Raadsvoorstel Veertiende wijziging APV Eindhoven
Tekst van het document
gemeente Eindhoven Inboeknummer 24bst01365 Dossiernummer 24.45.151 B&W beslisdatum 05 november 2024
Raadsvoorstel Veertiende wijziging APV Eindhoven
Inleiding De APV Eindhoven wordt jaarlijks geactualiseerd. De komende december-actualisering betreft aanpassingen die van belang en noodzakelijk zijn voor een goed functioneren van de APV-praktijk. Daar waar mogelijk wordt ten behoeve van de uniformiteit aangesloten bij het model van de Vereniging voor Nederlandse gemeenten (hierna “VNG”). Wettelijke taak
X
Kerntaak gekoppeld aan het werkprogramma van het college Onvermijdelijk
Doelstelling Het actueel houden van de APV Eindhoven ten behoeve van een goed functioneren van de APV-praktijk. Voorstel 1. De raad voor te stellen de veertiende wijziging van de APV Eindhoven conform het ontwerp-raadsbesluit vast te stellen en te publiceren.
Argumenten Op 21 juni 2016 heeft uw raad een integraal herziene en dus een nieuwe APV voor Eindhoven vastgesteld. Daarna heeft uw raad een aantal malen besloten tot wijziging van de APV Eindhoven, de laatste keer was dit in december 2023. Het doel hiervan is steeds het actueel houden van de APV Eindhoven. In onderhavige veertiende wijziging van de APV Eindhoven worden daartoe de volgende aanpassingen voorgesteld. 1.1 Artikel 1:1 Begripsbepalingen Voorgesteld wordt door de afdeling Juridische Zaken om de definitie van gebouw aan te passen aan de Omgevingswet. Daarnaast wordt voorgesteld het begrip Omgevingsplan
Inboeknummer 24bst01365
op te nemen aangezien hier in diverse artikelen naar verwezen wordt. Voorts dienen er in verband met de wijziging van artikel 2:30 definities van ‘’paracommerciële rechtspersoon’’ en ‘’vrijwilliger’’ aan artikel 1.1 te worden toegevoegd. 1.2 Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Vanuit de afdelingen Veiligheid, Vergunningen, Handhaving en Juridische Zaken is aangegeven dat het wenselijk en noodzakelijk is om de intrekkingsgronden van dit artikel gelijk te stellen met de intrekkingsgronden van de Alcoholwet. Op grond van artikel 31 jo artikel 8 Alcoholwet kan een alcoholwetvergunning worden ingetrokken indien een leidinggevende van slecht levensgedrag is. Dat is echter in de APV (nog) niet geregeld. Daarom wordt de volgende wijziging van artikel 1.6 lid 1, sub f voorgesteld: 1. De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: ‘’f. indien de houder, rechtverkrijgende, leidinggevende of beheerder van slecht levensgedrag is.’’ Daarnaast wordt voorgesteld door de afdeling Handhaving om navolgende intrekkingsgrond op te nemen: ‘’g. indien de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie’’. Andere gemeentes kennen ook een dergelijke intrekkingsgrond naast de huidige intrekkingsgronden (onder meer de gemeente Schiedam).
Het is een aanvullende grond voor situaties waarbij de huidige intrekkingsgronden geen soelaas bieden (bijvoorbeeld bij schijnconstructies of bij ondernemingen die stellen para commercieel te zijn, maar dit in de praktijk niet zijn). 1.3 Artikel 2:10 Gebruik van of voorwerpen op, aan, onder of boven de weg Het is een breed artikel waarbij er momenteel onduidelijk is of het college van burgemeester en wethouders in alle gevallen het bevoegd gezag is. Tot dat dit uitgekristalliseerd is (in rechtspraak, literatuur of oordeel VNG) achten de sector Veiligheid en Handhaving en de afdeling Juridische Zaken het raadzaam de term “bevoegd gezag” te gebruiken. Daarnaast wordt er een nieuw lid 6 ingevoegd. Het betreft een verbod om een terras geopend te hebben voor bezoekers zonder dat de terrasvergunning aanwezig is. Aangezien dit voor exploitatievergunningen in de APV is geregeld en voor alcoholwetvergunningen in de Alcoholwet is het logisch om dit voor terrasvergunning ook zo in te regelen. Het zesde lid wordt tenslotte als gevolg hiervan vernummerd tot lid 7. 1.4 Artikel 2:11 (Omgevinges)vergunning voor het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg In de aanhef van dit artikel staat abusievelijk “(Omgevinges)vergunning”. Dit wordt taalkundig aangepast. 1.5 Artikel 2:24 In artikel 2:24 onder g staat: “g. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39;”.
Op verzoek van de VNG en de afdelingen Vergunningen, Veiligheid en Juridische Zaken wordt voorgesteld de tekst ter verduidelijking als volgt aan te passen: “g. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 (straatartiest) en 2:39 (exploitatie speelgelegenheid);”. 1.6 Artikel 2:25 Evenementenvergunning
2
Inboeknummer 24bst01365
In het tweede lid van dit artikel staat: ‘’2. Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de evenementenvergunning bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f., als de organisator van dat evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is.’’ De afdelingen Vergunningen en Toezicht en Handhaving achten het noodzakelijk de tekst van het tweede lid te wijzigen: ‘’2. Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de evenementenvergunning als de organisator van een evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Daarnaast kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren indien er: a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten; b. de persoon van de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; of c. in de door burgemeester en wethouders vastgestelde Evenementenkalender al een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de directe nabijheid daarvan.’’ In het voorgestelde tweede lid wordt bepaald dat de vergunning geweigerd kan worden indien de in dit lid genoemde belangen, met inbegrip van de in artikel 1:8 genoemde belangen, in het geding zijn. Gebruik van het werkwoord “kunnen” geeft aan dat de burgemeester een beoordelingsmarge heeft (behalve indien sprake is van slecht levensgedrag). Deze kan namelijk weigeren, maar hoeft dit niet.
