moment? Wat zijn de financiële kosten voor het toevoegen van een beweegtuin? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Een beweegtuin is een plek in de openbare ruimte met fitnessapparaten. Er zijn 4 beweegtuinen in Eindhoven: 2 nieuwe (Doornakkers en Anthony van Leeuwenhoeklaan) en 2 die meer verouderd zijn (Urban Sportpark en Bonifatiuspark). Het realiseren van een beweegtuin kost € 122.000. (€10.000 aan structurele lasten: onderhoud- en kapitaallasten per jaar).
92
Vraagnummer
70
Vraag Wat kost het toevoegen van een watertappunt bij een sportfaciliteit in de openbare ruimte? En wat kost het toevoegen van een openbaar toilet? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het realiseren van een watertappunt kost gemiddeld 8.000 euro. Dit zijn de kosten voor aanschaf en aanleg en deze zijn afhankelijk van de afstand van het tappunt tot aan de leiding van Brabant Water. De onderhoudskosten per watertappunt bedragen 2.000 euro per jaar (structureel). De kosten voor realisatie van een openbaar toilet bedragen €250.000. De onderhoudskosten bedragen jaarlijks structureel € 20.000. Toelichting beantwoording De kosten voor een toilet zijn afhankelijk van de locatie: de afstand tot bestaande voorzieningen, zoals waterleiding, riool en elektriciteit is van invloed op de hoogte van de kosten. We gaan uit van gemiddelde realisatiekosten van € 250.000 per locatie.
93
Vraagnummer
71
Vraag In het programma stedelijke en maatschappelijke voorzieningen, komen een aantal prioriteiten voor die raken aan sport. Word de exploitatie en het onderhoud van de sportvoorzieningen daar ook in meegenomen? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het Programma Stedelijke en Maatschappelijke Voorzieningen beschrijft de benodigde hoeveelheid voorzieningen en de spreiding van de voorzieningen, zowel voor de huidige situatie als rekening houdend met de schaalsprong van de stad tot 2040. Het programma bevat geen financiële doorvertalingen van investeringen, beheer en exploitatiekosten. Maar het zegt wel dat het van belang is dat bij de financiering niet alleen de aanleg, maar ook het beheer en onderhoud structureel financieel worden geborgd om deze in stand te kunnen houden. Het reguliere beheer en onderhoud van (gerealiseerde) openbare sportvoorzieningen wordt via de beleidslijn in de begroting opgenomen, conform de meerjarenonderhoudsplannen. Ditzelfde geldt voor de opgave om extra zwemleslocaties toe te voegen cq. uitbreiding van het ir. Ottenbad.
94
Vraagnummer
72
Vraag Graag inzicht in de financiële impact als we besluiten de huren van sportaccommodaties niet harder laten stijgen dan de inflatie. Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De indexering van de verhuurtarieven van sportaccommodaties volgt de gemeentelijke begrotingsindex. Deze index is over het algemeen lager dan de inflatie. De tarieven worden enkel verhoogd met de gemeentelijke begrotingsindex om sportaccommodaties voor verenigingen en gebruikers betaalbaar te houden, met daarbij de kanttekening dat het hier geen kostprijsdekkende huur betreft. Toelichting beantwoording Voor 2025 en daarvoor hanteerden we (net als het rijk) een gewogen gemiddelde van de CPB cijfers loonvoet overheid (60%), overheidsbestedingen (20%) en overheidsinvesteringen (20%). In de Kadernota 2026 is gekozen voor een model van indexatie met als kenmerk ‘we geven door wat we krijgen’. We krijgen van het Rijk een indexatie o.b.v. het ‘Prijs bruto binnenlands product (bbp)’. We hanteren geen extra indexaties boven op de reguliere gemeentelijke indexatie.
95
Vraagnummer
73
Vraag In de presentatie wordt het vergroenen van schoolpleinen als kans genoemd. De kosten hiervan zijn niet opgenomen in het IHP Onderwijshuisvesting. Wat kunnen we aanvullend doen op de stimuleringsregeling van de provincie en wat kost dit? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De presentatie benoemt niet primair het vergroenen van schoolpleinen, maar het gezond, klimaatbestendig en (verkeers)veilig inrichten van schoolpleinen én hun directe omgeving. Vergroening is een middel om de omgeving gezond en klimaatbestendig in te richten. Het vergroenen van schoolpleinen en schoolomgevingen biedt kansen voor klimaatadaptatie, gezondheid en verkeersveiligheid die verder reiken dan het bestaande IHP Onderwijshuisvesting. De provinciale regeling Schoolpleinen van de Toekomst ondersteunt deze ambitie, maar is beperkt in omvang en vooral gericht op het schoolplein zelf, terwijl ook de directe schoolomgeving belangrijk is, zoals benoemd in het initiatief Groene Speelstraten. Aanvullend kunnen andere provinciale instrumenten worden benut, zoals het Regionaal Mobiliteitsprogramma (RMP) voor educatie en gedragsbeïnvloeding rond verkeersveiligheid. Subsidies voor infrastructurele maatregelen zijn momenteel nog beperkt toepasbaar op schoolomgevingen, maar kunnen in de toekomst kansen bieden.
Voor verkeersveiligheidsmaatregelen kan indicatief worden uitgegaan van circa € 50.000 per school. Daarnaast valt het schoolplein primair onder de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur. Koppeling aan het initiatief Groene Speelstraten ligt voor de hand. Nadere uitwerking van kosten, fasering en dekking vraagt om besluitvorming en afstemming met schoolbesturen, met wie al een goed georganiseerde samenwerkingsstructuur is. De kosten voor groene en klimaatadaptieve inrichting van schoolomgeving en schoolplein verschillen per ambitieniveau en locatie. De bandbreedte is ca € 50.000 tot € 200.000 per locatie aan voorbereiding en realisatie.
96
Vraagnummer
74
Vraag De Europese Natuurherstelwet (van juni 2024) heeft als doel dat in 2030 minstens 20% van de verarmde natuur is hersteld, en in 2050 alle aangetaste gebieden. Dit moet bijdragen aan biodiversiteit, klimaatdoelen en een robuustere natuur. Liggen we als gemeente op koers? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De gemeente Eindhoven ligt niet op koers. Binnen de Natuurherstelverordening (NHV) ligt onze aandacht op artikel 8: Herstel van stedelijke ecosystemen en op artikel 10: Herstel van de bestuiverpopulaties. Artikel 8 De ontwikkeling van de kwantiteit van het stedelijk groen kan momenteel (nog) niet worden vastgesteld. De meest recente beschikbare gegevens dateren uit 2024, het jaar waarin de NHV in werking trad en de 0-meting is uitgevoerd. Voor 2025 zijn nog geen cijfers beschikbaar. Er wordt binnen de gemeente Eindhoven gewerkt aan een monitoringsdashboard waarmee toekomstige veranderingen in groenareaal en boomkroonbedekking structureel gevolgd kunnen worden. Artikel 10 De Eindhovense biodiversiteit staat onder druk. Ondanks lokale verbeteringen blijft de gemiddelde natuurkwaliteit laag door achteruitgang van onder andere bestuivers. Klimaatextremen, vermesting en ruimtelijke druk spelen hierbij een belangrijke rol. Herstel is mogelijk, maar vraagt om structurele borging van biodiversiteit in beheer, water en ruimtelijke ontwikkeling.
De monitoringsrapporten over biodiversiteit worden op verzoek verstrekt.
97
Vraagnummer
75
Vraag Wat zijn de afspraken m.b.t. het ophalen van zwerfafval in het Dommeldal? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het Dommeldal valt in het buitengebied. In het buitengebied wordt door ons zwerfvuil geruimd (en afvaldumpingen verwijderd) op het moment dat er een melding over gedaan is. De reden hiervoor is dat het buitengebied erg groot is en er (gelukkig) relatief weinig zwerfafval voorkomt. In de stad ruimen we zwerfafval op beeld. Dat houdt in dat de aannemer ervoor moet zorgen dat het afgesproken beeld dagelijks behaald wordt. Voor het buitengebied zou dit gezien voorgaande niet efficiënt zijn, omdat de aannemer dan vaak voor niets in het gebied moet komen. Dit kost tijd, geld en is niet duurzaam. Toelichting beantwoording Aanvullend: als gemeente faciliteren en organiseren we ook activiteiten met vrijwilligers en organisaties, zoals Troep Toopers, rondom zwerfafval ruimen.
98
Vraagnummer
76
Vraag Wat zijn de juridische kaders bij de hengelsport op het gebied van dierenwelzijn vissen? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) De Wet dieren verbiedt het veroorzaken van pijn, letsel of welzijnsschade bij dieren zonder redelijk doel. Voor hengelsport gelden specifieke regels uit de Visserijwet 1963 en bijbehorende regelgeving. Toelichting beantwoording Sportvisserijorganisaties erkennen dat hengelsport invloed heeft op het welzijn van vissen en leggen via de Vispas en bijbehorende gedragscodes regels op om die impact te beperken. Gemeente Eindhoven werkt hierbij samen met Sportvisserij Zuidwest Nederland via afspraken, overleg en toezicht. Handhaving vindt plaats door BOA’s van de gemeente en van Sportvisserij Zuidwest Nederland. Een tweede kader voor het formuleren van aanvullende regels is de verhuurovereenkomst visrechten. Vanwege het aflopen van deze overeenkomst in 2027, moet het bestuur besluiten over een nieuwe overeenkomst voor een periode van 6 jaar.
99
Vraagnummer
77
Vraag Is al bekend waar de 120 speel- en sportplekken worden gerealiseerd? Antwoord (in één oogopslag, richtlijn max. 200 woorden) Het is op dit moment (nog) niet bekend waar de 120 speel- en sportplekken in Eindhoven worden gerealiseerd. Toelichting beantwoording Om te bepalen welke gebieden prioriteit krijgen werken we met een data‑ en gebiedsgerichte aanpak binnen het vastgestelde Omgevingsprogramma Gezonde Leefomgeving 2026–2035. Daarbij wordt gebruikgemaakt van een gezondheidskaart die Eindhoven opdeelt in 3.620 gebieden, die worden beoordeeld op onder meer groen, aanwezigheid van voorzieningen (waaronder speel- en sportplekken), ervaren gezondheid, stress, eenzaamheid en luchtkwaliteit. Deze analyse wordt gebruikt om te bepalen waar de gezondheidsopgaven en -kansen het grootst zijn. Hier geldt nadrukkelijk dat niet in elk van de 3.620 gebieden een afzonderlijke speel- of sportplek wordt gerealiseerd. Op basis van deze prioritering worden vervolgens concrete locaties geselecteerd. Gebieden met de grootste achterstanden of hoogste gezondheidsnoodzaak worden als eerste opgepakt. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het realiseren van nieuwe speel- en sportplekken, maar ook naar het opwaarderen en beter benutten van bestaande plekken. Dit is noodzakelijk vanwege de schaarse openbare ruimte en de sterke groei van de stad.
Deze werkwijze sluit aan bij de gemeentelijke ambitie om gezondheidsverschillen tussen wijken te verkleinen en gezondheid structureel te verankeren in ruimtelijke keuzes en investeringen.
100