Raadsvoorstel Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2024
Tekst van het document
gemeente Eindhoven Inboeknummer 23bst01030 Dossiernummer 23.39.751 B&W beslisdatum 26 september 2023
RaadsvoorstelTot het vaststellen van de Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2024 Inleiding Ieder jaar stelt uw raad de ‘Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten’ (hierna: de verordeningen) vast. De belastingtarieven maken onderdeel uit van deze verordeningen. Aan de hand van deze tarieven worden de aanslagen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten opgelegd. Het betreft de navolgende verordeningen: 1. onroerende-zaakbelastingen; 2. rioolheffing; 3. reinigingsheffingen (afvalstoffenheffing en reinigingsrechten); 4. leges burgerzaken; 5. leges vergunningen; 6. precariobelasting; 7. marktgeld; 8. begraafplaatsrechten; 9. hondenbelasting; 10. standplaatsgeld autobusdiensten; 11. kanaalrechten; 12. toeristenbelasting; 13. parkeerbelastingen; 14. kwijtscheldingsverordening. Via dit voorstel worden de verordeningen voor belastingjaar 2024, ter vaststelling, aan u voorgelegd. Wettelijke taak De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening (art. 216 Gemeentewet) Kerntaak gekoppeld aan het werkprogramma van het college Onvermijdelijk
Inboeknummer 23bst01030 Doelstelling Het mogelijk maken van de realisatie van de begrote opbrengsten gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten, die in de Programmabegroting 2024 zijn opgenomen. Voorstel 1. De Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2024 vast te stellen. 2. De tarieven onroerende-zaakbelastingen 2024 in december 2023 gewijzigd vast te stellen, indien daartoe aanleiding bestaat. Argumenten 1.1 De verordeningen geven uitvoering aan het raadsvoorstel tot vaststelling van de begroting 2024 In de begroting treft u de begrote opbrengsten aan van de verschillende gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten voor belastingjaar 2024. Met deze opbrengsten kunnen we in 2024 de gewenste voorzieningen treffen. De heffing van deze belastingen, heffingen en rechten gebeurt op basis van de verordeningen en tarieven die we u hierbij ter vaststelling voorleggen. Dit voorstel is beleidsarm. Dit wil zeggen dat het niet beoogd om beleid te formuleren of te wijzigen. Allereerst gaan we nader in op de woonlasten. Voor inwoners van de gemeente met een eigen woning bestaan de woonlasten uit de onroerende-zaakbelasting (hierna: ozb), de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De rioolheffing en de afvalstoffenheffing moeten, net als bijvoorbeeld de leges, voldoen aan de opbrengstlimiet.
Dat wil zeggen dat de begrote opbrengsten de begrote kosten niet mogen overstijgen. De tarieven blijven maximaal kostendekkend. Na behandeling van de woonlasten, gaan we in paragraaf 1.2 nader in op de ozb. Vervolgens komt in paragraaf 1.3 de rioolheffing aan bod, terwijl in paragraaf 1.4 de reinigingsheffingen worden besproken. In de daaropvolgende paragrafen lichten we de aanpassingen in de overige verordeningen nader toe. Woonlasten Conform het Bestuursakkoord 2022-2026 is het voorstel om, zolang er substantiële structurele nieuwe middelen te verdelen zijn, de lokale lasten voor woningen en niet-woningen in totaal niet meer te laten groeien dan met de reguliere indexering. De reguliere indexering is voor 2024 vastgesteld op 5,2% (conform CPB prijsindexcijfers van augustus 2023). Deze indexering wordt berekend over het totaal van de begrote woonlasten bestaande uit de ozb, rioolheffing en afvalstoffenheffing. De reguliere indexatie van de lokale lasten wordt in 2024 voor een groot deel gebruikt voor een verhoging van de afvalstoffenheffing teneinde de gestegen kosten te dekken. Dit wordt verder uitgelegd onder 1.4.
