CConstaterende datEindhoven
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsvoorstel Delegatie en mandaat Omgevingswet

Raadsvergadering 10 september 2024, gemeente EindhovenBij agendapunt: Raadsvoorstel Delegatie en mandaat Omgevingswet2.694 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

gemeente Eindhoven Inboeknummer 24bst00720 Dossiernummer 24.24.451 B&W beslisdatum 11 juni 2024

Raadsvoorstel Delegatie en mandaat Omgevingswet

Inleiding De Omgevingswet is in werking getreden op 1 januari 2024. De Omgevingswet is bedoeld om het stelsel van regels over ontwikkeling en beheer van de fysieke leefomgeving te vereenvoudigen. De rolverdeling tussen de raad en het college blijft in essentie hetzelfde. Ook onder de Omgevingswet stelt de raad de kaders en het strategisch beleid vast en controleert de raad of het college deze volgens afspraak en naar tevredenheid uitvoert. Zo stelt de raad de omgevingsvisie vast en is de raad bevoegd om wijzigingen van het omgevingsplan vast te stellen. Dit raadsvoorstel gaat over : - delegeren van een aantal bevoegdheden bij het opstellen van een omgevingsplan, en - mandateren van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing die nodig is voor de wijziging van het omgevingsplan. Bij een m.e.r.-beoordelingsbeslissing staat de vraag centraal of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn door de voorgenomen activiteiten en wordt beoordeeld of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Zo zijn er activiteiten waarvoor sowieso een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen en een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Dat staat in de wet. Maar er zijn ook activiteiten waarvan niet zeker is of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten en daarop ziet het voorstel voor mandatering. De initiatiefnemer laat een “m.e.r.

notitie” (aanmeldnotitie) opstellen en op basis daarvan wordt de m.e.r.-beoordelingsbeslissing genomen. Als geen aanzienlijke (nadelige) milieueffecten te verwachten zijn, is het besluit dat geen milieueffectrapport opgesteld hoeft te worden. Daarmee is de m.e.r.-procedure afgerond. In de vorige collegeperiode is afgesproken dat de overgang naar de Omgevingswet zoveel mogelijk beleidsneutraal zal verlopen. Door een aantal besluiten over onderdelen van het omgevingsplan te delegeren aan het college, kan er sneller en efficiënter worden gewerkt.

Inboeknummer 24bst00720 In dit voorstel gaat het met name om delegatie van technische aanpassingen van het omgevingsplan en onderwerpen die spoedeisend zijn (het voorbereidingsbesluit). Ten aanzien van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing in het kader van de procedure van een wijziging van het omgevingsplan voorkomt mandaat aan het college onnodige vertraging in het proces. Daarmee wordt invulling gegeven aan één van de doelen van de Omgevingswet, namelijk snellere besluitvorming. Het huidige delegatiebesluit uit 2002 kan in zijn geheel worden ingetrokken.

Wettelijke taak De wet maakt het mogelijk om bevoegdheden te delegeren of te mandateren. Doelstelling Het op onderdelen efficiënter en sneller wijzigen van het omgevingsplan. Voorstel 1. Aan het college, gelet op artikel 2.8 van de Omgevingswet, de bevoegdheid tot het wijzigen van het omgevingsplan te delegeren indien het betreft: a. het opnemen van onherroepelijke vergunningen die in afwijking van het omgevingsplan zijn verleend, ter voldoening aan artikel 4.17 Omgevingswet; b. bestaande wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten binnen de gestelde randvoorwaarden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan; c. regels die voortvloeien uit instructieregels van het Rijk of de provincie; d. het corrigeren van verschrijvingen en/of verkeerde verwijzingen; e. het aanwijzen van gemeentelijke monumenten; f. het toevoegen of wijzigen van begripsbepalingen voor zover deze geen wezenlijke wijzigingen voor de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben, een en ander conform bijgevoegd concept-besluit. 2. Aan het college, conform bijgevoegd concept-besluit en gelet op artikel 4.14 lid 5 Omgevingswet, de bevoegdheid te delegeren om een voorbereidingsbesluit te nemen, met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels. 3. Het college op te dragen om één keer per jaar een overzicht van de krachtens delegatie genomen besluiten aan de raad te verstrekken. 4.

Het delegatiebesluit van 14 maart 2002, Gemeenteblad 2002, nr 40 in te trekken. 5. Het college, gelet op artikel 10:1 van de Algemene wet bestuursrecht, mandaat te verlenen voor de m.e.r.-beoordelingsbeslissing die nodig is in de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan.

2

Inboeknummer 24bst00720 Argumenten 1.1. Verwerken van onherroepelijke buitenplanse omgevingsvergunningen moet binnen 5 jaar. De Omgevingswet bepaalt dat vergunningen voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten binnen vijf jaar moeten worden verwerkt in het omgevingsplan (artikel 4.17 Omgevingswet). De raad stuurt op hoofdlijnen en het overnemen van onherroepelijke buitenplanse omgevingsvergunningen is een administratieve handeling. Om deze reden kan dit gedelegeerd worden aan het college. 1.2 Wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten waren onder de Wet ruimtelijke ordening bevoegdheden van het college. In sommige oude bestemmingsplannen (nu het tijdelijke omgevingsplan) zijn wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten opgenomen. Hierin wordt aangegeven dat in bepaalde gevallen of voor specifieke locaties het college bevoegd is voor het wijzigen of uitwerken van het bestemmingsplan. De wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten bestaan onder de Omgevingswet niet meer. Wel zijn deze instrumenten nog onderdeel van het ‘tijdelijke omgevingsplan’ (dit zijn onder andere de nu geldende bestemmingsplannen). De opgenomen kaders en randvoorwaarden bij een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht zijn al door uw raad vastgesteld. Daarom kan het college bevoegd blijven voor het wijzigen van het omgevingsplan op grond van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht.

Hieraan is nog behoefte omdat deze onderdeel zijn van het ‘tijdelijke deel’ van het omgevingsplan. 1.3 Instructieregels Rijk of provincie zijn vaak een verplichting. Met een instructieregel geeft een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aan hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Als er binnen deze regels geen afwegingsruimte is, kan de bevoegdheid tot het wijzigen van het omgevingsplan, naar aanleiding van een instructieregel, gedelegeerd worden aan het college. Dit betreft namelijk een administratieve handeling. 1.4 Administratieve wijzigingen zijn technische aanpassingen. Het corrigeren van kennelijke verschrijvingen en verkeerde verwijzingen betreft technische aanpassingen waarbij inhoudelijke besluitvorming niet is vereist. Delegatie van dit onderdeel aan het college ligt hiermee voor de hand. 1.5 Aanwijzing gemeentelijke monument nu ook bevoegdheid college. Onder de Omgevingswet worden gemeentelijke monumenten opgenomen in het omgevingsplan. De aanwijzing vindt plaats door in het omgevingsplan aan de locatie van het desbetreffende gemeentelijke monument de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Vervolgens worden aan die locatie regels verbonden ter bescherming van het gemeentelijk monument. Het aanwijzen van een gemeentelijk monument is op dit moment volgens de Erfgoedverordening een bevoegdheid van het college.

Deze verordening wordt in de

3

Inboeknummer 24bst00720 toekomst opgenomen in het omgevingsplan. Zodra deze verordening is opgenomen, zal het aanwijzen van gemeentelijke monumenten geregeld worden door deze op te nemen in het omgevingsplan. Omdat de bevoegdheid tot het aanwijzen van een gemeentelijk monument nu ook bij het college ligt, ligt het voor de hand dat het college ook verantwoordelijk is voor het wijzigen van het omgevingsplan door het opnemen van een aangewezen monument. 1.6 Toevoegen of wijzigen van begripsbepalingen voor zover geen gevolgen voor fysieke leefomgeving. In het omgevingsplan worden begripsbepalingen opgenomen. Dit kan ertoe leiden dat een begripsbepaling moet worden aangepast of moet worden toegevoegd aan het omgevingsplan, bijvoorbeeld om de leesbaarheid te verbeteren. Het gaat hierbij niet om het aanpassen of toevoegen van begrippen die nadelige effecten kunnen hebben op de fysieke leefomgeving, dan wel nadelige/beperkende effecten kunnen hebben voor inwoners en/of initiatiefnemers. 2.1 Voorbereidingsbesluiten moeten vaak snel genomen worden. Met een voorbereidingsbesluit wordt voor het gebied waarvoor het besluit wordt genomen, de bestaande situatie tijdelijk bevroren totdat het omgevingsplan is gewijzigd. Hiermee wordt voorkomen dat een initiatiefnemer vlak voor aanpassing van het omgevingsplan een vergunningaanvraag indient die niet past binnen de gewenste aanpassingen.

Gelet op de vergaderfrequentie van uw raad en de daarbij horende aanlevertermijnen in relatie tot die van het college, is besluitvorming door het college sneller te organiseren. In artikel 4.14 lid 5 Omgevingswet is daarom een delegatiebevoegdheid voor het nemen van voorbereidingsbesluiten opgenomen. De achterliggende gedachte van de wetgever is hierbij geweest dat het college een wijziging van het omgevingsplan voorbereidt en daardoor goed in staat is om op een effectieve wijze een voorbereidingsbesluit te nemen. 3.1 Of het delegatiebesluit functioneert, kan worden beoordeeld als er gebruik van wordt gemaakt. Het college stelt uw raad één keer per jaar op de hoogte in hoeverre van de delegatiemogelijkheden gebruik is gemaakt en waarvoor. Dit betekent dat aan uw raad een lijst wordt voorgelegd met de onderdelen van het omgevingsplan waarover het college een besluit heeft genomen. Monitoring kan op deze manier goed plaatsvinden. 4.1 Het delegatiebesluit van 14 maart 2002 moet formeel worden ingetrokken. Op 14 maart 2002 stelde de raad een nieuw delegatiebesluit vast naar aanleiding van de Wet dualisering gemeentebestuur. Op grond van die wet werd de werkverdeling tussen raad en college in de Gemeentewet aangepast. De raad kreeg de kaderstellende en controlerende taken en de bestuursbevoegdheden werden bij het college geconcentreerd.

Hierdoor verschoof een groot aantal bevoegdheden naar het college, zodat delegatie niet meer nodig was. In 2002 was medebewindswetgeving nog niet gedualiseerd. Dit verklaart waarom in 2002 nog steeds een delegatiebesluit nodig was voor een aantal bevoegdheden. Materieel heeft het delegatiebesluit uit 2002 al lange tijd zijn werking

4

Inboeknummer 24bst00720 verloren. In 2002 ging het om het nemen van verkeersbesluiten en het verlenen van vrijstelling en ontheffing krachtens de Wegenverkeerswet 1994, respectievelijk het Voertuigreglement en het verstrekken van gehandicaptenparkeerkaarten. Daarnaast werd het voeren van de zogeheten “artikel 19 -procedure” in verband met het verlenen van een vrijstelling van het bestemmingsplan ten behoeve van een bouwplan gedelegeerd. De betreffende bevoegdheden in de wegenverkeerswetgeving zijn inmiddels in de wet neergelegd bij het college en de bevoegdheid uit het Voertuigreglement is vervallen. De vrijstellingsprocedure van artikel 19 Wet op de ruimtelijke ordening is eveneens vervallen. Tot slot werd de bevoegdheid tot het treffen van dadingen en het beëindigen van geschillen door scheidsmannen in 2002 opgenomen in het delegatiebesluit. Deze bevoegdheid wordt gerekend tot de collegebevoegdheid om te besluiten namens de gemeente, het college of de raad tot het voeren van rechtsgedingen (artikel 160, eerste lid, onder e., van de Gemeentewet). De formele intrekking van het delegatiebesluit van 2002 moet nog plaatsvinden. Hiertoe is een bepaling opgenomen in bijgevoegd conceptbesluit. 5.1 De bevoegdheid voor het nemen van een m.e.r.-beoordelingsbeslissing is onder de Omgevingswet ‘beperkt’. Inhoudelijk zijn er geen veranderingen.

Voor de invoering van de Omgevingswet was zowel de raad als het college bevoegd om in de voorbereiding van een bestemmingsplanprocedure een m.e.r.beoordelingsbeslissing te nemen. Op grond van de Omgevingswet mag alleen het bevoegd gezag voor het besluit waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden een m.e.r.-beoordelingsbeslissing nemen. Dit betekent dat de raad in het kader van de wijziging van het omgevingsplan het bevoegde gezag is voor een m.e.r.beoordelingsbeslissing, het college is het bevoegd gezag voor een m.e.r.beoordelingsbeslissing als deze moet plaatsvinden in het kader van een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In een aanmeldnotitie levert (doorgaans) een initiatiefnemer de benodigde informatie aan op basis waarvan het bevoegd gezag de beoordeling moet maken of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Een m.e.r.-beoordelingsbeslissing is een verplichte stap in de m.e.r.-beoordelingsprocedure. Inhoudelijk is er niks veranderd onder de Omgevingswet voor wat betreft de uitgangspunten op basis waarvan een m.e.r.-beoordelingsbeslissing kan worden genomen. 5.2 Het mandateren van het college om een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen sluit aan bij de huidige werkwijze en voorkomt onnodige vertraging. Delegeren betekent dat een taak van de raad wordt overgedragen aan een ander bestuursorgaan.

Delegatie is alleen toegestaan voor zover de specifieke wet dit bepaalt. De Omgevingswet biedt geen grondslag voor het delegeren van de m.e.r.beoordelingsbeslissing. Deze bevoegdheid kan wel door de raad worden gemandateerd, dat wil zeggen dat de raad het college machtigt om deze bevoegdheid uit te oefenen namens (en onder verantwoordelijkheid van) de raad. Het college heeft onder de oude wetgeving dergelijke beslissingen (vrijwel) altijd genomen in de voorbereiding van het (ontwerp) bestemmingsplan. Door het college te mandateren om een m.e.r.-

5

Inboeknummer 24bst00720 beoordelingsbeslissing te nemen in de voorbereiding van de wijziging van het (ontwerp) omgevingsplan verandert er niets ten aanzien van de werkwijze zoals deze plaatsvond onder het oude regime. Daarnaast wordt onnodige vertraging voorkomen in de procedure voor het wijzigen van het omgevingsplan.

Kanttekeningen 1.1, 2.1 en 5.1 Het niet delegeren van bevoegdheden op ondergeschikte onderdelen en het niet mandateren van de m.e.r.-beoordelingsbeslissing vergt meer van de organisatie. Indien de voorgestelde bevoegdheden niet worden gedelegeerd (voorstel onder punt 1 en 2) en gemandateerd (voorstel onder punt 5) gaan deze werkzaamheden meer tijd kosten. Het vraagt meer ambtelijke capaciteit en bestuurlijke inzet. Dit is niet in lijn met de door de raad gevraagde uitvoeringskracht.

Personele consequenties Deze werkzaamheden vallen binnen de algemene werkzaamheden. Het delegatie- en mandaatbesluit zal leiden tot een beperkte afname van werk, vooral in het besluitvormingsproces.

Financiële consequenties Niet van toepassing.

Communicatie Na vaststelling van het delegatie- en mandaatbesluit wordt deze gepubliceerd in het gemeenteblad (officielebekendmakingen.nl). Het besluit komt beschikbaar in de databank lokale wet- en regelgeving (overheid.nl).

Planning en uitvoering Het delegatie- en mandaatbesluit treedt in werking na publicatie.

Evaluatie Het college stelt de raad jaarlijks op de hoogte van het gebruik van de gedelegeerde bevoegdheden door middel van een overzicht. Monitoring door de raad kan op deze manier goed plaatsvinden. Voor de in mandaat genomen m.e.r.-beoordelingsbeslissing is dit niet nodig, omdat het m.e.r.-beoordelingsbesluit met motivering wordt opgenomen in de wijziging van het omgevingsplan. De raad stelt de wijzigingen van het omgevingsplan vast (met uitzondering van de bevoegdheden die gedelegeerd zijn) en neemt op die manier kennis van de betreffende m.e.r.-beoordelingsbesluiten.

6

Inboeknummer 24bst00720

Bijlage(n) Als bijlage(n) bij dit voorstel behoren: • Delegatie- en mandaatbesluit Omgevingswet

Een ontwerpraadsbesluit bieden wij u hierbij ter vaststelling aan. Burgemeester en wethouders van Eindhoven,

, secretaris.

7

Inboeknummer 24bst00720

Ontwerp Raadsbesluit De raad van de gemeente Eindhoven; gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van ; overwegende dat: • de Omgevingswet de mogelijkheid aan de raad biedt om de bevoegdheid om een omgevingsplan te wijzigen over te dragen aan het college; • deze delegatie passend is voor zover de genoemde gevallen uitvoering geven aan eerder door de raad vastgesteld beleid of het beleid van hogere overheden; • de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid aan de raad biedt om het college te mandateren om een m.e.r.-beoordelingsbeslissing te nemen die nodig is voor de wijziging van het (ontwerp) omgevingsplan; • door mandatering de huidige werkwijze voor een m.e.r.-beoordelingsbeslissing in stand kan blijven; • dit besluit zorgt dat ontwikkelingen in de stad sneller mogelijk gemaakt kunnen worden en de transitie naar één integraal omgevingsplan sneller kan verlopen. Gelet op artikel 2.8 van de Omgevingswet, artikel 4.14 lid 5 van de Omgevingswet en artikel 10:1 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit: vast te stellen het Delegatie- en mandaatbesluit Omgevingswet gemeente Eindhoven Artikel 1 Delegeren bevoegdheden vaststellen omgevingsplan De raad delegeert de bevoegdheid tot het wijzigen van het omgevingsplan aan het college indien het betreft: a. Het opnemen van onherroepelijke vergunningen die in afwijking van het omgevingsplan zijn verleend, ter voldoening aan artikel 4.17 Omgevingswet. b. Bestaande wijzigingsbevoegdheden en uitwerkingsplichten binnen de gestelde randvoorwaarden van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. c. Regels die voortvloeien uit instructieregels vanuit het Rijk en de provincie. d. Het corrigeren van verschrijvingen en/of verkeerde verwijzingen. e. Het aanwijzen van gemeentelijke monumenten. f. Het toevoegen of wijzigen van begripsbepalingen voor zover deze geen wezenlijke wijzigingen voor de fysieke leefomgeving tot gevolg hebben.

Artikel 2 Delegeren bevoegdheid voorbereidingsbesluit De raad delegeert de bevoegdheid tot het nemen van een voorbereidingsbesluit zoals bedoeld in artikel 4.14 lid 5 Omgevingswet, met het oog op de voorbereiding van in het omgevingsplan te stellen regels, aan het college.

8

Inboeknummer 24bst00720

Artikel 3 Mandateren bevoegdheid tot het nemen van een m.e.r.beoordelingsbeslissing De raad mandateert de bevoegdheid tot het nemen van een m.e.r.-beoordelingsbeslissing dat nodig is voor de wijziging van het omgevingsplan aan het college. Artikel 4 Overzicht genomen besluiten Het college rapporteert aan de raad eenmaal per jaar met een overzicht van de krachtens delegatie genomen besluiten. Artikel 5 Intrekking Het besluit van 14 maart 2002, Gemeenteblad 2002, nr 40, inzake “Delegatie van bevoegdheden van raad aan burgemeester en wethouders” wordt ingetrokken. Artikel 6 Inwerkingtreding Dit besluit treedt in werking op de dag dat het wordt bekend gemaakt.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van

, griffier.

9

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14272254/1