Is voldaan aan één of meer criteria op grond waarvan de vergunning geweigerd kan worden, dan dient een goede belangenafweging plaats te vinden. Het besluit zal dan ook goed gemotiveerd moeten worden. De criteria op grond waarvan geweigerd kan worden spreken voor zich. Sub a waarborgt dat kan worden bezien of, en zo ja, in hoeverre de wenselijk geachte inzet van politie, GHOR, brandweer en gemeentelijke diensten in de planning van de totaal beschikbare bezetting kan worden ingepast. In het uiterste geval - indien en voor zover de organisatoren niet bereid of in staat zijn om zélf genoegzaam in het treffen van noodzakelijke orde- en veiligheidsmaatregelen te voorzien en er tevens onvoldoende politiecapaciteit beschikbaar is - opent het artikel de mogelijkheid om een vergunning voor een evenement geheel, dan wel op een bepaalde plaats of tijd te weigeren. In de voorgestelde aanvulling zijn onder lid 2 en onder sub b een aantal vereisten opgenomen waaraan een organisator moet voldoen om voor een vergunning in aanmerking te komen. Deze eisen worden opgenomen omdat de persoon van de organisator van belang is voor een goede voorbereiding en organisatie van het evenement. Deze zal immers een grote invloed hebben op het verloop van het evenement. Een organisator heeft dan ook een speciale verantwoordelijkheid in deze.
Hij zal het evenement gedegen en deskundig moeten voorbereiden, organiseren en begeleiden. Ook zal hij het door hem in te zetten personeel alsmede bezoekers moeten kunnen aanspreken op hun gedrag. Hierbij zal het eigen gedrag van de organisator een grote rol spelen. Van belang is daarom dat een organisator niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. In de Beleidsregel beoordeling levensgedrag Eindhoven 2023 heeft de burgemeester invulling gegeven aan zijn beoordelingsruimte voor wat betreft het slecht levensgedrag-criterium. Indien de burgemeester bekend is met gedragingen van een organisator die getuigen van slecht levensgedrag, dient de vergunning geweigerd te worden of te worden ingetrokken.
3
Inboeknummer 24bst01365
Een organisator is verantwoordelijk voor een ordelijk en veilig verloop van zijn evenement. Primair ligt de handhavende verantwoordelijkheid voor het overlast gevend nuttigen van alcohol en/of drugs binnen het evenemententerrein dan ook bij de organisator. Van een organisator mag daarom ook een zekere mate aan levenservaring, verantwoordelijkheidsgevoel en overwicht verwacht worden. Met het criterium ‘De persoon van de organisator biedt onvoldoende waarborgen voor een goed verloop van het evenement’ wordt voorkomen dat organisatoren zonder capaciteit, inzicht of overwicht evenementen organiseren die de nodige impact hebben op de belangen die de vergunningplicht van artikel 2:25 juist beoogd te beschermen. Indien vraagtekens moeten worden gezet bij de persoon van de organisator is de kans groot dat de voorbereiding van een evenement te wensen overlaat met alle gevolgen van dien. Van de burgemeester kan dan ook niet verwacht worden dat hij aan een dergelijk evenement zijn medewerking verleent, noch dat hij bij de begeleiding van het evenement en de aanvraag daarvan dat deel voor zijn rekening neemt waar de aanvrager nu juist door gebrek aan capaciteit, ervaring, inzicht of mogelijkheden in gebreke blijft.
Gebrek aan vertrouwen in de persoon van de organisator zal in beginsel pregnanter aan de orde zijn naarmate het evenement risicovoller is en/of de grootschaligheid van het evenement toeneemt. 1.7 Artikel 2:25b Opheffing vergunningplicht In het eerste lid van dit artikel wordt abusievelijk verwezen naar artikel 2:24: “1. De burgemeester kan besluiten onder door hem te stellen voorschriften, dat het verbod zoals opgenomen in artikel 2:24 niet geldt voor een door hem aangewezen evenement, of categorie van evenementen, in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.” Deze verwijzing dient te worden gewijzigd in: “artikel 2:25 lid 1’’. 1.8 Artikel 2:29 Sluitingstijd De vaststelling dd.1 oktober j.l. door uw gemeenteraad van het beleid en visie inzake Sharing the Vibes heeft onder meer als gevolg dat er een aanpassing van 2:29 APV dient plaats te vinden, aldus de afdelingen Economische Zaken en Veiligheid. De aanpassing van voormeld artikel houdt in dat er venstertijden gaan gelden voor de volgende gebieden: - het Centrum, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Emmasingel, de Keizersgracht, de Wal, de P.C.
Hooftlaan, de Hertogstraat, de Vestdijk en het 18 Septemberplein, de inrichtingen, die aan deze wegen zijn gelegen voor zover niet zijn gelegen in het gebied ‘de Bergen’((CBS wijkcode 112) alsmede de openbare inrichtingen gelegen aan het Stationsplein en de Dommelstraat; - Strijp-S, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Beukenlaan, het spoor, de Glaslaan, de Kastanjelaan en Schootsestraat, met uitzondering van deze wegen. In deze twee gebieden gaan er venstertijden gelden, hetgeen betekent dat er geen bezoekers in openbare inrichtingen worden toegelaten tussen 02:00 en 08:00 uur. Bezoekers die echter reeds in de openbare inrichting aanwezig zijn, mogen hier gedurende voormelde tijdstippen wel verblijven. Er geldt voorts nog een uitzondering voor het centrum. Voor het centrum geldt dat er bezoekers mogen worden toegelaten tussen 02.00 uur en 04.00 uur op zaterdag en
4
Inboeknummer 24bst01365
zondag, en tijdens de carnavalsdagen, Tweede Paasdag, Koningsdag, de dag na Hemelvaart, Tweede Pinksterdag, Eerste Kerstdag en de dag na Tweede Kerstdag. Dit geldt niet tussen 02.00 uur en 05.00 uur in de nacht van het ingaan van de zomertijd. Hiermee komt artikel 2:29 lid 3 sub a te vervallen. Tenslotte dient artikel 2:29 lid 6 (wordt lid 7) aangepast te worden. Dit lid bepaalt nu dat het verbod niet van toepassing is op situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Voorgesteld wordt dit als volgt te wijzigen: ‘’Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet.’’ 1.9 Artikel 2:30 Aanwezigheid leidinggevende De regels voor paracommerciële instellingen die geen alcohol schenken zijn op dit moment strenger dan para commerciële instellingen die wel alcohol schenken. Er dient altijd een op de vergunning vermelde leidinggevende aanwezig te zijn als de openbare inrichting voor publiek geopend is. Bij paracommerciële instellingen die alcohol schenken geldt de Alcoholwet.