2
Inboeknummer 23bst01030 1.2
Onroerende-zaakbelastingen
1.2.1 Taxatiewaarde De vastgestelde waarde van onroerende zaken volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) dient als grondslag voor de aanslag ozb. De ozb-tarieven bedragen een percentage van deze WOZ-waarde. Volgens de Wet WOZ moet de gemeente de waarde jaarlijks vaststellen. Voor het belastingjaar 2024 gaat het daarbij om de waarde naar peildatum 1 januari 2023. Het voorstel voor de tarieven van de ozb is gebaseerd op de nu beschikbare kennis. Dit wil zeggen dat, op basis van de thans beschikbare gegevens, inschattingen zijn gemaakt over bijvoorbeeld de gemiddelde waardeveranderingen en de omvang van de nieuwbouw. Volgens vaste systematiek zal aan het einde van het jaar de berekening nogmaals worden uitgevoerd. De taxaties zijn dan verder gevorderd. Daardoor kunnen we dan een nauwkeurigere tariefberekening voor 2024 uitvoeren. Indien aanleiding bestaat de tarieven te wijzigingen, dan zal dit aan uw raad worden voorgelegd. Als we een wijziging van de tarieven voorstellen, zal de begrote opbrengst van de ozb niet wijzigen. De woonlasten voor eigenaren-bewoners van een woning bestaan uit rioolheffing eigendom, afvalstoffenheffing en ozb eigendom. Op begrotingsniveau zijn deze lasten geïndexeerd met 5,2%. De bedrijfslasten voor eigenaren voor een niet-woning bestaan uit rioolheffing eigendom en ozb eigendom.
Voor gebruikers van een niet-woning bestaan deze lasten uitsluitend uit de heffing voor ozb gebruik. Op begrotingsniveau zijn deze lasten voor beide groepen geïndexeerd met 5,2%. 1.3 Rioolheffing De rioolheffing is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt voor de nakoming van de zorgplichten die de gemeente heeft voor afval-, hemel-, grond- en oppervlaktewater. Omdat deze kosten vanwege periodieke investeringen van jaar tot jaar fors kunnen verschillen, verhalen we de jaarlijkse kosten op basis van een meerjarige prognose. Dit wordt gedaan om grote schommelingen in de heffing te voorkomen. Het beleid voor de zorgplichten en de onderbouwing hiervan wordt beschreven in de Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA). Eind 2022 is de WKA Gemeente Eindhoven 2023 – 2026 vastgesteld door uw raad. De rioolheffing voor 2024 is hierop gebaseerd. De tarieven voor de rioolheffing stijgen voor het eigenarendeel van € 187,- in 2023 naar € 192,- in 2024 en voor het gebruikersdeel van € 259,- in 2023 naar € 266,- in 2024. 1.4
Reinigingsheffingen
1.4.1 Afvalstoffenheffing (huishoudens) De tarieven zijn opgebouwd uit twee kostencomponenten; de vaste en de variabele kosten. De variabele kosten betreffen de verwerkingskosten van het afval. De hoogte daarvan is derhalve afhankelijk van de (totale) hoeveelheid aangeboden afval. De vaste
3
Inboeknummer 23bst01030 kosten zijn de kosten van het inzamelen van het afval en de bedrijfsvoeringskosten. Deze kosten zijn niet afhankelijk van de hoeveelheid aangeboden afval. De begrote opbrengsten van de afvalstoffenheffing mogen de begrote kosten niet overschrijden. In de tarieven voor de afvalstoffenheffing wordt onderscheid gemaakt tussen éénpersoonshuishoudens, tweepersoonshuishoudens, driepersoonshuishoudens en vier- of meerpersoonshuishoudens. Het vaste deel van de kosten wordt gelijkelijk verdeeld over elk huishouden (adres). Het variabele kosten-deel wordt naar rato van de grootte van het huishouden bij het vaste kosten-deel opgeteld. Daarbij wordt voor de huishoudens met vier of meer personen de gemiddelde grootte van deze categorie aangehouden. Achterliggende reden om deze tariefstructuur te hanteren is: “de vervuiler betaalt”. In onderstaande tabel staan de tarieven van 2023 en het voorstel voor 2024. Tarieven afvalstoffenheffing 2023 2024 Verschil in € Verschil in % € 193,82 € 217,50 Eénpersoonshuishouden € 23,68 12,2 % € 241,22 € 269,72 Tweepersoonshuishouden € 28,50 11,8 % € 288,62 € 321,94 Driepersoonshuishouden € 33,32 11,5 % Vier- en meerpersoonshuishouden € 351,49 € 397,68 € 46,19 13,1 %
De tarieven voor de afvalstoffenheffing in 2024 stijgen met een gewogen gemiddelde van 12,2 % ten opzichte van 2023. De hoofdoorzaak hiervan is een aanzienlijke kostenstijging binnen de begroting Cure. Deze kostenstijging is het gevolg van een toename van directe personeelskosten, verdere implementatie van emissieloze voertuigen, vervanging en uitbreiding van containers, hogere verwerkingskosten en overige overheadkosten. Daarnaast hebben we te maken met een aanzienlijke stijging van het aantal kwijtscheldingen en dus minder inkomsten. In lijn met de afvalstrategie om de hoeveelheid restafval in Eindhoven drastisch terug te dringen en ongescheiden afval te ontmoedigen krijgt in beginsel ieder huishouden één restafvalcontainer, zonder daar apart voor te hoeven betalen. Dit is ruim voldoende voor een huishouden, zeker als het afval goed wordt gescheiden. Huishoudens die tóch een tweede restafvalcontainer nodig hebben zullen moeten gaan bijdragen aan de extra kosten daarvan. Deze kosten (€ 120,- voor 140 liter, resp. € 140,- voor 240 liter per jaar) zijn gebaseerd op de jaarlijkse kosten die de inzamelaar maakt voor het inzamelen en verwerken van een extra container voor restafval. De belastingplicht voor deze container vangt aan op het moment dat de bruikleen start en eindigt indien de bruikleen voor het betreffende perceel eindigt.
