Raadsvoorstel Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2026
Tekst van het document
gemeente Eindhoven Inboeknummer 8015989_02 Dossiernummer 25.38.751 B&W beslisdatum 16 september 2025
Raadsvoorstel Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2026 Inleiding Ieder jaar stelt uw raad de ‘Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten’ (hierna: de verordeningen) vast. De belastingtarieven maken onderdeel uit van deze verordeningen. Aan de hand van deze tarieven worden de aanslagen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten opgelegd. Het betreft de navolgende verordeningen: 1. onroerende-zaakbelastingen; 2. rioolheffing; 3. reinigingsheffingen (afvalstoffenheffing en reinigingsrechten); 4. leges burgerzaken; 5. leges vergunningen; 6. precariobelasting; 7. marktgeld; 8. begraafplaatsrechten; 9. hondenbelasting; 10. standplaatsgeld autobusdiensten; 11. kanaalrechten; 12. toeristenbelasting; 13. parkeerbelastingen. Via dit voorstel worden de verordeningen voor belastingjaar 2026, ter vaststelling, aan u voorgelegd. Wettelijke taak De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening (art. 216 Gemeentewet) Doelstelling Het mogelijk maken van de realisatie van de begrote opbrengsten gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten, die in de Programmabegroting 2026 zijn opgenomen.
Inboeknummer
8015989_02
Voorstel 1. De Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2026 vast te stellen. 2. De tarieven onroerende-zaakbelastingen 2026 in december 2025 gewijzigd vast te stellen, indien daartoe aanleiding bestaat. Argumenten Feiten, cijfers en bronnen en de rolverdeling van gemeente en partners in de stad 1.1 De verordeningen geven uitvoering aan het raadsvoorstel tot vaststelling van de begroting 2026 In de begroting treft u de begrote opbrengsten aan van de verschillende gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten voor belastingjaar 2026. Met deze opbrengsten kunnen we in 2026 de gewenste voorzieningen treffen. De heffing van deze belastingen, heffingen en rechten gebeurt op basis van de verordeningen en tarieven die we u hierbij ter vaststelling voorleggen. Dit voorstel is beleidsarm. Dit wil zeggen dat het niet beoogd om beleid te formuleren of te wijzigen. Allereerst gaan we nader in op de woonlasten. Voor inwoners van de gemeente met een eigen woning bestaan de woonlasten uit de onroerende-zaakbelasting (hierna: ozb), de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De rioolheffing en de afvalstoffenheffing moeten, net als bijvoorbeeld de leges, voldoen aan de opbrengstlimiet. Dat wil zeggen dat de begrote opbrengsten de begrote kosten niet mogen overstijgen. De tarieven blijven maximaal kostendekkend.
Na behandeling van de woonlasten, gaan we in paragraaf 1.2 nader in op de ozb. Vervolgens komt in paragraaf 1.3 de rioolheffing aan bod, terwijl in paragraaf 1.4 de reinigingsheffingen worden besproken. In de daaropvolgende paragrafen lichten we de aanpassingen in de overige verordeningen nader toe. Woonlasten De woonlasten voor eigenaren-bewoners van een woning bestaan uit ozb eigendom, rioolheffing eigendom en afvalstoffenheffing. Conform de Kadernota worden de onroerende-zaakbelastingen geïndexeerd met 3,5% voor woningen en met 6% voor nietwoningen. Deze indexering wordt berekend met als basis de bijgestelde begroting van 2025. De tarieven voor de afvalstoffenheffing stijgen met een gewogen gemiddelde van 3,3%, terwijl het tarief van de rioolheffing stijgt met 2,5%. Dit leidt op begrotingsniveau tot een stijging van de woonlasten voor woningen met 3,2%. De bedrijfslasten voor eigenaren van een niet-woning bestaan uit ozb eigendom en rioolheffing eigendom. Voor gebruikers van een niet-woning bestaan deze lasten uitsluitend uit de heffing voor ozb gebruik. Op begrotingsniveau leidt dit voor eigenaren tot
2
Inboeknummer
8015989_02
een stijging van 5,9% en voor gebruikers tot een stijging van 6%. Het (marginale) verschil wordt veroorzaakt door het effect van de rioolheffing. 1.2
Onroerende-zaakbelastingen
1.2.1 Taxatiewaarde De vastgestelde waarde van onroerende zaken volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) dient als grondslag voor de aanslag ozb. De ozb-tarieven bedragen een percentage van deze WOZ-waarde. Volgens de Wet WOZ moet de gemeente de waarde jaarlijks vaststellen. Voor het belastingjaar 2026 gaat het daarbij om de waarde naar peildatum 1 januari 2025. Het voorstel voor de tarieven van de ozb is gebaseerd op de nu beschikbare kennis. Dit wil zeggen dat, op basis van de thans beschikbare gegevens, inschattingen zijn gemaakt over bijvoorbeeld de gemiddelde waardeveranderingen en de omvang van de nieuwbouw. Volgens vaste systematiek zal aan het einde van het jaar de berekening nogmaals worden uitgevoerd. De taxaties zijn dan verder gevorderd. Daardoor kunnen we dan een nauwkeurigere tariefsberekening voor 2026 uitvoeren. Indien aanleiding bestaat de tarieven te wijzigingen, dan zal dit aan uw raad worden voorgelegd. Als we een wijziging van de tarieven voorstellen, zal de begrote opbrengst van de ozb niet wijzigen. 1.3 Rioolheffing De rioolheffing is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt voor de nakoming van de zorgplichten die de gemeente heeft voor afval-, hemel-, grond- en oppervlaktewater.
