Nadere toelichting bij raadsvoorstel Zienswijze wijzigingsvoorstellen regelingen MRE, GGD, BZO, ODZOB, VRBZO en GRWRE
Tekst van het document
gemeente Eindhoven Inboeknummer 23bst01707 Dossiernummer 23.47.103_4.7.1. B&W beslisdatum 24 november 2023
Nadere toelichting bij raadsvoorstel Onderwerp: Raadsvoorstel Zienswijze wijzigingsvoorstellen gemeenschappelijke regelingen MRE, GGD BZO, ODZOB, VRBZO en GRWRE . Tijdens de raadsavond op 21 november 2023 is het raadsvoorstel ‘Zienswijze wijzigingsvoorstellen gemeenschappelijke regelingen MRE, GGD BZO, ODZOB, VRBZO en GRWRE’ besproken. Wethouder van Lanschot heeft toegezegd (notulering griffie) met een nadere toelichting te komen over het enquêterecht in de gewijzigde GR MRE. Bijgaand ontvangt u deze informatie. Gemeenschappelijk enquêterecht is mogelijk bij een collegeregeling De gemeenteraad kan samen met de andere gemeenteraden van de deelnemende gemeenten op voorstel van een van de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten een onderzoek instellen naar de bestuursvoering van het betreffende openbaar lichaam, bedrijfsvoeringsorganisatie of gemeenschappelijke orgaan. Het enquêterecht is bedoeld als onderzoeksinstrument en controlemiddel van de raad richting het collegebestuur. Om die reden kan het gemeenschappelijke enquêterecht enkel worden ingesteld door gemeenteraden van deelnemende gemeenten aan een collegeregeling, en is het gebruik ervan uitgesloten bij deelname aan raadsregelingen of gemengde regelingen waaraan raden deelnemen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een door de gemeenteraden gezamenlijk in te stellen gemeenschappelijke onderzoekscommissie.
Dat betekent dat in álle gemeenteraden een meerderheid van de raadsleden moet stemmen voor het houden van een gemeenschappelijke enquête naar een gemeenschappelijke regeling.
Inboeknummer 23bst01707
De raad kan de bevoegdheid tot het instellen van een gemeenschappelijke enquêterecht niet overdragen aan het college of een door het college ingestelde bestuurscommissie. Het gemeenschappelijk enquêterecht kan voor de voorliggende GR’en worden ingezet, met uitzondering van GR MRE, omdat de GR MRE een gemengde regeling is waaraan raden deelnemen. De voorschriften met betrekking tot de procedure en samenstelling van de gemeenschappelijke onderzoekscommissie zijn vastgelegd in de Gemeentewet.
Daarnaast zijn er vragen gesteld over de bevoegdheid van de Rekenkamer t.a.v. GR’en en de participatie GR’en. Ook hierover informeren wij u graag. Bevoegdheid Rekenkamer t.a.v. GR’en De rekenkamer kan op verzoek van de gemeenteraad een onderzoek instellen naar het gevoerde bestuur van het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan waaraan de gemeente deelneemt. Deze bevoegdheid dient gezien te worden als een verdere inkleuring van de bevoegdheid van de rekenkamer om onderzoek in te stellen naar de doelmatigheid, doeltreffendheid en rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde bestuur. Een rekenkamer dient de andere rekenkamers van de deelnemende gemeenten te informeren op het moment dat een dergelijk onderzoek wordt ingesteld. Dit om overlappende onderzoeken te voorkomen. De bevoegdheid van de rekenkamer is vastgelegd in de Gemeentewet. Participatie De gewijzigde Wgr maakte het oorspronkelijk mogelijk om in een gemeenschappelijke regeling op te nemen dat geen mogelijkheid van participatie wordt geboden. In het wetsvoorstel betreffende de Wgrwijziging (Kamerstuk 35513, nr.
2) was in eerste instantie in artikel 10, zevende lid het volgende over participatie was opgenomen: “Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent of en indien dit het geval is de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden.”
2
Inboeknummer 23bst01707 In de bijbehorende Memorie van Toelichting (Kamerstuk 35513, nr. 3) stond: “Deze wijziging ziet erop dat in elke regeling wordt afgesproken hoe om te gaan met participatie. Dat kan nog steeds inhouden dat deze mogelijkheid niet geboden wordt, maar dat is dan een bewuste keuze, waar de gemeenteraad mee dient in te stemmen”. Echter, gedurende de behandeling bij de Tweede Kamer is het voorstel geamendeerd middels ‘het Amendement van het lid Bromet over een vaste plek van burgerparticipatie in het verlengd lokaal bestuur’ (Kamerstuk 35513, nr. 10). Conform het amendement is artikel 10, zevende lid, van de Wgr als volgt vormgegeven: “Een regeling als bedoeld in het tweede lid houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop ingezetenen van de deelnemende gemeenten en belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid op grond van deze regeling betrokken worden.” Blijkens de Memorie van Antwoord (Kamerstuk 35513, nr. C) bij de behandeling van het voorstel in de Eerste Kamer heeft de wetgever over het gewijzigde voorstel het volgende overwogen: “[...] Het genoemde amendement zorgt voor een aanscherping van het voorstel dat de regering gedaan heeft. Het originele voorstel liet de ruimte om per regeling een afweging te maken of er mogelijkheden voor participatie zouden komen.
Op grond van dit aangenomen amendement moeten in de regeling bepalingen worden opgenomen over de wijze waarop participatie plaatsvindt. Dat betekent wel dat de invulling per regeling kan verschillen. Het petitierecht lijkt de minimale invulling te zijn. Een inspreekrecht gaat verder. [...]”
Burgemeester en wethouders van Eindhoven,
secretaris
3