Raadsvoorstel Reglement van orde gemeenteraad Eindhoven 2024
Tekst van het document
gemeente Eindhoven Inboeknummer Beslisdatum Dossiernummer
Raadsvoorstel Reglement van orde gemeenteraad Eindhoven 2024 Inleiding De raad stelt conform de Gemeentewet een reglement van orde op. Dit reglement van orde wordt periodiek bijgewerkt om te voorzien in gewijzigde wetgeving en de veranderende werkwijze van de gemeenteraad. Dit raadsvoorstel voorziet in deze actualisatie voor 2024. Wettelijke taak Artikel 16 gemeentewet schrijft voor dat de raad een reglement van orde vaststelt voor zijn werkzaamheden. Doelstelling Een geactualiseerd reglement van orde voor de gemeenteraad. Voorstel 1. Het Reglement van orde van de gemeenteraad Eindhoven 2023 in te trekken; 2. Het Reglement van orde van de gemeenteraad Eindhoven 2024 vast te stellen. Argumenten Wettelijke grondslag van raadscommissies is verduidelijkt Zowel het fractievoorzittersoverleg als de agendacommissies zijn commissies ingesteld door de raad. Zij vervullen taken van de raad, namens de raad. De grond hiervoor is te vinden in artikel 84 van de Gemeentewet. Hiermee verschillen zij van de raadscommissie KnoopXL of de Meningsvormende vergaderingen. Dit zijn raadscommissies die besluiten voorbereiden en hebben hun grondslag in artikel 82. Op basis van deze verduidelijking is ook het voorzitterschap van het fractievoorzittersoverleg verduidelijkt. De plaatsvervangend voorzitter van de raad zit het fractievoorzittersoverleg voor.
Om voorzitter te zijn van een raadscommissie moet een raadslid ook lid zijn van deze commissie. Wanneer de plaatsvervangend voorzitter van de raad geen fractievoorzitter kan dit dus niet. Daarom zijn beide plaatsvervangend voorzitters van de raad automatisch lid van het fractievoorzittersoverleg.
Inboeknummer
De tweede plaatsvervangend voorzitter, indien deze zelf geen fractievoorzitter is, hoeft alleen aanwezig te zijn als deze het voorzitterschap moet waarnemen. Deze principes zijn nu in bepalingen uitgewerkt. Taken van fractievoorzittersoverleg verduidelijkt Onder de taken van het fractievoorzittersoverleg is toegevoegd: het bespreken van aangelegenheden en voorzieningen van huishoudelijke aard die betrekking hebben op de raad. Dergelijke zaken worden door de fractievoorzitters besproken, maar vallen mogelijk niet duidelijk onder de al omschreven taak: het bespreken van aangelegenheden inzake het functioneren van de raad in algemene zin; Met de aanpassing van het proces rond uitreiking van het ereburgerschap is de formele bevoegdheid van het toekennen belegd bij de burgemeester (vanuit diens rol als eenkoppig bestuursorgaan). De fractievoorzitters geven nu een bindend advies aan de burgemeester. De relevante bepaling is daarop aangepast. Ten aanzien van werkgroepen instellen is verduidelijkt dat het gaat om raadswerkgroepen. Afhankelijk van de agenda of de werkzaamheden kan het voorkomen dat medewerkers van de griffie op aanwijzen van de griffie aanwezig zijn bij het fractievoorzittersoverleg. Dit is nu benoemd.
Bepalingen rond agendacommissie aangescherpt en aangepast In de huidige verordening staat de burgemeester kan worden uitgenodigd voor de vergaderingen van de agendacommissie. De gewenste en bestaande praktijk is dat de burgemeester standaard is uitgenodigd voor de vergaderingen. Deze bepaling is in lijn hiermee aangepast. Aan de taken van de agendacommissie is toegevoegd dat deze commissie verantwoordelijk is voor het agenderen van raadsvoorstellen van juridische aard waar een raadsbesluit vereist is. Het kan dan gaan om beslissingen op bezwaren tegen raadsbesluiten of openbaringsverzoeken van geheime informatie. Deze kunnen formeel niet door het college van B&W worden ingebracht omdat dit een raadsbevoegdheid is en de raad hier zelf voor verantwoordelijk is. De voorbereiding van deze voorstellen wordt, net als bezwaren tegen
2
Inboeknummer
beslissingen van het college van B&W, verzorgd door de afdeling juridische zaken (in het kader van ambtelijke bijstand). Termijn voor wensen en bedenkingen college bij initiatiefvoorstellen verruimd. Het huidige reglement stelt een termijn van twee weken waarbinnen het college zijn wensen en bedenkingen kan overbrengen aan de raad. In de praktijk is gebleken dat deze termijn niet haalbaar is, aangezien dit de ambtelijke organisatie een week geeft dit voor te bereiden en de deadline voor aanlevering bij het college te redden voor tijdige besluitvorming. Initiatiefvoorstellen worden in raadsvergaderingen aangeboden en daarna gepubliceerd. Dat is ook het uiterste moment waarop het college om een reactie wordt gevraagd. Het voorstel wordt dan doorgaans pas ingepland in de tweede cyclus na de raadsvergadering waarin het is aangeboden. Uitgaande van dit uiterste moment en een termijn van drie weken zou een reactie van het college minstens één week voor de meningsvormende behandeling naar de raad worden gestuurd. Daarmee is zelfs in het meest ongunstige scenario nog voldoende voorbereidingstijd voor de raad. Wanneer behandeling in de tweede raadsavond plaatsvindt of het voorstel al voor de aanbieding in de raadsvergadering met het college wordt gedeeld is er sprake van meer voorbereidingstijd.