Omdat deze kosten vanwege periodieke investeringen van jaar tot jaar fors kunnen verschillen, verhalen we de jaarlijkse kosten op basis van een meerjarige prognose. Dit wordt gedaan om grote schommelingen in de heffing te voorkomen. Het beleid voor de zorgplichten en de onderbouwing hiervan wordt beschreven in de Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA). Eind 2022 is de WKA Gemeente Eindhoven 2023 – 2026 vastgesteld door uw raad. De rioolheffing voor 2026 is hierop gebaseerd. De tarieven voor de rioolheffing stijgen voor het eigenarendeel van € 197,- in 2025 naar € 202,- in 2026 en voor het gebruikersdeel van € 273,- in 2025 naar € 280,- in 2026. Ten aanzien van de Verordening rioolheffing wordt voorgesteld artikel 10 geheel te laten vervallen. Dit artikel heeft betrekking op het ontstaan van de belastingschuld (lid 1) en de heffing naar tijdsgelang (leden 2 en 3). Ten aanzien van het eigenarendeel blijkt reeds uit artikel 3, eerste lid onder a, dat dit deel wordt geheven naar een tijdstip, zijnde het begin van het belastingjaar. Voor het gebruikersdeel geldt dat dit deel geheven wordt over een tijdvak, namelijk het belastingjaar. Voor dit deel geldt, dat de grootte van de belastingschuld eerst kan worden vastgesteld na afloop van het belastingjaar.
De belastingschuld wordt geacht te zijn ontstaan op het tijdstip waarop het belastingjaar eindigt, conform artikel 11, vierde lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). Gelet op het voorgaande hoeft niet afzonderlijk bepaald te worden wanneer de belastingschuld ontstaat; daarom kan het eerste lid komen te vervallen. Van een heffing
3
Inboeknummer
8015989_02
naar tijdsgelang is geen sprake zodat de leden 2 en 3 eveneens kunnen vervallen. Met deze verduidelijking is niet beoogd de heffing of de invordering van de rioolheffing te wijzigen. 1.4
Reinigingsheffingen
1.4.1 Afvalstoffenheffing (huishoudens) De tarieven zijn opgebouwd uit twee kostencomponenten; de vaste en de variabele kosten. De variabele kosten betreffen de verwerkingskosten van het afval. De hoogte daarvan is afhankelijk van de (totale) hoeveelheid aangeboden afval. De vaste kosten zijn de kosten van het inzamelen van het afval en de bedrijfsvoeringskosten. Deze kosten zijn niet afhankelijk van de hoeveelheid aangeboden afval. De begrote opbrengsten van de afvalstoffenheffing mogen de begrote kosten niet overschrijden. In de tarieven voor de afvalstoffenheffing wordt onderscheid gemaakt tussen éénpersoonshuishoudens, tweepersoonshuishoudens, driepersoonshuishoudens en vier- of meerpersoonshuishoudens. Het vaste deel van de kosten wordt gelijkelijk verdeeld over elk huishouden (adres). Het variabele kosten-deel wordt naar rato van de grootte van het huishouden bij het vaste kosten-deel opgeteld. De verschillen in tariefstijging tussen de verschillende huishoudens worden hierdoor verklaard. Voor de huishoudens met vier of meer personen wordt de gemiddelde grootte van deze categorie aangehouden. Achterliggende reden om deze tariefstructuur te hanteren is: “de vervuiler betaalt”. In onderstaande tabel staan de tarieven van 2025 en het voorstel voor 2026.