De gebruiker van het perceel waarvoor de buikleen is afgegeven is belastingplichtig. De heffing voor deze tweede container komt niet in aanmerking voor kwijtschelding. Elk huishoudens heeft in principe voldoende aan één restafvalcontainer. Indien voor een tweede container kwijtschelding wordt verleend dan is er geen drempel om een dergelijke container aan te vragen. Dit zou haaks staan op onze
4
Inboeknummer 23bst01030 strategie om de hoeveelheid restafval te verminderen en afvalscheiding te stimuleren. Ook zou dit in strijd zijn met het uitgangspunt “de vervuiler betaalt”. Een tweede restafvalcontainer komt nu sporadisch voor en dit moet ook in de toekomst een uitzondering blijven. Dat is ook de reden dat hiervoor nu een tarief wordt voorgesteld. 1.4.2 Reinigingsrecht (bedrijven) Bedrijven hebben, mits aan bepaalde aanbiedvoorwaarden wordt voldaan, welke zijn vastgelegd in het Uitvoeringbesluit Afvalstoffenverordening Eindhoven 2021, de keuze om hun bedrijfsafval door de gemeente of een particuliere afvalinzamelaar te laten ophalen. Ongeveer de helft van de bedrijven laat het afval door een particulier bedrijf verwijderen en betaalt dus geen reinigingsrecht. Gelet op de hogere kosten van de afvalverwerking en het grotere aanbod van bedrijfsafval in vergelijking tot een gemiddeld huishouden dient het huidige tarief voor het reinigingsrecht fors verhoogd te worden om kostendekkend te zijn. Ingevolge de Mededingingswet (Wet markt en overheid) dient ten minste de integrale kostprijs in rekening te worden gebracht voor een dienst. Concreet betekent dit dat het tarief voor het reinigingsrecht voor 2024 hierdoor stijgt van € 197,09 (excl. btw) naar € 320,73 (excl. btw). Deze tariefstijging bedraagt ruim 60%.
Aangezien bedrijven de keuzevrijheid hebben om hun bedrijfsafval door de gemeente of een particuliere afvalinzamelaar te laten ophalen kunnen zij zelf bepalen of zij dit hogere gemeentelijke tarief willen betalen of dat zij kiezen voor een tarief dat door een marktpartij in rekening wordt gebracht. In verband hiermee, en gelet op het belang van een kostendekkend tarief, is deze tariefstijging aanvaardbaar en onvermijdelijk. Om bedrijven te attenderen op deze stijging, zodat zij eventueel kunnen overstappen naar een particuliere afvalinzamelaar, zal dit na vaststelling zo spoedig mogelijk algemeen gecommuniceerd worden. Bedrijven hebben te allen tijde de mogelijkheid om over te stappen naar een particuliere inzamelaar. 1.5 Leges Voor de leges geldt dat sprake is van twee afzonderlijke legesverordeningen; de Legesverordening burgerzaken en de Legesverordening vergunningen. De ene verordening heeft betrekking op burgerzaken en algemene dienstverlening en de andere op de vergunningverlening en aanverwante diensten. Algemeen uitgangspunt bij de legesheffing is een kostendekkend tarief, met oog voor de maatschappelijke effecten en rekening houdende met de wettelijk gemaximeerde tarieven. Daarbij is de term maximale kostendekkendheid van belang. Dit betekent dat de begrote opbrengsten van de leges, de kosten van de daarmee samenhangende dienstverlening niet mogen overstijgen.
