CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Vaststellen van de Verordeningen

Raadsvergadering 5 november 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Tot het vaststellen van de Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 202525.305 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

gemeente Eindhoven Inboeknummer 24bst01001 Dossiernummer 24.40.751 B&W beslisdatum 01 oktober 2024

Raadsvoorstel Tot het vaststellen van de Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2025

Inleiding Ieder jaar stelt uw raad de ‘Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten’ (hierna: de verordeningen) vast. De belastingtarieven maken onderdeel uit van deze verordeningen. Aan de hand van deze tarieven worden de aanslagen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten opgelegd. Het betreft de navolgende verordeningen: 1. onroerende-zaakbelastingen; 2. rioolheffing; 3. reinigingsheffingen (afvalstoffenheffing en reinigingsrechten); 4. leges burgerzaken; 5. leges vergunningen; 6. precariobelasting; 7. marktgeld; 8. begraafplaatsrechten; 9. hondenbelasting; 10. standplaatsgeld autobusdiensten; 11. kanaalrechten; 12. toeristenbelasting; 13. parkeerbelastingen; 14. intrekking reclamebelasting Winkelcentrum Oud Woensel. Via dit voorstel worden de verordeningen voor belastingjaar 2025, ter vaststelling, aan u voorgelegd.   Wettelijke taak De raad besluit tot het invoeren, wijzigen of afschaffen van een gemeentelijke belasting door het vaststellen van een belastingverordening (art. 216 Gemeentewet)  Kerntaak gekoppeld aan het werkprogramma van het college   Onvermijdelijk

Inboeknummer 24bst01001 Doelstelling Het mogelijk maken van de realisatie van de begrote opbrengsten gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten, die in de Programmabegroting 2025 zijn opgenomen. Voorstel 1. De Verordeningen gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2025 vast te stellen. 2. De tarieven onroerende-zaakbelastingen 2025 in december 2024 gewijzigd vast te stellen, indien daartoe aanleiding bestaat. Argumenten 1.1 De verordeningen geven uitvoering aan het raadsvoorstel tot vaststelling van de begroting 2025 In de begroting treft u de begrote opbrengsten aan van de verschillende gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten voor belastingjaar 2025. Met deze opbrengsten kunnen we in 2025 de gewenste voorzieningen treffen. De heffing van deze belastingen, heffingen en rechten gebeurt op basis van de verordeningen en tarieven die we u hierbij ter vaststelling voorleggen. Dit voorstel is beleidsarm. Dit wil zeggen dat het niet beoogd om beleid te formuleren of te wijzigen. Allereerst gaan we nader in op de woonlasten. Voor inwoners van de gemeente met een eigen woning bestaan de woonlasten uit de onroerende-zaakbelasting (hierna: ozb), de afvalstoffenheffing en de rioolheffing. De rioolheffing en de afvalstoffenheffing moeten, net als bijvoorbeeld de leges, voldoen aan de opbrengstlimiet.

Dat wil zeggen dat de begrote opbrengsten de begrote kosten niet mogen overstijgen. De tarieven blijven maximaal kostendekkend. Na behandeling van de woonlasten, gaan we in paragraaf 1.2 nader in op de ozb. Vervolgens komt in paragraaf 1.3 de rioolheffing aan bod, terwijl in paragraaf 1.4 de reinigingsheffingen worden besproken. In de daaropvolgende paragrafen lichten we de aanpassingen in de overige verordeningen nader toe. Woonlasten Conform het Bestuursakkoord 2022-2026 is het voorstel om, zolang er substantiële structurele nieuwe middelen te verdelen zijn, de lokale lasten voor woningen en niet-woningen in totaal niet meer te laten groeien dan met de reguliere indexering. De reguliere indexering is voor 2025 vastgesteld op 3,5% (conform CPB prijsindexcijfers van februari 2024). Deze indexering wordt berekend over het totaal van de begrote woonlasten bestaande uit de ozb, rioolheffing en afvalstoffenheffing. De reguliere indexatie van de lokale lasten wordt in 2025 voor een groot deel gebruikt voor een verhoging van de afvalstoffenheffing teneinde de gestegen kosten te dekken. Dit wordt verder uitgelegd onder 1.4.