Tarieven afvalstoffenheffing 2025 2026 Verschil in € Verschil in % € 220,99 € 229,46 Eénpersoonshuishouden € 8,47 3,83% € 276,72 € 287,07 Tweepersoonshuishouden € 10,35 3,73% € 332,45 € 344,68 Driepersoonshuishouden € 12,23 3,68% Vier- en meerpersoonshuishouden € 409,88 € 420,00 € 10,12 2,47% De tarieven voor de afvalstoffenheffing in 2026 stijgen met een gewogen gemiddelde van 3,3% ten opzichte van 2025. De hoofdoorzaak hiervan is een kostenstijging binnen de begroting Cure. De kostenstijging is het gevolg van toename van personeelskosten (caoindexeringen), toenemende rentelasten, hogere verwerkingskosten en sterk fluctuerende en op onderdelen dalende opbrengsten (bijv. textiel). Daarnaast vindt uitbereiding van de dienstverlening plaats die voorheen bij de gemeente lag en nu geïntensiveerd wordt, zoals bijvoorbeeld de nieuwe taken op het gebied van handhaving van bijzet. Voor de afvalstoffenheffing geldt op grond van de verordening als maatstaf van heffing het aantal personen per perceel, met een maximum van vier of meer personen. Hierbij wordt een tijdstipbepaling gehanteerd, waarbij het aantal personen dat op 1 januari van het belastingjaar het perceel gebruikt, bepalend is voor de heffing ten aanzien van dat jaar.
4
Inboeknummer
8015989_02
Voor de gebruiksgegevens wordt primair aansluiting gezocht bij het aantal personen dat conform de Basisregistratie personen (BRP) staat ingeschreven op een perceel. De tijdstipbepaling op 1 januari zorgt voor een duidelijke, objectieve en eenvoudig te achterhalen grondslag. Dit voorkomt discussies over wijzigingen in het aantal personen van een huishouden gedurende het jaar en beperkt de administratieve lasten, zowel voor de gemeente als voor inwoners. Bij beëindiging van de belastingplicht in de loop van het jaar kan aanleiding bestaan om op basis van het derde lid van artikel 9 van de verordening ontheffing te verlenen. Dit wil zeggen dat belastingplichtige een deel van het aanslagbedrag terugkrijgt. Dit betekent echter niet dat het bedrag van de aanslag tijdsevenredig wordt verminderd als het aantal personen in een huishouden daalt gedurende het belastingjaar; de belastingplicht eindigt dan immers niet. Het, bij een daling van het aantal personen in een huishouden in de loop van een belastingjaar, telkens verminderen van een reeds opgelegde aanslag is niet doelmatig vanwege de hoge uitvoeringskosten. Bovendien leidt een verhoging van het aantal personen in een huishouden gedurende het belastingjaar, ook niet tot een verhoging van de afvalstoffenheffing voor dat jaar. Van een onevenredigheid is derhalve geen sprake.
1.4.2 Reinigingsrecht (bedrijven) Bedrijven hebben, mits aan bepaalde aanbiedvoorwaarden wordt voldaan, welke zijn vastgelegd in het Uitvoeringbesluit Afvalstoffenverordening Eindhoven 2021, de keuze om hun bedrijfsafval door de gemeente of een particuliere afvalinzamelaar te laten ophalen. Het tarief van het reinigingsrecht daalt licht van € 331,27 (excl. btw) in 2025 naar € 326,23 (excl. btw) in 2026. Het verschil met de tariefsontwikkeling met de afvalstoffenheffing is mogelijk doordat bepaalde posten, zowel ten aanzien van de kosten als de (dalende) baten, wel van invloed zijn op de afvalstoffenheffing maar niet op de reinigingsrechten. Zo wordt bijvoorbeeld onder voorwaarden kwijtschelding verleend van de afvalstoffenheffing (kostenpost), maar niet voor het reinigingsrecht. 1.5 Leges Voor de leges geldt dat sprake is van twee afzonderlijke legesverordeningen; de Legesverordening burgerzaken en de Legesverordening vergunningen. De ene verordening heeft betrekking op burgerzaken en algemene dienstverlening en de andere op de vergunningverlening en aanverwante diensten. Algemeen uitgangspunt bij de legesheffing is een kostendekkend tarief, met oog voor de maatschappelijke effecten en rekening houdende met de wettelijk gemaximeerde tarieven. Daarbij is de term maximale kostendekkendheid van belang.
Dit betekent dat de begrote opbrengsten van de leges, de kosten van de daarmee samenhangende dienstverlening niet mogen overstijgen. Belangrijk bij de tariefstelling is de mogelijkheid om de kosten van de (samenhangende) dienstverlening over de verschillende legestarieven te verdelen, de zogenaamde kruissubsidiëring. Zo hangen bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 van de Legesverordening vergunningen de kosten voor omgevingsvergunningen met elkaar samen. De voorgestelde wijzigingen van beide verordeningen worden hierna toegelicht.
