Raadsvoorstel Dertiende wijziging APV Eindhoven
Tekst van het document
gemeente Eindhoven Inboeknummer 23bst01590 Dossiernummer 23.45.151 B&W beslisdatum 07 november 2023
Raadsvoorstel Dertiende wijziging APV Eindhoven
Inleiding De APV Eindhoven wordt jaarlijks in juni en december geactualiseerd. De komende december-actualisering betreft aanpassingen die van belang en noodzakelijk zijn voor een goed functioneren van de APV-praktijk. Daar waar mogelijk wordt ten behoeve van de uniformiteit aangesloten bij het model van de Vereniging voor Nederlandse gemeenten (hierna “VNG”).
Wettelijke taak X
Kerntaak gekoppeld aan het werkprogramma van het college
Onvermijdelijk
Doelstelling Het actueel houden van de APV Eindhoven Voorstel Instemmen met de dertiende wijziging van de APV Eindhoven conform het ontwerpraadsvoorstel. Argumenten 1.1 Achtergrond proces van wijziging APV Eindhoven Op 21 juni 2016 heeft uw raad een integraal herziene en dus nieuwe APV voor Eindhoven vastgesteld. Daarna heeft uw raad een aantal malen besloten tot wijziging van de APV Eindhoven, de laatste keer was dit in juni 2023. In onderhavige dertiende wijziging van de APV Eindhoven worden de volgende aanpassingen voorgesteld 1.2 Artikel 2:27 Begripsbepalingen (definitie Openbare inrichting) Aan de definitie betreffende openbare inrichting, in dit artikel onder sub a weergegeven wordt de activiteit afhalen toegevoegd. Hiermee wordt regelmatige discussie in handhavingszaken voorkomen. De definitie komt als volgt te luiden:
Inboeknummer
23bst01590
“ a. elke voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid, dan wel gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken, met inbegrip van een terras;” Daarnaast wordt de definitie onder sub b tekstueel verduidelijkt en wel als volgt: “ b. onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, café, waterpijpcafé, pension, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, afhaalzaak of clubhuis;” Dit voorkomt naar het oordeel van de afdeling Handhaving eveneens veel discussie in handhavingszaken. 1.3 Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting Aan artikel 2:28 wordt op verzoek van de afdelingen Vergunningen en Handhaving een nieuw vierde lid toegevoegd: “4. - De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. Dit aanhangsel maakt onlosmakelijk deel uit van de vergunning.” Dit heeft als voordeel dat indien er een wijziging optreedt met betrekking tot leidinggevenden dit eenvoudiger en efficiënter kan worden verwerkt door de afdeling Vergunningen zonder afbreuk te doen aan het juridische kader.
Als gevolg van deze wijziging dienen de leden 4 en 5 te worden vernummerd tot respectievelijk 5 en 6. Voorts dient in artikel 2:28 lid 3 onder b te worden toegevoegd: ‘standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, tenzij het gaat om standplaatsen die er langer staan dan 68 dagen’. Standplaatsen kunnen worden aangemerkt als een afhaalzaak. Een afhaalzaak is conform artikel 2:27 aan te merken als een openbare inrichting en daarmee vergunning plichtig ingevolge artikel 2:28. Het is echter onwenselijk om van ondernemers voor standplaatsen, zeker met de flexibilisering daarvan, ook nog een exploitatievergunning te verlangen. Dit proces duurt vaak ook enkele maanden. Gelet hierop is het voorstel om standplaatsen uit te zonderen van de vergunningplicht van artikel 2:28. Standplaatsen die een permanent karakter hebben, dienen echter wel over een exploitatievergunning te beschikken, om oneerlijke concurrentie met reguliere openbare inrichtingen te voorkomen. Er is hierbij aansluiting gezocht bij de termijn voor de seizoen plaatsen (1 november t/m 7 januari).
1.4 Artikel 2:30 Aanwezigheid leidinggevende Op verzoek van de afdelingen Vergunningen en Handhaving dient artikel 2:30 aangevuld te worden met de leden 2, 3 en 4, en komt als volgt te luiden: ‘1.Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde leidinggevende in de inrichting aanwezig is; 2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de vergunning en aanhangsel ter plaatse aanwezig zijn; 3. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester dat een persoon als leidinggevende dient te worden bijgeschreven op de vergunning. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel behorende bij de vergunning. 4. De burgmeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag.
2
Inboeknummer
23bst01590
Dit heeft als voordeel dat indien er een wijziging optreedt met betrekking tot leidinggevenden dit eenvoudiger en efficiënter kan worden verwerkt door de afdeling Vergunningen zonder afbreuk te doen aan het juridische kader. 1.5 Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten Betaalde proeverijen bij slijters zijn nu niet toegestaan, maar de Alcoholwet maakt het nu mogelijk dat gemeenten bij verordening (APV) kunnen bepalen dat slijterijen proeverijen mogen organiseren. Het Alcoholbesluit bevat nadere voorwaarden waaraan een proeverij moet voldoen. De proeverij mag alleen plaatsvinden buiten de normale openingstijden van de slijterij, maar wel binnen de tijden waarop de slijterij bij of krachtens de Winkeltijdenwet geopend mag zijn. De slijterij moet gedurende de proeverij gesloten zijn voor klanten. Er mag per slijterij slechts één proeverij per dag worden georganiseerd en maximaal drie proeverijen per week. De kosten voor deelname moeten voorafgaand aan de proeverij door een leidinggevende bij het slijtersbedrijf zijn vastgesteld. Ook de deelnemers moeten bekend zijn bij het slijtersbedrijf voordat de proeverij plaatsvindt. De slijterij mag tijdens of na afloop van de proeverij alleen die drank voor thuisgebruik verkopen die tijdens de proeverij wordt geschonken. De verkoop van andere soorten drank tijdens of na afloop van de proeverij is dus uitdrukkelijk niet toegestaan.
De VNG heeft in haar modelverordening navolgend artikel opgenomen: “Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2. De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.” De afdelingen Vergunningen en Handhaving stellen voor de model bepaling van de VNG over te nemen. 1.6 Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen Artikel 2:47 APV Eindhoven heeft als titel “Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen.” Ingevolge dit artikel is het verboden om op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers, of aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen of aan de rechthebbende van een winkelbedrijf of openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:27, onnodig overlast of hinder berokkent.
Naar aanleiding van de motie ‘Onderzoek opnemen straatintimidatie in de APV’ wordt de titel van artikel 2:47 aangevuld met ‘straatintimidatie’. In het naar u toegestuurde Plan van Aanpak Straatintimidatie wordt deze APV wijziging aangekondigd. De overheid wil slachtoffers van seksuele en seksueel getinte misdrijven beter beschermen. Daarom is in oktober 2022 een wetsvoorstel seksuele misdrijven ingediend waarin seksuele intimidatie strafbaar wordt als overtreding. Bedoeld wordt dan ‘een ander in het openbaar indringend seksueel benaderen door middel van opmerkingen, gebaren, geluiden of aanrakingen op een wijze die vreesaanjagend, vernederend,
3
Inboeknummer
23bst01590
kwetsend of onterend is te achten’. Hieronder valt het maken van expliciete seksuele toespelingen of het aanraken van lichaamsdelen. Maar ook geluiden, als sissen, klakken of fluiten. Op dit moment is het wetsvoorstel in behandeling bij de Tweede Kamer, naar verwachting zal deze wet in 2024 in werking treden. Onderzocht is of en op welke wijze er in de tussentijd toch een norm kan worden gesteld. Door straatintimidatie op te nemen in de APV dragen we deze norm sterker uit. Daarnaast heeft het ook een preventieve werking. Dit willen we doen door in de titel van het reeds bestaande artikel 2:47 het woord “straatintimidatie” expliciet toe te voegen. Artikel 2:47 stelt hinder strafbaar. Dit artikel is verschillende malen gebruikt bij het bestrijden van hinderlijk gedrag. Door straatintimidatie onder deze bepaling in de APV op te nemen kan er expliciet tegen worden opgetreden in de openbare ruimte. Het gedrag wordt hiermee strafbaar gesteld, niet de uiting. Wanneer we het artikel inzetten op straatintimidatie kunnen we dit bovendien vermelden in de correspondentie richting de dader en slachtoffers. Dit onderstreept de normatieve en preventieve werking. Met betrekking tot handhaving wordt opgemerkt dat plegers op heterdaad betrapt moeten worden en goed in de gaten moet worden gehouden dat geen inbreuk wordt gemaakt op de vrijheid van meningsuiting.
Bij straatintimidatie gaat het immers vaak om de inhoud van hetgeen een persoon in woord of gedraging over wil brengen. Deze zijn vaak onlosmakelijk met elkaar verbonden. In afwachting van de bekrachtiging van het wetsvoorstel kiezen we ervoor aan het huidige artikel 2:47 APV het woord Straatintimidatie toe te voegen vanwege de normerende en preventieve werking die ervan uitgaat. Wij doen dit in navolging van een aantal andere gemeenten waaronder onder meer de gemeenten Enschede, Alkmaar, Rotterdam, Amsterdam, Apeldoorn en Arnhem. 1.7 Artikel 2:65 Bedelverbod Bedelarij neemt in 2023 fors toe in Eindhoven, voornamelijk in het Centrum. Vanuit verschillende kanten komen er signalen dat bedelen in de binnenstad toeneemt, zowel vanuit ondernemers, Politie, en de eigen wijkboa’s. In de periode van maart t/m juni zijn er door de wijkboa’s in het Centrum 117 waarnemingen en vermeldingen van bedelarij geregistreerd. Zowel bij de politie als bij handhaving bestaat het vermoeden dat de bedelaars niet afkomstig zijn uit Eindhoven. Daarnaast zijn er vermoedens van georganiseerde bedelarij, wat kan duiden op mensenhandel (zie bijgevoegde bijlage ‘Advies Politie Bedelverbod gemeente Eindhoven dd. 8 november 2023’). Bij toepassing van het bedelverbod zal politie en handhaving zich voornamelijk richten op de aanpak van georganiseerde bedelarij.
In geval van bedelarij door kwetsbare inwoners van Eindhoven, wordt in eerste instantie doorverwezen naar partners in het sociaal domein. Zo kan een goed sociaal steunsysteem worden georganiseerd. De politie kan in samenwerking met handhaving onderzoeksbevoegdheden inzetten bij het in kaart brengen van de context en achtergrond van bedelarij in Eindhoven, maar is daarbij beperkt tot onderzoek naar strafbare feiten. Strafbaar stellen van bedelen vergroot de onderzoeksmogelijkheden naar de achtergrond en context van het bedelen. Dit geeft inzicht in de achterliggende problematiek en biedt mogelijkheden voor een aanpak van georganiseerde bedelarij. Daarnaast wordt met het APV-artikel een extra
4
Inboeknummer
23bst01590
aanspreekmoment gecreëerd, waarmee kwetsbare Eindhovenaren actief kunnen worden gewezen op mogelijkheden tot zorg. Ingevolge artikel 2:65 is het verboden om in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken. Het college heeft de mogelijkheid daarbij te kiezen voor enkele gebieden of kan de gehele gemeente aanwijzen waar het verbod geldt. Het aanwijzen van enkele gebieden draagt het risico in zich dat bedelaars zich mogelijk verplaatsen binnen de gemeente. Het college zal zich bij het aanwijzen van gebieden richten op wat nodig is voor de aanpak van mogelijke georganiseerde bedelarij en/of de aanpak van ernstige en aanhoudende overlast vanwege bedelarij. Veel andere steden hanteren een bedelverbod. Dat er in Eindhoven geen bedelverbod is, maakt dat de stad vermoedelijk aantrekkelijk is voor georganiseerde bedelarij. Van de G4-gemeenten heeft Rotterdam (2:65), Den Haag (2:52) en Amsterdam (2:21) een bedelverbod in de APV opgenomen. Van de grote steden in Brabant hebben Tilburg (art. 58), Breda (2:66) en Roosendaal (2:65) een bedelverbod. Andere omliggende steden met een bedelverbod zijn Arnhem (2.4.17), Roermond (2.65), Sittard-Geleen (2.65), Venlo (2:65), Venray (2:65) en Weert (2:65).
1.8 Artikel 3.2.5 Seksinrichtingen Op verzoek van de afdelingen Vergunningen en Handhaving wordt artikel 3.2.5 lid 1 gewijzigd, en komt als volgt te luiden: ‘1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat een op de vergunning en het aanhangsel vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.’ Voorts wordt er een nieuw vierde lid toegevoegd: ’4. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de exploitant en beheerders. Dit aanhangsel maakt onlosmakelijk deel uit van de vergunning.’ Tenslotte wordt er een nieuw vijfde lid toegevoegd: ‘5. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester dat een persoon als beheerder dient te worden bijgeschreven op de vergunning. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel behorende bij de vergunning.’ Dit heeft als voordeel dat indien er een wijziging optreedt met betrekking tot beheerders dit eenvoudiger en efficiënter kan worden verwerkt door de afdeling Vergunningen zonder afbreuk te doen aan het juridische kader. 1.9 Artikel 5:17 Begripsbepaling Artikel 5:17 dient op verzoek van de afdelingen Vergunningen en Handhaving te worden aangepast.
In artikel 5:17 lid 2 onder a staat dat onder een standplaats niet moet worden verstaan: ‘een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet .’ Hieruit dient het woord “vaste” te worden geschrapt. Dit houdt verband met het feit dat het beleid er op gericht is flexibel om te kunnen gaan met plaatsen. Dit geldt eveneens voor sub b van dit artikel: ‘b. een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24’. Hier dient eveneens het woord ‘vaste’ te worden geschrapt. Voorts dient aan artikel 5:17 lid 2 een sub c te worden toegevoegd: Onder een standplaats wordt niet verstaan: “c. een standplaats op particulier terrein“
5
Inboeknummer
23bst01590
Zaken als bijvoorbeeld een supermarkt ‘’Jumbo’’ dienen als rechthebbenden over standplaatsen op eigen terrein zelf te kunnen beslissen. Op diverse plekken in Eindhovens staan standplaatsen op eigen terrein (niet zijnde gemeentegrond). In het kader van minder regels waar mogelijk, willen we de vergunningplicht hierop loslaten. Indien een ondernemer een standplaats inneemt zonder toestemming van de eigenaar, dan betreft dit een privaatrechtelijk geschil.
2.0 Artikel 5:18 Standplaatsen In 2021 is ingestemd met het raadsvoorstel Ambulante handel in Eindhoven. Een onderdeel van dit dossier was de flexibilisering van standplaatsen in Eindhoven. In de APV is destijds geregeld dat een vergunning niet noodzakelijk was als het ging om standplaatsen die door het college als zodanig zijn aangewezen. Met de invoering van flexibele standplaatsen is onverhoopt in de APV blijven staan dat voor standplaatsen ook nog een vergunning verleend kan worden. Dit is onwenselijk met de huidige systematiek van flexibele standplaatsen. Het voordeel van de flexibele standplaatsen is dat middels een aanwijzingsbesluit op grond van artikel 5:18, vierde lid (in het voorstel het tweede lid) het eenvoudiger is om ad hoc en stads breed in te spelen op lokale behoeften en wijken in buurten. Met de huidige vergunningssystematiek zijn er bovendien ook onvoldoende weigeringsgronden. Er zou hierdoor een wildgroei aan standplaatsen kunnen ontstaan. Dit kan voorkomen worden door de vergunningplicht uit de APV te halen. Indien blijkt dat er onvoldoende standplaatsen zijn aangewezen, zal het college een aanvullend aanwijsbesluit nemen.
Artikel 5:18 lid 2 dient op verzoek van de afdelingen Vergunningen en Handhaving als volgt te worden gewijzigd: “Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de standplaatsen die door het college als zodanig zijn aangewezen.” 2.1 Artikel 5:19 en 5:20 vervallen Artikel 5:19 is een bepaling over particuliere terreinen, met de voorgestelde wijziging van artikel 5:17 is dit artikel niet meer relevant en kan deze vervallen. Artikel 5:20 is overbodig geworden omdat het eerste lid van dit artikel verwijst naar hogere regelgeving die van rechtswege overrulend werkt. Daarnaast komt de weigeringsgrond waar het tweede lid van dit artikel naar verwijst met de voorgestelde wijziging van artikel 5:18 te vervallen. 2.2 Artikel 5:21a Loketverkoop Aan artikel 5:21 a dient op verzoek van de afdelingen Vergunningen en Handhaving lid 3 als volgt te worden toegevoegd; Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17.’
Kanttekeningen Nvt. Kosten In beginsel zijn er geen extra kosten gemoeid met betreffende APV wijziging.
6
Inboeknummer
23bst01590
Communicatie Bekendmaking van de wijziging van de APV Eindhoven vindt plaats middels publicatie in het Gemeenteblad. Planning en uitvoering Uitvoering vindt direct na inwerkingtreding van de wijziging van de APV Eindhoven plaats. Evaluatie De APV Eindhoven wordt jaarlijks in juni en december geëvalueerd en zo nodig geactualiseerd.
Bijlage(n) Als bijlage(n) bij dit voorstel behoren: • Was-wordt-tabel wijziging APV Eindhoven • Advies Politie Bedelverbod gemeente Eindhoven dd. 8 november 2023
De bijlage wordt meegestuurd De bijlage ligt ter inzage in de leeskamer
Een ontwerpraadsbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven,
, secretaris.
7
Inboeknummer
23bst01590
Ontwerp Raadsbesluit
Besluit van de raad van de gemeente Eindhoven tot dertiende wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Eindhoven (APV Eindhoven) De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van; gelet op de artikelen 149 van de Gemeentewet; besluit: Artikel I De APV Eindhoven wordt als volgt gewijzigd: A Artikel 2:27 sub a en b, betreffende de begripsbepaling openbare inrichting komt te luiden: ’a. elke voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies worden verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid, dan wel gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken, met inbegrip van een terras; b. onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, café, waterpijpcafé, pension, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis, afhaalzaak of clubhuis’; B Aan artikel 2:28 wordt een nieuw vierde lid toegevoegd, en wel als volgt: ’4. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden. Dit aanhangsel maakt onlosmakelijk deel uit van de vergunning.’ C Artikel 2:28 leden 4 en 5 worden vernummerd naar respectievelijk 2:28 leden 5 en 6.
8
Inboeknummer
23bst01590
D Aan artikel 2:28 lid 3 wordt toegevoegd: • ‘Standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, tenzij het gaat om standplaatsen die er langer staan dan 68 dagen.’ E Aan artikel 2:30 worden navolgende leden toegevoegd: ‘2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de vergunning ter plaatse aanwezig is. 3. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester dat een persoon als leidinggevende dient te worden bijgeschreven op de vergunning. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel behorende bij de vergunning. 4. De burgmeester bevestigt onverwijld schriftelijk of elektronisch de ontvangst van de aanvraag. F Na artikel 2:34f wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende: ‘Artikel 2:34g Proeverijen in slijtlokaliteiten 1. Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid, van de Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2.
De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.’ F De titel van artikel 2:47 wordt als volgt gewijzigd: ’Hinderlijk gedrag en straatintimidatie op openbare plaatsen’ G Artikel 2:65 wordt opnieuw opgenomen en wel als volgt: ‘Artikel 2:65 Bedelarij Het is verboden in door het college aangewezen gebieden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken.’ H Artikel 3.2.5 lid 1 wordt gewijzigd en er wordt een nieuw lid 4 en 5 toegevoegd:
9
Inboeknummer
23bst01590
‘1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat een op de vergunning en het aanhangsel vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.’ 4. De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de exploitant en beheerders. Dit aanhangsel maakt onlosmakelijk deel uit van de vergunning. 5. Een vergunninghouder meldt aan de burgemeester dat een persoon als beheerder dient te worden bijgeschreven op de vergunning. De melding geldt als aanvraag tot wijziging van het aanhangsel behorende bij de vergunning.’ I Artikel 5:17 lid 1 onder b wordt als volgt gewijzigd: ’b. dat vanaf een openbare en in de open lucht gelegen plaats gebeurt, en’ J Artikel 5:17 lid 2 onder a en b worden als volgt gewijzigd: ‘a. een plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet. b. een plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24’ K Aan artikel 5:17 lid 2 wordt een sub c toegevoegd, als volgt: ‘c. een standplaats op particulier terrein.’ L Artikel 5:18 komt als volgt te luiden: ’Artikel 5:18 Standplaatsen 1. Het is verboden een standplaats in te nemen of te hebben. 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor de standplaatsen die door het college als zodanig zijn aangewezen; 3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van standplaatsen; 4.
Burgemeester en wethouders kunnen in uitzonderlijke gevallen van dit verbod ontheffing verlenen; 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.’ M De artikelen 5:19 en 5:20 vervallen. N
10
Inboeknummer
23bst01590
Aan artikel 5:21a wordt het navolgende lid 3 toegevoegd; ‘3. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17.’ Artikel II Deze verordening treedt in werking met ingang van de 8e dag na de datum van uitgifte van het Gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 19 december 2023. , griffier.
11