2

Inboeknummer 24bst01001

1.2

Onroerende-zaakbelastingen

1.2.1 Taxatiewaarde De vastgestelde waarde van onroerende zaken volgens de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) dient als grondslag voor de aanslag ozb. De ozb-tarieven bedragen een percentage van deze WOZ-waarde. Volgens de Wet WOZ moet de gemeente de waarde jaarlijks vaststellen. Voor het belastingjaar 2025 gaat het daarbij om de waarde naar peildatum 1 januari 2024. Het voorstel voor de tarieven van de ozb is gebaseerd op de nu beschikbare kennis. Dit wil zeggen dat, op basis van de thans beschikbare gegevens, inschattingen zijn gemaakt over bijvoorbeeld de gemiddelde waardeveranderingen en de omvang van de nieuwbouw. Volgens vaste systematiek zal aan het einde van het jaar de berekening nogmaals worden uitgevoerd. De taxaties zijn dan verder gevorderd. Daardoor kunnen we dan een nauwkeurigere tariefberekening voor 2025 uitvoeren. Indien aanleiding bestaat de tarieven te wijzigingen, dan zal dit aan uw raad worden voorgelegd. Als we een wijziging van de tarieven voorstellen, zal de begrote opbrengst van de ozb niet wijzigen. De woonlasten voor eigenaren-bewoners van een woning bestaan uit rioolheffing eigendom, afvalstoffenheffing en ozb eigendom. Op begrotingsniveau zijn deze lasten geïndexeerd met 3,5%. De bedrijfslasten voor eigenaren voor een niet-woning bestaan uit rioolheffing eigendom en ozb eigendom.

Voor gebruikers van een niet-woning bestaan deze lasten uitsluitend uit de heffing voor ozb gebruik. Op begrotingsniveau zijn deze lasten voor beide groepen geïndexeerd met 3,5%. 1.3 Rioolheffing De rioolheffing is bedoeld om de kosten te dekken die worden gemaakt voor de nakoming van de zorgplichten die de gemeente heeft voor afval-, hemel-, grond- en oppervlaktewater. Omdat deze kosten vanwege periodieke investeringen van jaar tot jaar fors kunnen verschillen, verhalen we de jaarlijkse kosten op basis van een meerjarige prognose. Dit wordt gedaan om grote schommelingen in de heffing te voorkomen. Het beleid voor de zorgplichten en de onderbouwing hiervan wordt beschreven in de Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA). Eind 2022 is de WKA Gemeente Eindhoven 2023 – 2026 vastgesteld door uw raad. De rioolheffing voor 2025 is hierop gebaseerd. De tarieven voor de rioolheffing stijgen voor het eigenarendeel van € 192,- in 2024 naar € 197,- in 2025 en voor het gebruikersdeel van € 266,- in 2024 naar € 273,- in 2025. Ten aanzien van de Verordening rioolheffing worden de volgende wijziging voorgesteld. In de verordening is in artikel 5, derde lid, verduidelijkt dat de maatstaf van heffing van het gebruikersdeel, voor wat betreft het leidingwater, is gekoppeld aan de hoeveelheid leidingwater die door Brabant Water in rekening is gebracht in het aan het belastingjaar

3

Inboeknummer 24bst01001 voorafgaande kalenderjaar. Met deze verduidelijking is niet beoogd de heffingsmaatstaf te wijzigen. 1.4

Reinigingsheffingen

1.4.1 Afvalstoffenheffing (huishoudens) De tarieven zijn opgebouwd uit twee kostencomponenten; de vaste en de variabele kosten. De variabele kosten betreffen de verwerkingskosten van het afval. De hoogte daarvan is derhalve afhankelijk van de (totale) hoeveelheid aangeboden afval. De vaste kosten zijn de kosten van het inzamelen van het afval en de bedrijfsvoeringskosten. Deze kosten zijn niet afhankelijk van de hoeveelheid aangeboden afval. De begrote opbrengsten van de afvalstoffenheffing mogen de begrote kosten niet overschrijden. In de tarieven voor de afvalstoffenheffing wordt onderscheid gemaakt tussen éénpersoonshuishoudens, tweepersoonshuishoudens, driepersoonshuishoudens en vier- of meerpersoonshuishoudens. Het vaste deel van de kosten wordt gelijkelijk verdeeld over elk huishouden (adres). Het variabele kosten-deel wordt naar rato van de grootte van het huishouden bij het vaste kosten-deel opgeteld. Daarbij wordt voor de huishoudens met vier of meer personen de gemiddelde grootte van deze categorie aangehouden. Achterliggende reden om deze tariefstructuur te hanteren is: “de vervuiler betaalt”. In onderstaande tabel staan de tarieven van 2024 en het voorstel voor 2025.

Tarieven afvalstoffenheffing 2024 2025 Verschil in € Verschil in % € 217,50 € 220,99 Eénpersoonshuishouden € 3,49 1,6 % € 269,72 € 276,72 Tweepersoonshuishouden € 7,00 2,6 % € 321,94 € 332,45 Driepersoonshuishouden € 10,51 3,3 % Vier- en meerpersoonshuishouden € 397,68 € 409,88 € 12,20 3,1 % De tarieven voor de afvalstoffenheffing in 2025 stijgen met gemiddeld 2,7% ten opzichte van 2024. De hoofdoorzaak hiervan is een kostenstijging binnen de begroting Cure. De kostenstijging is het gevolg van toename van directe personeelskosten, toenemende rentelasten en hogere verwerkingskosten als gevolg van een nieuwe aanbesteding GFTverwerking, stijgende verbrandingsbelasting en overige overheadkosten. 1.4.2 Reinigingsrecht (bedrijven) Bedrijven hebben, mits aan bepaalde aanbiedvoorwaarden wordt voldaan, welke zijn vastgelegd in het Uitvoeringbesluit Afvalstoffenverordening Eindhoven 2021, de keuze om hun bedrijfsafval door de gemeente of een particuliere afvalinzamelaar te laten ophalen. Bijna de helft van de bedrijfslocaties laat het afval door een particuliere inzamelaar verwijderen en betaalt dus geen reinigingsrecht.

4

Inboeknummer 24bst01001 Gelet op de hogere kosten van de afvalverwerking stijgt ook het tarief van de reinigingsrecht. Het tarief voor het reinigingsrecht voor 2025 wordt verhoogd van € 320,73 (excl. btw) in 2024 naar € 331,27 (excl. btw). Deze tariefstijging bedraagt 3,3%. 1.5 Leges Voor de leges geldt dat sprake is van twee afzonderlijke legesverordeningen; de Legesverordening burgerzaken en de Legesverordening vergunningen. De ene verordening heeft betrekking op burgerzaken en algemene dienstverlening en de andere op de vergunningverlening en aanverwante diensten. Algemeen uitgangspunt bij de legesheffing is een kostendekkend tarief, met oog voor de maatschappelijke effecten en rekening houdende met de wettelijk gemaximeerde tarieven. Daarbij is de term maximale kostendekkendheid van belang. Dit betekent dat de begrote opbrengsten van de leges, de kosten van de daarmee samenhangende dienstverlening niet mogen overstijgen. Belangrijk bij de tariefstelling is de mogelijkheid om de kosten van de (samenhangende) dienstverlening over de verschillende legestarieven te verdelen, de zogenaamde kruissubsidiëring. Zo hangen bijvoorbeeld in hoofdstuk 2 van de Legesverordening vergunningen de kosten voor omgevingsvergunningen met elkaar samen. De voorgestelde wijzigingen van beide verordeningen worden hierna toegelicht.

Verordening leges burgerzaken • De maximale tarieven voor reisdocumenten en identiteitskaarten (hoofdstuk 3), voor rijbewijzen, (hoofdstuk 4), voor papieren verstrekkingen uit de Basisregistratie personen (onderdeel 5.6) en de verklaring omtrent gedrag (onderdeel 8.1) uit de tarieventabel, worden van rijkswege vastgesteld en zijn nog niet bekend op het moment dat dit dossier bestuurlijk in routing gaat. Vooralsnog zijn daarom de tarieven van 2024 opgenomen. Zodra deze van rijkswege vastgestelde tarieven voor 2025 bekend worden, stelt het college van burgemeester en wethouders de legesverordening gewijzigd vast. • De belangrijkste overige tarieven zijn (met afronding) verhoogd met de reguliere index van 3,5%. • In Hoofdstuk 8 van de tarieventabel bij de Legesverordening burgerzaken is in onderdeel 8.4 een tarief van € 18,50 toegevoegd voor het op aanvraag afgeven van een gewaarmerkte kopie van een reisdocument of rijbewijs. Hiermee verklaart de gemeente dat de kopie overeenkomt met het origineel. Verordening leges vergunningen In de tarieventabel van de legesverordening zijn in alle drie de hoofdstukken een aantal wijzigingen doorgevoerd. De belangrijkste wijzingen worden hierna toegelicht. Hoofdstuk 1 • Van artikel 1.3.1.6 tot en met 1.3.6.8 zijn de tarieven aangepast.

Vanaf 1 juni 2024 is voor de medische keuring voor een gehandicaptenparkeerkaart een nieuw medisch bureau gecontracteerd. Dit nieuwe bureau hanteert andere tarieven dan de voorgaande en deze nieuwe tarieven zijn in de tabel verwerkt.

5

Inboeknummer 24bst01001 • Artikel 1.4.9 is toegevoegd; achteraf ingediende aanvraag. Gebleken is dat meer dan 20% van deze aanvragen worden ingediend nadat handhaving de gebruiker/aanvrager erop is aangesproken dat een vergunning noodzakelijk is. Voor de beoordeling van de aanvraag betekent dit extra werkzaamheden doordat de grond al meer dan een week in gebruik is genomen en daardoor veiligheidsrisico’s extra aandacht vragen. Hoofdstuk 2 • In artikel 2.1.4 is de term “omgevingsoverleg” gewijzigd in “conceptverzoek”, overeenkomstig de in het DSO gebruikte terminologie. De definities voor de verschillende vormen van overleg zijn aangepast aan de in de praktijk toegepaste wijze van overleg. • In artikel 2.30 is de tariefstelling aangepast omdat het Bomenbeleid in 2024 is aangescherpt. Hoofdstuk 3 • De artikelen 3.5.3.1 tot en met 3.5.5 zijn komen te vervallen doordat de huisvestingsverordening is gewijzigd waardoor deze vergunningen deels zijn vervallen dan wel thans onder het regiem van de omgevingsvergunning vallen. 1.6 Toeristenbelasting Voor 2025 wordt het tarief van de toeristenbelasting verhoogd van € 3,50 naar € 4,50 per overnachting.

Met de hoteliers is besproken dat de extra inkomsten mede worden gebruikt voor de financiering van evenementen (onder andere vuurwerkshow, extra middelen voor carnaval en 18 september, ophogen subsidie plafond evenementen), activiteiten en projecten in de binnenstad, het structureel maken van de financiering van het Eindhoven Design District en het masterplan mobiliteit. Ook voor 2026 en 2027 zal ten behoeve van deze doeleinden het tarief verhoogd gaan worden. Een deel van de toeristenbelasting vloeit tevens in de algemene middelen. 1.7 Parkeerbelastingen Parkeerbelasting is het instrument van de gemeente om te sturen op het gebruik van de parkeervoorzieningen en daarmee tevens een belangrijk middel om de vervoerswijzekeuze van inwoners en bezoekers te beïnvloeden in de richting van de gewenste mobiliteitstransitie. Masterplan Mobiliteit In het Masterplan Mobiliteit is besloten om de parkeertarieven in Eindhoven in redelijke stappen te verhogen tot het niveau van andere grote steden. Op basis hiervan wordt in 2025 een eerste stap gezet met een verhoging van 5% boven de inflatiecorrectie van 3,5%. Verder vervalt in dit kader het goedkopere tarief en het dagtarief in het centrum (A2 en A3). In verband hiermee gaat ook Strijp-S naar het standaard centrumtarief. De uur- en dagtarieven worden afgerond op € 0,10.

Verder worden eerder vervallen tariefcodes ter vereenvoudiging niet meer vermeld en is de nummering in de tarieventabel hierop aangepast.

6

Inboeknummer 24bst01001 Parkeervergunningen De tarieven van de parkeervergunningen volgen de tariefontwikkeling voor het kortparkeren, uitgezonderd de vergunning voor de 2de auto. In het masterplan is bepaald dat het tarief voor de 2de vergunning ook vergelijkbaar met de andere grote steden moet worden. Aangezien deze buiten het centrum in Eindhoven met € 100,80 nu nog veel goedkoper is, stijgt dit tarief het komende jaar met € 25,-. Hiermee kost het in 2025 € 125,76 voor inwoners om de 2de auto op straat te parkeren. Het tarief voor de 2de bewonersvergunning in het centrum blijft gelijk, omdat dit al op niveau is en deze vergunning sowieso, conform het Masterplan, op termijn helemaal zal komen te vervallen. In 2025 wordt in verband met de invoering van betaald parkeren binnen de ring een nieuwe parkeervergunning geïntroduceerd voor onderwijsinstellingen. Scholen in het basis-, voorgezet en middelbaar beroepsonderwijs zonder eigen parkeergelegenheid, kunnen gebruik maken van een onderwijsvergunning met een tarief van € 14,31 per maand. Voorts worden de vergunningstarieven niet meer afgerond, maar met twee decimalen vastgesteld.

Naheffingsaanslag Met betrekking tot de naheffingsaanslag die wordt opgelegd als niet voldaan is aan de parkeerbelastingplicht, wordt voorgesteld het maximale tarief van € 78,80 te hanteren dat de Minister van BZK heeft vastgesteld voor 2025 in het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Het bedrag van de naheffingsaanslag mag niet meer dan kostendekkend zijn. Uit het Kostenbesluit naheffingsaanslag parkeerbelastingen, dat als onderdeel van de verordening hierbij wordt voorgelegd, blijkt dat de kosten van de naheffing hoger zijn dan het door de Minister vastgestelde maximumbedrag. Verder wordt voorgesteld de naheffingsaanslagen parkeerbelasting te laten vallen onder de automatische betalingsincasso. Veel belastingplichtigen verkeren in de veronderstelling dat de naheffingsaanslag ook onder de machtiging valt die zij hebben afgegeven voor de incasso van de gemeentelijke belastingen. Daardoor betalen zij dan de naheffingsaanslag niet. Dit leidt vervolgens tot actieve invordering, hetgeen weer onnodig ongemak bij belastingplichtigen met zich meebrengt. Om dit te voorkomen wordt voorgesteld ook voor de naheffingsaanslagen parkeerbelasting automatische incasso mogelijk te maken.

1.8 Overige belastingen en heffingen De tarieven van de precariobelasting, de marktgelden, de hondenbelasting, het standplaatsgeld autobusdiensten en de kanaalrechten zijn, ten opzichte van 2024, met de reguliere index verhoogd in dit raadsvoorstel. 1.9 Invordering middels automatische incasso Voorgesteld wordt om vanaf belastingjaar 2025 het aanslagbedrag voor de automatische incasso, waarbij sprake is van betaling in termijnen, te verhogen van € 10,00 naar € 25,00. Automatische incasso met betaling in termijnen wordt dan mogelijk voor bedragen hoger

7

Inboeknummer 24bst01001 dan € 25,00. Automatische incasso voor bedragen tot en met € 25,00 vindt dan plaats in één incassotermijn. In de praktijk komt het nog maar beperkt voor dat bedragen van € 25,00 of minder worden opgelegd. Door de automatische incasso met één incassotermijn te stellen op een bedrag van maximaal € 25,00 kan het proces van de invordering van kleine bedragen worden versneld en vereenvoudigd. Het voorstel heeft betrekking op aanslagen waarop de volgende belastingen zijn vermeld: onroerende-zaakbelastingen, rioolheffing, afvalstoffenheffing, reinigingsrechten, precariobelasting en hondenbelasting. 1.10 Intrekking Verordening reclamebelasting Winkelcentrum Oud Woensel 2018 De Verordening reclamebelasting Winkelcentrum Oud Woensel 2018 is inmiddels uitgewerkt; het traject van aanslagoplegging, invordering en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures is geheel afgerond. Omdat de verordening niet langer functioneel is stellen wij voor om deze in te trekken. Hierin voorziet de Verordening tot intrekking Verordening reclamebelasting Winkelcentrum Oud Woensel 2018. 1.11 Geen privaatrechtelijke tarieven De gemeente kan naast een publiekrechtelijke vergoeding ook een privaatrechtelijke vergoeding vragen indien daar een tegenprestatie tegenover staat. Dit dossier behandelt alleen fiscale tarieven, zoals hiervoor opgesomd.

Privaatrechtelijke tarieven, zoals bijvoorbeeld voor sport, maken hier derhalve geen onderdeel van uit. Kanttekeningen Niet van toepassing. Personele consequenties Niet van toepassing. Financiële consequenties Met dit voorstel wordt invulling gegeven aan de Programmabegroting 2025. Hierin wordt voor de lokale heffingen een totale opbrengst geraamd van € 203 miljoen. Communicatie De verordeningen worden via het Gemeenteblad bekendgemaakt. Deze zijn digitaal te raadplegen. Planning en uitvoering Op basis van de verordeningen legt de heffingsambtenaar de aanslagen en/of kennisgevingen gemeentelijke belastingen en rechten voor belastingjaar 2025 op. Evaluatie Via de tussentijdse rapportage en de jaarrekening informeren we uw raad over de stand van zaken van de realisatie van de begrote opbrengsten gemeentelijke belastingen en rechten.

8

Inboeknummer 24bst01001

Bijlage(n) Als bijlage bij dit voorstel behoort: • Overzicht tarieven gemeentelijke belastingen, heffingen en rechten 2024 en 2025 De bijlage wordt meegestuurd. De ontwerp-raadsbesluiten bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven,

, secretaris.

9

Inboeknummer 24bst01001

Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 oktober 2024; mede gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de

Verordening op de heffing en invordering van onroerendezaakbelastingen 2025 Artikel 1. Belastbaar feit en belastingplicht 1.

Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven: a.

een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;

b.

een belasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.

2.

Bij de gebruikersbelasting wordt: a.

gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; diegene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belastingen als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

b.

het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter beschikking is gesteld.

3.

Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2. Voorwerp van de belasting

10

Inboeknummer 24bst01001 1.

Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.

2.

Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

3.

Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3. Maatstaf van heffing 1.

De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar, bedoeld in artikel 1.

2.

Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 4. Vrijstellingen 1.

In afwijking, in zoverre van artikel 3, wordt bij het bepalen van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van: a.

ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;

b.

glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

c.

onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

d.

één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

11

Inboeknummer 24bst01001 e.

natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

f.

openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

g.

waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

h.

werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

i.

werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

j.

onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;

k.

straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

l.

plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

m.

begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

2.

De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

3.

In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

12

Inboeknummer 24bst01001 Artikel 5. Belastingtarieven Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor: A.

de gebruikersbelasting: 0,20915%;

B.

de eigenarenbelasting: i.

voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen: 0,09730%;

ii.

voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen: 0,29609%.

Artikel 6. Wijze van heffing De belastingen worden geheven bij wege van aanslag.

Artikel 7. Aanslaggrens 1.

Voor belastingbedragen tot € 10,- vindt geen invordering plaats.

2.

Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid wordt het totaal van op één aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 8. Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3.

Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

4.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

13

Inboeknummer 24bst01001 Artikel 9. Overgangsrecht, inwerkingtreding, en citeertitel 1.

De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2024’ van 7 november 2023, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 19 december 2023, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

4.

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2025’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 november 2024

, griffier.

14

Inboeknummer 24bst01001

Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 oktober 2024; mede gelet op artikel 228a van de Gemeentewet; besluit vast te stellen de

Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2025 Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.

garagebox: een perceel dat bestemd is voor opslag van goederen en/of stalling van één motorvoertuig, zonder wateraansluiting of directe aansluiting op de gemeentelijke riolering;

b.

gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

c.

verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van de N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant/Brabant Water N.V. betrekking heeft;

d.

water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2. Aard van de belasting Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan: a.

de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b.

de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht 1.

De belasting wordt geheven:

15

Inboeknummer 24bst01001 a.

van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

b.

van degene die een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersdeel.

2.

Voor het eigenarendeel wordt, als het perceel een onroerende zaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

3.

Voor het gebruikersdeel wordt: a.

gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

b.

gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;

c.

het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.

Voorwerp van de belasting is een perceel.

2.

Als perceel wordt aangemerkt; a.

de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;

b.

de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

c.

een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d.

een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e.

het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 5. Maatstaf van heffing 1.

Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

2.

Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanaf of vanuit het perceel wordt afgevoerd.

16

Inboeknummer 24bst01001 3.

Het aantal kubieke meters water als bedoeld in het vorige lid, wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar naar het perceel is toegevoerd of op het perceel is opgepompt, waarbij het aantal kubieke meters leidingwater wordt gesteld op de hoeveelheid kubieke meters die over de verbruiksperiode door de N.V. Waterleidingmaatschappij Oost-Brabant/Brabant Water N.V. aan de gebruiker als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder b, in rekening is gebracht in het aan het belastingjaar voorafgaande kalenderjaar.

4.

Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een: a.

watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

b.

bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling. 5.

De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

Artikel 6. Belastingtarieven 1.

Het tarief voor het eigenarendeel bedraagt € 197,-.

2.

Het tarief voor het gebruikersdeel bedraagt voor elke volle eenheid van 500 kubieke meters water € 273,-.

Artikel 7. Belastingjaar Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

Artikel 9. Vrijstelling Van het eigenarendeel van de rioolheffing zijn vrijgesteld: 1.

de percelen welke in hoofdzaak worden gebruikt voor de openbare eredienst of voor openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;

2.

garageboxen en parkeerplaatsen.

17

Inboeknummer 24bst01001 Artikel 10. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of voor het gebruikersdeel, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3.

Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel voor het gebruikersdeel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde gebruikersdeel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 11. Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3.

Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

4.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 12. Kwijtschelding Van de heffing van het gebruikersdeel, zoals bedoeld in artikel 3, wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 13. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.

De ‘Verordening rioolheffing 2024’, vastgesteld bij raadsbesluit van 7 november 2023, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van

18

Inboeknummer 24bst01001 de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan. 2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

4.

Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening rioolheffing 2025’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 november 2024

, griffier.

19

Inboeknummer 24bst01001

Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 oktober 2024; mede gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; besluit vast te stellen de

Verordening op de heffing en de invordering van de afvalstoffenheffing en reinigingsrechten 2025 Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Inleidende bepaling Krachtens deze verordening worden geheven: a.

een afvalstoffenheffing;

b.

reinigingsrechten.

Artikel 2. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: a.

‘gebruikmaken’ in Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruikmaken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;

b.

bedrijfslocatie: een onroerende zaak - of een zelfstandig gebruikt gedeelte ervan - geen perceel zijnde in de zin van de Wet milieubeheer;

c.

grof bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet in aanmerking komen voor het periodiek inzamelen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder a;

d.

een collo: elk exemplaar stukgoed, ongeacht de verpakking, dat door één persoon te dragen is.

Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing Artikel 3. Aard van de belasting en belastbaar feit 1.

Onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

2.

De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een

20

Inboeknummer 24bst01001 perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4. Voorwerp van de belasting 1.

Voorwerp van de belasting is een perceel.

2.

Als perceel wordt aangemerkt: a.

de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;

b.

de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

c.

een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

d.

een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;

e.

het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 5. Belastingplicht De belasting wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel.

Artikel 6. Maatstaf van heffing en belastingtarief De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven, opgenomen in hoofdstuk 1 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Artikel 7. Belastingjaar Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8. Wijze van heffing 1.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel wordt geheven bij wege van aanslag.

21

Inboeknummer 24bst01001 2.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel schriftelijke gedagtekende kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen). Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar, is de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3.

Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in hoofdstuk 1.1 van de tarieventabel, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

4.

Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

5.

De belasting bedoeld in hoofdstuk 1.2 van de tarieventabel is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.

Artikel 10. Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moet de belasting worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 8, tweede lid: a.

mondeling wordt gedaan: op het moment van het doen van de kennisgeving;

b.

schriftelijk wordt gedaan: op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.

22

Inboeknummer 24bst01001 4.

Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

5.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Hoofdstuk III Reinigingsrechten Artikel 11. Aard van de heffing en belastbaar feit 1.

Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven voor zowel het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn, of door de gemeente in beheer of in onderhoud zijn gegeven.

2.

Het in het eerste lid bedoelde genot van diensten en het gebruik van bezittingen, werken en inrichtingen bestaat uit: a.

het periodiek verwijderen van, met huishoudelijk afval gelijk te stellen, bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkelen dienstenafval);

b.

het op aanvraag incidenteel verwijderen van colli;

c.

het achterlaten van, met huishoudelijk afval gelijk te stellen, bedrijfsafval van beperkte omvang en hoeveelheid (uitsluitend kantoor-, winkel- en dienstenafval) op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats.

Artikel 12. Belastingplicht De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen, bedoeld in artikel 11, gebruik maakt.

Artikel 13. Maatstaven van heffing en belastingtarieven 1.

De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in hoofdstuk 2 van de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2.

Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

23

Inboeknummer 24bst01001 Artikel 14. Belastingjaar 1.

Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven over een belastingjaar.

2.

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 15. Wijze van heffing 1.

Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, wordt geheven bij wege van aanslag.

2.

De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving (waaronder mede een bon, nota en factuur worden begrepen), waarop het verschuldigde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 16. Tijdstip ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang 1.

Het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar of, zo dat later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2.

De overige rechten genoemd in artikel 11, tweede lid, worden verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de gemeentebezittingen, werken of inrichtingen.

3.

Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is het recht verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

4.

Indien met betrekking tot het recht genoemd in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde recht als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

Artikel 17. Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in één termijn, die vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die, welke in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

2.

In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 25,-, doch minder is dan € 9.000,- en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de

24

Inboeknummer 24bst01001 aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later. 3.

In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de reinigingsrechten in geval van heffing middels een in artikel 15, tweede lid, bedoelde kennisgeving, bij de uitreiking terstond worden betaald.

4.

Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990, met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

5.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 18. Kwijtschelding Bij de invordering van de rechten als bedoeld in artikel 11, eerste lid, wordt geen kwijtschelding verleend.

Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen Artikel 19. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.

De ‘Verordening reinigingsheffingen 2024’, vastgesteld bij raadsbesluit van 7 november 2023, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

4.

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening reinigingsheffingen 2025’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 november 2024

, griffier.

25

Inboeknummer 24bst01001

Tarieventabel behorende bij de Verordening reinigingsheffingen 2025 Hoofdstuk 1

Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing Hoofdstuk 1.1

Artikel

Maatstaven en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing

Tarief

1.1.1

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien

€ 220,99

het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door één persoon: 1.1.2

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien

€ 276,72

het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door twee personen: 1.1.3

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien

€ 332,45

het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door drie personen: 1.1.4

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar, indien

€ 409,88

het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, wordt gebruikt door vier of meer personen: 1.1.5

Onverminderd het bepaalde in de onderdelen 1.1.1 tot en met 1.1.4 bedraagt het cumulatieve tarief voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van een tweede grijze afvalcontainer (voor huishoudelijk restafval) per perceel per belastingjaar a. voor een restafvalcontainer van 140 liter:

€ 120,-

b. voor een restafvalcontainer van 240 liter:

€ 140,-

26

Inboeknummer 24bst01001 Hoofdstuk 1.2 Artikel

Maatstaven en overige tarieven afvalstoffenheffing

Tarief

1.2.1

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de belasting voor het op aanvraag verwijderen van colli: a. per big bag van 1 m3:

€ 40,-

b. per big bag van 1,5 m3:

€ 60,-

c. voor voorwerpen die niet in een inzamelmiddel passen,

€ 10,-

per voorwerp/sticker: 1.2.2

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de

€ 20,-

belasting voor het achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen op een daartoe van gemeentewege ter beschikking gestelde plaats, (milieustraat) per keer, vanaf de 13e keer dat binnen één kalenderjaar afvalstoffen worden achtergelaten: 1.2.3

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk 1.1 bedraagt de

€ 15,-

belasting voor het op aanvraag vervangen van de toegangspas voor de ondergrondse afvalcontainers en/of de milieustraten per keer:

Hoofdstuk 2

Maatstaven en tarieven reinigingsrechten Hoofdstuk 2.1

Artikel

Maatstaf en jaarlijks tarief reinigingsrechten

Tarief

2.1.1

Het recht bedraagt per belastingjaar voor het verwijderen van

€ 331,27

bedrijfsafval als bedoeld in artikel 11, tweede lid, onderdeel a, per bedrijfslocatie voor elke per ophaalbeurt te verwijderen hoeveelheid van maximaal 240 liter of maximaal 6 zakken: 2.1.2

Onverminderd het bepaalde in onderdeel 2.1.1 bedraagt het cumulatieve tarief voor het op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht later aanvangt, bij aanvang van de belastingplicht, in bruikleen hebben van een tweede restafvalcontainer voor bedrijfsafval per bedrijfslocatie, per belastingjaar voor een restafvalcontainer van 240 liter:

De bedragen genoemd in hoofdstuk 2.1 zijn exclusief omzetbelasting.

27

€ 140,-

Inboeknummer 24bst01001

Deze tarieventabel maakt onderdeel uit van en behoort bij het raadsbesluit van 5 november 2024 tot vaststelling van de Verordening reinigingsheffingen 2025

, griffier.

28

Inboeknummer 24bst01001

Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 1 oktober 2024; mede gelet op de artikelen 156 en 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet en de artikelen 2 en 7 van de Paspoortwet; besluit vast te stellen de

Verordening op de heffing en de invordering van leges burgerzaken en algemene dienstverlening 2025 Artikel 1. Aard van de heffing en belastbaar feit Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor: a.

het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een dienst of het nemen van een besluit;

b.

het verlenen van een dienst op aanvraag; of

c.

het verrichten van handelingen ten behoeve van een aanvraag van een document;

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 2. Belastingplicht Belastingplichtig is de aanvrager of degene voor wie de aanvraag is gedaan.

Artikel 3. Maatstaven van heffing en tarieven 1.

De leges worden geheven naar de maatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2.

Voor de berekening van de leges wordt een gedeelte van een in de tarieventabel genoemde eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 4. Wijze van heffing De leges worden geheven door middel van een mondelinge kennisgeving, een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, een zegel, een nota, een factuur of andere schriftuur, of een kennisgeving langs elektronische weg. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving of langs elektronische weg aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

29

Inboeknummer 24bst01001

Artikel 5. Termijnen van betaling 1.

In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moeten de leges worden betaald ingeval de kennisgeving als bedoeld in artikel 4: a.

mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

b.

schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending van de kennisgeving binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

c. 2.

langs elektronische weg in het aanvraagproces wordt gedaan, onverwijld.

De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het voorgaande lid gestelde termijnen.

Artikel 6. Vermindering of teruggaaf Gehele of gedeeltelijke vermindering of teruggaaf van leges voor een in de bij deze verordening behorende tarieventabel omschreven dienst, besluit of handeling wordt verleend overeenkomstig een met betrekking tot die dienst, besluit of handeling in die tarieventabel opgenomen bepaling.

Artikel 7. Vrijstellingen 1.

Leges worden niet geheven voor: a.

stukken of handelingen, welke ambtshalve of ter voldoening aan wettelijke voorschriften kosteloos worden afgegeven of verricht;

b.

inlichtingen, opgaven, handelingen of stukken, welke met vergunning van het college van burgemeester en wethouders, worden verstrekt, verricht of afgegeven ten behoeve van rechtstreeks gebruik voor het algemeen belang dienende voorlichting over de gemeente, haar organen en instellingen.

2.

De leges, genoemd in de tarieventabel in de onderdelen 1.1, 1.2 en 1.4 worden niet geheven voor de in het openbaar belang afgegeven stukken en verstrekte inlichtingen aan openbare besturen, ambtenaren en instellingen.

3.

De leges, genoemd in de tarieventabel in de onderdelen 1.3 en 1.4 worden niet geheven voor zover stukken met vergunning van het college van burgemeester en wethouders worden afgegeven aan politieke groeperingen, waarvan de aanduiding bij de Kiesraad is geregistreerd dan wel welke aan de laatst gehouden gemeenteraadsverkiezingen hebben deelgenomen.

4.

De leges, genoemd in de tarieventabel in onderdeel 1.4 worden niet geheven, voor zover het betreft de exemplaren van de raadsbijlagen welke op eigen initiatief door of vanwege het college van burgemeester en wethouders worden verstrekt aan belangstellenden voor

30

Inboeknummer 24bst01001 raadsvergaderingen, teneinde het deze mogelijk te maken de vergadering aan de hand van de stukken te volgen.

Artikel 8. Kwijtschelding Bij de invordering van leges wordt geen kwijtschelding verleend.

Artikel 9. Overdracht van bevoegdheden Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het wijzigen van deze verordening, als de wijzigingen: a.

van zuiver redactionele aard zijn;

b.

een gevolg zijn van nieuwe of gewijzigde rijksregelgeving die in werking treedt binnen drie maanden na de officiële bekendmaking van de inwerkingtreding ervan in het Staatsblad of de Staatscourant en het de volgende hoofdstukken of onderdelen van de tarieventabel betreft: i.

vervallen;

ii.

hoofdstuk 3 (reisdocumenten en (vervangende) Nederlandse identiteitskaart);

iii.

hoofdstuk 4 (rijbewijzen);

iv.

onderdeel 5.6 (schriftelijke verstrekking uit de Basisregistratie personen);

v.

onderdeel 8.1 (verklaring omtrent het gedrag);

een en ander voor zover met deze wijzigingen niet reeds bij het vaststellen of latere wijziging van deze verordening bij raadsbesluit rekening is gehouden.

Artikel 10. Overgangsrecht, inwerkingtreding en citeertitel 1.

De ‘Legesverordening burgerzaken 2024’ vastgesteld bij raadsbesluit van 7 november 2023, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 december 2023, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

2.

Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

3.

De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2025.

4.

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Legesverordening burgerzaken 2025’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 5 november 2024

, griffier.

31

Inboeknummer 24bst01001

Tarieventabel, behorende bij de Legesverordening burgerzaken 2025 Hoofdstuk 1 Gedrukte en

Algemene verstrekkingen 1

Het tarief bedraagt, voor zover daarvoor niet elders in

digitale stuk-

deze tabel of in een andere wettelijke regeling een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14588212/2