Belangrijk bij de tariefstelling is de mogelijkheid om de kosten van de (samenhangende) dienstverlening over de verschillende legestarieven te verdelen, de zogenaamde kruissubsidiëring. Zo hangen bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 van de Legesverordening vergunningen de kosten voor omgevingsvergunningen met elkaar samen. De wijzigingen van beide verordeningen worden hierna toegelicht.
5
Inboeknummer 23bst01030 Verordening leges burgerzaken • De maximale tarieven voor reisdocumenten en identiteitskaarten (hoofdstuk 3), voor rijbewijzen, (hoofdstuk 4), voor papieren verstrekkingen uit de Basisregistratie personen (onderdeel 5.6) en de verklaring omtrent gedrag (onderdeel 8.1) uit de tarieventabel, worden van rijkswege vastgesteld en zijn nog niet bekend op het moment dat dit dossier bestuurlijk in routing gaat. Vooralsnog zijn daarom de tarieven van 2023 opgenomen. Zodra deze van rijkswege vastgestelde tarieven voor 2024 bekend worden, stelt het college van burgemeester en wethouders de legesverordening gewijzigd vast. • De belangrijkste overige tarieven zijn (met afronding) verhoogd met de reguliere index van 5,2%. • In Hoofdstuk 1 van de tarieventabel van de Legesverordening burgerzaken is onderdeel 1.7 gewijzigd en onderdeel 1.8 vervallen aangezien de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) inmiddels is vervangen door de Wet open overheid (Woo). Verordening leges vergunningen In de Tarieventabel zijn in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 3 enkele kleine wijzigingen doorgevoerd. In hoofdstuk 2 zijn als gevolg van de invoering van de Omgevingswet en de Wet Kwaliteitsborging meerdere wijzigingen doorgevoerd, maar daarbij zijn zoveel mogelijk de huidige legestarieven (na reguliere indexering met 5,2%) gehandhaafd en is zoveel mogelijk het model van de VNG toegepast.
De belangrijkste wijzingen zijn dat • voor Omgevingsoverleg voorafgaand aan indiening van een aanvraag leges kunnen worden geheven; • een omgevingsvergunning voor het bouwtechnisch deel en een omgevingsvergunning voor het ruimtelijk deel moet worden aangevraagd en voor beide vergunningen leges zijn verschuldigd; • voor een aanvraag voor een vergunning voor milieubelastende activiteiten nu ook leges worden geheven. Het tarief voor de Omgevingsvergunning Bouwen is opgedeeld in het tarief voor het ruimtelijk en voor het bouwtechnisch deel. Het totaal van beide tarieven voor de activiteit Bouwen is niet gewijzigd in vergelijking met 2023, behoudens de eerdergenoemde indexering. De gevolgen voor de bouwleges voor 2024 zijn budgetneutraal: voor 2024 is een bedrag van € 1.300.000,- aan extra inkomsten en € 1.300.000,- aan extra uitgaven begroot. Ten aanzien van de tarieven voor de leges in het kader van de dienstverlening betreffende de Omgevingswet is een inschatting van de daarmee samenhangende kosten en baten gemaakt. De tariefontwikkeling van deze leges voor de komende jaren zal mede afhangen van de realisatie hiervan. 1.6 Precariobelasting Ter verduidelijking van de bestaande berekening van de precariobelasting wordt voorgesteld in artikel 6 de leden 2, 3, 6 en 7 op te nemen. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd met de bestaande berekeningssystematiek.
6
Inboeknummer 23bst01030 De toevoeging van de leden 2 en 3 is conform de modelverordening precariobelasting van de VNG. In deze leden worden nadere bepalingen gegeven voor die gevallen waarin een tarief per oppervlakte in de tarieventabel is opgenomen. Horizontale projectie van de voorwerpen betekent dat projectie van het voorwerp in een horizontaal vlak moet plaatsvinden en dat vervolgens van dat horizontale vlak de oppervlakte wordt bepaald. Bij andere dan rechthoekige voorwerpen kan het berekenen van de oppervlakte leiden tot ingewikkelde wiskundige berekeningen. In verband hiermee is in het derde lid bepaald dat dan de oppervlakte van een denkbeeldig om het voorwerp geplaatste rechthoek in aanmerking wordt genomen. Door het nieuwe zesde lid wordt beter kenbaar dat niet alleen afzonderlijke voorwerpen in de heffing worden betrokken maar ook de ruimte daartussen. Het klassieke voorbeeld betreft de oppervlakte van een terras. Niet elke afzonderlijke tafel en stoel wordt opgemeten en in de heffing betrokken maar de belastingplicht geldt voor het gehele terras, inclusief de ruimte tussen de tafels en de stoelen. Door het samenstel van de voorwerpen wordt immers het geheel van de gemeentegrond in beslag genomen, inclusief de ruimte tussen de afzonderlijke voorwerpen. Ook die ruimte is immers niet meer geschikt voor het gebruik in de openbare dienst.