5
Inboeknummer
8015989_02
Verordening leges burgerzaken • De maximale tarieven voor reisdocumenten en identiteitskaarten (hoofdstuk 3), voor rijbewijzen, (hoofdstuk 4), voor papieren verstrekkingen uit de Basisregistratie personen (onderdeel 5.6) en de verklaring omtrent gedrag (onderdeel 8.1) uit de tarieventabel, worden van rijkswege vastgesteld en zijn nog niet bekend op het moment dat dit dossier bestuurlijk in routing gaat. Vooralsnog zijn daarom de tarieven van 2025 opgenomen. Zodra deze van rijkswege vastgestelde tarieven voor 2026 bekend worden, stelt het college van burgemeester en wethouders de legesverordening gewijzigd vast. • De overige tarieven zijn (met afronding) verhoogd met de reguliere index van 3,5%. Verordening leges vergunningen In de tarieventabel van de legesverordening zijn in alle drie de hoofdstukken een aantal wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijzingen worden hierna toegelicht. Hoofdstuk 1 • De tarieven voor de aanstelling van verkeersregelaars (artikel 1.3.2.6) komen te vervallen omdat de werkzaamheden hiervoor feitelijk nihil zijn, waardoor nauwelijks gesproken kan worden van een gemeentelijke dienst. Deze leges worden daarom feitelijk al niet in rekening gebracht. • In artikel 1.3.5 zijn een aantal tariefomschrijvingen gewijzigd ten aanzien van de ontheffingen van de nul-emissiezone.
Dit houdt verband met de wijziging van de Beleidsregels ontheffingen nul-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto’s gemeente Eindhoven, ingaande per 1 januari 2026. Daarnaast is een nieuw tarief toegevoegd, specifiek voor voertuigen van de dierenambulance (artikel 1.3.5.1.3). Dit tarief is iets lager omdat de verwerking van aanvragen relatief eenvoudig is en anders de organisaties onnodig hoge kosten moeten maken. Voorts is het tarief van artikel 1.3.5.3.3, betreffende een gemeentespecifieke langdurige ontheffing van de nul-emissiezone voor bedrijfs- en vrachtauto’s, vervallen omdat de hier bedoelde ontheffing reeds valt onder de werking van artikel 1.3.5.3.2. De landelijk geharmoniseerde legesbedragen worden door alle deelnemende gemeenten aan het landelijke loket voor ontheffingen voor zero-emisisezones vastgesteld. De legesbedragen voor langdurige niet-gemeentespecifieke ontheffingen, ongeacht hun specifieke hoogte, zullen door de RDW namens alle gemeenten per aanvraag maar éénmaal geheven en geïnd worden. Hoofdstuk 2 • In de artikelen 2.6.1.9 en 2.8.1.10 is het maximumtarief voor de omgevingsplanactiviteit bouwen van een bouwwerk en de omgevingsplanactiviteit monumenten, beschermd stads- of dorpsgezicht, overig cultureel erfgoed en werelderfgoed geïndexeerd. In 2025 is dit abusievelijk achterwege gebleven.
Het maximumtarief van € 500.000,- in 2025 wordt voor 2026 verhoogd naar € 535.612,00. • In artikel 2.6.1 is de systematiek veranderd. Adequaat vooroverleg bij een omgevingsvergunning voor bouwprojecten is van groot belang voor een gedegen
6
Inboeknummer
8015989_02
beoordeling van een aanvraag voor deze omgevingsvergunning. Om vooroverleg te stimuleren geldt in de Legesverordening vergunningen 2025 dat leges voor diensten in het vooroverleg in mindering worden gebracht op de leges voor de definitieve aanvraag als het vooroverleg tot een positief resultaat heeft geleid. Daarnaast is in de legesverordening van 2025 vastgelegd dat de leges worden verhoogd als het vooroverleg niet heeft plaatsgevonden of niet tot een positief advies heeft geleid. In 2026 zijn deze voorzieningen gehandhaafd, alleen is de verhoging als geen positief advies is gegeven gewijzigd in korting als het vooroverleg wél tot een positief advies heeft geleid en de aanvraag conform het conceptresultaat wordt ingediend. Dit is verwoord in het nieuwe artikel 2.53. • Ten aanzien van aanlegactiviteiten is artikel 2.26 gewijzigd en zijn de artikelen 2.28 en 2.29 toegevoegd. In de Legesverordening vergunningen 2025 is voor aanlegactiviteiten die niet zien op een uitwegvergunning één algemeen tarief opgenomen van € 2.413,00. Dit tarief maakt aldus geen onderscheid naar de aard en de omvang van de aanlegactiviteiten. Om deze verschillen in de leges tot uitdrukking te brengen is de tariefstelling aangepast.
Met de wijziging van artikel 2.26 heeft dit artikel uitsluitend nog betrekking op het aanleggen van een weg of verandering brengen in de wijze van aanleg van een weg in de openbare ruimte. In artikel 2.28 is een afzonderlijk tarief opgenomen ingeval de aanlegactiviteit betrekking heeft op het vellen van bomen. Dit is naar aard en omvang een beperkte activiteit. Het nieuwe artikel 2.29 heeft betrekking op overige aanlegactiviteiten, waarbij het aantal vierkante meters van de aanlegwerkzaamheden als maatstaf zal gaan gelden. Hierdoor geldt voor een omvangrijke activiteit een hoger tarief. Voor de beoordeling wordt de aanvrager verzocht om mede te delen hoeveel vierkante meters de aanlegwerkzaamheden betreffen. Een aanvrager zal bij het ontwerp van het plan voor de aanlegactiviteiten het aantal vierkante meters van de aanlegwerkzaamheden hebben berekend en kan deze dus verstrekken bij of gedurende de aanvraag, maar is daartoe niet verplicht. Voor de casemanager is het daarentegen zeer arbeidsintensief om dit te berekenen aan de hand van de aanvraag. Als maatstaf voor de heffing indien de aanvrager desgevraagd niet bereid is het aantal vierkante meters van de aanlegwerkzaamheden mee te delen, is gekozen voor het aantal vierkante meters volgens het kadaster van de percelen waar de aanlegwerkzaamheden op plaatsvinden.
Hiervoor is gekozen, omdat dit een objectieve maatstaf is die met beperkte uitvoeringskosten toegepast kan worden. Het is mogelijk dat de oppervlakte van het perceel vele malen groter is dan de oppervlakte van de aanlegwerkzaamheden. Dit kan leiden tot een hoger tarief voor belanghebbende. Daarbij dient echter bedacht te worden dat de aanvrager het voorkomen van een hogere heffing zelf in de hand heeft. Door de aanvraag te voorzien van de volledige informatie, namelijk de correcte oppervlakte van de aanlegwerkzaamheden, wordt immers geen aansluiting gezocht bij de kadastrale oppervlakte. Gelet hierop is sprake van een evenredige tariefstelling.
7
Inboeknummer
8015989_02
1.6 Precariobelasting Voor wat betreft de precariobelasting wordt ten aanzien van de terrassen een andere gebiedsindeling voorgesteld. Deze nieuwe indeling is gebaseerd op objectieve verschillen in gebruiksdruk en gemeentelijke kosten voor inrichting en beheer van de openbare ruimte. De stad is hiertoe onderverdeeld in drie gebieden: gebied A (het kernwinkelgebied), gebied B (overig centrum en Strijp-S) en gebied C: overige gebieden. De gebiedsindeling is bestuurlijk vastgelegd in de Terrasregels Eindhoven (september 2025) en het horecabeleid Sharing the Vibes: Samen naar een bruisend Eindhoven (oktober 2024). Gebied B betreft een combinatie van twee afzonderlijke gebieden; een deel van het centrum en een deel van Strijp-S. Gebied A kenmerkt zich door hoge bezoekersaantallen in combinatie met een hoogwaardige openbare ruimte met intensief onderhoud (beeldkwaliteit A), waar de terrassen vanwege de ligging intensief worden gebruikt. De Kerkstraat valt buiten gebied A maar Kerkstraat 2A (een kiosk) valt binnen gebied A, omdat de entree van deze locatie feitelijk aan (het verlengde van) de Rechtestraat ligt. In gebied B is sprake van substantiële horecadichtheid en investeringen in inrichting, maar met minder intensief gebruik dan in het kerngebied vanwege de bezoekersstromen.
Gebied C kent overwegend solitaire horecazaken met lagere bezettingsgraad, beperkte passantenstromen en lagere gemeentelijke onderhoudslasten. Voor belastingplichtigen kan dit financiële gevolgen gaan hebben. Een deel van de belastingplichtigen die in 2025 nog in gebied B vallen, zal hierdoor per 2026 onder het tarief van gebied A vallen. Daarnaast zal een gedeelte van de belastingplichtigen van gebied C naar gebied B verschuiven. Dit betekent voor deze belastingplichtigen dat zij zullen vallen in een gebied met een duurder tarief van respectievelijk circa 50 dan wel 100 procent. Wij achten deze stijging gerechtvaardigd aangezien hiermee recht wordt gedaan aan het ter plaatste intensievere gebruik van de openbare ruimte (gekoppeld aan de bezoekersaantallen), met het daaraan gekoppelde duurdere onderhoud en tevens met de hogere gemeentelijke investeringen in de inrichting van de openbare ruimte. In algemene zin blijven de tarieven in Eindhoven, ten opzichte van andere steden, gematigd. De nieuwe indeling is afgestemd met de betrokken brancheorganisaties. De extra opbrengst van de nieuwe gebiedsindeling, geraamd op ruim € 80.000,-, wordt ingezet voor onderhoud van de binnenstad, zoals dit wordt opgenomen in het nog op te stellen beheerplan binnenstad. Uw raad wordt hierover in het vierde kwartaal van 2025 geïnformeerd.
Overigens blijven de tarieven voor de gebieden A, B en C gelijk ten opzichte van 2025, behoudens de jaarlijkse reguliere indexatie. Daarnaast wordt ten aanzien van de Verordening precariobelasting de volgende wijziging voorgesteld. Artikel 5 van de verordening heeft betrekking op vrijstellingen. In het tweede lid wordt bepaald dat geen belasting wordt geheven voor de uitbreiding van een terras, als gevolg van de anderhalve meter richtlijnen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Deze vrijstelling is opgenomen in verband met de coronamaatregelen.
8
Inboeknummer
8015989_02
Aangezien deze maatregelen niet langer relevant zijn, wordt voorgesteld de vrijstelling van artikel 5, tweede lid, te laten vervallen. 1.7 Toeristenbelasting Voor 2026 wordt het tarief van de toeristenbelasting verhoogd van € 4,50 naar € 5,25 per overnachting. Met de hoteliers is besproken dat de extra inkomsten, vanuit de algemene middelen, mede worden gebruikt voor de financiering van activiteiten die leiden tot langer verblijf, meer bestedingen bij het mkb en meer toeristisch bezoek. Dit om ook weer een positieve impuls te geven aan de inkomsten van de toeristenbelasting. Hierdoor worden onder meer evenementen (zoals de vuurwerkshow, extra middelen voor carnaval en 18 september en het ophogen van het subsidieplafond evenementen), activiteiten en projecten in de binnenstad, het structureel maken van de financiering van het Eindhoven Design District en het masterplan mobiliteit gefinancierd. Ook voor 2027 zal ten behoeve van deze doeleinden het tarief verhoogd gaan worden. Een deel van de toeristenbelasting vloeit in de algemene middelen (voor overige doeleinden). 1.8 Parkeerbelastingen Parkeerbelasting is het instrument van de gemeente om te sturen op beschikbaarheid en gebruik van openbare parkeerplaatsen en is van belang voor de mobiliteitstransitie door de invloed van deze heffing op de vervoerswijzekeuze van inwoners en bezoekers.
Kortparkeertarieven In het Masterplan Mobiliteit is besloten om de parkeertarieven in Eindhoven in redelijke stappen te verhogen tot het gemiddelde niveau van de G4 en vijf grote Brabantse steden. Om in 2030 op dit gemiddelde tarief te komen is vanaf nu elk jaar een verhoging van € 0,30 per uur nodig in het centrum en € 0,35 in de schilwijken. Bij deze berekening zijn we uitgegaan van het referentiejaar 2024. Omdat de tarieven in de G4 en andere Brabantse steden mogelijk ook muteren, moet de verhoging jaarlijks herijkt worden. Voor de tarieven van 2027 zullen wij actualiseren op het referentiejaar 2025 enz. Met deze stijging komt het uurtarief in het centrum in 2026 uit op € 4,50 en in de schil op € 2,55. De uurtarieven voor betaald parkeren buiten de Ring gaan met € 0,10 omhoog en komen uit op € 0,70 tot € 2,10. Het goedkope tarief voor het eerste uur parkeren bij winkelgebieden buiten het centrum wordt op basis van de detailhandelsvisie opgesplitst in € 0,10 voor het eerste half uur en € 0,60 voor het tweede half uur. Parkeervergunningen De tarieven van de parkeervergunningen worden geïndexeerd met 3,5% inflatiecorrectie, uitgezonderd het tarief voor de vergunning voor de 2de auto die op basis van het Masterplan Mobiliteit met € 25,- wordt verhoogd.
Deze extra verhoging is niet van toepassing voor de 2de bewonersvergunning voor het centrum, omdat deze al op het gewenste niveau ligt en er conform Masterplan ook geen nieuwe 2de vergunningen worden uitgegeven in het centrum.
9
Inboeknummer
8015989_02
In de parkeerverordening is verder de vrijwilligersregeling opgenomen, waarmee de vrijwilligers van maatschappelijke/non-profit organisaties tegen € 0,20 per uur bij hun vrijwilligerswerk kunnen parkeren. Naheffingsaanslag Met betrekking tot de naheffingsaanslag die wordt opgelegd als niet voldaan is aan de parkeerbelastingplicht, wordt voorgesteld een tarief van € 57,60 te hanteren. Dit is minder dan het maximum dat de minister van BZK heeft vastgesteld voor 2026 in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Het bedrag van de naheffingsaanslag mag niet meer dan kostendekkend zijn en uit het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen, dat als onderdeel van de verordening hierbij wordt voorgelegd, blijkt dat de kosten van de naheffing lager zijn dan het door de minister vastgestelde maximumbedrag. Door de sinds 1 mei 2025 doorgevoerde efficiëntere werkwijze bij de parkeerhandhaving én de gefaseerde uitbreiding van het reguleringsgebied met parkeerbelasting van ongeveer 15.000 naar circa 25.000 parkeerplaatsen, is de verwachting voor 2026 dat het aantal naheffingsaanslagen fors zal stijgen, waardoor de geraamde kosten per naheffingsaanslag aanmerkelijk lager uitvallen.
1.9 Overige belastingen en heffingen De tarieven van de precariobelasting, de marktgelden, de hondenbelasting, het standplaatsgeld autobusdiensten en de kanaalrechten zijn, ten opzichte van 2025, met de reguliere index verhoogd in dit raadsvoorstel. 1.10 Geen privaatrechtelijke tarieven De gemeente kan naast een publiekrechtelijke vergoeding ook een privaatrechtelijke vergoeding vragen indien daar een tegenprestatie tegenover staat. Dit dossier behandelt alleen fiscale tarieven, zoals hiervoor opgesomd. Privaatrechtelijke tarieven, zoals bijvoorbeeld voor sport, maken hier derhalve geen onderdeel van uit. Kanttekeningen Niet van toepassing. Personele consequenties Niet van toepassing. Financiële consequenties Met dit voorstel wordt invulling gegeven aan de Programmabegroting 2026. Hierin wordt voor de lokale heffingen een totale opbrengst geraamd van € 219 miljoen. Communicatie De verordeningen worden via het Gemeenteblad bekendgemaakt. Deze zijn digitaal te raadplegen.
10
Inboeknummer
8015989_02
Planning en uitvoering Op basis van de verordeningen legt de heffingsambtenaar de aanslagen en/of kennisgevingen gemeentelijke belastingen en rechten voor belastingjaar 2026 op. Evaluatie Via de tussentijdse rapportage en de jaarrekening informeren we uw raad over de stand van zaken van de realisatie van de begrote opbrengsten gemeentelijke belastingen en rechten. Bijlage(n) Als bijlage bij dit voorstel behoort: • Overzicht tarieven gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2025 en 2026 Een ontwerpraadsbesluiten bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven,
, secretaris.
11
Inboeknummer
8015989_02
Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2025; mede gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2026 Artikel 1. Belastbaar feit en belastingplicht 1.
Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;
b.
een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
2.
Bij de gebruikersbelasting wordt: a.
gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; diegene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belastingen als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
b.
het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.
3.
Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 2. Voorwerp van de belasting
12
Inboeknummer
8015989_02
1.
Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
2.
Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
3.
Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 3. Maatstaf van heffing 1.
De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.
2.
Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4. Vrijstellingen 1.
In afwijking, in zoverre van artikel 3, wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.
ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
d.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
13
Inboeknummer e.
8015989_02
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
j.
onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;
k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
l.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
m.
begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.
2.
De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.
3.
In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
14
Inboeknummer
8015989_02
Artikel 5. Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: A.
de gebruikersbelasting: 0,21291%;
B.
de eigenarenbelasting: i.
voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,08514%;
ii.
voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,30275%.
Artikel 6. Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag.
Artikel 7. Aanslaggrens 1.
Voor belastingbedragen tot € 10,- vindt geen invordering plaats.
2.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.
Artikel 8. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
15
Inboeknummer
8015989_02
Artikel 9. Overgangsrecht, inwerkingtreding, en citeertitel 1.
De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025’ van 5 november 2024, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 17 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
4.
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2026’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 november 2025
, griffier.
16
Inboeknummer
8015989_02
Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2025; mede gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2026 Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
garagebox: een perceel dat bestemd is voor opslag van goederen en/of stalling van één motorvoertuig, zonder wateraansluiting of directe aansluiting op de gemeentelijke riolering;
b.
gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;
c.
verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van de N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant/Brabant Water N.V. betrekking heeft;
d.
water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.
Artikel 2. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
b.
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht 1.
De belasting wordt geheven:
17
Inboeknummer a.
8015989_02
van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en
b.
van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.
2.
Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
3.
Voor het gebruikersdeel wordt: a.
gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
b.
gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;
c.
het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt; a.
de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5. Maatstaf van heffing 1.
Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.
2.
Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanaf of vanuit het perceel wordt afgevoerd.
18
Inboeknummer 3.
8015989_02
Het aantal kubieke meters water als bedoeld in het vorige lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is toegevoerd of op het perceel is opgepompt, waarbij het aantal kubieke meters leidingwater wordt gesteld op de hoeveelheid kubieke meters die over de verbruiksperiode door de N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant/Brabant Water N.V. aan de gebruiker als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder b, in rekening is gebracht in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar.
4.
Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a.
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
b.
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.
De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.
Artikel 6. Belastingtarieven 1.
Het tarief voor het eigenarendeel bedraagt € 202,-.
2.
Het tarief voor het gebruikersdeel bedraagt voor elke volle eenheid van 500 kubieke meters water € 280,-.
Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Vrijstelling Van het eigenarendeel van de rioolheffing zijn vrijgesteld: 1.
de percelen welke in hoofdzaak worden gebruikt voor de openbare eredienst of voor openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;
2.
garageboxen en parkeerplaatsen.
19
Inboeknummer
8015989_02
Artikel 10. [Vervallen]
Artikel 11. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
4.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 12. Kwijtschelding Van de heffing van het gebruikersdeel, zoals bedoeld in artikel 3, wordt geen kwijtschelding verleend.
Artikel 13. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.
De ‘Verordening rioolheffing 2025’, vastgesteld bij raadsbesluit van 5 november 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
4.
Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing 2026’.
20
Inboeknummer Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 november 2025
, griffier.
21
8015989_02
Inboeknummer
8015989_02
Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 16 september 2025; mede gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit vast te stellen de
Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2026 Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: a.
een afvalstoffenheffing;
b.
reinigingsrechten.
Artikel 2. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.
‘gebruikmaken’ in Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruikmaken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;
b.
bedrijfslocatie: een onroerende zaak - of een zelfstandig gebruikt gedeelte ervan - geen perceel zijnde in de zin van de Wet milieubeheer;
c.
grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet in aanmerking komen voor het periodiek inzamelen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a;
d.
een collo: elk exemplaar stukgoed, ongeacht de verpakking, dat door één persoon te dragen is.
Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3. Aard van de belasting en belastbaar feit 1.
Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
2.
De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een
22
Inboeknummer
8015989_02
perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.
Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.
Voorwerp van de belasting is een perceel.
2.
Als perceel wordt aangemerkt: a.
de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;
b.
de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;
c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
d.
een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
e.
het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
Artikel 5. Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.
Artikel 6. Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
Artikel 7. Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 8. Wijze van heffing 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.
23
Inboeknummer 2.
8015989_02
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel schriftelijke gedagtekende kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen). Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 9. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
3.
Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
5.
De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.
Artikel 10. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
3.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moet de belasting worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 8, tweede lid: a.
mondeling wordt gedaan: op het moment van het doen van de kennisgeving;
b.
schriftelijk wordt gedaan: op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.
24
Inboeknummer 4.
8015989_02
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
5.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 11. Aard van de heffing en belastbaar feit 1.
Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven voor zowel het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, of door de gemeente in beheer of in onderhoud zijn gegeven.
2.
Het in het eerste lid bedoelde genot van diensten en het gebruik van bezittingen, werken en inrichtingen bestaat uit: a.
het periodiek verwijderen van, met huishoudelijk afval gelijk te stellen, bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkelen dienstenafval);
b.
het op aanvraag incidenteel verwijderen van colli;
c.
het achterlaten van, met huishoudelijk afval gelijk te stellen, bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkel- en dienstenafval) op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats.
Artikel 12. Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, bedoeld in artikel 11, gebruik maakt.
Artikel 13. Maatstaven van heffing en belastingtarieven 1.
De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.
2.
Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.
25
Inboeknummer
8015989_02
Artikel 14. Belastingjaar 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven over een belastingjaar.
2.
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 15. Wijze van heffing 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven bij wege van aanslag.
2.
De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen), waarop het verschuldigde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.
Artikel 16. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.
Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
2.
De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.
3.
Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
4.
Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.
Artikel 17. Termijnen van betaling 1.
In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.
2.
In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de
26
Inboeknummer
8015989_02
aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.
In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de reinigingsrechten in geval van heffing middels een in artikel 15, tweede lid, bedoelde kennisgeving, bij de uitreiking terstond worden betaald.
4.
Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
5.
De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 18. Kwijtschelding Bij de invordering van de rechten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt geen kwijtschelding verleend.
Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 19. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.
De ‘Verordening reinigingsheffingen 2025’, vastgesteld bij raadsbesluit van 5 november 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
2.
Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.
3.
De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
4.
Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening reinigingsheffingen 2026’.
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 november 2025
, griffier.
27
Inboeknummer
8015989_02
Tarieventabel behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2026 Hoofdstuk 1
Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing Hoofdstuk 1.1
Artikel
Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing
1.1.1
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
Tarief € 229,46
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon: 1.1.2
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 287,07
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee personen: 1.1.3
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 344,68
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door drie personen: 1.1.4
De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien
€ 420,-
het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door vier of meer personen: 1.1.5
Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 1.1.1 tot en met 1.1.4 bedraagt het cumulatieve tarief voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van een tweede grijze afvalcontainer (voor huishoudelijk restafval) per perceel per belastingjaar a. voor een restafvalcontainer van 140 liter:
€ 120,-
b. voor een restafvalcontainer van 240 liter:
€ 140,-
28
Inboeknummer
8015989_02
Hoofdstuk 1.2 Artikel
Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing
1.2.1
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de
Tarief
belasting voor het op aanvraag verwijderen van colli: a. per big bag van 1 m3:
€ 40,-
b. per big bag van 1,5 m3:
€ 60,-
c. voor voorwerpen die niet in een inzamelmiddel passen,
€ 10,-
per voorwerp/sticker: 1.2.2
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de
€ 20,-
belasting voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats, (milieustraat) per keer, vanaf de 13e keer dat binnen één kalenderjaar afvalstoffen worden achtergelaten: 1.2.3
Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de
€ 15,-
belasting voor het op aanvraag vervangen van de toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainers en/of de milieustraten per keer: