CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Vaststellen Klimaatplan III, 2026-2030

Raadsvergadering 10 juni 2025, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen Klimaatplan III, 2026-20303.297 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

gemeente Eindhoven Inboeknummer 7914745_02 Dossiernummer 25.16.251 B&W beslisdatum 15 april 2025

Raadsvoorstel Vaststellen Klimaatplan III, 2026-2030 Inleiding De effecten van klimaatverandering worden steeds duidelijker zichtbaar. Steeds meer plekken op de wereld hebben te kampen met zware regenval of juist lange perioden van droogte. Ook in Eindhoven zijn de gevolgen merkbaar. In de stad kunnen de temperaturen op hete zomerdagen ongezond hoog oplopen, terwijl vanaf het najaar de kans op wateroverlast toeneemt. Niet voor niets erkennen we in Eindhoven dat er sprake is van een klimaatcrisis en een biodiversiteitscrisis. Om Klimaatverandering tegen te gaan, zijn mondiaal afspraken gemaakt over het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Eindhoven draagt daar naar rato aan bij door de eigen uitstoot uiterlijk in 2050 te hebben teruggebracht naar nul. In 2016 heeft de gemeenteraad hiervoor de Klimaatverordening vastgesteld. Hierin staat als tussendoel voor 2030 opgenomen dat de uitstoot van broeikasgassen in Eindhoven ten opzichte van 1990 met 55% moet zijn teruggebracht. De Klimaatverordening schrijft voor dat elke vijf jaar een Klimaatplan wordt opgesteld dat aangeeft hoe de gestelde reductiedoelen worden behaald. Dit Klimaatplan beschrijft de acties en activiteiten die de gemeente Eindhoven de komende vijf jaar gaat ondernemen om te voldoen aan de klimaatdoelen uit de Klimaatverordening. In 2020 is het tweede klimaatplan voor de periode 2021-2025 vastgesteld.

Het voorliggende, derde Klimaatplan heeft een looptijd van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030. Wettelijke taak De reductie van broeikasgasemissies is vastgelegd in de Klimaatverordening gemeente Eindhoven en de Klimaatwet. Doelstelling Het onomkeerbaar stapsgewijs terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Eindhoven met als einddoel een netto uitstoot van nul in 2050 en als tussendoel een vermindering ten opzichte van 1990 met ten minste 55 procent per 1 juli 2030. Voorstel 1. De maximale emissie van broeikasgassen in Eindhoven in het jaar 2030 vast te stellen op 620,6 kt CO₂e en deze onder de jaarschijven taakvelden te verdelen als volgt:

Inboeknummer 7914745_02

2. 3. 4.

5.

a. taakveld 0.3, Overige gebouwen en gronden: 12,0 kt (2026); 11,0 kt (2027); 10,0 kt (2028); 9,0 kt (2029); 8,0 kt (2030); b. taakveld 0.4, Overhead (kernportefeuille): 0,4 kt (2026); 0,3 kt (2027); 0,2 kt (2028); 0,1 kt (2029); 0,0 kt (2030); c. taakveld 2.1, Verkeer en vervoer: 248,8 kt (2026); 236,0 kt (2027); 223,2 kt (2028); 210,3 kt (2029); 194,9 kt (2030); d. taakveld 3.2, Fysieke bedrijfsinfrastructuur: 322,7 kt (2026); 291,6 kt (2027); 260,8 kt (2028); 229,6 kt (2029); 200,5 kt (2030); e. taakveld 4.2, Onderwijshuisvesting: 32,1 kt (2026); 29,0 kt (2027); 26,0 kt (2028); 23,0 kt (2029); 20,3 kt (2030); f. taakveld 5.2, Sportaccommodaties: 3,8 kt (2026); 3,4 kt (2027); 3,1 kt (2028); 2,8 kt (2029); 2,6 kt (2030); g. taakveld 5.3, Cultuur: 3,8 kt (2026); 3,4 kt (2027); 3,1 kt (2028); 2,8 kt (2029); 2,6 kt (2030); h. taakveld 8.3, Wonen en bouwen (woningen): 246,8 kt (2026); 226,6 kt (2027); 205,9 kt (2028); 185,6 kt (2029); 164,8 kt (2030); i. taakveld 8.3, Overige publieke dienstverlening: 45,5 kt (2026); 40,6 kt (2027); 35,9 kt (2028); 31,2 kt (2029); 26,9 kt (2030); j. Totale uitstoot: 916,2 kt (2026); 842,3 kt (2027); 768,4 kt (2028); 694,5 kt (2029); 620,6 kt (2030). De onder 1 genoemde uitstootplafonds te verwerken in de Begroting 2026. Het Klimaatplan III, 2026-2030 vast te stellen als richtinggevend document voor het Klimaatbeleid voor de komende vijf jaar.

Additionele maatregelen voor emissiereductie vast te stellen om in 2030 onder het bij beslispunt 1 genoemde emissieplafond, te weten: a. aanleg van een lokaal waterstofnetwerk; b. versnelling elektrificatie van proceswarmte op bedrijventerreinen; c. versnellingsimpuls van de aanleg van warmtenetten op bedrijventerreinen; d. handhaving erkende maatregelen e. stimuleren emissieloze bouwvoer en bouwwerktuigen; f. versnellingsimpuls verduurzaming utiliteitsgebouwen; g. versnellingsimpuls verduurzaming woningen. Technologische innovaties op het gebied van emissiebeperking of het verwijderen van koolstof uit de atmosfeer te ondersteunen.

Argumenten 1.1 Met het vaststellen van het uitstootplafond voor 2030 stelt de raad vast hoe groot de maximale omvang van de broeikasgasemissies in Eindhoven mag zijn. De in de Klimaatverordening gestelde taakstelling voor emissiereductie is relatief. Dat wil zeggen, de taakstelling is geformuleerd als een percentage van de uitstoot in 1990. Om precies te weten hoeveel kiloton in 2030 nog maximaal kan worden uitgestoten binnen de grenzen van de verordening, moet de absolute uitstoot aan broeikasgassen

2

Inboeknummer 7914745_02 in Eindhoven in 1990, worden bepaald. Deze historische uitstoot is met de kennis van nu beter te bepalen dan bij het opstellen van het vorige Klimaatplan. Voor dit Klimaatplan is de uitstoot in 1990 opnieuw bepaald op 1.379 kt CO₂e. Met het doel in 2030 minimaal 55% minder broeikasgassen uit te stoten, komt het uitstootplafond voor 2030 daarmee te liggen op 620,6 kt CO₂e.

2.1 Met het vaststellen van uitstootplafond per taakveld wordt per onderdeel inzichtelijk wat de ontwikkeling is van de broeikasgasemissies en welke inzet moet worden gepleegd om de einddoelen te halen. In het bestuursakkoord ‘Samen Morgen Mooier Maken’ is afgesproken dat de klimaatambities worden vertaald naar concrete doelstellingen voor de verschillende organisatieonderdelen. Sinds de Begroting 2024 zijn de klimaatdoelen daarom vertaald naar emissieplafonds per taakveld. Tot nu toe werd daarbij de lijn gehanteerd dat elk taakveld de uitstoot in 2030 met 55% moest hebben teruggebracht. Daarbij werd nog geen rekening gehouden met het gegeven dat de emissies zich sinds 1990 binnen de verschillende taakvelden anders hebben ontwikkeld. De nu voorgestelde uitstootplafonds doen dat wel. Door de emissies te koppelen aan relevante taakvelden, wordt aangesloten bij de vaste planning- en controlcyclus.

3.1 Het Klimaatplan III, 2026-2030 geeft richting aan de inzet en acties voor de komende jaren om het doel van 55% reductie in 2030 te halen. Het Klimaatplan geeft aan welke aanvullende maatregelen nodig zijn om in 2030 tot 55% emissiereductie te komen. Op basis van de huidige ontwikkelingen en de effecten van reeds ingezet of vastgesteld beleid is de te verwachten emissie van broeikasgassen in 2030 ingeschat op 699 kt CO₂e. Daarbij is rekening gehouden met autonome ontwikkelingen op basis van techniek en individuele afwegingen van bewoners en bedrijven en met de effecten van zowel Europees en landelijk als lokaal beleid. Ten opzichte van 1990 wordt daarmee in 2030 een reductie van 49% bereikt. Om het doel uit de Klimaatverordening te gaan halen, moet de uitstoot in 2030 echter verder naar beneden, naar een jaarlijks maximaal 620 kt CO₂e. In het Klimaatplan zijn daarom aanvullende maatregelen opgenomen die gezamenlijk jaarlijks minstens 80 kt CO₂e aan extra reductie opleveren.

4.1 Met de additionele maatregelen voldoet Eindhoven aan de doelen uit de Klimaatverordening. De potentie van het totaal aan additionele maatregelen is hoger dan 80 kt CO₂e. Door meer reductie te programmeren dan strikt noodzakelijk, is er marge ten aanzien van de te behalen doelen en kunnen tegenvallers worden opgevangen. Daarbij moet wel

3

Inboeknummer 7914745_02 worden opgemerkt dat Eindhoven hierbij ook afhankelijk is van andere partijen en overheden, die een eigen rol hebben in het terugdringen van broeikasgasemissies of het doorvoeren van noodzakelijke wet- en regelgeving.

5.1 Technologische innovatie biedt aanvullende kansen voor de verdere vermindering van emissies en kan bijdragen aan het verwijderen van koolstof uit de atmosfeer. De creativiteit en het innovatievermogen van deze regio heeft al vaak bewezen creatieve oplossingen te kunnen bieden voor technische of maatschappelijke vraagstukken. Waar de gemeente nieuwe concepten kan ondersteunen of verder kan helpen, wil de gemeente die rol pakken. Door ruimte te bieden aan pilotprojecten en mee te werken aan experimenten of door als launching customer de eigen inkoopkracht in te zetten voor de ontwikkeling en toepassing van innovatieve technieken. Indien financiële middelen kunnen bijdragen aan het verder helpen ontwikkelen van innovatieve technieken of toepassingen, wil de gemeente Eindhoven zich inzetten voor het aantrekken van nationale of Europese fondsen en de ruimte benutten die het toekomstfonds hiervoor biedt. Dit draagt op zijn beurt weer bij aan het verdienpotentieel van de Brainportregio. Specifiek ten aanzien van koolstofverwijdering is de verwachting dat uitrol vooral na 2030 kan bijdragen aan de totale doelstelling. Dit moet echter niet worden overschat.

De bijdrage van innovaties op de reductie van de totale broeikasgasemissies komt bovenop de reductie die met de additionele maatregelen wordt bereikt en vormt daarmee geen risico voor het behalen van de doelen uit de Klimaatverordening.

Kanttekeningen 1.1 Het uitstootplafond voor 2030 ligt hoger dan in eerdere klimaatplannen is vastgesteld. Het toegenomen begrip van de emissiecijfers maakt het mogelijk de historische uitstoot met steeds meer nauwkeurigheid te bepalen. In de eerdere Klimaatplannen werd de broeikasgasemissie in 1990 op basis van de toen beschikbare gegevens ingeschat op ongeveer 1.200 kiloton CO₂. Daarbovenop is in dit klimaatplan naast de CO₂-emissie ook de uitstoot van andere broeikasgassen meegenomen. De uitstoot van broeikasgassen als lachgas (N₂O) en methaan (CH₄) zijn relatief gering, maar desondanks significant omdat deze een veel zwaarder effect hebben op de opwarming van de aarde. Omwille van de vergelijkbaarheid in de cijfers wordt het effect van elk van deze broeikasgassen teruggerekend naar het effect van CO₂. De totale uitstoot van broeikasgassen wordt daarom weergegeven in CO₂-equivalenten (CO₂e).

4

Inboeknummer 7914745_02 1.2 Sommige taakvelden hebben een ambitieuzere doelstelling dan anderen. Het is niet realistisch de reductiedoelstelling van 55% rechtlijnig door te leggen naar elk taakveld. Sinds 1990 heeft de uitstoot zich in verschillende sectoren heel anders ontwikkeld. Waar de industrie de eigen emissies door het verduurzamen van productieprocessen al in de jaren ’90 aanzienlijk heeft weten terug te dringen, werd bij woningen, publieke en commerciële diensten de daling van de uitstoot pas veel later ingezet en is de uitstoot in de sector mobiliteit op dit ogenblik zelfs nog veel hoger dan dat deze in 1990 was. Bij het vaststellen van de huidige uitstootplafonds per taakveld wordt rekening gehouden met die verschillende ontwikkeling. Bij elkaar opgeteld voldoen de uitstootplafonds aan het doel van de klimaatverordening in 2030 een emissiereductie van 55% te bereiken.

1.3 Niet elk taakveld heeft in 2030 55% emissiereductie gerealiseerd. De Klimaatverordening stelt geen sectorale reductiedoelen vast, maar enkel een overkoepelend doel voor de hele gemeente. De doelen hoeven niet rechtlijnig te worden doorgelegd naar elk taakveld. Per taakveld kan een afwijkend reductiedoel worden vastgelegd, zolang het overkoepelende doel van 55% reductie op de totale broeikasgasemissies maar gehaald wordt.

2.1 Over de emissieplafonds kan geen verantwoording worden afgelegd, omdat de daadwerkelijke uitstootcijfers bij de Jaarrekening nog niet beschikbaar zijn. Met de huidige datasystemen komen de voorlopige emissiegegevens van Eindhoven pas ruim een jaar na het einde van het betreffende rapportagejaar beschikbaar. Daardoor is ook pas in 2032 definitief bekend of Eindhoven de doelen uit de Klimaatverordening zal halen. Om beter en sneller inzicht te hebben in de ontwikkeling van de emissies, is daarom een nieuw plannings- en monitoringssysteem in gebruik genomen. Dit systeem, Climateview, maakt het daarnaast ook mogelijk om datagedreven te sturen op het behalen van de klimaatdoelstellingen.

3.1 Het Klimaatplan stelt geen kwantitatieve doelen voor de indirecte uitstoot van de stad. De Klimaatverordening legt alleen reductiedoelen op voor de uitstoot in scope 1 (directe uitstoot) en scope 2 (elektriciteitsverbruik). Het is bekend dat de emissies in scope 3 veel hoger kunnen zijn dan de directe uitstoot. Wel zijn deze emissies op dit moment nog moeilijk meetbaar en inzichtelijk te maken. De komende periode wordt gebruikt om hier, samen met andere steden, meer grip te krijgen en beter op te kunnen sturen. Scope 3-emissies hangen nauw samenhangen met het gebruik van materialen. Eindhoven heeft zich in het tweede Klimaatplan en in het vigerende

5

Inboeknummer 7914745_02 bestuursakkoord ‘Samen Morgen Mooier Maken’ aangesloten bij de Rijksdoelstelling in 2030 het gebruik van primaire abiotische grondstoffen te hebben gehalveerd, op weg naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarom wordt de reductie van dit deel van de indirecte uitstoot van Eindhoven in samenhang beschouwd met het gebruik van grondstoffen en materialen en maakt het onderdeel uit van de beweging naar een circulaire economie.

4.1 Wanneer zich tegenvallers voordoen haalt Eindhoven de klimaatdoelen niet. De potentie van het totaal aan additionele maatregelen is hoger dan 80 kt CO₂e. Door meer reductie te programmeren dan strikt noodzakelijk, is er marge ten aanzien van de te behalen doelen en kunnen tegenvallers worden opgevangen.

Personele consequenties Vaststelling van het Klimaatplan heeft geen directe personele consequenties. Wel is de verwachting dat bij de nadere uitwerking van de onderdelen, met name op het onderdeel circulariteit, de werkzaamheden en doelen niet gerealiseerd kunnen worden binnen de daarvoor beschikbare formatie. Op dat moment zal moeten worden bezien welke extra inzet nodig is en op welke wijze deze gefinancierd kan worden. Dit hangt mede samen met de bereidheid van het Rijk middelen in het kader van de regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE) te continueren.

Financiële consequenties Voor de uitvoering van de in het Klimaatplan benoemde acties en investeringen zijn aanvullende middelen nodig bovenop de bestaande middelen die reeds beschikbaar zijn. In de Kadernota die het college heeft aangeboden aan de raad, legt het college een voorstel voor financiering voor, die na vaststelling in de begroting 2026 kan worden verwerkt. Ten aanzien van de investeringen in energie- infrastructuur en het start-portfolio van het gemeentelijk energiebedrijf Eindhoven Energie geldt dat de kapitaallasten in ieder geval tot 2029 toereikend zullen zijn. Over de periode daarna bestaat nog geen zekerheid, omdat pas later duidelijk wordt hoe de businesscase voor toekomstige projecten exact is opgebouwd, wat het gevraagde investeringsvolume voor het betreffende project zal zijn en wat daarvan de structurele kapitaallasten zullen bedragen. Dit kan betekenen dat extra structurele middelen moeten worden vrijgemaakt, of dat met het aantrekken van ontwikkelpartners de gemeentelijke deelneming en daarmee de investeringsvraag wordt verkleind. Naast investeringsmiddelen zijn ook meerjaarlijks incidentele middelen nodig voor onder andere de verduurzamingsaanpak van utiliteitsgebouwen, de woningvoorraad en het werken aan een toekomstvast energiesysteem. De eerstkomende twee jaar kan dit grotendeels worden gedekt vanuit de nog resterende middelen SMMM en de reserve

6

Inboeknummer 7914745_02 Energietransitie. Ook worden niet benutte middelen voor het afdekken van kapitaallasten van de strategische investeringen aan het incidentele budget toegevoegd. Wanneer deze middelen zijn uitgeput, zal ofwel de reserve energietransitie moeten worden aangevuld, dan wel het structurele beschikbare budget moeten worden opgehoogd.

Communicatie Het programmabureau Klimaat en Energie heeft als opdracht om samen met gemeentelijke afdeling communicatie, Eindhoven365 en andere relevante partners een krachtige communicatiestrategie te ontwikkelen voor zowel de stad als de eigen organisatie. Dat gebeurt in samenhang met de Europese Klimaatmissie, waarmee de gemeente samen met de stad de klimaatopgave oppakt en versnelt. Doel van de strategie is het beter onder de aandacht brengen van de klimaatopgave, de ambitie, de plannen en de daaruit voorvloeiende acties voor de toekomst duidelijk te communiceren. In begrijpelijke taal en beeld, op maat waar mogelijk en inclusief ‘het waarom’. De communicatiestrategie heeft mede als doel mensen bewust maken van wat de klimaatverandering betekent. De strategie moet inhoudelijk worden geladen met een concreet handelingsperspectief, waarmee inwoners, ondernemers en bezoekers worden ondersteund om bij te dragen aan de klimaatdoelstellingen. De strategie wordt in de komende klimaatplanperiode verder uitgebouwd.

Planning en uitvoering De acties en activiteiten in dit Klimaatplan worden uitgewerkt in de sector- en afdelingsplannen binnen de gemeentelijke organisatie, in uitvoeringsstrategieën of plannen van aanpak. Daar waar sprake is van investeringen, zoals bij het tot ontwikkeling brengen van een warmtekavel of het anderszins investeren in infrastructuur, wordt een apart investeringsbesluit aan de raad voorgelegd. Voor de uitvoering is het aangaan van samenwerkingen binnen en buiten de organisatie van groot belang. De gemeente Eindhoven werkt samen met de provincie en de regiogemeenten in de MRE samen aan de Regionale Energiestrategie en aan de aanpak van netcongestie. En samen met Groningen, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Amsterdam is duo-stad Eindhoven-Helmond één van de koplopersteden die zich hebben verbonden aan de Europese Klimaatmissie. Dit opent nieuwe mogelijkheden voor samenwerking met andere Europese steden en vergroot de kansen op het aantrekken van Europese geldstromen die nodig zijn om de klimaatdoelen dichterbij te brengen. Eveneens van groot belang is de betrokkenheid van de hele stad bij het klimaatbeleid. Samen met bedrijven werkt de gemeente aan de verduurzaming van bedrijventerreinen en samen met inwoners wordt vorm gegeven aan het verduurzamen van de gebouwde omgeving.

7

Inboeknummer 7914745_02 Evaluatie Jaarlijks wordt via de reguliere planning- en controlcyclus gerapporteerd over de emissiedoelen die per taakveld zijn vastgesteld. Tegelijk met de begroting wordt ook de klimaatrapportage aangeboden, die meer duiding en diepte geeft op de huidige stand van zaken in Eindhoven betreffende klimaat en energie. Daarnaast wordt vanaf 2025 gewerkt met een nieuw plannings- en monitoringssysteem, ClimateView. Dit is een aanvulling op de bestaande verantwoordingsinstrumenten en maakt het mogelijk betere en actuelere inschattingen te maken. In de begroting en in de klimaatrapportage zal vanaf nu ook verwezen worden naar Climateview.

Bijlage Als bijlage bij dit voorstel behoort: • Klimaatplan III, 2026-2030

Een ontwerpraadsbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven,

, secretaris.

8

Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 april 2025; besluit: 1. De maximale emissie van broeikasgassen in Eindhoven in het jaar 2030 vast te stellen op 620,6 kt CO₂e en deze onder de jaarschijven taakvelden te verdelen als volgt: a. taakveld 0.3, Overige gebouwen en gronden: 12,0 kt (2026); 11,0 kt (2027); 10,0 kt (2028); 9,0 kt (2029); 8,0 kt (2030); b. taakveld 0.4, Overhead (kernportefeuille): 0,4 kt (2026); 0,3 kt (2027); 0,2 kt (2028); 0,1 kt (2029); 0,0 kt (2030); c. taakveld 2.1, Verkeer en vervoer: 248,8 kt (2026); 236,0 kt (2027); 223,2 kt (2028); 210,3 kt (2029); 194,9 kt (2030); d. taakveld 3.2, Fysieke bedrijfsinfrastructuur: 322,7 kt (2026); 291,6 kt (2027); 260,8 kt (2028); 229,6 kt (2029); 200,5 kt (2030); e. taakveld 4.2, Onderwijshuisvesting: 32,1 kt (2026); 29,0 kt (2027); 26,0 kt (2028); 23,0 kt (2029); 20,3 kt (2030); f. taakveld 5.2, Sportaccommodaties: 3,8 kt (2026); 3,4 kt (2027); 3,1 kt (2028); 2,8 kt (2029); 2,6 kt (2030); g. taakveld 5.3, Cultuur: 3,8 kt (2026); 3,4 kt (2027); 3,1 kt (2028); 2,8 kt (2029); 2,6 kt (2030); h. taakveld 8.3, Wonen en bouwen (woningen): 246,8 kt (2026); 226,6 kt (2027); 205,9 kt (2028); 185,6 kt (2029); 164,8 kt (2030); i.

taakveld 8.3, Overige publieke dienstverlening: 45,5 kt (2026); 40,6 kt (2027); 35,9 kt (2028); 31,2 kt (2029); 26,9 kt (2030); j. Totale uitstoot: 916,2 kt (2026); 842,3 kt (2027); 768,4 kt (2028); 694,5 kt (2029); 620,6 kt (2030). 2. De onder 1 genoemde uitstootplafonds te verwerken in de Begroting 2026. 3. Het Klimaatplan III, 2026-2030 vast te stellen als richtinggevend document voor het Klimaatbeleid voor de komende vijf jaar. 4. Additionele maatregelen voor emissiereductie vast te stellen om in 2030 onder het bij beslispunt 1 genoemde emissieplafond, te weten: a. aanleg van een lokaal waterstofnetwerk; b. versnelling elektrificatie van proceswarmte op bedrijventerreinen; c. versnellingsimpuls van de aanleg van warmtenetten op bedrijventerreinen; d. handhaving erkende maatregelen e. stimuleren emissieloze bouwvoer en bouwwerktuigen; f. versnellingsimpuls verduurzaming utiliteitsgebouwen; g. versnellingsimpuls verduurzaming woningen. 5. Technologische innovaties op het gebied van emissiebeperking of het verwijderen van koolstof uit de atmosfeer te ondersteunen. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 10 juni 2025 , griffier.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15443874/1