Middels lid 7 wordt bepaald dat bij bouwplaatsen de gehele oppervlakte van een bouwplaats in de heffing wordt betrokken, indien en voor zover de bouwplaats is gelegen op voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond. Door een dergelijk stuk gemeentegrond te onttrekken aan de openbare dienst kunnen anderen hiervan geen gebruik (meer) maken. Het is daarom gerechtvaardigd dat het gehele oppervlak van de bouwplaats in de heffing wordt betrokken. De maatvoering van de daarvoor verleende vergunning is leidend voor de berekening van de verschuldigde precariobelasting. De binnen de bouwplaats aanwezige bouwmaterialen, directieketen, schaftwagen en dergelijke worden daarbij (uiteraard) niet nogmaals afzonderlijk in de heffing betrokken. In artikel 1 van de Verordening precariobelasting is een definitie van “bouwplaats” toegevoegd. Verder is de bouwplaats opgenomen in de tariefsomschrijving in onderdeel 1.1.3 van de tarieventabel. Tenslotte wordt voorgesteld in artikel 6 een tiende lid toe te voegen om te voorkomen dat een belastingplichtige die gedurende het kalenderjaar voor een kortere periode dan een jaar voorwerpen onder, op of boven voor de openbare dienst bestemde gemeentegrond heeft, per eenheid meer precariobelasting zou moeten betalen dan het daarvoor geldende jaartarief.
Hiermee wordt de optelsom van de tarieven per tijdseenheid gemaximeerd tot het daarvoor geldende jaartarief. Indien bijvoorbeeld het tarief per maand € 2,00 per m2 bedraagt en het jaartarief bedraagt € 16,00 per m2 dan zou belastingplichtige, bij een gebruik van 9 maanden, voor deze periode € 18,00 per m2 precariobelasting verschuldigd zijn. Door deze nieuwe bepaling wordt dit gemaximeerd tot het jaartarief, zijnde € 16,00 per m2.
7
Inboeknummer 23bst01030 1.7 Begraafplaatsrechten Voorgesteld wordt om de Verordening begraafplaatsrechten zodanig aan te passen dat voor begraafplaatsrechten, naast het reserveren van een laatste rustplaats, ook ingeval van verlenging van het grafrecht geen recht op kwijtschelding bestaat. Hiermee wordt aangesloten bij het bepaalde in de Beheersverordening gemeentelijke begraafplaatsen gemeente Eindhoven 2021, die uw raad op 22 september 2021 heeft vastgesteld. In verband hiermee wordt tevens voorgesteld artikel 2 van de Kwijtscheldingsverordening in gelijke zin aan te passen. 1.8 Toeristenbelasting Het tarief bedraagt € 3,50 per overnachting. De afspraak met de hoteliers is al jaren dat de middelen besteed worden aan activiteiten op het gebied van citymarketing/evenementen/toerisme en recreatie. De begrote inkomsten toeristenbelasting bedragen voor 2024 € 2.934.000. In de jaarrekening 2022 is een gerealiseerd bedrag van € 3.674.000, als gevolg van een hogere bezettingsgraad (na corona), opgenomen. Dit is ruim boven de begroting. De hotelmarkt in Eindhoven bestaat deels uit zakelijk klanten en deels uit consumenten (ongeveer 50%). Inkopers van zakelijke bedden nemen die in grote hoeveelheden af. Die bedden zijn nu voor 2024 al ingekocht. Indexatie nu opleggen voor 2024, levert direct problemen op voor de hoteliers die daar geen rekening mee hebben gehouden.
Het draagvlak voor de heffing in Eindhoven is uitzonderlijk groot in vergelijking met andere steden. Dit komt door de afspraken over de besteding van de middelen waar we ons als gemeente al vanaf 1999 aan houden; we zijn daarin een betrouwbare overheid. 1.9 Parkeerbelastingen Parkeerbelasting is het instrument van de gemeente om te sturen op het gebruik van het openbare parkeeraanbod en daarmee tevens een belangrijk middel om de vervoerwijzekeuze van inwoners en bezoekers te beïnvloeden in de richting van de gewenste mobiliteitstransitie naar duurzaam vervoer. De parkeertarieven zijn het hoogst in het centrum en lager daarbuiten. Indexering Voor 2024 wordt de parkeerbelasting aangepast op basis van de algemene indexering van 5,2%. Dit betekent voor de meeste uurtarieven een verhoging van € 0,10 en voor de dagtarieven maximaal € 0,50. Park Strijp Beheer volgt de gemeentelijke tariefontwikkeling voor parkeren op Strijp-S. Parkeervergunningen De tarieven van de parkeervergunningen worden eveneens met 5,2% geïndexeerd, met een afronding op hele euro’s, uitgezonderd enkele vergunningen met een laag tarief die op decimalen zijn afgerond. De tarieven voor de deelautovergunningen blijven gelijk.
8
Inboeknummer 23bst01030
Naheffingsaanslag Met betrekking tot de naheffingsaanslag die wordt opgelegd als niet voldaan is aan de parkeerbelastingplicht, wordt voorgesteld het maximale tarief van € 76,70 te hanteren dat de Minister van BZK heeft vastgesteld voor 2024 in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Het bedrag van de naheffingsaanslag mag niet meer dan kostendekkend zijn. Uit het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen, dat als onderdeel van de verordening hierbij wordt voorgelegd, blijkt dat de kosten van de naheffing hoger zijn dan het door de Minister vastgestelde maximumbedrag. 1.10 Overige belastingen en heffingen De tarieven van de precariobelasting, de marktgelden, de hondenbelasting, het standplaatsgeld autobusdiensten en de kanaalrechten zijn ten opzichte van 2023 met de reguliere index verhoogd. 1.11 Geen privaatrechtelijke tarieven De gemeente kan naast een publiekrechtelijke vergoeding ook een privaatrechtelijke vergoeding vragen indien daar een tegenprestatie tegenover staat. Dit dossier behandelt alleen fiscale tarieven, zoals hiervoor opgesomd. Privaatrechtelijke tarieven, zoals bijvoorbeeld voor sport, maken hier derhalve geen onderdeel van uit. Kanttekeningen Niet van toepassing. Personele consequenties Niet van toepassing. Financiële consequenties Met dit voorstel wordt invulling gegeven aan de Programmabegroting 2024.
Hierin wordt voor de lokale heffingen een totale opbrengst geraamd van € 187 miljoen. Communicatie De verordeningen worden via het Gemeenteblad bekendgemaakt. Deze zijn digitaal te raadplegen. Planning en uitvoering Op basis van de verordeningen legt de heffingsambtenaar de aanslagen en/of kennisgevingen gemeentelijke belastingen en rechten voor belastingjaar 2024 op. Evaluatie Via de tussentijdse rapportage en de jaarrekening informeren we uw raad over de stand van zaken van de realisatie van de begrote opbrengsten gemeentelijke belastingen en rechten.
9
Inboeknummer 23bst01030
Bijlage(n) Als bijlage bij dit voorstel behoort: • Overzicht tarieven gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2023 en 2024 De bijlage wordt meegestuurd. De ontwerp-raadsbesluiten bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven,
, secretaris.
10
Inboeknummer 23bst01030
Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; mede gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2024 Artikel 1. Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
b.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; diegene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belastingen als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3.
Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
11
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 2. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3. Maatstaf van heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2.
Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4. Vrijstellingen 1.
In afwijking, in zoverre van artikel 3, wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
12
Inboeknummer 23bst01030 e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
l.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m.
begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
2.
De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
13
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 5. Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: A.
de gebruikersbelasting: 0,21834%;
B.
de eigenarenbelasting: i.
voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,09445%;
ii.
voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,30474%.
Artikel 6. Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag.
Artikel 7. Aanslaggrens 1.
Voor belastingbedragen tot € 10,- vindt geen invordering plaats.
2.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 8. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
14
Inboeknummer 23bst01030 Artikel 9. Overgangsrecht, inwerkingtreding, en citeertitel 1.
De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2023’ van 8 november 2022, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 20 december 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4.
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2024’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2023
, griffier.
15
Inboeknummer 23bst01030
Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; mede gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2024 Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
garagebox: een perceel dat bestemd is voor opslag van goederen en/of stalling van één motorvoertuig, zonder wateraansluiting of directe aansluiting op de gemeentelijke riolering;
b.
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
c.
verbruiksperiode: de periode van 12 maanden waarop de afrekening van de N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant/Brabant Water N.V. betrekking heeft;
d.
water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Artikel 2. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b.
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht 1.
De belasting wordt geheven:
16
Inboeknummer 23bst01030 a.
van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en
b.
van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.
2.
Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
3.
Voor het gebruikersdeel wordt: a.
gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
b.
gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;
c.
het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt; a.
de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1.
Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.
2.
Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanaf of vanuit het perceel wordt afgevoerd.
17
Inboeknummer 23bst01030 3.
Het aantal kubieke meters water als bedoeld in het vorige lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is toegevoerd of opgepompt.
4.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a.
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
b.
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.
De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Artikel 6. Belastingtarieven 1.
Het tarief voor het eigenarendeel bedraagt € 192,-.
2.
Het tarief voor het gebruikersdeel bedraagt voor elke volle eenheid van 500 kubieke meters water € 266,-.
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Vrijstelling Van het eigenarendeel van de rioolheffing zijn vrijgesteld: 1.
de percelen welke in hoofdzaak worden gebruikt voor de openbare eredienst of voor openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;
2.
garageboxen en parkeerplaatsen.
Artikel 10. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
18
Inboeknummer 23bst01030 2.
Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 11. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 12. Kwijtschelding Van de heffing van het gebruikersdeel, zoals bedoeld in artikel 3, wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 13. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.
De ‘Verordening rioolheffing 2023’, vastgesteld bij raadsbesluit van 8 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
19
Inboeknummer 23bst01030 3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4.
Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing 2024’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2023
, griffier.
20
Inboeknummer 23bst01030
Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; mede gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2024 Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: a.
een afvalstoffenheffing;
b.
reinigingsrechten.
Artikel 2. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
‘gebruikmaken’ in Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruikmaken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;
b.
bedrijfslocatie: een onroerende zaak - of een zelfstandig gebruikt gedeelte ervan - geen perceel zijnde in de zin van de Wet milieubeheer;
c.
grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet in aanmerking komen voor het periodiek inzamelen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a;
d.
een collo: elk exemplaar stukgoed, ongeacht de verpakking, dat door één persoon te dragen is.
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3. Aard van de belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2.
De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een
21
Inboeknummer 23bst01030 perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5. Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6. Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7. Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.
22
Inboeknummer 23bst01030 2.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel schriftelijke gedagtekende kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen). Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 9. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
5.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.
Artikel 10. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moet de belasting worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 8, tweede lid: a.
mondeling wordt gedaan: op het moment van het doen van de kennisgeving;
b.
schriftelijk wordt gedaan: op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.
23
Inboeknummer 23bst01030 4.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
5.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 11. Aard van de heffing en belastbaar feit 1.
Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven voor zowel het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, of door de gemeente in beheer of in onderhoud zijn gegeven.
2.
Het in het eerste lid bedoelde genot van diensten en het gebruik van bezittingen, werken en inrichtingen bestaat uit: a.
het periodiek verwijderen van bedrijfsafval van beperkte omvang of hoeveelheid;
b.
het op aanvraag incidenteel verwijderen van colli;
c.
het achterlaten van met huishoudelijk afval gelijk te stellen bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkel- en dienstenafval) op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats.
Artikel 12. Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, bedoeld in artikel 11, gebruik maakt.
Artikel 13. Maatstaven van heffing en belastingtarieven 1.
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2.
Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 14. Belastingjaar
24
Inboeknummer 23bst01030 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven over een belastingjaar.
2.
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 15. Wijze van heffing 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven bij wege van aanslag.
2.
De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen), waarop het verschuldigde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 16. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.
3.
Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 17. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan meer is dan € 10,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één
25
Inboeknummer 23bst01030 maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.
In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de reinigingsrechten in geval van heffing middels een in artikel 15, tweede lid, bedoelde kennisgeving, bij de uitreiking terstond worden betaald.
4.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
5.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 18. Kwijtschelding Bij de invordering van de rechten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt geen kwijtschelding verleend.
Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 19. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.
De ‘Verordening reinigingsheffingen 2023’, vastgesteld bij raadsbesluit van 8 november 2022, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2024.
4.
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening reinigingsheffingen 2024’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 7 november 2023
, griffier.