3
Inboeknummer
Volgorde van stemming bij motie en raadsvoorstel aangepast In het huidige reglement van orde is bepaald dat eerst over het raadsvoorstel wordt gestemd en vervolgens over moties die zijn ingediend bij dit raadsvoorstel. Het komt dikwijls voor dat raadsleden het wel of niet aannemen of toezeggen van moties als relevant ervaren voor hun stemgedrag bij het raadsvoorstel. Raadsleden moeten in dergelijke gevallen zelf vragen de stemvolgorde aan te passen. Derhalve is het voorstel deze volgorde de standaard te maken. Procedure rond staken stemmen bij amendement of motie beschreven Artikel 32 van de Gemeentewet regelt de procedure rond stemming over voorstellen, inclusief de procedure wanneer de stemmen staken (evenveel voor- als tegenstemmers). Op basis van de algemeen geaccepteerde lezing van jurisprudentie gelden deze bepalingen ook voor amendementen, deze wijzigen immers het voorstel. In het belang van duidelijkheid is deze algemene juridische regel nu opgenomen in het reglement. Deze juridische redenatie gaat niet op voor een motie, aangezien deze het voorstel niet wijzigt. Het kan voorkomen dat een motie politiek zwaarwegend is en de stemming over een motie bepalend kan zijn voor het stemgedrag van fracties ten aanzien van een voorstel.
Mochten de stemmen staken bij een motie kunnen deze fracties altijd een ordevoorstel doen om ook de stemming over het voorstel uit te stellen tot een volgende vergadering. Het gaat dan om een politieke weging, geen juridische. Derhalve is het ook niet logische eenzelfde bepaling als voor amendementen ook voor moties op te nemen in het reglement. Aantal raadsleden bij stembureau stemming over personen Het aantal raadsleden dat door de voorzitter wordt gevraagd als stembureau te fungeren is verlaagd van drie naar twee. De praktijk heeft uitgewezen dat drie raadsleden een te groot aantal is en twee volstaat. Kanttekeningen Geen. Financiële consequenties Geen. Communicatie Het reglement van orde zal bekend worden gemaakt waarna het in werking treedt.
4
Inboeknummer
Planning en uitvoering Het reglement van orde treedt in werking de dag na bekendmaking. Evaluatie Evaluatie van de werkwijze en het vergadersysteem is een continu aandachtspunt in de agendacommissie, een taak die conform dit reglement is belegd bij dit gremium. De agendacommissie kan hiervoor in overleg treden met het fractievoorzittersoverleg. Dit kan leiden tot aanpassingen aan het reglement van orde. Bijlage(n) Geen. Een ontwerpraadsbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. De agendacommissie.
5
Inboeknummer
Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven gelet op artikelen 16, 77, 82 t/m 84 en 147a van de Gemeentewet; gelet op Hoofdstuk Va. van de Gemeentewet; besluit: vast te stellen het navolgende
Reglement van orde van de gemeenteraad Eindhoven 2024 Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In dit reglement wordt verstaan onder: -
agendacommissie: de door de raad aangewezen leden die de agenda's van de vergaderingen van de raadscommissies en gemeenteraad voorbereiden;
-
amendement: een voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbesluit, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;
-
college: het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven;
-
fractie: een groep van een of meerdere raadsleden, behorende tot dezelfde politieke groepering;
-
fractievoorzittersoverleg: het overleg van alle fractievoorzitters van de gemeenteraad en vormt tevens het dagelijks bestuur van de gemeenteraad;
-
griffier: de griffier van de raad of hun plaatsvervanger;
-
initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander voorstel;
6
Inboeknummer
-
interpellatie: het vragen van inlichtingen aan het college of de burgemeester over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda;
-
meningsvormende vergadering: een raadscommissie zoals ingesteld door de raad die tot taak heeft de besluitvorming van de raad voor te bereiden en te overleggen met het college of de burgemeester;
-
motie: een korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;
-
subamendement: een voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft;
-
voorbereidende bijeenkomst: een bijeenkomst die tot doel heeft de raad te informeren over zaken waarover op een later moment besluitvorming zal plaatsvinden of contact te leggen tussen de inwoners van de stad en de raad;
-
voorstel van orde: een voorstel betreffende de orde van de raadsvergadering;
-
voorzitter: de voorzitter van de raad of hun plaatsvervanger;
-
wet: de Gemeentewet.
Artikel 2. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter 1.
2.
De voorzitter is belast met:
a.
het leiden van de vergadering;
b.
het handhaven van de orde;
c.
het doen naleven van het reglement van orde.
De voorzitter wordt, op grond van artikel 77 lid 1 van de wet, vervangen door een plaatsvervangend voorzitter of tweede plaatsvervangend voorzitter van de raad.
3.
De raad benoemt de plaatsvervangend en tweede plaatsvervangend van de raad.
7
Inboeknummer
Artikel 3. Fractievoorzittersoverleg 1.
De raad heeft een commissie, zoals bedoeld in artikel 84 van de wet, genaamd het fractievoorzittersoverleg..
2.
De voorzitters van de in de raad vertegenwoordigde fracties de zijn lid van het fractievoorzittersoverleg.
3.
De eerste en tweede plaatsvervangend voorzitter van de raad zijn lid van het fractievoorzittersoverleg.
4.
De plaatsvervangend voorzitter van de raad is de voorzitter van het fractievoorzittersoverleg. Bij hun afwezigheid wordt diegene vervangen door de tweede plaatsvervangend voorzitter van de raad.
5.
De tweede plaatsvervangend voorzitter van de raad is alleen aanwezig bij het fractievoorzittersoverleg als die de eerste plaatsvervangend voorzitter van de raad vervangt, tenzij de tweede plaatsvervangend voorzitter van de raad reeds lid is van het fractievoorzittersoverleg op grond van het derde lid.
6.
Fractievoorzitters kunnen zich bij afwezigheid laten vervangen door een raadslid uit hun eigen fractie.
7.
Het fractievoorzittersoverleg heeft in ieder geval als taak:
a.
het bespreken van aangelegenheden inzake het functioneren van de raad in algemene zin;
b.
het bespreken van aangelegenheden en voorzieningen van huishoudelijke aard die betrekking hebben op de raad;
c.
het namens de raad vervullen van representatieve taken waar representatie van de raad als zodanig gewenst is;
d.
de burgemeester te voorzien van bindend advies inzake het toewijzen van het ereburgerschap van de stad Eindhoven;
e.
het instellen van een raadswerkgroep indien een complexe vraag of onderwerp nader dient te worden uitgewerkt, al dan niet op verzoek van de raad.
8.
De griffier en de door de griffier aangewezen medewerkers van de griffie zijn aanwezig bij het fractievoorzittersoverleg en zien toe op de verslaglegging.
8
Inboeknummer
9.
De voorzitter van de raad is adviseur van het fractievoorzittersoverleg en wordt voor elke vergadering uitgenodigd.
10. Het fractievoorzittersoverleg vergadert in beslotenheid.
Artikel 4. Agendacommissie 1.
De raad heeft een agendacommissie bestaande uit minstens vijf leden van de raad.
2.
De agendacommissie is een raadscommissie zoals bedoeld in artikel 83 van de wet.
3.
De leden van de agendacommissie worden benoemd door de raad. Hierbij wordt gestreefd naar een evenwichtige afspiegeling van de samenstelling van de raad.
4.
De raad benoemt de voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van de agendacommissie.
5.
De griffier of een door diegene aangewezen medewerker van de griffie is bij elke vergadering van de agendacommissie aanwezig.
6.
De griffier of een door diegene aangewezen medewerker van de griffie is secretaris van de agendacommissie en ziet toe op de verslaglegging.
7.
De voorzitter van de raad is adviseur van de agendacommissie en wordt voor elke vergadering uitgenodigd.
8.
De secretaris en de voorzitter van de agendacommissie bereiden de vergadering van de agendacommissie voor.
9.
Leden van de agendacommissie worden bij afwezigheid niet vervangen. Bij langdurige afwezigheid van een lid kan de raad besluiten voor de duur van de afwezigheid een vervangend lid aan te wijzen.
10. De agendacommissie heeft tot taak: a.
het vaststellen van de conceptagenda’s van de voorbereidende bijeenkomsten, meningsvormende vergaderingen en de raadsvergaderingen;
b.
het vaststellen van de vergadercyclus van de raadsavonden (voorbereidende bijeenkomsten en meningsvormende vergaderingen) en de raadsvergadering;
9
Inboeknummer
c.
het bespreken van de vergaderwijze van de raad en zijn commissies, het functioneren van de raadscyclus en voorstellen doen voor het verbeteren van de vergaderwijze;
d.
het adviseren van de voorzitter van de raad over de orde van de raadsvergaderingen;
e.
het toezien op agendering van initiatiefvoorstellen en agenderingsverzoeken vanuit de raad;
f.
het vaststellen van spreektijden en spreektijdenregelingen;
g.
het voorbereiden van raadsvoorstellen die betrekking hebben op regelingen en besluiten van procedurele aard voor zover deze de eigen huishouding van de raad betreffen;
h.
het voorbereiden van raadsvoorstellen die betrekking hebben op regelingen en besluiten van juridische aard waar de raad het bevoegde bestuursorgaan is;
i.
het adviseren en plannen van werkbezoeken en presentaties voor de raad.
11. De agendacommissie beslist in beginsel op basis van consensus. Indien dit niet kan beslist zij op basis van meerderheid.
12. De agendacommissie vergadert in beslotenheid.
Artikel 5. De griffier 1.
De griffier is aanwezig tijdens de raadsvergaderingen.
2.
Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een plaatsvervanger die door de raad is aangewezen.
3.
De griffier kan op uitnodiging van de voorzitter aan beraadslagingen in raadsvergaderingen deelnemen.
Artikel 6. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden 1.
Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad een geloofsbrievencommissie in bestaande uit drie raadsleden.
2.
Deze onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit
10
Inboeknummer
aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies. 3.
Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen.
4.
Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
5.
In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.
Artikel 7. Benoeming wethouders 1.
De geloofsbrievencommissie onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de wet en kan van de kandidaat-wethouder een verklaring omtrent het gedrag vragen als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
2. De burgemeester geeft voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad. De risicoanalyse en de eindconclusie zijn niet openbaar. 3. De geloofsbrievencommissie betrekt het eindresultaat van de risicoanalyse integriteit bij haar onderzoek en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder. 4.
Alvorens wordt overgegaan tot de benoeming van de kandidaat-wethouder wordt de raad in staat gesteld om de kandidaat-wethouder inhoudelijk te bevragen middels een openbare bevraging.
Artikel 8. Fracties 1.
Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd.
11
Inboeknummer
2.
Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren.
3.
De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.
4.
Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.
5.
Voor het splitsen dan wel vormen van nieuwe fracties is geen toestemming vereist van de raad.
6.
Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging.
Hoofdstuk 2. Ter vergadering Paragraaf 1. Voorbereiding Artikel 9. Oproep en agenda 1.
De voorzitter zendt ten minste tien dagen voor een raadsvergadering de raadsleden een schriftelijke oproep en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken.
2.
In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van een schriftelijke oproep in overleg met de agendacommissie een aanvullende agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 72 uur voor aanvang van de raadsvergadering wordt deze met de daarbij behorende stukken aan de raadsleden gezonden.
3.
Op de stukken, bedoeld in het eerste en tweede lid, is artikel 10, derde lid, van toepassing.
4.
De agenda wordt bij aanvang van een raadsvergadering door de raad vastgesteld.
Artikel 10. Ter inzage leggen van stukken 1.
Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op een agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke
12
Inboeknummer
oproep op het gemeentehuis ter inzage gelegd. Als na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de raadsleden en zo mogelijk door middel van openbare kennisgeving. 2.
Digitaal beschikbare stukken worden op de website van de gemeenteraad geplaatst.
3.
Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier.
Artikel 11. Openbare kennisgeving 1.
Raadsvergaderingen worden door plaatsing op de internetsite van de gemeente ter openbare kennis gebracht. Er kan in aanvulling daarop aankondiging in één of meer dag-, nieuws- of huis- aan huisbladen plaatsvinden.
Paragraaf 2. Raadsvergaderingen Artikel 12. Presentielijst 1.
De griffier draagt zorg voor het bijhouden van presentielijsten van raadsvergaderingen.
2.
Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de griffier door ondertekening wordt vastgesteld.
Artikel 13. Zitplaatsen 1. De voorzitter, de raadsleden en de griffier hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter bij iedere nieuwe zittingsperiode van de raad aangewezen. 2. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na bespreking in het fractievoorzittersoverleg. 3. De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders, gemeentesecretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn uitgenodigd.
Artikel 14. Spreekregels
13
Inboeknummer
De raadsleden en de wethouders spreken bij voorkeur vanaf het daartoe bestemde spreekgestoelte en richten zich tot de voorzitter.
Artikel 15. Volgorde sprekers 1. Een raadslid voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hun verkregen te hebben. 2. De voorzitter verleent het woord in de volgorde waarin het is gevraagd. Diegene kan daar gemotiveerd van afwijken. 3. De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer een raadslid het woord vraagt over de orde van de vergadering.
Artikel 16. Behandeling hamerstukken 1.
Een onderwerp of voorstel dat op de voorlopige agenda is geplaatst waarover geen moties en/of amendementen zijn aangekondigd is een hamerstuk.
2.
Een raadslid streeft ernaar uiterlijk om 12.00 uur op de dag van de raadsvergadering de stemverklaring op een hamerstuk aan te melden bij de griffier.
Artikel 17. Behandeling bespreekstukken 1.
Een onderwerp of voorstel waarover wel moties en/of amendementen zijn aangekondigd is een bespreekstuk.
2.
Indien bij een onderwerp of voorstel dat op de voorlopige agenda is geplaatst als hamerstuk moties of amendementen worden ingediend, wordt het onderwerp een bespreekstuk.
3.
Bij de behandeling van een bespreekstuk worden alleen de daarbij ingediende moties en/of amendementen besproken.
4.
In de raadsvergadering krijgen de fracties die een motie en/of amendement hebben aangekondigd als eerste de gelegenheid voor een termijn. In deze termijn wordt ook de motie en/of het amendement toegelicht. Interrupties zijn toegestaan. De voorzitter kan besluiten de interrupties pas toe te staan aan het einde van de termijn van de fractie.
5.
Na de eerste termijn krijgt het college het woord om in te gaan op de inhoud van de moties en amendementen.
14
Inboeknummer
6.
Na de toelichting door het college krijgen de fracties die een motie en/of amendement hebben aangekondigd als eerste het woord in de tweede termijn, waarna de overige fracties de gelegenheid krijgen om te reageren.
7.
De voorzitter van de meningsvormende vergadering waarin het onderwerp of voorstel is besproken, attendeert de voorzitter op herhaling van discussies uit de meningsvormende vergadering.
Artikel 18. Aantal spreektermijnen 1. Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. 2. Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten. 3. Fracties voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel. 4. Bij de bepaling hoeveel keer een fractie over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde, een persoonlijk feit of een interruptie.
Artikel 19. Interruptie 1. De voorzitter kan een interruptie uitdrukkelijk of stilzwijgend toelaten. 2. Interrupties dienen te bestaan uit vragen zonder inleiding of korte mededelingen. 3. De voorzitter kan besluiten interrupties pas toe te staan aan het einde van de termijn van een fractie of het college.
Artikel 20. Deelname aan beraadslaging door anderen Onverminderd artikel 21, eerste en tweede lid, van de wet, kan de raad besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.
Artikel 21. Voorstellen van orde De voorzitter en de raadsleden kunnen tijdens een raadsvergadering mondeling een voorstel van orde betreffende de vergadering doen. De raad beslist hier terstond over.
15
Inboeknummer
Paragraaf 3. Stemmingen Artikel 22. Beslissing 1. Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit diegene de beraadslaging, tenzij de raad anders beslist. 2. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel voor de te nemen beslissing.
Artikel 23. Stemverklaring Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag kort toelichten.
Artikel 24. Procedure bij hoofdelijke stemming 1.
De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.
2.
Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen aan de raadsvergadering deelnemende raadsleden opmerken voor het videoverslag en de besluitenlijst, dat zij bij stemming hadden tegengestemd of zich van stemming hadden onthouden overeenkomstig artikel 28 van de wet.
3.
Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad.
4.
Bij hoofdelijke stemming roept de griffier de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid en verloopt verder op alfabetische volgorde.
5.
Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden, die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, hun stem uit door zich 'voor' of 'tegen' te verklaren, zonder enige toevoeging.
6.
Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen tot het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.
7.
De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit.
16
Inboeknummer
8.
De hoofdelijke stemming kan via een digitaal stemsysteem worden gehouden. In dat geval blijven het vierde en vijfde lid buiten werking en brengen de raadsleden hun stem uit door ‘voor’ of ‘tegen’ te stemmen middels een stemkastje. De uitslag van de stemming wordt openbaar gemaakt waarbij is vermeld welke raadsleden “voor” en welke raadsleden “tegen” hebben gestemd.
Artikel 25. Stemmingen over amendementen en moties 1.
Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.
2.
Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft.
3.
Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd.
4.
Artikel 32 van de wet is van toepassing op amendementen.
5. 6.
Indien conform het vierde lid de stemmen staken bij een amendement wordt de beslissing over het voorstel en andere amendementen op dit voorstel waarover nog besluitvorming heeft plaatsgevonden uitgesteld tot een volgende vergadering.
7.
Als aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over de motie gestemd en vervolgens over het voorstel. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken.Indien de stemmen staken bij een motie wordt alleen de beslissing over deze motie uitgesteld tot een volgende vergadering.
17
Inboeknummer
Artikel 26. Stemming over personen 1.
Bij stemming over personen voor benoemingen of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de voorzitter twee raadsleden tot stembureau. Zij worden in hun taak bijgestaan door de griffier.
2.
Aanwezige raadsleden die zich niet ingevolge artikel 28 van de wet van deelneming aan de stemming moeten onthouden, zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren.
3.
Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.
4.
Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal raadsleden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden
5.
Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de wet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die raadsleden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd.
6.
In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van het stembureau.
7. Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.
Paragraaf 4. Verslaglegging en ingekomen stukken Artikel 27. Besluitenlijst 1.
De besluitenlijst wordt zo spoedig mogelijk ter vaststelling aan de raad aangeboden.
2.
De besluitenlijst houdt in ieder geval in: a.
de namen van de voorzitter, de griffier en de ter vergadering aanwezige en afwezige raadsleden;
b.
een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;
c.
een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de raadsleden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de raadsleden die zich overeenkomstig de wet van stemming hebben onthouden;
d. 3.
de toezeggingen.
De besluitenlijst wordt opgesteld onder de zorg van de griffier.
18
Inboeknummer
Artikel 28. Ingekomen stukken 1.
Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de raadsleden digitaal ter beschikking gesteld met de voorstellen en overige stukken.
2.
De raad stelt op voorstel van de agendacommissie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.
3.
Indien een raadslid aan de raad een andere afdoening voorstelt, gebeurt dit gemotiveerd; diegene kan daartoe de inhoud van het ingekomen stuk ter sprake brengen.
Paragraaf 5. Besloten raadsvergaderingen Artikel 29. Toepassing reglement op besloten vergaderingen Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.
Artikel 30. Verslag besloten vergadering 1.
Conceptbesluitenlijsten van besloten raadsvergaderingen worden niet verspreid, maar uitsluitend voor de raadsleden ter inzage gelegd bij de griffier.
2.
Deze besluitenlijsten worden zo spoedig mogelijk in een besloten raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van de vastgestelde besluitenlijst.
3.
De vastgestelde besluitenlijsten worden door de griffier ondertekend.
Artikel 31. Opheffing geheimhouding en delen geheime informatie met derden 1.
Als de raad op grond van artikel 89, vierde lid, van de wet voornemens is de geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt,
19
Inboeknummer
daarover in een besloten raadsvergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd. 2.
Een raadslid kan de raad voorstellen over te gaan tot opheffen van geheimhouding. Hiervoor dient diegene, uiterlijk twee weken voorafgaand aan de eerstvolgende raadsvergadering, een verzoek in bij de agendacommissie.
3.
De agendacommissie draagt zorg voor het opstellen van een raadsvoorstel voor opheffing van de geheimhouding, zij wint daarbij ambtelijk advies in over: a.
de juridische grondslag voor het opheffen, dan wel in stand houden van de geheimhouding;
b.
de gevolgen en risico’s die opheffing met zich meebrengen voor de gemeente en derden;
4.
De agendacommissie draagt zorg voor de agendering van het raadsvoorstel tijdens de eerstvolgende raadsvergadering.
5.
Het college wordt tijdens deze raadsvergadering in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op het voorgenomen besluit aan de raad over te brengen.
6.
Informatie waarop geheimhouding rust wordt alleen gedeeld met derden indien: a.
de raad dit noodzakelijk acht voor het uitoefenen van zijn taken en hiertoe besluit;
b.
het college dit noodzakelijk acht voor het dagelijks bestuur van de gemeente en hiertoe besluit;
7.
Indien het college op grond van het zesde lid, aanhef en onder b, besluit informatie waarop geheimhouding rust met derden te delen brengt hij dit ter kennis van de raad.
Paragraaf 6. Toehoorders en pers Artikel 32. Toehoorders en pers 1.
Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen.
2.
Het blijk geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.
Artikel 33. Geluid- en beeldregistraties
20
Inboeknummer
1.
Tijdens de vergadering kunnen er door of in opdracht van de griffier geluiden beeldregistraties worden gemaakt.
2.
Degenen die van een openbare raadsvergadering geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen.
Hoofdstuk 3. Bevoegdheden, instrumenten raadsleden Artikel 34. Amendementen en subamendementen 1.
Ieder raadslid kan amendementen indienen. Ook kan diegene voorstellen een geagendeerde voorgestelde beslissing in één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Alleen beraadslaagd kan worden over amendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst hebben getekend en deelnemen aan de vergadering.
2.
Ieder raadslid dat deelneemt aan de vergadering, is bevoegd op het amendement dat door een raadslid is ingediend, een wijziging, verder te noemen subamendement, voor te stellen.
3.
Raadsleden streven ernaar (sub)amendementen schriftelijk om 12.00 uur op de dag voorafgaand aan de raadsvergadering in te dienen bij de griffier.
4.
Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.
Artikel 35. Moties 1.
Raadsleden streven ernaar moties schriftelijk om 12.00 uur op de dag voorafgaand aan de raadsvergadering in te dienen bij de griffier.
2.
De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft.
3.
Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.
Artikel 36. Vrije moties
21
Inboeknummer
1.
Een motie met betrekking tot een onderwerp dat niet op de agenda staat, moet worden ingediend bij de griffier op de dag voorafgaand aan de raadsvergadering voor 12.00 uur, behoudens de gevallen dat dit naar oordeel van de voorzitter in redelijkheid niet mogelijk was.
2.
De agendacommissie kan de raad adviseren over de behandeling van een vrije motie.
3.
Vrije moties worden in één termijn behandeld.
4.
In de raadsvergadering krijgen de fracties die een vrije motie hebben aangekondigd als eerste de gelegenheid voor een termijn.
5.
Na de eerste termijn van de raad krijgt het college het woord om in te gaan op de inhoud van de vrije motie.
6.
Tenslotte krijgen de fracties die een vrije motie hebben aangekondigd het laatste woord om aan te geven wat zij, gehoord hebbende de raad en het college, met de vrije motie doen.
Artikel 37. Initiatiefvoorstel 1.
Een initiatiefvoorstel wordt alleen in behandeling genomen indien het schriftelijk, via de griffier, bij de voorzitter is ingediend.
2.
De indiener krijgt aan het begin van de eerstvolgende raadsvergadering de mogelijkheid om het initiatiefvoorstel kort toe te lichten. De agendacommissie kan besluiten hiervan af te wijken.
3.
Het initiatiefvoorstel wordt ter kennis gebracht van het college onder vermelding van de voorlopige behandeling. De agendacommissie verzoekt het college binnen drie weken zijn wensen en bedenkingen aangaande het initiatiefvoorstel over te brengen.
4.
De agendacommissie ziet toe op de agendering van het initiatiefvoorstel.
5.
De raad neemt een voorstel niet in behandeling indien het voorstel in strijd is met een wet, een algemene maatregel van bestuur of een verordening.
6.
De agendacommissie kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een voorstel.
Artikel 38. Voorstel van het college aan de raad 1.
Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, wordt niet ingetrokken zonder toestemming van de raad.
22
Inboeknummer
2.
Als de raad van oordeel is dat het nodig is een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug te zenden aan het college, geeft de raad aan de agendacommissie mee binnen welke termijn hij het voorstel opnieuw geagendeerd wil zien.
Artikel 39. Interpellatie 1.
Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, tenminste 72 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.
2.
De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college.
3.
Toestemming tot het houden van de interpellatie wordt verleend indien het verzoek na stemming wordt gesteund door ten minste negen raadsleden.
4.
De raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.
5.
Bij de behandeling van de interpellatie wordt de eerste ondertekenaar van het interpellatieverzoek in de gelegenheid gesteld een inhoudelijke mondelinge toelichting te geven.
6.
Daarna beantwoordt het college, respectievelijk de burgemeester de gestelde vragen.
7.
Vervolgens worden de eerste ondertekenaar van het verzoek en de woordvoerders van de overige fracties in de gelegenheid gesteld om in één termijn te reageren.
8.
Het college, respectievelijk de burgemeester reageert vervolgens op de door de raad gemaakte opmerkingen.
9.
Na een eventueel benodigde schorsing geeft de voorzitter de interpellant een laatste maal de gelegenheid het woord te voeren en kan de interpellant desgewenst een motie indienen.
Artikel 40. Schriftelijke vragen 1.
Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien.
2.
De vragen worden bij de griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college worden gebracht.
23
Inboeknummer
3.
Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen vier weken, nadat de vragen zijn binnengekomen. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het college de vragensteller hiervan in kennis, waarbij de termijn wordt aangegeven, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.
4.
De antwoorden worden door het college aan de raadsleden digitaal beschikbaar gesteld en gepubliceerd.
Artikel 41. Inlichtingen 1.
Indien een raadslid over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de wet verlangt, wordt een verzoek daartoe schriftelijk ingediend bij het college.
2.
Een afschrift van dit verzoek wordt door de indiener toegezonden aan de raad.
3.
De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de eerstvolgende of in de daaropvolgende vergadering gegeven.
4.
De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.
Artikel 42. Vragenhalfuur 1.
Ieder raadslid heeft het recht om tijdens het vragenhalfuur aan het begin van de raadsvergadering mondeling één of meer bondig geformuleerde vragen aan de burgemeester of het college te stellen over een onderwerp dat niet op de agenda voorkomt.
2.
Het raadslid dat tijdens het vragenhalfuur vragen wil stellen, doet daartoe een verzoek, onder vermelding van de te stellen vraag of vragen, schriftelijk bij de griffier, uiterlijk om 12.00 uur op de dag van de raadsvergadering.
3.
De raad kan in een bijzonder geval voor het mondeling vragenhalfuur ook een ander tijdstip vaststellen. De voorzitter bepaalt dan het tijdstip waarop het onderwerp van de vragen bij hun dient te zijn aangemeld.
4.
Per vraag van een raadslid wordt een tijdsduur uitgetrokken voor de vraag en het antwoord van 5 minuten. De maximaal beschikbare tijdsduur voor het vragenhalfuur bedraagt 30 minuten. De agendacommissie kan voorafgaand aan de vergadering een andere tijdsduur voorstellen. De voorzitter kan in overleg met de raad aan het begin van de vergadering een andere tijdsduur voor het vragenhalfuur vaststellen.
24
Inboeknummer
5.
Tijdens het vragenhalfuur kan geen verlof gevraagd worden tot het houden van een interpellatie, noch kunnen moties worden ingediend.
Hoofdstuk 4. Slotbepalingen Artikel 43. Uitleg reglement In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter.
Artikel 44. Intrekking oude reglement Het Reglement van orde van de gemeenteraad van Eindhoven 2023 wordt ingetrokken.
Artikel 45. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Dit reglement treedt in werking met ingang van de dag na die van de vaststelling. 2. Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van Orde van de gemeenteraad van Eindhoven 2024.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 17 december 2024.
J. Jongbloed, griffier.
25
Inboeknummer
Toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen Begrippen die in het Reglement van orde veelvuldig voorkomen zijn toegelicht.
Artikel 2. Voorzitter en plaatsvervangend voorzitter De raad benoemt een plaatsvervangend voorzitter en een tweede plaatsvervangend voorzitter zodat in voorkomende gevallen de voorzitter van de raad een vervanger heeft.
Artikel 3. Fractievoorzittersoverleg Het fractievoorzittersoverleg is het aangewezen gremium om zich bezig te houden met het functioneren van de raad in algemene zin. Ook het instellen van raadswerkgroepen is opgedragen aan het fractievoorzittersoverleg. Het fractievoorzittersoverleg heeft ook als taak de burgemeester te adviseren over het toekennen en intrekken van het ereburgerschap van de stad Eindhoven.
Artikel 4. Agendacommissie De agendacommissies heeft een belangrijke taak in het voeren van regie op de agenda’s van de voorbereiding, meningsvorming en raadsvergadering. Hierbij doet de agendacommissies voorstellen voor categorie indeling (wel of geen discussie), tijdsindicatie en volgorde op de agenda. Het beoordelen van behandelrijp zijn van stukken behoort hier ook toe. Daarnaast is de agendacommissie verantwoordelijk voor het vaststellen van de spreektijden regeling en adviseert zij de voorzitter van de raad. Ook is de agendacommissie het aangewezen gremium waarin de vergaderwijze en de vergadercyclus worden geëvalueerd. Hierover kan de agendacommissie in overleg treden met het fractievoorzittersoverleg en met voorstellen voor verbeteringen komen. In het verlengde hiervan is de agendacommissie ook verantwoordelijk voor het voorbereiden van raadsvoorstellen die betrekking hebben op regelingen en besluiten van huishoudelijke en procedurele aard voor zover deze de eigen huishouding van de raad betreffen. De uiteindelijke beslisbevoegdheid ligt uiteraard bij de raad en derhalve zal een sondering van voorstellen vooraf wenselijk zijn.
26
Inboeknummer
Artikel 5. De griffier De raad is verplicht een griffier te benoemen op grond van artikel 107 van de wet. De griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de raad. De griffier is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De wet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 van de wet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld kan worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In de instructie voor de griffier zijn de taken van de griffier uitgewerkt.
Artikel 6. Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van diens benoeming (artikel V 1 van de Kieswet). Voor dit benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De benoemde meldt schriftelijk aan de raad of diegene de benoeming aanneemt (artikel V 2 van de Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat diegene hun benoeming aanneemt legt diegene aan de raad stukken over waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die diegene bekleedt, een uittreksel uit de basisregistratie personen met hun woonplaats, geboorteplaats en -datum en (indien nietNederlander) stukken waaruit blijkt dat diegene voldoet aan de vereisten van artikel 10, tweede lid, van de wet (artikel V 3 van de Kieswet). Het onderzoek van de geloofsbrieven en de beslissing over de toelating moeten in een openbare vergadering gebeuren. Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid, van de wet) betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie die de geloofsbrieven onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk.
Ingevolge artikel V 4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na de raadsverkiezingen beslist de raad in oude samenstelling in zijn laatste vergadering over de toelating van de nieuw gekozen leden. Met ingang van
27
Inboeknummer
00:00 uur de volgende dag treedt de nieuwe raad aan (artikel 18 van de wet en artikel C 4, tweede lid, van de Kieswet).
Eerste en tweede lid De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft benoemd.
Derde lid Het onderzoek van het proces-verbaal (onderzoek naar het verloop van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt door de oude raad vlak voor de eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het onderzoek van het proces-verbaal strekt zich niet uit tot de geldigheid van de kandidatenlijsten. Het derde lid ziet op de specifieke taak die de raad heeft na de raadsverkiezingen. Na de gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het vaststellen van de uitslag (of deze juist is vastgesteld). Zij doet dit op basis van het proces-verbaal van het centraal stembureau. De raad dient op basis van dit advies een besluit te nemen over het verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag. Dit besluit is van belang omdat de raad de bevoegdheid heeft om te besluiten tot het hertellen van de stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus. Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad een dergelijk besluit kan baseren.
Op 28 februari 2014 heeft de minister van BZK een circulaire uitgebracht waarin toegelicht wordt wanneer de raad gebruik kan maken van deze bevoegdheid (Gemeenteraadverkiezingen: hertellingen, kenmerk 20140000116196, 28 februari 2014, Ministerie van BZK. Zie: https://vng.nl/files/vng/publicatie_bijlagen/2014/20140319-hertellinggemraadsverk-bzk2014-0000116196.pdf). In deze circulaire wordt onder meer uiteengezet wanneer de raad tot hertelling kan besluiten. Het ligt niet voor de hand dat besloten wordt tot een hertelling waarvan tevoren duidelijk is dat deze niet tot een andere samenstelling in de raad kan leiden. Ook een verschil in zetels tussen de voorlopige uitslag en de definitieve uitslag is geen reden om over te gaan tot hertelling.
28
Inboeknummer
Vierde en vijfde lid Na een raadsverkiezing kunnen de toegelaten raadsleden op de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling als bedoeld in artikel 18 van de wet de eed of verklaring en belofte afleggen. De voorzitter zal hen hiervoor oproepen (vierde lid). Bij tussentijdse vacaturevervulling kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden (vijfde lid). De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de wet vastgelegd.
Artikel 7. Benoeming wethouders Artikel 7 geeft invulling aan een leemte in de wet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, regelt de Kieswet hierover niets. De wet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze worden getoetst. Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de wet). Voor de benoeming van een wethouder zal er een integriteitstoets plaatsvinden. Na het onderzoek, bedoeld in het derde lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder (derde lid). Artikel 7 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw te worden beoordeeld. Een raadslid dat wordt benoemd tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van hun opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de wet).
Alvorens wordt overgegaan tot de benoeming van de kandidaat-wethouder wordt de raad in staat gesteld om de kandidaat-wethouder inhoudelijk te bevragen middels een openbare bevraging.
Artikel 8. Fracties
29
Inboeknummer
De Kieswet en de wet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de wet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd (eerste lid). De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee (tweede lid).
Vierde lid In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede (vierde lid). Het is ook mogelijk dat een raadslid hun lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Diegene kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie. Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen. Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de wet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan diegene rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot hun stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen.
De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze bepalingen
30
Inboeknummer
heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie. Dit betekent ook dat: - kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de wet en de Kieswet; - personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen; - als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren. Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het fractievoorzittersoverleg, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal en bezetting in de meningsvormende vergadering.
Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).
Vijfde en zesde lid De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde; als een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren gebeurt dit ook. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam.
31
Inboeknummer
Artikel 9. Oproep en agenda In artikel 19, eerste lid, van de wet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering. De agendacommissie bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het eerste lid stelt verplicht dat de voorzitter een vastgesteld aantal dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken stuurt. Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst, de oproep en stukken per elektronische weg te versturen. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering. In het eerste lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen (tweede lid). Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de mogelijkheid vervallen om individuele raadsleden te informeren.
Als omtrent informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie op grond van hoofdstuk Va van de wet geheimhouding is opgelegd, blijft deze informatie in afwijking van het eerste en tweede lid onder berusting van de griffier. Raadsleden kunnen deze informatie inzien ( derde lid juncto artikel 10, derde lid). Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet). Het vierde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.
32
Inboeknummer
Indien er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de wet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de wet.
Artikel 10. Ter inzage leggen van stukken Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden (eerste lid). Naast de fysieke terinzagelegging op het stadhuis, zullen de stukken doorgaans op elektronische wijze worden aangeboden. Dit gaat via een digitaal raadsinformatiesysteem of door plaatsing op de gemeentesite. Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo). Een ‘document’ houdt in: een door een bestuursorgaan, opgemaakt of ontvangen schriftelijk stuk of ander geheel van vastgelegde gegevens dat naar zijn aard verband houdt met de publieke taak van dat orgaan. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Woo. Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet uitgebreid van ‘stukken’ naar ‘informatie’ (artikel 19, tweede lid, van de wet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, van de wet).
College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de wet) ten aanzien van informatie die bij het desbetreffende orgaan berust. Onder de ‘informatie’ als bedoeld in het derde lid wordt verstaan: informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd.
33
Inboeknummer
Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop geheimhouding is gelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. Indien de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de wet). De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd voor raadsleden (derde lid).