De Alcoholwet geeft in artikel 24 lid 2 het volgende aan: ‘’In afwijking van het eerste lid is het een paracommerciële rechtspersoon verboden een horecalokaliteit, gedurende de tijd dat daar alcoholhoudende drank wordt verstrekt, geopend te houden, indien in de inrichting niet aanwezig is: • a. een leidinggevende die vermeld staat op het aanhangsel bij de vergunning, bedoeld in artikel 29, tweede lid, met betrekking tot die inrichting of een andere vergunning van dezelfde vergunninghouder of • b. een persoon wiens bijschrijving op grond van artikel 30a, eerste lid, is gevraagd, mits de ontvangst van die aanvraag is bevestigd, zolang nog niet op die aanvraag is beslist of • c. een barvrijwilliger die een voorlichtingsinstructie als bedoeld in artikel 9, tweede lid, heeft gekregen.’’ Er dient dus niet altijd een leidinggevende aanwezig te zijn. Een barvrijwilliger kan volstaan. Dit willen we ook regelen bij paracommerciële instellingen die geen alcohol schenken. De afdelingen Handhaving, Juridische Zaken, Economische Zaken en Vergunningen achten het daarom gewenst en noodzakelijk dat dit recht wordt getrokken (artikel 24 lid 2 Alcoholwet jo 2:30 APV). Daarom dient artikel 2:30 te worden gewijzigd. Voorts dienen er -in verband met deze wijziging- definities van ‘’paracommerciële rechtspersoon’’ en ‘’vrijwilliger’’ aan artikel 1.1 te worden toegevoegd.
1.10 Artikel 2:31 Artikel 2:31 APV bepaalt nu het navolgende: De exploitatie van een openbare inrichting is zodanig dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. Het woord “en’’ dient te worden vervangen door “of”. 1.11 Artikel 2:34g Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van verzorgende aard Artikel 2:34g is abusievelijk tweemaal opgenomen in de APV. Voorgesteld wordt het artikel betreffende “Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van verzorgende aard” te vernummeren tot artikel 2:34j.
5
Inboeknummer 24bst01365
1.12 Artikel 2:48, 2:48a, 2:48b, 2:48c en 2:48d Verboden drankgebruik De afdeling Economische zaken in samenspraak met de afdeling Veiligheid stellen voor artikel 2:48 aan te vullen met een vierde lid, en wel als volgt: “4. Het is verboden om in perioden en gebieden die door de burgemeester zijn aangewezen, bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, dan wel deze dranken te verstrekken in strijd met de beperkingen die de burgemeester aan de verstrekking heeft verbonden.” De argumentatie hiervoor is als volgt: tijdens grote stedelijke evenementen is het vanwege de bescherming van de gezondheid en de openbare orde en veiligheid noodzakelijk overmatig drankgebruik en daarmee gepaard gaande overlast en schade voor de gezondheid tegen te gaan. Horecabedrijven worden in de vergunning gewezen op het verantwoord schenken van alcohol en dit is voor niet-vergunning plichtige locaties zoals winkelbedrijven, niet het geval. Dit resulteert in het feit dat consumenten zowel van de horeca gebruik maken als ook eigen alcoholische dranken meenemen. Deze combinatie ontstaat met name tijdens stedelijke evenementen met verhoogd alcoholgebruik (met name carnaval en Koningsdag). De alcoholische dranken worden met name gekocht in winkelbedrijven in de directe omgeving van het evenement.
Deze winkelbedrijven hebben op deze dagen veelal een grotere hoeveelheid gekoelde alcoholische dranken in voorraad om hierop in te spelen. Dit heeft tijdens stedelijke evenementen effect op de openbare orde en veiligheid. Ook zal het succes van het toekomstige herbruikbare bekersysteem op evenementen sterk afhankelijk zijn van een dergelijke mogelijkheid om beperkingen te kunnen verbinden aan de voorkoop van alcoholhoudende dranken in gesloten verpakkingen voor gebruik elders dan ter plaatse. Het toevoegen van het vierde lid geeft de burgemeester de mogelijkheid beperkingen te verbinden aan de verstrekking van alcoholhoudende dranken in gesloten verpakkingen voor gebruik elders dan ter plaatse, in het betreffende gebied en tijdens de periode dat deze evenementen plaatsvinden. Er dient natuurlijk altijd een zorgvuldige belangenafweging aan een dergelijk voorgenomen besluit ten grondslag te liggen. De burgemeester krijgt er een instrument bij dat hij kan inzetten indien hij dat noodzakelijk acht. In diverse gemeenten, waaronder de gemeenten Amsterdam, Rotterdam en Leiden, is deze bepaling reeds opgenomen in de APV. Voorgesteld wordt deze bepaling eveneens op te nemen in onze APV.
Daarnaast worden de artikelen 2:48a, 2:48b en 2:48c aangevuld met zinsnedes omtrent voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic buiten openbare inrichtingen, op openbare plaatsen, binnen een door de burgemeester aangewezen gebied, wegen of weggedeelten. Tenslotte wordt er een nieuw artikel 2:48d toegevoegd op grond waarvan het bevoegd gezag nadere regels kan stellen aangaande het bepaalde in artikel 2.48a, 2:48b en 2:48c, waaronder regels over herbruikbare statiegeldbekers. 1.13 Artikel 2:71 Vuurwerk Artikel 2:71 dient volgens de VNG te worden gewijzigd. Bij ministeriele regeling, op grond van 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit, wordt bepaald welk vuurwerk aan particulieren beschikbaar mag worden gesteld. De toevoeging van de categorieaanduidingen F1, F2 of F3 in de definitie van artikel 2:71 is volgens de VNG daarmee overbodig en kan worden geschrapt. Voorgesteld wordt door de afdeling Juridische Zaken dit te doen en het voorbeeld van de VNG hierin te volgen.
6
Inboeknummer 24bst01365
1.14 Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen Het betreft hier juridisch-technische en redactionele wijzigingen (zoals: bevel wordt besluit tot opleggen) welke door de VNG zijn voorgesteld in de model verordening. Dit artikel strekt ertoe de burgemeester de bevoegdheid te geven tot het opleggen van een gebiedsontzegging bij (ernstige vrees voor) een openbare ordeverstoring of overlast gevend gedrag. Afhankelijk van hoe de bepaling wordt ingevuld, kan de gebiedsontzegging bijvoorbeeld worden toegepast bij overlast veroorzaakt door drugshandel en drugsgebruik, samenscholing, hinderlijk drankgebruik, geweldpleging etcetera. In het licht van proportionaliteit en subsidiariteit verdient het aanbeveling, alvorens over te gaan tot oplegging van een gebiedsontzegging, eerst een waarschuwing te geven. Het besluit tot oplegging van een gebiedsontzegging vereist een gedegen motivering. De belangrijkste wijzigingen van artikel 2:78 die worden voorgesteld zijn: - Vervanging in het eerste lid van het ‘bevel om zich niet op een openbare plaats op te houden’ door ‘het opleggen van een tijdelijk verbod om op een openbare plaats aanwezig te zijn’.
Juridisch gezien is een gebiedsontzegging namelijk niet een bevel waarvan het niet nakomen een misdrijf is (artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht), maar een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waarvan het niet nakomen een overtreding is. Op het besluit van de burgemeester zijn de waarborgen van de Awb van toepassing. - Toevoeging van een voorrangsbepaling als de officier van justitie een gebiedsontzegging oplegt op grond van artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering. In het achtste lid wordt daartoe het navolgende opgenomen: ‘’Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op.’’ Voorgesteld wordt door de afdelingen Veiligheid en Juridische Zaken om het voorstel van de VNG te volgen en voormelde wijzigingen door te voeren. 1.15 Artikel 3.1.1 Begripsbepalingen De begripsbepalingen ‘’seksinrichting’’ en ‘’sekswinkel’’ van artikel 3.1.1 zijn inhoudelijk goed geformuleerd maar staan niet goed onder elkaar qua tekst. Dit wordt aangepast.
1.16 Artikelen 4:1, 4:2, 4:3 en 4.4 Begripsbepalingen, collectieve en Incidentele festiviteiten, tijden festiviteiten en onvoorziene festiviteiten Deze artikelen gaan over het voorkomen of beperken van geluidhinder en hinder door verlichting binnen of vanuit inrichtingen. Voorgesteld wordt een aantal technische wijzigingen door te voeren in het kader van de Omgevingswet. Tot 1 januari 2024 waren de “standaard” geluidnormen voor bedrijven opgenomen in artikel 2.17, lid 1 onder a van het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Abm). In artikel 2.21 van het Abm was bepaald dat deze normen niet van toepassing zijn tijdens collectieve en incidentele festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen. Per 1 januari 2024 is het Abm vervallen. Vanaf 1 januari 2024 zijn geluidnormen die voor bedrijven binnen de gemeente Eindhoven gelden opgenomen in de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 van het Omgevingsplan gemeente Eindhoven (hierna: Ope; Omgevingsplan gemeente
7
Inboeknummer 24bst01365
Eindhoven) In artikel 22.73 van het Ope is, net als in artikel 2.21 van het Abm, bepaald dat de normaliter geldende geluidnormen niet van toepassing zijn tijdens collectieve en incidentele festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen. De nieuwe regelgeving in het Ope voor wat betreft het voorkomen van geluidhinder bij festiviteiten onder de omgevingswet wijkt inhoudelijk niet af van het eerdere regime onder het Abm. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet kunnen de artikelen 4:1, 4:2 en 4:3 van de APV uiterlijk tot het einde van de overgangsperiode blijven gelden. Op dit moment wordt in de APV verwezen naar de artikelen 2.17, 2:17a, 2.19a en 2.20 van het vervallen Abm. In de definitie van het Abm is wel toegevoegd dat het gaat om het Abm zoals dat besluit luidde direct voorafgaand aan inwerkingtreding van de Omgevingswet. Er wordt voorgesteld door de afdelingen Handhaving, Milieu, Bouw en Woningtoezicht, Vergunningen en Juridische Zaken om in de APV Eindhoven te verwijzen naar de nu geldende regelgeving in het Ope, zodat bedrijven formeel worden vrijgesteld van de voor bedrijven geldende geluidnormen ingevolge het Ope tijdens collectieve en incidentele festiviteiten.
Daarnaast wordt in verband met de inwerkingtreding van de Omgevingswet het begrip ‘inrichting’ vervangen door ‘locatie’ en wordt het begrip milieubelastende activiteit toegevoegd. Tenslotte heeft de aanpassing van 2:29 inzake sluitingstijden effect op de artikelen 4:2 en 4:3. In verband met deze wijziging worden de artikelen 4:2 lid 3 juncto 4:3 lid 8 in overeenstemming met artikel 2:29 gebracht. Daarnaast wordt artikel 4:3 lid 4 ingevoegd. Dit betekent dat de nummering van de leden eveneens wijziging ondergaat. De tekst van het ontwerp-raadsbesluit is zo geformuleerd dat de huidige regels omtrent collectieve en incidentele festiviteiten onveranderd blijven als de sluitingstijden worden verruimd. Tenslotte wordt een nieuw artikel 4.4. ingevoegd dat ziet op onvoorziene festiviteiten. 1.17 Artikel 5:21a Loketverkoop Op verzoek van de afdeling Economische Zaken, Gebiedsexpertise en Handhaving wordt voorgesteld dit artikel aan te passen. Loketvergunningen zorgen regelmatig voor rijvorming hetgeen niet bevorderlijk is voor loopstromen in het centrum. Voorgesteld wordt om geen nieuwe vergunningen meer af te geven en oude vergunningen slechts te continueren zolang de exploitatie niet wijzigt (uitsterfbeleid). Dit is in overeenstemming met c.q. past binnen het beleid van Uw gemeenteraad inzake Sharing the vibes dat dd. 1 oktober 2024 is vastgesteld.
Voorgesteld wordt om het tweede lid van het huidige artikel te wijzigen en wel als volgt: ‘’2. De mogelijkheid om op grond van het eerste lid een vergunning aan te vragen vervalt per 1 januari 2025. De reeds verleende vergunningen blijven voor de periode waarvoor zij zijn afgegeven na deze datum van kracht.’’ Daarnaast wordt voorgesteld een vierde en vijfde lid aan dit artikel toe te voegen en wel als volgt: ‘’4: Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien een ontheffing op grond van artikel 35 Alcoholwet is verstrekt. 5: Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op automatieken indien hier een vergunning voor is verstrekt.’’
8
Inboeknummer 24bst01365
1.18 Artikel 6:2 Toezichthouders In het eerste lid van dit artikel dient “de sector Ruimtelijke Uitvoering van de gemeente Eindhoven;’’ te worden vervangen door ‘’de sector Veiligheid en Handhaving”. Dit als gevolg van een organisatiewijziging.
Kosten In beginsel zijn er geen extra kosten gemoeid met het invoeren van deze APV wijziging. Communicatie Bekendmaking van de wijziging van de APV Eindhoven vindt zoals te doen gebruikelijk plaats middels publicatie in het Gemeenteblad. Einde 2023 is de verordening Inwonersparticipatie Eindhoven in werking getreden. Ingevolge deze verordening kan aan inwoners de mogelijkheid worden geboden te participeren in gemeentelijke totstandkoming van besluiten. In dit geval zijn de wijzigingen c.q. onderwerpen veelal van technische aard en voor zover deze inhoudelijk zijn niet van dien aard dat hierover een directe participatie van inwoners noodzakelijk is. Waar dit wellicht wel aan de orde zou komen -te denken valt dan aan bijvoorbeeld de aanpassing van sluitingstijden van horeca- wordt opgemerkt dat dit voortvloeit uit het recentelijk door uw raad genomen besluit inzake Sharing the Vibes. Kanttekeningen nvt. Planning en uitvoering Uitvoering vindt direct na inwerkingtreding van de wijziging van de APV Eindhoven plaats. Evaluatie De APV Eindhoven wordt jaarlijks in juni en december geëvalueerd en zo nodig geactualiseerd. Bijlage(n) Als bijlage(n) bij dit voorstel behoren: • Was-wordt-tabel wijziging APV Eindhoven
x x
De bijlage wordt meegestuurd De bijlage ligt ter inzage in de leeskamer
Een ontwerpraadsbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven,
, secretaris
9
Inboeknummer 24bst01365
Ontwerp Raadsbesluit
Besluit van de raad van de gemeente Eindhoven tot veertiende wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Eindhoven (APV Eindhoven) De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van; gelet op de artikelen 149 van de Gemeentewet; besluit: Artikel I De APV Eindhoven wordt als volgt gewijzigd: A In artikel 1:1 worden in alfabetische volgorde de volgende definities ingevoegd: • • •
•
Gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; Omgevingsplan: omgevingsplan gemeente Eindhoven; paracommerciële rechtspersoon: een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een openbare inrichting; vrijwilliger: een natuurlijke persoon die, niet in dienstverband, werkzaamheden uitvoert voor een paracommerciële rechtspersoon.
B Artikel 1:6, eerste lid wordt als volgt gewijzigd: 1. Onderdeel f komt te luiden: f. indien de houder, rechtverkrijgende, leidinggevende of beheerder van slecht levensgedrag is; 2. Na onderdeel f wordt een onderdeel toegevoegd, luidende: g. indien de werkelijke situatie afwijkt van de vergunde situatie. C Artikel 2:10 komt te luiden: Artikel 2:10 Gebruik van of voorwerpen op, aan, onder of boven de weg 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
10
Inboeknummer 24bst01365
2.Geen vergunning is vereist voor de door het bevoegd gezag aan te wijzen categorieën en gevallen onder de door hen te stellen voorwaarden. 3.Behalve op de gronden genoemd in artikel 1:8, kan de vergunning worden geweigerd: a. als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig of veilig gebruik daarvan, of een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. als het beoogde gebruik op zichzelf of in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; c.in het belang van het voorkomen of beperken van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak. 4. Het bevoegd gezag kan in het belang van de openbare orde, de volksgezondheid, de woon- en leefomgeving of de bescherming van het milieu nadere regels stellen ten aanzien van laadpalen, terrassen, uitstallingen en reclameborden. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak. 6. Het is verboden een terras voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de vergunning ter plaatse aanwezig is. 7.
Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. D Het opschrift van artikel 2:11 komt te luiden: Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen of veranderen van een weg. E Artikel 2:24, eerste lid, onderdeel g komt te luiden: g. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 (straatartiest) en 2:39 (exploitatie speelgelegenheid). F Artikel 2:25,tweede lid, komt te luiden: Onverminderd artikel 1:8 weigert de burgemeester de evenementenvergunning bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, onder f, als de organisator van een evenement in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Daarnaast kan de burgemeester een evenementenvergunning weigeren indien: a. onevenredig veel beslag wordt gelegd op de hulpdiensten; b. de persoon van de organisator onvoldoende waarborgen biedt voor een goed verloop van het evenement; of c. in de door de burgemeester vastgestelde Evenementenkalender al een reservering is opgenomen voor een ander evenement op de gevraagde tijd, locatie of in de directe nabijheid daarvan. G Artikel 2:25b, eerste lid, komt te luiden:
11
Inboeknummer 24bst01365
1. De burgemeester kan besluiten, onder door hem te stellen voorschriften, dat het verbod zoals opgenomen in artikel 2:25, eerste lid, niet geldt voor een door hem aangewezen evenement, of categorie van evenementen, in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente. H Artikel 2:29 komt te luiden: Artikel 2:29 Sluitingstijd 1. Het is verboden een openbare inrichting geopend te hebben of bezoekers in de inrichting te laten verblijven tussen 02:00 uur en 08:00 uur. 2. Het verbod uit het eerste lid geldt niet tussen 02.00 uur en 08.00 uur voor een openbare inrichting die is gelegen binnen het gebied: a. Centrum, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Emmasingel, de Keizersgracht, de Wal, de P.C. Hooftlaan, de Hertogstraat, de Vestdijk en het 18 Septemberplein, of gelegen aan deze wegen of aan het Stationsplein en de Dommelstraat, mits daarin geen bezoekers worden toegelaten tussen 02.00 uur en 08.00 uur op maandag tot en met vrijdag en tussen 04.00 uur en 08.00 uur op zaterdag en zondag; b. Strijp S, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Beukenlaan, het spoor, de Glaslaan, de Kastanjelaan en Schootsestraat, met uitzondering van deze wegen en mits daarin geen bezoekers worden toegelaten tussen 02.00 uur en 08.00 uur. c . ‘de Bergen’ (CBS wijkcode 112) mits daarin geen bezoekers worden toegelaten tussen 02.00 uur en 08.00 uur. d.
‘de Witte Dame’ (CBS wijkcode 113) mits daarin geen bezoekers worden toegelaten tussen 02.00 uur en 08.00 uur. 3. Het verbod uit het eerste lid geldt voor andere gebieden dan genoemd in het tweede lid niet: a. tussen 02.00 uur en 07.00 uur op maximaal tien dagen per kalenderjaar, op carnavalszondag en op Koningsdag voor de houder van de openbare inrichting gevestigd in het Beursgebouw aan de Lardinoisstraat en op het adres Klokgebouw 50 op Strijp S, mits daarin geen bezoekers worden toegelaten tussen 02.00 uur en 07.00 uur, de gewenste dag minimaal vier weken van tevoren aan de burgemeester wordt gemeld en de burgemeester na ontvangst van de melding niet heeft besloten tot een verbod; b. op nieuwjaarsdag, mits de openbare inrichting op dat moment niet gesloten hoeft te zijn op grond van de Omgevingswet, de Opiumwet, de Gemeentewet of artikel 2:40a. c. tussen 06.00 uur en 08.00 uur in verband met het serveren van een alcoholvrij ontbijt; d. tijdens de carnavalsdagen, Tweede Paasdag, Koningsdag, de dag na Hemelvaart, Tweede Pinksterdag, Eerste Kerstdag en de dag na Tweede Kerstdag voor het gebied benoemd in artikel 2:29 lid 2 onder a mits daarin geen nieuwe bezoekers worden toegelaten tussen 04.00 uur en 08.00 uur. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 5.
De burgemeester kan bepalen dat een inrichting, al dan niet tijdelijk, tussen 02.00 uur en 06.00 uur voor publiek gesloten dient te zijn in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid, gezondheid of van het woon- en leefmilieu. 6. Het verbod geldt niet voor openbare inrichtingen die zijn genoemd in artikel 2:28 lid 3 onder b. Voor een openbare inrichting in een winkel als bedoeld in artikel 2:28, derde lid onder b eerste gedachtestreepje gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel.
12
Inboeknummer 24bst01365
7. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin is voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 8. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. I Artikel 2:30 komt te luiden: Artikel 2:30 Aanwezigheid leidinggevende of vrijwilliger 1. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben indien in de inrichting niet aanwezig is een op de vergunning of aanhangsel vermelde leidinggevende. 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de vergunning ter plaatse aanwezig is. 3. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester dat een persoon als leidinggevende dient te worden bijgeschreven op de vergunning. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel behorende bij de vergunning. 4. De burgemeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. 5. In afwijking van het eerste lid is het een paracommerciële rechtspersoon verboden een openbare inrichting geopend te houden, indien niet in de inrichting aanwezig is: a. een op de vergunning of aanhangsel vermelde leidinggevende; of b. een vrijwilliger mits aan de eisen van het zesde lid wordt voldaan. 6.
Het bestuur van een paracommerciële rechtspersoon houdt een registratie bij van vrijwilligers. In ieder geval worden de voorletters, achternaam en de leeftijd vermeld. Een vrijwilliger dient de minimale leeftijd van 18 jaar te hebben. De registratie of een afschrift daarvan is in de inrichting aanwezig. J Artikel 2:31 komt te luiden: Artikel 2:31 Verboden gedragingen De exploitatie van een openbare inrichting is zodanig dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed. K Artikel 2:34g met opschrift “Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van verzorgende aard’’ wordt vernummerd tot artikel 2:34j, en komt als volgt te luiden: Artikel 2:34j Bepalingen paracommerciële rechtspersonen van verzorgende aard Het is paracommerciële rechtspersonen die zich richten op activiteiten van verzorgende aard niet toegestaan alcoholhoudende drank te verstrekken anders dan tijdens bijeenkomsten van verzorgende aard en bijeenkomsten van persoonlijke aard gericht op patiënten of bewoners. L Artikel 2:48, vierde lid, komt te luiden: Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
13
Inboeknummer 24bst01365
4. Het is verboden om in perioden en gebieden die door de burgemeester zijn aangewezen, bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken te verstrekken voor gebruik elders dan ter plaatse, dan wel deze dranken te verstrekken in strijd met de beperkingen die de burgemeester aan de verstrekking heeft verbonden. M Artikel 2:48a komt als volgt te luiden: Artikel 2:48a Glazen drinkgerei of (wegwerp)plastic 1. De houder van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 is verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van de openbare inrichting geen drinkgerei van glas, flessen van glas of voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic buiten de inrichting brengen. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied, drinkgerei van glas, geopende flessen van glas of voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic die kennelijk zijn bestemd voor het bewaren van drank bij zich te hebben of met zich mee te voeren. 3. Het tweede lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een openbare inrichting, als bedoeld in artikel 2:27; b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
N Artikel 2:48b komt te luiden: Artikel 2:48b Glas-, blik- of (wegwerp)plastic verbod horeca Het is de houder van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 respectievelijk van een ontheffing als bedoeld in artikel 35 van de Alcoholwet verboden in een door de burgemeester aangewezen gebied en binnen een door de burgemeester aangewezen periode binnen die openbare inrichting of op de plaats waarvoor de genoemde ontheffing geldt, drank te verstrekken in drinkgerei van glas, in flessen van glas, in blikjes of voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic. O Artikel 2:48c komt te luiden: Artikel 2:48c Glas-, blik- of (wegwerp)plastic verbod op wegen Het is verboden op de door de burgemeester aangewezen wegen of weggedeeltes en binnen een door de burgemeester aangewezen periode drank in drinkgerei van glas, in flessen van glas, in blikjes of voor eenmalig gebruik bestemd (wegwerp)plastic bij zich te hebben of met zich mee te voeren. P Na artikel 2:48d wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende: Artikel 2:48d Nadere regels Het bevoegd gezag kan nadere regels stellen aangaande het bepaalde in artikel 2.48a, 2:48b en 2:48c, waaronder regels over herbruikbare statiegeldbekers. Q Artikel 2:71 komt te luiden:
14
Inboeknummer 24bst01365
Artikel 2:71 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder: • consumentenvuurwerk: vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik; • fop- en schertsvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit. R Artikel 2:78 komt te luiden: Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een in het eerste lid genoemde persoon een verbod opleggen om: a. gedurende ten hoogste het lopende en komende uitgaansweekeinde (donderdagavond tot en met maandagmorgen) telkens tussen 22.00 uur en 07.00 uur in of in de omgeving van een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27 en in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden, indien dat feit of die handeling verband houdt met veilig uitgaan; b.
tot het einde van een evenement als bedoeld in artikel 2:24 gedurende de tijden dat dit plaatsvindt, op of in de omgeving van het terrein of de terreinen waar dat evenement plaatsvindt op te houden, indien dat feit of die handeling verband houdt met dat evenement. 3. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in het eerste of tweede lid en die binnen een jaar na een eerder tijdelijk verbod opnieuw een strafbaar feit of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste vier weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 4. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie een tijdelijk verbod als bedoeld in het derde lid of in dit lid is gegeven en die binnen een jaar na het opleggen van dat verbod opnieuw een strafbaar feit of openbare orde verstorende handeling verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 5. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste tot en met vierde lid opgelegd verbod. 6.
De burgemeester beperkt het krachtens het eerste tot en met vierde lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. 7. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
15
Inboeknummer 24bst01365
8. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op. 9. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. S Artikel 3.1.1. wordt als volgt gewijzigd: De begripsbepalingen ‘’seksinrichting’’ en ‘’sekswinkel’’ van artikel 3.1.1 komen te luiden: • seksinrichting: a, een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, tantramassagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; b. de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; • sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd.
T Artikel 4:1 komt te luiden: Artikel 4:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: • collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal locaties is verbonden; • houder van een locatie: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins op de locatie een milieubelastende activiteit verricht; • horecalocatie: locatie waarop uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van: a. een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, of b. daaraan verwante activiteiten, waar tegen vergoeding logies worden verstrekt, dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. • incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal locaties; • locatie: locatie waarop een milieubelastende activiteit wordt verricht; • milieubelastende activiteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, niet zijnde activiteiten als bedoeld in artikel 22.41, tweede lid, van het Omgevingsplan; • recreatielocatie: locatie waarop uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van: a. een gelegenheid tot zwemmen of baden; b. een of meer voorzieningen of installaties voor het dansen of geven van dansonderricht;
16
Inboeknummer 24bst01365
c. het onderrichten van muziek of toneel, of oefenen voor of houden van muziek-, toneel- of daarmee verwante uitvoeringen; d. het vertonen van films, het houden van presentaties, vergaderingen of congressen, of tentoonstellen van gebruiksvoorwerpen of voortbrengsels van kunst, cultuur of wetenschap; e. het gelegenheid bieden tot het deelnemen aan kansspelen of om mee te dingen naar prijzen of premies door enige kansbepaling of tot het gebruiken van speelautomaten; f. het recreatief dagverblijf bieden of waar een of meer voorzieningen aanwezig zijn voor recreatieve doeleinden, recreatief nachtverblijf bieden in vakantiewoningen, trekkershutten of door middel van een kampeerterrein; • sportlocatie: locatie waarop uitsluitend of in hoofdzaak sprake is van een of meer voorzieningen of installaties voor het beoefenen van sport in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of ter recreatie. U Artikel 4:2 komt te luiden: Artikel 4:2 Collectieve en incidentele festiviteiten 1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 van het Omgevingsplan gelden niet voor horeca-, recreatie- of sportlocaties tijdens de volgende collectieve festiviteiten: a. carnavalsvrijdag tot en met carnavalsdinsdag; b. koningsnacht vanaf 17.00 uur; c. koningsdag tot uiterlijk 24.00 uur; d. 24 december vanaf 17.00; e. 26 december vanaf 17.00; f.
de jaarwisseling vanaf 17.00 uur tot 12.00 uur op 1 januari. 2. Het is op een locatie, niet zijnde een horeca-, recreatie- of sportlocatie, toegestaan maximaal twee incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 van het Omgevingsplan niet van toepassing zijn, mits de houder van de locatie ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het is op een horeca-, recreatie- en sportlocatie, toegestaan maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 van het Omgevingsplan niet van toepassing zijn, mits de houder van de locatie ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. 4. Het derde lid geldt niet voor een horeca- en recreatie- locatie die is gelegen aan het Begijnenhof, het Catharinaplein (gevestigd in het Catharinahuis), de Molenstraat, het Stratumseind, de Stratumsedijk (het gedeelte tussen het Stratumseind en de Bilderdijklaan), de Oude Stadsgracht. 5.
Naast het gestelde in het eerste lid en in afwijking van het derde lid is het een horeca-, recreatie- en sportlocatie binnen het gebied Strijp-S, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Beukenlaan, het spoor, de Glaslaan, de Kastanjelaan en Schootsestraat, met uitzondering van deze wegen, toegestaan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden, mits de houder van de locatie ten minste twee
17
Inboeknummer 24bst01365
weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. 6. Het is op een sport- en recreatielocatie toegestaan om tijdens maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sport- of recreatieactiviteiten waarbij artikel 22.239, eerste lid, van het Omgevingsplan niet van toepassing is, mits de houder van de locatie ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. 7. Aan de kennisgevingsplicht, bedoeld in het tweede, derde, vijfde en zesde lid, is voldaan wanneer het daartoe door burgemeester en wethouders vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd. 8. Het gestelde in het tweede, derde en vijfde lid geldt slechts voor zover wordt voldaan aan de door burgemeester en wethouders ter voorkoming van geluidshinder te stellen voorwaarden. 9. Op deze procedure is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beslissing bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. V Artikel 4.3 komt te luiden: Artikel 4:3 Tijden vrijstelling van de geluidsnormen 1.
Vrijstelling van de geluidsnormen van de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 uit het Omgevingsplan tijdens incidentele en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2, kan verkregen worden vanaf 08:00 uur in de ochtend tot uiterlijk 02:00 uur de volgende dag, tenzij anders vermeld. 2. In afwijking van het eerste lid geldt de vrijstelling van de geluidsnormen van de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 uit het Omgevingsplan tijdens incidentele en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 tot uiterlijk 04:00 uur van de volgende dag, indien deze plaatsvinden bij een horeca-, recreatie- of sportlocatie, op vrijdag en zaterdag en tijdens de volgende feestdagen (Carnavalsdagen, Eerste Paasdag, Koningsnacht, Hemelvaart, Eerste Pinksterdag, Kerstavond en Tweede Kerstdag), en deze locatie is gelegen: a. in het gebied centrum, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Emmasingel, de Keizersgracht, de Wal, de P.C. Hooftlaan, de Hertogstraat, de Vestdijk en het 18 Septemberplein, inclusief de locaties die aan deze wegen zijn gelegen, met uitzondering van de locaties die zijn gelegen in het gebied ‘de Bergen’ (CBS wijkcode 112); b. aan het Stationsplein; c. aan de Dommelstraat; d.
in het gebied Strijp S, zijnde het gebied dat wordt begrensd door de Beukenlaan, het spoor, de Glaslaan, de Kastanjelaan en Schootsestraat, met uitzondering van de locaties die gelegen zijn aan deze wegen. 3. In afwijking van het eerste lid geldt de vrijstelling van de geluidsnormen van de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 uit het Omgevingsplan tijdens incidentele en collectieve festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 tot uiterlijk 07:00 uur de volgende dag, wanneer aan de hieronder beschreven voorwaarden wordt voldaan: a. maximaal 10 keer per jaar voor de locatie gelegen aan het Klokgebouw 50, mits de houder van de locatie minstens twee weken voor de aanvang van de festiviteit, zowel collectief als incidenteel, burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld;
18
Inboeknummer 24bst01365
b. op carnavalszaterdag en koningsnacht en daarnaast nog maximaal 5 keer per jaar voor de locatie gelegen aan de Lardinoisstraat 8, mits de houder van de locatie minstens twee weken voor de aanvang van de festiviteit, zowel collectief als incidenteel, burgemeester en wethouders daarvan in kennis heeft gesteld. 4. Aan de kennisgevingsplicht, bedoeld in het derde lid, is voldaan wanneer het daartoe door burgemeester en wethouders vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd. W Artikel 4.4 komt te luiden: Artikel 4:4 Onvoorziene festiviteiten Indien een festiviteit, als bedoeld in artikel 4:2, waarvoor vrijstelling van de geluidsnormen van de artikelen 22.45 en 22.63 tot en met 22.71 uit het Omgevingsplan zou moeten gelden redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college: a. een festiviteit terstond aanwijzen als collectieve festiviteit. b. op verzoek van een houder van een locatie, een incidentele festiviteit terstond toestaan, waarmee de kennisgeving, bedoeld in het tweede, derde, vijfde of zesde lid van artikel 4:2, geacht wordt te zijn gedaan. X Artikel 5:21a komt te luiden: Artikel 5:21a Loketverkoop 1.
Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een afleveringsloket of andere dergelijke verstrekkingsmogelijkheid, waaronder mede begrepen aan de deur verkoop, voor eet- en drinkwaren te hebben, als deze vanaf de weg voor het publiek onmiddellijk bereikbaar is. 2. De mogelijkheid om op grond van het eerste lid een vergunning aan te vragen vervalt per 1 januari 2025. De reeds verleende vergunningen blijven voor de periode waarvoor zij zijn afgegeven na deze datum van kracht, tot het moment waarop ze worden ingetrokken, vervallen of er geen gebruik meer van gemaakt wordt. 3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17. 4. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien een ontheffing op grond van artikel 35 Alcoholwet is verstrekt. 5. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op automatieken indien hier een vergunning voor is verstrekt op basis van artikel 2:28. Y Artikel 6:2 lid 1 komt te luiden: Artikel 6:2 Toezichthouders 1.Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast ambtenaren van: •de politie, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de Politiewet 2012; alsmede, ieder voor zover het betreft zaken welke aan zijn toezicht zijn toevertrouwd;
19
Inboeknummer 24bst01365
•de Koninklijke marechaussee indien zij belast zijn met een politietaak zoals genoemd in artikel 4 van de Politiewet 2012; •de sector Veiligheid en Handhaving van de gemeente Eindhoven; •de G.G.D. Brabant-Zuidoost; •de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost; •de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant. Artikel II Deze verordening treedt in werking met ingang van de 8e dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin het wordt geplaatst. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 17 december 2024. , griffier.
20