26
Inboeknummer 23bst01030
Tarieventabel behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2024 Hoofdstuk 1
Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing Hoofdstuk 1.1
Artikel
Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing
Tarief
1.1.1
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 217,50
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon: 1.1.2
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 269,72
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee personen: 1.1.3
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 321,94
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door drie personen: 1.1.4
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 397,68
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door vier of meer personen: 1.1.5
Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 1.1.1 tot en met 1.1.4 bedraagt het cumulatieve tarief voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van een tweede grijze afvalcontainer (voor huishoudelijk restafval) per perceel per belastingjaar a. voor een afvalcontainer van 140 liter:
€ 120,-
b. voor een afvalcontainer van 240 liter:
€ 140,-
27
Inboeknummer 23bst01030 Hoofdstuk 1.2 Artikel
Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing
Tarief
1.2.1
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag verwijderen van colli: a. per big bag van 1 m3:
€ 40,-
b. per big bag van 1,5 m3:
€ 60,-
c. voor voorwerpen die niet in een inzamelmiddel passen,
€ 10,-
per voorwerp/sticker: 1.2.2
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de
€ 20,-
belasting voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats, (milieustraat) per keer, vanaf de 13e keer dat binnen één kalenderjaar afvalstoffen worden achtergelaten: 1.2.3
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de
€ 15,-
belasting voor het op aanvraag vervangen van de toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainers en/of de milieustraten per keer:
Hoofdstuk 2
Maatstaven en tarieven reinigingsrechten Hoofdstuk 2.1
Artikel
Maatstaf en jaarlijks tarief reinigingsrechten
Tarief
2.1.1
Het recht bedraagt per belastingjaar voor het verwijderen van
€ 320,73
bedrijfsafval als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, per bedrijfslocatie voor elke per ophaalbeurt te verwijderen hoeveelheid van maximaal 240 liter of maximaal 6 zakken: Het bedrag genoemd in hoofdstuk 2.1 is exclusief omzetbelasting. Deze tarieventabel maakt onderdeel uit van en behoort bij het raadsbesluit van 7 november 2023 tot vaststelling van de Verordening reinigingsheffingen 2024
, griffier.
28
Inboeknummer 23bst01030
Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 26 september 2023; mede gelet op de artikelen 156 en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet en de artikelen 2 en 7 van de Paspoortwet; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en de invordering van leges burgerzaken en algemene dienstverlening 2024 Artikel 1. Aard van de heffing en belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a.
het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit;
b.
het verlenen van een dienst op aanvraag; of
c.
het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een document;
een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.
Artikel 2. Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager of degene voor wie de aanvraag is gedaan.
Artikel 3. Maatstaven van heffing en tarieven 1.
De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2.
Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
Artikel 4. Wijze van heffing De leges worden geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, een zegel, een nota, een factuur of andere schriftuur, of een kennisgeving langs elektronische weg. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving of langs elektronische weg aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
29
Inboeknummer 23bst01030
Artikel 5. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 4: a.
mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;
b.
schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending van de kennisgeving binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.
c. 2.
langs elektronische weg in het aanvraagproces wordt gedaan, onverwijld.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het voorgaande lid gestelde termijnen.
Artikel 6. Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst, besluit of handeling wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst, besluit of handeling in die tarieventabel opgenomen bepaling.
Artikel 7. Vrijstellingen 1.
Leges worden niet geheven voor: a.
stukken of handelingen, welke ambtshalve of ter voldoening aan wettelijke voorschriften kosteloos worden afgegeven of verricht;
b.
inlichtingen, opgaven, handelingen of stukken, welke met vergunning van het college van burgemeester en wethouders, worden verstrekt, verricht of afgegeven ten behoeve van rechtstreeks gebruik voor het algemeen belang dienende voorlichting over de gemeente, haar organen en instellingen.
2.
De leges, genoemd in de tarieventabel in de onderdelen 1.1, 1.2 en 1.4 worden niet geheven voor de in het openbaar belang afgegeven stukken en verstrekte inlichtingen aan openbare besturen, ambtenaren en instellingen.
3.
De leges, genoemd in de tarieventabel in de onderdelen 1.3 en 1.4 worden niet geheven voor zover stukken met vergunning van het college van burgemeester en wethouders worden afgegeven aan politieke groeperingen, waarvan de aanduiding bij de Kiesraad is geregistreerd dan wel welke aan de laatst gehouden gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen.